Besluit van de Vlaamse Regering betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage
Besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20;

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 4.3.4, § 3, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, § 4, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, vervangen bij het decreet van 25 april 2014 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2016, en § 5, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, § 6 en § 7, vierde en vijfde lid, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014, artikel 4.3.8, § 2, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, artikel 4.5.2, § 3, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, en § 5, eerste lid, § 6, en § 7, vierde en vijfde lid, ingevoegd bij het decreet van 25 april 2014;

Gelet op het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, artikel 47ter, § 2, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 28 maart 2014, artikel 49;

Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, artikel 11, § 2, artikel 15, § 1, vierde lid, artikel 21, § 2, en artikel 24, § 1, vijfde lid;

Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, artikel 23, vierde lid, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2015, artikel 36, artikel 50 en artikel 390, § 5, vijfde lid;

Gelet op het decreet van 23 december 2016 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten, artikel 25;

Gelet op het VLAREBO-besluit van 14 december 2007;

Gelet op het VLAREL van 19 november 2010;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;

Gelet op het op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 16 november 2016;

Gelet op advies met nr. 60.785/1 van de Raad van State, gegeven op 10 februari 2017, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw;

Na beraadslaging,

Besluit :

Verslag Vlaamse Regering. 1. INLEIDING

1.1. Krachtlijnen van het besluit

Vooreerst geeft het voorliggende voorontwerp van besluit invulling aan de milieueffectrapportage- en omgevingsveiligheidsrapportageprocedure voorafgaand aan de vergunningsprocedure, t.t.z. de zogenaamde aanmeldingsprocedure met inbegrip van de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER of OVR. Er worden ook nog bepaalde aspecten van de project-MER in de vergunningsprocedure geregeld, met name de advisering van de adviesinstanties van het ontwerp van project-MER in het kader van de vergunningsprocedure.

Verder geeft voorliggend voorontwerp van besluit uitvoering aan het decreet van 14 december 2016 decreet tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten. Het voorontwerp van besluit voorziet hiermee in een verdere omzetting van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna respectievelijk Richtlijn 2014/52/EU en Richtlijn 2011/92/EU genoemd).

Tenslotte worden ook nog diverse wijzigingen doorgevoerd aan het VLAREL.

1.2. Het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning

Op 23 april 2014 werd het decreet betreffende de omgevingsvergunning goedgekeurd in het Vlaams Parlement en vervolgens op 25 april 2014 bekrachtigd en afgekondigd door de Vlaamse Regering.

De belangrijkste krachtlijnen van het decreet wat betreft de milieueffectrapportage over projecten en wat betreft de omgevingsveiligheidsrapportage zijn:

Er wordt voor projecten een kortere, eenvoudigere en minder formele MER-procedure gecreëerd waarbij de MER-procedure voor een deel geïntegreerd wordt in de vergunningsprocedure. Wat betreft de OVR-procedure wordt een gelijkaardige integratiespoorprocedure ingevoerd.

De belangrijkste verschillen van de integratiespoorprocedure ten opzichte van de bestaande procedures beschreven in het DABM zijn:

Wat betreft de MER-procedure:
- de procedure wordt aangevat met een aanmelding;
- het verplicht uitbrengen van een beslissing over de reikwijdte en detailleringsniveau van het MER door de administratie, en het hiervoor raadplegen van de adviesinstanties, gebeurt alleen op verzoek van de initiatiefnemer;
- 1 openbaar onderzoek zowel over de vergunningsaanvraag als over het MER;
- geen goedkeuring van het MER voorafgaand aan de vergunningsaanvraag;
- een niet goedgekeurd rapport gaat in openbaar onderzoek.

Wat betreft de OVR-procedure:
- geen goedkeuring van het OVR voorafgaand aan de vergunningsaanvraag;
- een niet goedgekeurd rapport gaat in openbaar onderzoek.

De door het omgevingsvergunningsdecreet ontwikkelde integratiespoorprocedure moedigt een flexibele aanpak op maat van het project aan. Deze flexibiliteit is er zowel in de verhouding van de initiatiefnemer met de bevoegde administraties als met het betrokken publiek, stakeholders etc.

1.3. Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

Richtlijn 2011/92/EU werd gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van 16 april 2014. Deze richtlijn dient tegen uiterlijk 16 mei 2017 te worden geïmplementeerd in de Vlaamse regelgeving. Deze wijziging werd gedaan om de kwaliteit van de milieueffectbeoordelingsprocedure te verbeteren, de procedure in overeenstemming te brengen met de beginselen van slimme regelgeving en de samenhang en synergieën met de overige wetgeving en beleidsinitiatieven van de Unie, alsmede met de door de lidstaten voor hun bevoegdheidsdomeinen ontwikkelde strategieën en beleidsmaatregelen, te versterken.

