HOOFDSTUK VII.
Handhaving


Art. 7.7.1.

De strafrechter kan de herstelvordering die regelmatig bij hem aanhangig is gemaakt en die gegrond is op instandhouding, nog steeds inwilligen als de beklaagde hieraan schuldig wordt bevonden en deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak een stedenbouwkundige inbreuk uitmaakt als vermeld in artikel 6.2.2, 1.

Hetzelfde geldt voor de herstelvordering die gegrond is op het toestaan of aanvaarden door de eigenaar van feiten van instandhouding als vermeld in het eerste lid.

Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur is ingesteld op grond van instandhouding van handelingen kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd als die instandhouding op het ogenblik van de uitspraak geen stedenbouwkundig misdrijf of stedenbouwkundige inbreuk meer uitmaakt.


Art. 7.7.2. Als het recht van de stedenbouwkundige inspecteur of de burgemeester om een herstelvordering in te stellen ontstaan is vr 1 september 2009, beginnen de termijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige misdrijven, vermeld in artikel 6.3.3, 3, pas te lopen vanaf die datum. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan de termijnen, vermeld in artikel 2262bis, 1, tweede en derde lid, van het Burgerlijk Wetboek.

Het eerste lid verhindert de toepassing van artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering niet.

Als de herstelvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing verjaard is verklaard voor de datum van 1 september 2009, vermeld in het eerste lid, kan de inwerkingtreding van het decreet van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid niet tot gevolg hebben dat een nieuwe verjaringstermijn begint te lopen.

Als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vr de inwerkingtreding van artikel 31 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en op die datum niet of verjaard is of verjaard verklaard is bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing, beginnen de verjaringstermijnen voor herstelvorderingen bij stedenbouwkundige inbreuken, vermeld in artikel 6.3.3, 3, te lopen vanaf de inwerkingtreding van artikel 31 van het voormelde decreet, ongeacht wanneer de eerste strafbare handeling of omissie, al dan niet deel uitmakend van feiten die door eenheid van opzet zijn verbonden, is gesteld. De totale duur van de verjaringstermijn mag evenwel niet meer bedragen dan tien jaar in ruimtelijk kwetsbaar gebied en open ruimtegebied en vijf jaar in alle andere gebieden als het tot inbreuk verworden misdrijf is beindigd vr de inwerkingtreding van dat artikel 31.


Art. 7.7.3.

Het Handhavingsplan Ruimtelijke Ordening 2010, vastgesteld door de Vlaamse Regering op 16 juli 2010, blijft van kracht zolang het niet werd vervangen door een Gewestelijk Handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening als vermeld in artikel 6.1.3.


Art. 7.7.4.

Artikel 6.6.1, 3, is niet van toepassing op processen-verbaal van vaststelling van uitvoering als de uitgevoerde herstelmaatregelen zijn opgelegd voor de inwerkingtreding van artikel 55 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.


Art. 7.7.5. Vanaf de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk III, afdeling 1, zoals gewijzigd bij artikelen 55 tot en met 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning nemen de burgemeester en de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur de taken en bevoegdheden over die voor de inwerkingtreding door het college van burgemeester en schepenen werden waargenomen in het kader van titel VI van deze codex, en zetten ze de herstelvorderingen voort die door het college van burgemeester en schepenen werden ingeleid bij het openbaar ministerie of voor de burgerlijke rechter.

Art. 7.7.6. In afwijking van artikel 6.2.6 wordt de voorzetting van handelingen, werken of wijzigingen die voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning zijn vastgesteld, en die in strijd zijn met een stakingsbevel, bestraft conform de bepalingen van artikel 6.1.49 en 6.1.50, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet. Titel VI, hoofdstuk I, afdeling 7, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, blijft onverkort van toepassing op die feiten en op de administratieve geldboete die erop gegrond zijn of worden.

Als de voortzetting van de handelingen, werken of wijzigingen in strijd met een bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding is uitgevoerd voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning en wordt vastgesteld na de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet, wordt er een geldboete opgelegd conform de procedure van onderafdeling 3 van titel VI, hoofdstuk II, afdeling 3, met dien verstande dat de administratieve geldboete niet meer kan bedragen dan bepaald in artikel 6.1.49, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 41 van het voormelde decreet.

Art. 7.7.7. De bepalingen over bestuursdwang en last onder dwangsom, vermeld in titel VI, hoofdstuk IV, afdeling 3 en 4, zijn niet van toepassing als het recht om een herstelvordering in te stellen is ontstaan vr de inwerkingtreding van titel VI, hoofdstuk IV.

Art. 7.7.8. De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een bevel tot staking, dat is gegeven buiten de termijnen, vermeld in artikel 6.4.4, 1, tweede lid, vervallen van rechtswege vanaf de inwerkingtreding van artikel 6.4.4, tenzij dat wordt tegengesproken door een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing.

Art. 7.7.9. De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van de entiteit, bevoegd voor de uitvoering van de handhavingstaken met betrekking tot de ruimtelijke ordening, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vr de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, 1, eerste lid, 1, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.

De aanwijzing door de Vlaamse Regering van de ambtenaren van andere entiteiten middels een protocol, op grond van artikel 6.1.5, zoals van toepassing vr de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, 1, eerste lid, 2, tot aan een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering.

De aanwijzing door de gouverneur van personeelsleden van een gemeente of van een intergemeentelijk samenwerkingsverband op grond van artikel 6.1.5 zoals van toepassing vr de inwerkingtreding van artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt gelijkgesteld met een aanwijzing in artikel 6.2.5/1, 1, eerste lid, 3 en 4, tot aan een andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.

Art. 7.7.10. De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanwijzing als verbalisant ruimtelijke ordening, bedoeld in artikel 6.2.5/1, 1, eerste lid, 1, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beindiging van de aanstelling. De gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur behoudt gedurende de gelijkstelling de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, die hij eerder verkreeg op grond van artikel 6.1.5, vierde lid, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning.

De aanstelling als gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur op grond van artikel 1.4.3, eerste lid, 1, zoals van kracht voor de inwerkingtreding van artikel 4 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, wordt voor de lopende duurtijd van deze aanstelling gelijkgesteld met de aanstelling als gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur, bedoeld in artikel 1.4.9, tweede lid, behoudens een andersluidende beslissing van de Vlaamse Regering tot beindiging van deze aanstelling.

Art. 7.7.11. De zetelende leden van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, worden op de dag van de inwerkingtreding van artikel 61 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, van rechtswege bekleed met een mandaat in de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, behoudens indien zij daar uitdrukkelijk van afzien. In dat geval wordt voor het openstaande mandaat een specifieke oproep tot de kandidaten georganiseerd.

In afwijking van artikel 6.3.9, 1, hebben de mandaten vermeld in het eerste lid, een duurtijd tot en met 24 juli 2020. Enkel de leden die worden aangeduid op grond van een specifieke oproep tot kandidaten worden aangeduid voor een volle en hernieuwbare termijn van vijf jaar.