HOOFDSTUK V.
Vergunningenbeleid


Afdeling 1.
Vergunningsplichtige functiewijzigingen


Art. 7.5.1. Tot de dag waarop de door de Vlaamse Regering vast te stellen lijst van vergunningsplichtige functiewijzigingen in werking treedt en met terugwerkende kracht vanaf 9 september 1984, worden eveneens de hierna vermelde gebruikswijzigingen geacht vergunningsplichtig te zijn vanwege de belangrijke ruimtelijke weerslag op de onmiddellijke omgeving :
1 wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een gebied voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, een woongebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit een dancing, het opslaan van schroot, autowrakken of afvalproducten het te koop of in ruil aanbieden van diensten binnen een ruimte die groter is dan driehonderd vierkante meter;
2 wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een industriegebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit het te koop of in ruil aanbieden van goederen of diensten;
3 wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een agrarisch gebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik is niet agrarisch;
4 wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een bufferzone, een groen-, park- of bosgebied of daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit om het even welk gebruik dat anders is dan het oorspronkelijke;
5 wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een recreatiegebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit het permanent bewonen;
6 wanneer de hoofdfunctie van een vergund gebouw gewijzigd wordt, wanneer het gaat om een gebouw, gelegen in een ontginningsgebied of een daarmee gelijkgesteld bestemmingsgebied, en het nieuwe gebruik bestaat uit het opslaan van schroot, autowrakken of afvalproducten.

Afdeling 2.
Planologische attesten


Art. 7.5.2. De aanvragen voor een planologisch attest die bij de bevoegde overheid zijn betekend vr 1 september 2009, worden afgehandeld overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum.

Afdeling 3.
Verkavelingsakkoorden en verkavelingen daterend van vr 22 december 1970


Art. 7.5.3. 1.Verkavelingsakkoorden van vr 22 april 1962 vervallen, behoudens overmacht, als op 1 oktober 1970 geen van de werken is aangevat die in het vermelde akkoord zijn opgenomen in verband met de geplande en in het akkoord aanvaarde aanleg van nieuwe verkeerswegen, wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen.

Als de werken zijn aangevangen, dan vervalt het akkoord als deze werken niet voltooid zijn vr 31 december 1972.

Wanneer de verkavelingen langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg moeten worden uitgevoerd, vervalt het akkoord eveneens als de verkoop van minstens een derde van de percelen niet vr 1 oktober 1970 is geregistreerd.

Deze verkavelingsakkoorden vormen geen basis voor het verlenen van omgevingsvergunningen.

Het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bestaande op basis van dit verkavelingsakkoord vergunde woning, die niet gelegen is in de geigende bestemmingszone, kan echter worden toegestaan.

Om een woning te bouwen op een onbebouwd perceel binnen de omschrijving van een verkavelingsakkoord, kan de vergunningverlenende overheid afwijken van de voorschriften van een gewestplan of een algemeen plan van aanleg als aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1 het ontvangstbewijs van de aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning wordt afgegeven vr 30 april 2006;
2 de aanvraag heeft betrekking op een perceel, gelegen binnen een verkaveling waarvoor het bestuur van de stedenbouw vooraf zijn akkoord heeft gegeven. Enkel een schriftelijk bewijs dat de aanvrager bij zijn aanvraag voegt, kan het bestaan van dit akkoord aantonen;
3 na de vaststelling van het gewestplan zijn binnen nzelfde verkaveling op grond van het verkavelingsakkoord nog stedenbouwkundige vergunningen of gunstige stedenbouwkundige attesten verleend, afwijkend van het gewestplan;
4 de eigenaar op 1 januari 1999 is niet dezelfde als de oorspronkelijke eigenaar op het ogenblik dat het verkavelingsakkoord werd verkregen;
5 de grond waarop de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft, ligt tussen bebouwde percelen of maakt deel uit van een huizengroep.

Art. 7.5.4. Tot het in artikel 7.6.2, 1, derde lid, 4, vermelde deel van het vergunningenregister volledig is opgemaakt door de gemeente en goedgekeurd door het departement, bestaat er een vermoeden dat een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor een niet-bebouwd deel van een verkaveling die dateert van vr 22 december 1970 en die vanaf deze datum geen voorwerp heeft uitgemaakt van een verkavelingswijziging die geleid heeft tot een vermeerdering of een vermindering van het aantal kavels of tot een herverkaveling, vervallen is. Het departement neemt een beslissing over dit deel van het vergunningenregister binnen zestig dagen nadat de gemeente hem daarom verzocht heeft.