Richtlijn 2011/92/EU werd bovendien gewijzigd om te waarborgen dat het milieu beter zou worden beschermd, hulpbronnen efficiënter zouden worden gebruikt en duurzame groei in de Unie zou worden bevorderd. Daartoe moesten de voorziene procedures worden vereenvoudigd en geharmoniseerd.

Het ontwerpdecreet tot wijziging van vier decreten (DABM, Bodemdecreet, Omgevingsvergunningsdecreet en Decreet Complexe Projecten) voor wat de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten betreft, werd reeds twee maal principieel goedgekeurd door de Vlaamse Regering. De adviezen van de adviesraden (SERV, de Minaraad, en SARO) enerzijds dateren van respectievelijk 2 mei 2016, 19 mei en 25 mei 2016. Het advies van de Raad van State anderzijds dateert van 29 september 2016.

1.4. Opbouw van het uitvoeringsbesluit
Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2. - Nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage voorafgaand aan en tijdens de omgevingsvergunningsprocedure
Afdeling 1. - De aanmeldingsprocedure
Onderafdeling 1. - De aanmelding van het voorgenomen project-MER
Onderafdeling 2. - De aanmelding van het voorgenomen OVR
Afdeling 2. - De voorlopige goed- of afkeuring
Afdeling 3. - De vergunningsprocedure
Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming
Hoofdstuk 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu
Hoofdstuk 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten
Hoofdstuk 6. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning
Hoofdstuk 7. - Slotbepalingen

2. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

Hoofdstuk 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1
Dit artikel stelt dat dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

Zie voor meer uitleg bovenvermeld punt 1.3.

Artikel 2
Dit artikel bevat een paar definities. Er worden meer bepaald twee termen gedefinieerd, namelijk deze van administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en van het decreet van 5 april 1995 (hierna: DABM).

Hoofdstuk 2. - Nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage voorafgaand aan en tijdens de omgevingsvergunningsprocedure

Artikel 3
Daar waar de MER-procedure vóór de wijziging van het DABM door middel van het omgevingsvergunningsdecreet werd aangevat met een kennisgevingsprocedure wordt deze nu aangevat met een aanmeldingsprocedure. Artikel 3 stelt dus dat de initiatiefnemer zijn voornemen om een project-MER op te stellen, voorafgaand aan de indiening van de vergunningsaanvraag of de vergunningsaanvragen meldt aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, t.t.z. de diensten Mer en VR, en in voorkomend geval voorafgaand aan het verzoek tot voorlopige goedkeuring.

Artikel 4
§ 1. Artikel 4, § 1 voert artikel 4.3.4, § 4 en § 6 van het DABM uit.

Artikel 4 heeft betrekking op de scopingsprocedure, namelijk de inhoudsafbakening van het op te stellen milieueffectrapport. De scopingsprocedure is momenteel een verplicht te doorlopen procedure voor ieder project. De wijzigingen aangebracht aan het DABM door middel van het omgevingsvergunningsdecreet stappen af van de verplichte inhoudsafbakening van het MER voor ieder project en voorzien enkel in een advies inzake inhoudsafbakening vanwege de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage wanneer de initiatiefnemer deze hierom verzoekt.

Als de aanmelding een verzoek om advies over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.4, § 1, lid 2, 7° en § 4 van het DABM bevat, bezorgt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage het verzoek om advies zo spoedig mogelijk aan de in bijlage vermelde bevoegde administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen. Deze instanties bezorgen hun advies aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage binnen de 30 dagen na ontvangst van het verzoek om advies door de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage. Als een advies niet tijdig wordt verleend, wordt de procedure voortgezet.

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage neemt een beslissing over de aanmelding en bezorgt haar beslissing binnen een termijn van 60 dagen na de datum van ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer en aan de geraadpleegde administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen. Deze termijn kan op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer verlengd worden.

De afstap van een verplichte scopingsprocedure naar een vrijwillige scopingsprocedure voor projecten is in overeenstemming met Richtlijn 2011/92/EU. Artikel 5, lid 2 van Richtlijn 2011/92/EU vereist immers van de lidstaten om de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat, indien de opdrachtgever daarom verzoekt voordat hij een aanvraag om een vergunning indient, de bevoegde instantie advies uitbrengt over de door de opdrachtgever te verstrekken informatie (ttz. het MER). De bevoegde instantie raadpleegt in dit geval de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied met het project te maken kunnen krijgen, voordat zij haar advies uitbrengt.

