Art. 6.2.14. De gewestelijkeentiteit kan een voorstel tot betaling van een geldsom doen als hij van mening is dat volgens de vaststellingen in het verslag van vaststelling of het proces-verbaal onmiskenbaar vaststaat dat de overtreder de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf heeft gepleegd. Het voorstel kan, voor wat stedenbouwkundige misdrijven betreft, eerst worden gedaan na kennisname van een tijdige beslissing in de zin van artikel 6.2.13, 3, derde lid.

De termijn waarin de geldsom betaald moet worden, bedraagt drie maanden. Het voorstel schorst de termijnen, vermeld in artikel 6.2.12, 1, en artikel 6.2.13, 4, tweede lid, tot het einde van de betalingstermijn. Na de betaling van de voorgestelde geldsom is het opleggen van een bestuurlijke geldboete niet langer mogelijk.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel.