Art. 6.4.19. 1. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur, de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester kan, respectievelijk in naam van het Vlaamse Gewest of de gemeente, met de overtreder, overtreders of andere belanghebbenden een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden :
1 het voorwerp van de minnelijke schikking is in overeenstemming met artikel 6.3.1;
2 de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een overeenkomstig hoofdstuk III tussengekomen rechterlijke beslissing noch aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom;
3 de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, behoren toe aan een of meer personen die zich door de minnelijke schikking verbinden;
4 de termijn voor de uitvoering van de herstelmaatregelen bedraagt niet meer dan vijf jaar.

De miskenning van een van de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, heeft van rechtswege de nietigheid van de minnelijke schikking tot gevolg.

2. De minnelijke schikking wordt aangevraagd door de personen die zich door de minnelijke schikking wensen te verbinden, volgens de regels, bepaald door de Vlaamse Regering.

3. Een aanvraag tot minnelijke schikking schorst de verjaring van de herstelvordering. De schorsing vangt aan vanaf de datum van betekening van de aanvraag aan de bevoegde overheid. De schorsing neemt een einde vanaf :
1 de datum waarop de minnelijke schikking tot stand komt conform artikel 6.4.20;
2 de datum waarop de minnelijke schikking wordt geweigerd.