Het uitgangspunt in de nieuwe milieueffectrapportageprocedure is een flexibele procedure op maat van het project. Het gevolg hiervan is dat de inhoud van de aanmelding in omvang kan verschillen van project tot project. De initiatiefnemer moet er echter mee rekening houden dat de administratie enkel een correct scopingsadvies kan verlenen indien de informatie in de aanmelding zo volledig mogelijk is. Hij heeft er dan ook alle belang bij om in zijn aanmelding een correcte en complete beschrijving te verschaffen van het project, van de te onderzoeken vermoedelijke aanzienlijke effecten voor mens en milieu en van de alternatieven voor het project of voor onderdelen ervan met inbegrip van de methodologie. Enkel in dit geval zal de administratie een volledig en correct advies kunnen uitbrengen over de inhoud van het project-MER en de inhoudelijke aanpak van de milieueffectrapportage, met inbegrip van de methodologie.

§ 2. Artikel 4, § 2 voert artikel 4.3.4, § 2 en § 6 van het DABM uit.

Deze paragraaf heeft betrekking op de eventueel (gewest)grensoverschrijdende procedure. Artikel 4.3.4, § 2 van het DABM en paragraaf 2 van artikel 4 zijn voorzien om in overeenstemming te zijn met Richtlijn 2011/92/EU (cf. artikel 7, lid 1 en 2 van Richtlijn 2011/92/EU).

Als uit de aanmelding blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, dan bezorgt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage zo spoedig mogelijk samen met de informatie, vermeld in artikel 4.3.4, § 2 van het decreet, de vraag aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie of ze hun commentaar aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage kunnen meedelen en dit binnen de 30 dagen. Als er niet tijdig een antwoord wordt verleend, dan wordt de procedure voortgezet.

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage neemt een beslissing en bezorgt haar beslissing binnen een termijn van 60 dagen na de datum van ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer en aan de geraadpleegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten. Deze termijn kan op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer verlengd worden.

§ 3. In alle andere gevallen dan vermeld in de eerste en tweede paragraaf, t.t.z. in de gevallen dat er geen scopingsadvies werd gevraagd door de initiatiefnemer en dat er geen (gewest)grensoverschrijdende aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn, neemt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage een beslissing over de aanmelding en bezorgt haar beslissing binnen een termijn van 20 dagen na de datum van ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer. Deze termijn kan -net zoals de termijn van de bovenvermelde beslissingen- op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer verlengd worden.

Artikel 5
Artikel 5 vermeldt de inhoud van de beslissing van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage over de aanmelding. De inhoud van deze beslissing werd geïnspireerd op de inhoud van de beslissing op het huidig kennisgevingsdossier, vermeld in het huidig artikel 4.3.5, § 1 DABM, met dit verschil dat er nu sprake is over een advies en niet meer over een beslissing.

Artikel 6
Artikel 6 regelt de bekendmaking naar het publiek toe van het aanmeldingsdossier en van de beslissing van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage hierover. Beiden worden bekendgemaakt op de website van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en dit na tussenkomst van de beslissing in kwestie.

Artikel 7 - 10
De artikelen 7 tot en met 10 hebben betrekking op de omgevingsveiligheidsrapportageprocedure (OVR-procedure).

De procedure voorzien in de artikelen 7 tot en met 10 is in grote mate analoog aan de procedure voorzien in de artikelen 3 tot en met 6 voor wat betreft de milieueffectrapportage over projecten. Bedoeling is om de harmonisatie tussen de beide rapportageprocedures die vandaag reeds bestaat, zo nodig nog te vergroten.

Als het project zowel project-MER- als OVR-plichtig is, dan is het overigens aangewezen dat de initiatiefnemer iedere aanmelding in kwestie bij voorkeur gelijktijdig bezorgt aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage in kwestie. Ingeval het een vergunningsaanvraag betreft waarbij zowel een project-MER als een OVR-rapport dient te worden toegevoegd, dient er immers zoveel mogelijk naar gestreefd te worden het procesverloop van beide procedures op elkaar af te stemmen. Een eerste stap hierin is om de aanmeldingsprocedure gelijktijdig op te starten. Zodoende kan er zo nodig een maximale afstemming en/of integratie verkregen worden van het project-MER en het OVR.

Artikel 7
Zie voor meer informatie de toelichting onder artikel 3 die naar analogie van toepassing is.

Artikel 8
§ 1. Artikel 8, § 1 voert artikel 4.5.2, § 4 en § 6 van het DABM uit.

Deze bepaling is geïnspireerd op artikel 4, § 1, met dit verschil dat er in de OVR-procedure geen verplichting is tot de raadpleging van andere bevoegde instanties behalve in het geval van (gewest)grensoverschrijdende gevolgen.

Het uitgangspunt in de integratiespoorprocedure is een flexibele procedure op maat van het project. Het gevolg hiervan is dat de inhoud van de aanmelding in omvang kan verschillen van project tot project. De initiatiefnemer moet er echter mee rekening houden dat de administratie enkel een correct scopingsadvies kan verlenen indien de informatie in de aanmelding zo volledig mogelijk is. Hij heeft er dan ook alle belang bij om in zijn aanmelding een correcte en complete beschrijving te verschaffen van het project, van de inhoudelijke aanpak van het OVR, van de reden van de rapportageplicht van de inrichting en van de eventuele (gewest)grensoverschrijdende effecten. Enkel in dit geval zal de administratie een correct advies kunnen uitbrengen over de inhoud van het OVR en de inhoudelijke aanpak van de rapportage, met inbegrip van de methodologie.