In elke gemeente wordt een bericht aangeplakt dat de eigenaars van een niet-bebouwde kavel of meerdere niet-bebouwde kavels in vergunde niet-vervallen verkavelingen die dateren van vr 22 december 1970, oproept om zich te melden bij het college van burgemeester en schepenen. De Vlaamse Regering neemt de nodige maatregelen om te zorgen voor de onmiddellijke aanplakking na de inwerkingtreding van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening op 1 mei 2000 en voor een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid.

Als geen enkele eigenaar van een onbebouwde kavel zich gemeld heeft bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van negentig dagen na 1 mei 2000, dan is de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden voor de onbebouwde kavel of kavels definitief vervallen.

Als een eigenaar zich bij het college van burgemeester en schepenen binnen een termijn van negentig dagen na 1 mei 2000 gemeld heeft, dan gaat het college van burgemeester en schepenen na of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden niet reeds vervallen is met toepassing van de regeling, opgenomen in punt 12 van bijlage 2, Niet in de cordinatie opgenomen bepalingen : wijzigings-, overgangs- en opheffingsbepalingen, alsmede reeds voorbijgestreefde bepalingen , gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 1996 tot cordinatie van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. Alleen als de verkavelingsvergunning nog niet vervallen is, worden alle onbebouwde kavels opgenomen in het vergunningenregister.

Voor die kavels gelden artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, met dien verstande dat de termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, 1, eerste lid, 2, en 2, 2, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vervangen wordt door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000. De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, 2, 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000.

Het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden, vermeld in het eerste lid, die niet moesten worden aangemeld omwille van het feit dat zij vanaf 22 december 1970 het voorwerp hebben uitgemaakt van een verkavelingswijziging die geleid heeft tot een vermeerdering of een vermindering van het aantal kavels of tot een herverkaveling, wordt beoordeeld met toepassing van de regeling, vermeld in het vierde lid.

Art. 7.5.5.

Het verval van een verkavelingsakkoord of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 7.5.4, kan niet worden tegengesteld aan personen die zich op dat verkavelingsakkoord of die omgevingsvergunning beroepen, als ze kunnen aantonen dat de overheid, na het verval, hetzij op grond van of refererend aan het verkavelingsakkoord of die vergunning omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen of stedenbouwkundige attesten heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan. Daarvoor moet voldaan zijn aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1 de vergunningen of attesten zijn verleend voor een of meer kavels van die personen binnen de omschrijving van het verkavelingsakkoord of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden;
2 de vergunningen of attesten zijn door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig bevonden.


[Afdeling 4.
Verval, bijstelling of opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden (verv. decr. 25 april 2014, art. 359)]


Art. 7.5.6.

Artikel 84 tot en met 86, artikel 97 en artikel 102 en 103 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning zijn van toepassing op de omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die verleend zijn vanaf 22 december 1970 en vr 1 mei 2000. De beperking, vermeld in artikel 102, 1, tweede lid, 2, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, geldt evenwel niet voor de verkopen van verkavelingen in hun geheel die een vaste datum hebben verkregen vr 1 september 2009, op voorwaarde dat de overheid hetzij op grond van of refererend aan de omgevingsvergunning stedenbouwkundige attesten of omgevingsvergunningen voor stedenbouwkundige handelingen heeft verleend, hetzij bijstellingen aan de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden heeft toegestaan, als die door de hogere overheid of de rechter niet onrechtmatig zijn bevonden. Dergelijke verkopen in hun geheel konden wel het verval van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden verhinderen. Het voorgaande heeft nooit tot gevolg dat teruggekomen wordt op in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen die tot het verval van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden hebben geleid op grond van het oordeel dat verkopen van verkavelingen in hun geheel niet het verval van een verkaveling kunnen verhinderen.

De termijn van tien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, 1, eerste lid, 2, en 2, 2, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van vijf jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vr 1 mei 2000.

