[Onderafdeling 1.
Basisbepalingen (ing. Decr. 25 april 2014, art.40, I: 1 maart 2018)]


Art. 6.2.6. De inbreuken, vermeld in artikel 6.2.2, kunnen worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De misdrijven, vermeld in artikel 6.2.1, eerste lid, kunnen worden bestraft door de strafrechter of kunnen worden bestraft met een alternatieve bestuurlijke geldboete.

Art. 6.2.7. § 1. De bestuurlijke geldboete is een sanctie waarbij de gewestelijke entiteit een overtreder ertoe verplicht een geldsom te betalen.

Ze wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk. Er wordt ook rekening gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder stedenbouwkundige inbreuken of misdrijven heeft gepleegd of beëindigd.

§ 2. Op vraag van de overtreder, kan de bestuurlijke geldboete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen.

Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw stedenbouwkundig misdrijf of een nieuwe stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.

Art. 6.2.8. ...

Art. 6.2.9. Onverminderd artikel 6.2.13, § 3, derde lid, zijn de regels die van toepassing zijn op het verval van de strafvordering voor stedenbouwkundige misdrijven, van overeenkomstige toepassing op het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.

Met toepassing van het eerste lid verjaart de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop het stedenbouwkundig misdrijf is gepleegd, of na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd. De verjaring wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen die termijn.

Voor de toepassing van dit artikel wordt het opstellen van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een bevoegde verbalisant steeds beschouwd als een daad van onderzoek. Het betekenen van een voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, wordt steeds beschouwd als een daad van vervolging.

Art. 6.2.10. Voor de toepassing van deze afdeling wordt de betekening met een aangetekende brief geacht te zijn uitgevoerd op de derde werkdag na de afgifte bij de post, behalve in geval van bewijs van het tegendeel.

Art. 6.2.11. § 1. De opgelegde bestuurlijke geldboeten worden door het departement van de Vlaamse overheid geïnd en ingevorderd ten voordele van het Grondfonds. Het voormelde departement is gemachtigd om aan de schuldenaars van opeisbare bestuurlijke geldboetes die bijzondere omstandigheden kunnen bewijzen, uitstel of spreiding van betaling toe te staan.

§ 2. Als de betrokkene in gebreke blijft bij het betalen van de verschuldigde bestuurlijke geldboeten, verhoogd met de invorderingskosten, worden die bedragen bij dwangbevel ingevorderd. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door een ambtenaar die de Vlaamse Regering daarvoor heeft aangewezen.

§ 3. Het dwangbevel wordt aan de schuldenaar bij deurwaardersexploot betekend.

Binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van het dwangbevel kan de schuldenaar verzet doen door het Vlaamse Gewest te laten dagvaarden.

Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Het Vlaamse Gewest kan de rechter verzoeken om de schorsing van de tenuitvoerlegging op te heffen.

§ 4. Op grond van het uitvoerbaar verklaard dwangbevel en tot zekerheid van de voldoening van de opgelegde bestuurlijke geldboeten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de schuldenaar en kan het een wettelijke hypotheek nemen op alle daarvoor vatbare en in het Vlaamse Gewest gelegen of geregistreerde goederen van de schuldenaar.

Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten, vermeld in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet van 16 december 1851, en in artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitvoerbaar verklaarde en betekende dwangbevel. De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaar, vermeld in paragraaf 2. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend wordt verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de betekening ervan.

Artikel 17 van de Faillissementswet van 8 augustus 1997 is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de opgelegde bestuurlijke geldboeten en, in voorkomend geval, de bijbehorende expertisekosten en de opgelegde voordeelontnemingen waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd en waarvan betekening aan de schuldenaar is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.

§ 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van driehonderdvijfenzestig dagen. Die termijn gaat in op de dag die volgt op de dag waarop de bestuurlijke geldboete moest worden betaald. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

§ 6. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor de uitvoering van dit artikel.