§ 2. Artikel 8, § 2 voert artikel 4.5.2, § 2 en § 6 van het DABM uit.
Deze bepaling is geïnspireerd op artikel 4, § 2, met dit verschil dat het artikel niet verwijst naar de verplichtingen in het kader van het Verdrag van Espoo maar wel naar het Verdrag van Helsinki en dit wanneer er sprake is van een project dat ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het Verdag van Helsinki of in andere gewesten.

§ 3. Zie voor meer informatie de toelichting onder artikel 4, § 3 die naar analogie van toepassing is.

Artikel 9
Artikel 9 vermeldt de inhoud van de beslissing van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage over de aanmelding. De inhoud van deze beslissing werd geïnspireerd op de inhoud van de beslissing op het huidig aanmeldingsdossier, vermeld in het huidig artikel 4.5.3, § 1 DABM, met dit verschil dat er nu sprake is over een advies en niet meer over een beslissing.

Artikel 10
Zie voor meer informatie de toelichting onder artikel 6 die naar analogie van toepassing is.

Artikel 11
Het eerste en tweede lid van artikel 11 voeren respectievelijk artikel 4.3.7, § 7 en 4.5.2, § 7 van het DABM uit en hebben respectievelijk betrekking op de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER en het OVR.

De mogelijkheid werd door middel van de artikelen 4.3.7, § 7 en 4.5.2, § 7 van het DABM voorzien voor initiatiefnemers om voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag het voltooide project-MER respectievelijk OVR te bezorgen aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, t.t.z. de dienst MER respectievelijk dienst VR, met het oog op het bekomen van een voorlopige goedkeuring. De initiatiefnemer kan er dus voor opteren om voorafgaand aan het indienen van de vergunningsaanvraag de kwaliteit van het project-MER respectievelijk OVR bij de dienst MER respectievelijk VR af te toetsen.

Het spreekt voor zich dat de diensten MER en VR hun voorlopige beoordeling over het project-MER respectievelijk OVR in het voortraject pas zullen wijzigen indien er in het kader van de vergunningsprocedure nieuwe relevante elementen zijn tussengekomen, die op het ogenblik van het voormelde beslissing nog niet bekend waren (bv. relevante opmerkingen in het kader van het openbaar onderzoek, nieuwe studies, etc).

Artikel 11 preciseert dat de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage het project-MER respectievelijk OVR binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst ervan, voorlopig goed- of afkeurt waarna ze de beslissing vervolgens binnen een termijn van veertig dagen na de ontvangst ervan aan de initiatiefnemer bezorgt. Deze termijn kan op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer verlengd worden.

Artikel 12
Artikel 12 heeft betrekking op de vergunningsprocedure en regelt meer bepaald de advisering van de adviesinstanties door de dienst MER over het ontwerp van project-MER in het kader van de vergunningsprocedure. Artikel 12 preciseert het tijdstip van deze adviesverlening en preciseert eveneens welke adviesinstanties door de dienst MER dienen geraadpleegd te worden. Zo dienen de relevante bevoegde instanties vermeld in de bijlage bij dit besluit te worden geraadpleegd.

Hoofdstuk 3. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming (VLAREBO)

Artikel 13
In artikel 78/1 van het VLAREBO wordt o.m. de zinsnede "milieueffectrapportage," vervangen door de zinsnede "milieueffectrapportage en de adviesverlenende instanties, vermeld in artikel 83, 1° en 2°, en artikel 84,". Dit wordt gedaan met het oog op de volledige implementatie van artikel 5, lid 2 van Richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/52/EU, dat stelt dat de bevoegde instantie voorafgaand aan haar scopingsadvies de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties raadpleegt. Het artikel 6, lid 1, op haar beurt spreekt over de "instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen".

Artikel 14
Aan artikel 86, tweede lid, van het VLAREBO, wordt toegevoegd dat als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een project-MER vereist is het bodemsaneringsproject gedurende diezelfde periode van dertig dagen ook digitaal geraadpleegd kan worden op de website van de OVAM. Dit is een omzetting van artikel 6, lid 2 en lid 5 van Richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/52/EU.

Hoofdstuk 4. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL)

In de Richtlijn 2014/52/EU worden een aantal andere accenten gelegd m.b.t. de disciplines en milieuthema's die in het MER moeten worden uitgewerkt.