De termijn van vijftien jaar na de afgifte van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, vermeld in artikel 102, 2, 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, wordt vervangen door een termijn van tien jaar vanaf 1 mei 2000, voor niet-vervallen omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden die zijn uitgereikt meer dan vijf jaar vr 1 mei 2000.


Art. 7.5.7.

Artikel 84, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is van toepassing op ruimtelijke uitvoeringsplannen en bijzondere plannen van aanleg die voorlopig zijn vastgesteld of aangenomen vanaf 1 september 2009.

De bijstelling of de opheffing van omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden ingevolge de definitieve vaststelling van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een bijzonder plan van aanleg dat voorlopig is vastgesteld of aangenomen vr 1 september 2009, wordt afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.


Afdeling 5.
Invoering van het vergunningenstelsel van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid


Art. 7.5.8. 1. Beslissingen van het college van burgemeester en schepenen tot toekenning of weigering van een vergunning, genomen vr 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum.

Vergunningsaanvragen die bij het college van burgemeester en schepenen werden betekend vr 1 september 2009, doch waarover het college op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum. De bekendmaking en de uitvoerbaarheid van de genomen beslissingen worden echter geregeld overeenkomstig artikel 4.7.19. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de deputatie op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.21 tot en met 4.7.25.

Vergunningsaanvragen die bij het college van burgemeester en schepenen worden betekend vanaf 1 september 2009, worden volledig behandeld overeenkomstig de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.12 tot en met 4.7.19. De genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de deputatie op grond van de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.21 tot en met 4.7.25.

2. Beslissingen van de deputatie tot toekenning of weigering van een vergunning, genomen vr 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum.

Beroepsdossiers die bij de deputatie werden betekend vr 1 september 2009, doch waarover de deputatie op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum. De bekendmaking en de uitvoerbaarheid van de genomen beslissingen worden echter geregeld overeenkomstig artikel 4.7.23, 3 tot en met 5. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

De regelen van het tweede lid gelden eveneens ten aanzien van beroepsdossiers die bij de deputatie worden betekend vanaf 1 september 2009, op grond van de overgangsregeling, vermeld in 1, eerste lid.

Beroepsdossiers die bij de deputatie worden betekend vanaf 1 september 2009, worden volledig behandeld overeenkomstig de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikelen 4.7.21 tot en met 4.7.25. De genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

3. Beslissingen van de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar tot toekenning of weigering van een vergunning in eerste administratieve aanleg, genomen vr 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum.

Vergunningsaanvragen die bij de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar werden betekend vr 1 september 2009, doch waarover het vergunningverlenend bestuursorgaan op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum. De bekendmaking en de uitvoerbaarheid van de genomen beslissingen worden echter geregeld overeenkomstig artikel 4.7.26, 4, eerste lid, 5, 6 en 7, en tweede lid. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Vergunningsaanvragen die bij de Vlaamse Regering, de gedelegeerde stedenbouwkundige ambtenaar of de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar worden betekend vanaf 1 september 2009, worden volledig behandeld overeenkomstig de regelingen, vastgelegd bij of krachtens artikel 4.7.26. De genomen beslissingen kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

4. Beslissingen van de Vlaamse Regering over administratieve beroepen betreffende de afgifte of de weigering van een vergunning, genomen vr 1 september 2009, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regelen die golden voorafgaand aan die datum.

Beroepsdossiers die bij de Vlaamse Regering werden betekend vr 1 september 2009, doch waarover de Vlaamse Regering op die datum nog niet heeft beslist, worden behandeld, bekendgemaakt, uitgevoerd en desgevallend bestreden overeenkomstig de procedureregelen die golden voorafgaand aan die datum.

De regelen van het tweede lid gelden eveneens ten aanzien van beroepsdossiers die bij de Vlaamse Regering worden betekend vanaf 1 september 2009, op grond van de overgangsregeling, vermeld in 1, eerste lid, of 2, eerste lid en tweede lid.

5. ...

6. De Raad van State blijft bevoegd om zich uit te spreken over de beroepen tot nietigverklaring en tot schorsing, gericht tegen de vergunningsbeslissingen, vermeldin artikel 4.8.2, eerste lid, 1, die niet kunnen worden bestreden bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ingevolge 1 tot en met 4.

Afdeling 6.
Tijdelijke regeling bindende advisering door de wegbeheerder


Art. 7.5.9.

...