Bij de evaluatie van de huidige voorziene disciplines en deeldomeinen binnen het systeem van de erkenning als MER-deskundige blijkt dat vooral de uitbreiding van `Fauna en flora' naar `Biodiversiteit' in de richtlijn een rechtstreekse impact heeft op het huidige erkenningensysteem. De discipline fauna en flora dient namelijk vervangen te worden door de discipline biodiversiteit.

Daarnaast bleek uit de praktijk dat een aantal optimalisaties met betrekking tot de discipline `Mens', deeldomeinen toxicologie en psychosomatische aspecten en de discipline `Licht, Warmte en Elektromagnetische golven' mogelijk waren. Deze wijzigingen zullen zes maanden na de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van huidig ontwerpbesluit in werking treden. Op deze wijze is er voor de erkende MER-deskundigen voldoende tijd om de eigen werking aan te passen aan deze wijzigingen.

Deze geplande wijzigingen lagen voor in een publieke consultatie op de website van de dienst MER van 26 augustus tot en met 9 september 2016.

Artikel 15
Artikel 15 wijzigt de erkenning van verschillende disciplines voor MER-deskundigen in artikel 6 van het VLAREL. Het gaat om de volgende wijzigingen:
1° De deeldomeinen `toxicologie, psychosomatische aspecten' waaruit de discipline `mens' onder meer bestaat worden samengevoegd naar het deeldomein `gezondheid'. In het nieuwe richtlijnensysteem van de dienst MER voor de discipline `Mens-gezondheid' wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen toxicologische en psychosomatische aspecten maar wordt de discipline `Mens-gezondheid' als volgt omschreven: `Het deel van de milieueffectrapportage, dat zich bezighoudt met het verzamelen, verwerken en interpreteren van informatie over wijzigingen in de leefomgeving teneinde de gevolgen, op korte en lange termijn, voor de volksgezondheid in te schatten.' De Europese project-m.e.r.-richtlijn (2014/52/EU) spreekt over invloed op de menselijke gezondheid. De begrippen `toxicologie' en `psychosomatische aspecten' komen hierin ook niet afzonderlijk voor.

De Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) definieert gezondheid als: "Health is a state of complete physical, mental and social well-being and not merely the absence of disease or infirmity". Deze brede definitie impliceert dat bij milieueffecten-inschattingen, naast de directe impact van stressoren, ook rekening moet worden gehouden met de bestaande situatie, de effecten op langere termijn, de sociale context, met indirecte psychosomatische effecten en de publieke perceptie. In grote lijnen omvat `gezondheid' in MER's volgende aspecten: toxicologie, psychosomatiek en hinder. Bijgevolg omvat de term `gezondheid' zowel de toxicologische-, hinder- als psychosomatische aspecten en is het aangewezen om deze samen te voegen in één deeldomein. Uit de praktijk blijkt overigens dat in een MER deze deeldomeinen zelden of nooit afzonderlijk aangevraagd worden als sleuteldiscipline.
2° De naam van de discipline fauna en flora wordt veranderd naar discipline biodiversiteit. Richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/52/EU, spreekt over biodiversiteit. Fauna en flora wordt enkel vermeld als voorbeeld bij biodiversiteit. Biodiversiteit moet dus ruimer beschouwd worden. Deze wijziging is een letterlijke overname van de EU-richtlijn.
3° De discipline licht, warmte en elektromagnetische golven wordt geschrapt:

In het nieuwe richtlijnensysteem Mens-gezondheid worden ook de stressoren licht, warmte en elektromagnetische golven meegenomen. De effectbeoordeling hiervan wordt geïntegreerd in de discipline mens-gezondheid en moet uitgewerkt worden door de MER-deskundige in de discipline Mens, deeldomein gezondheid in het MER. De effecten naar fauna en flora/biodiversiteit worden meegenomen in de specifieke discipline en het bijhorende richtlijnenboek. Bijgevolg is een afzonderlijke erkenning voor de discipline licht, warmte en elektromagnetische golven niet noodzakelijk en heeft het geen meerwaarde.

Vanuit Richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/52/EU, zijn milieueffecten van het project ten gevolge van licht, warmte en golven te onderzoeken aspecten maar zoals hierboven aangegeven wordt dit thema verwerkt in andere disciplines.

Uit de enige MER's waarbij deze discipline in de praktijk relevant is, namelijk MER's voor hoogspanningsleidingen, blijkt dat bijvoorbeeld technische gegevens en berekening van contouren gebeurt door de initiatiefnemer zelf. De deskundigen moeten het aantal bewoners binnen de berekende contouren bepalen en de cumulatie met andere hoogspanningsleidingen. De beoordeling gebeurt onder de discipline mens en kan bijgevolg beter standaard geïntegreerd worden hierin zoals ook in het nieuwe richtlijnensysteem is opgenomen.

Artikel 16
In artikel 28, § 2, eerste lid, 2°, van het VLAREL wordt aangeduid bij welke overheidsorganen de afdeling Milieuvergunningen advies moet inwinnen voor aanvragen tot erkenning als MER-deskundige naargelang de aangevraagde discipline(s). De vermelde disciplines en deeldomeinen worden afgestemd op de wijzigingen aan artikel 6 van het VLAREL inzake de categorieën van erkenningen die met artikel 15 van dit besluit worden doorgevoerd.

Artikel 17
Artikel 17 bepaalt dat paragraaf 2 van artikel 103 van het VLAREL wordt opgeheven.

De in paragraaf 2 van artikel 103 vervatte overgangsbepaling i.v.m. de discipline licht, warmte en elektromagnetische golven is immers niet meer relevant.

Artikel 18
Dit artikel voegt een artikel 103/4 en 103/5 toe in het VLAREL.

Het nieuwe artikel 103/4 van het VLAREL vooreerst stelt dat een MER-deskundige die op de datum van de 23 februari 2017 erkend is in de discipline fauna en flora, met toepassing van dit besluit erkend is als een MER-deskundige in de discipline biodiversiteit. Biodiversiteit maakte immers reeds deel uit van de onderwerpen die aan bod moeten komen om in aanmerking te komen voor een erkenning als MER-deskundige in de discipline fauna en flora. Bijgevolg kan gesteld worden dat een erkende MER-deskundige in de discipline fauna en flora geen verdere opleiding of ervaring moet voorleggen om erkend te worden als MER-deskundige in de discipline biodiversiteit aangezien zij de vereiste kennis reeds bezitten.

Het nieuwe artikel 103/5 van het VLAREL vervolgens bestaat uit drie paragrafen die het volgende bepalen:
" § 1. De bestaande erkenningen voor MER-deskundigen op grond van artikel 6, 1°, d), 6), van dit besluit houden op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad."

Gezien er in de praktijk bij de uitwerking van een MER zelden tot nooit een erkende MER-deskundige in de discipline licht, warmte en elektromagnetische golven gevraagd wordt en dit aspect uitgewerkt wordt door MER-deskundigen van andere disciplines en de MER-coördinator, wordt er niet langer voorzien in een erkenning als MER-deskundige in deze discipline. Om dezelfde reden worden ook tegelijkertijd de bestaande erkenningen in deze discipline opgeheven.

Het aantal MER-deskundigen erkend in deze discipline is gezien de geringe vraag naar deze deskundigen ook zeer beperkt. Rekening houdend met deze geringe vraag en het feit dat deze MER-deskundigen ook erkend zijn in één of meerdere andere disciplines of niet meer actief zijn in de milieueffectrapportage, is de impact van het opheffen van de erkenning op deze personen ook zeer beperkt.
" § 2. Een MER-deskundige die uiterlijk zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in zowel de discipline mens, deeldomein toxicologie, als de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid.

Een MER-deskundige die uiterlijk zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in ofwel de discipline mens, deeldomein toxicologie, ofwel de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, kan in afwijking van artikel 12, § 1, 2° en 3°, op basis van een aanvraag die ingediend is vóór die datum, erkend worden als MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid, op voorwaarde dat hij met gunstig gevolg een opleiding genoten heeft van minstens dertig uur over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie of minstens vijf jaar praktische ervaring heeft met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie. De bestaande erkenning als MER-deskundige in de discipline mens voor respectievelijk het deeldomein toxicologie en het deeldomein psychosomatische aspecten houdt op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad."

De MER-deskundigen in de discipline mens die reeds erkend zijn in de deeldomeinen toxicologie en psychosomatische aspecten worden zes maanden na de datum van bekendmaking van huidig ontwerpbesluit in het Belgisch Staatsblad automatisch erkend in de discipline mens, deeldomein gezondheid gezien het deeldomein gezondheid een samenvoeging is van de twee deeldomeinen en zij bijgevolg reeds de nodige praktische ervaring en kennis hebben om voor het deeldomein gezondheid erkend te kunnen worden.

De MER-deskundigen die slechts erkend zijn in één van beide deeldomeinen kunnen erkend worden als MER-deskundige in de discipline mens, gezondheid mits zij met betrekking tot het andere deeldomein een zekere opleiding hebben genoten met gunstig gevolg of een zekere praktische ervaring hebben opgedaan tijdens hun carrière. De bijkomende opleiding/ervaring is nodig om tegemoet te komen aan de kennis en ervaring die nodig is voor het deeldomein waarvoor zij niet erkend zijn.

Artikel 19
Dit artikel wijzigt bijlage 9, punt 2°, van het VLAREL op de volgende wijze:
1° in de inleidende zin wordt de zinsnede "de discipline licht, warmte en elektromagnetische golven en" opgeheven.
Deze uitzondering inzake de discipline licht, warmte en elektromagnetische golven is niet meer relevant door het verdwijnen van de erkenning als MER-deskundige in deze discipline.
2° in punt a) wordt punt 1) volledig vervangen.
Door het samenvoegen van de deeldomeinen toxicologie en psychosomatische aspecten werden de opleidingen voor beide deeldomeinen samengevoegd en gebundeld. Hierbij werd ook rekening gehouden met het vernieuwde richtlijnenboek voor de discipline `Mens-gezondheid', en met het verdwijnen van de aparte discipline licht, warmte en elektromagnetische golven waardoor nieuwe onderwerpen inzake deze discipline worden toegevoegd. Reeds erkende MER-deskundigen worden verwacht om hun kennis hieromtrent te verruimen als onderdeel van de verplichte jaarlijkse bijscholing (art. 38, 3° van het VLAREL). Dit kan bijvoorbeeld door een opleiding te volgen die zal georganiseerd worden door de dienst MER.
3° in punt a) wordt punt 2) opgeheven.
Punt 2) is niet meer relevant door het samenvoegen van de deeldomeinen toxicologie en psychosomatische aspecten.
4° in punt b) worden de woorden "fauna en flora" telkens vervangen door het woord "biodiversiteit"
De vermelding van de discipline wordt afgestemd op de wijzigingen aan artikel 6 van het VLAREL inzake de categorieën van erkenningen, die met dit besluit worden doorgevoerd. Er wordt een opleiding voorzien voor huidige en toekomstige MER-deskundigen biodiversiteit door de dienst MER.
5° punt f) wordt opgeheven.
Punt f) is niet meer relevant door het verdwijnen van de discipline licht, warmte en elektromagnetische golven.

Hoofdstuk 5. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten (Besluit Complexe Projecten)

Artikel 20 en 21
In artikel 12 en artikel 19 van het Besluit Complexe Projecten, die respectievelijk betrekking hebben op het voorontwerp van voorkeursbesluit en het voorontwerp van projectbesluit, worden die wijzigingen aangebracht met het oog op de verduidelijking dat inderdaad tevens het ontwerp van MER voor advies wordt voorgelegd aan de adviesinstanties samen met het voorontwerp van voorkeursbesluit respectievelijk projectbesluit.

Artikel 22
Aan artikel 22, § 1, van het Besluit Complexe Projecten wordt toegevoegd dat het ontwerp van voorkeursbesluit of projectbesluit samen met het ontwerp van MER en met uitzondering van de door een architect opgemaakte auteursrechtelijk beschermde plannen en de documenten die aan de openbaarheid worden onttrokken, ook digitaal geraadpleegd kan worden op de website van de bevoegde overheid of in voorkomend geval de website die specifiek voor het project in kwestie is ontwikkeld. Dit is een omzetting van artikel 6, lid 2 en lid 5 van Richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/52/EU.

Hoofdstuk 6. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (Omgevingsvergunningsbesluit)

Artikel 23
Aan artikel 15 van het Omgevingsvergunningsbesluit wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die stelt dat zowel het bevoegde bestuur als de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, als dat nodig is de vergunningsaanvrager om aanvullende informatie verzoeken, overeenkomstig bijlage IIbis van het DABM, die rechtstreeks ter zake doet om te komen tot de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project. Deze bepaling betreft een omzetting van artikel 5, lid 3, c) van Richtlijn 2011/92/EU, zoals ingevoegd door Richtlijn 2014/52/EU.

Artikel 24
Aan artikel 24 van het Omgevingsvergunningsbesluit wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die bepaalt dat als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat, ze, met uitzondering van de door een architect opgemaakte auteursrechtelijk beschermde plannen en de documenten die aan de openbaarheid worden onttrokken, digitaal geraadpleegd kan worden via het omgevingsloket. Dit is een omzetting van artikel 6, lid 2 en 5 van Richtlijn 2011/92/EU, zoals gewijzigd door Richtlijn 2014/52/EU.

Artikel 25
Artikel 25 vervangt punt 5° in artikel 48, § 1, van het Omgevingsvergunningsbesluit en voegt een punt 5° /1 toe in hetzelfde artikel. Het artikel 48, § 1 van het Omgevingsvergunningsbesluit bevat de inhoud van de beslissing over de omgevingsvergunningsaanvraag. De toevoegingen door middel van punt 5° /1 betreffen in essentie een omzetting van enerzijds artikel 1, lid 2, g) en anderzijds artikel 8bis, lid 1 en lid 4, van Richtlijn 2011/92/EU, zoals ingevoegd door Richtlijn 2014/52/EU, die betrekking hebben op respectievelijk de definitie van gemotiveerde conclusie, de inhoudsvereisten van het besluit om een vergunning te verlenen en op de monitoring van de aanzienlijke nadelige milieueffecten.

Artikel 26 en 27
Artikel 26 en 27 brengen identieke wijzigingen aan aan respectievelijk het artikel 66 en 81 van het Omgevingsvergunningsbesluit die respectievelijk betrekking hebben op de gewone en de vereenvoudigde vergunningsprocedure. Deze laatste artikelen hebben betrekking op het onderzoek over de project-m.e.r.-screening naar aanleiding van de ontvankelijkheid en de volledigheid van de vergunningsaanvraag door het bevoegde bestuur. De nieuw ingevoegde leden bepalen dat als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld het resultaat van het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek in voorkomend geval de belangrijkste redenen bevat waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van bijlage II van het DABM. Als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, bevat het de belangrijkste redenen waarom geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van de lijst van bijlage II het DABM, en, als de aanvrager deze heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

Deze motiveringsverplichting betreft een omzetting van de motiveringsverplichting van de screeningsbeslissing van de in bijlage II van Richtlijn 2011/92/EU genoemde projecten, ingevoegd in het nieuwe lid 5 van artikel 4 van Richtlijn 2011/92/EU.

Artikel 28
Artikel 28 brengt eenzelfde wijzigingen aan als deze doorgevoerd door de artikelen 26 en 27 van huidig ontwerp van besluit maar nu aan het artikel 787 van het Omgevingsvergunningsbesluit. Dit laatste artikel heeft betrekking op het onderzoek van de mededeling met de vraag tot omzetting van een milieuvergunning van bepaalde naar onbepaalde duur, naar het vereiste van een milieueffectrapport. Aan deze mededeling wordt desgevallend een project-m.e.r.-screeningsnota gevoegd. Voor meer informatie over de motiveringsverplichting toegevoegd bij huidig artikel wordt verwezen naar de toelichting bij de artikelen 26 en 27 van huidig ontwerp van besluit.

Artikel 29
Artikel 29 voert een louter wetgevingstechnische aanpassing door aan het artikel 788, eerste lid, van het Omgevingsvergunningsbesluit.

Hoofdstuk 7. - Slotbepalingen

Artikel 30
Het decreet van 23 december 2016 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten, treedt op dezelfde dag in werking als het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijnde op datum van 23 februari 2017.

Het is aangewezen om het decreet in kwestie op hetzelfde ogenblik te laten in werking treden als het Omgevingsvergunningsdecreet en -besluit, zijnde op datum van 23 februari 2017. Het wordt namelijk wenselijk geacht om de inwerkingtreding van beide decreten met elkaar te laten samensporen. Beide decreten voeren immers significante wijzigingen aan de project-m.e.r.-procedure. Het wordt niet wenselijk geacht om de initiatiefnemers, het betrokken publiek, de adviesinstanties en andere betrokken doelgroepen te confronteren met 2 verschillende overgangstermijnen en data van inwerkingtreding met enkel 3 maanden verschil.

Artikel 31
Dit artikel regelt de datum van inwerkingtreding van huidig ontwerpbesluit. Gelet op de samenhang zal huidig ontwerp van besluit, met uitzondering van de artikelen 15, punt 1° en 3°, 16, punt 1°, 2° en 4°, 17 en 19, punt 1°, 2°, 3° en 5°, op hetzelfde ogenblik in werking treden als het Omgevingsvergunningsbesluit, hetwelk in werking zal treden op datum van 23 februari 2017. Zie tevens de toelichting onder artikel 30.

De artikelen 15, punt 1° en 3°, 16, punt 1°, 2° en 4°, 17 en 19, punt 1°, 2°, 3° en 5° van dit besluit treden in werking zes maanden na de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch staatsblad. De artikelen in kwestie hebben betrekking op wijzigingen aan het VLAREL.

De overgangstermijn in kwestie van zes maanden is van toepassing op het opheffen van de bestaande erkenningen in de discipline Licht, Warmte en Elektromagnetische golven en het omzetten van de bestaande erkenningen in de discipline Mens, deeldomeinen toxicologie en psychosomatische aspecten naar deeldomein gezondheid. Voor deze is de overgangstermijn zeker belangrijk gezien de deskundige die slechts voor één deeldomein erkend is de kans moet hebben om de nodige opleidingen te kunnen volgen.

De overgangstermijn van zes maanden is daarentegen niet van toepassing op de erkenningen voor wat betreft discipline Fauna en flora/Biodiversiteit. De discipline Fauna en flora wordt met onmiddellijke ingang omgezet naar biodiversiteit. Op deze manier wordt tijdig uitvoering gegeven aan de omzetting van de project-m.e.r.-richtlijn 2014/52/EU, waarin eveneens gesproken wordt over biodiversiteit en niet louter meer over fauna en flora.

Artikel 32
Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.

Advies Raad van State. ADVIES 60.785/1 VAN 10 FEBRUARI 2017 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN BESLUIT VAN DE VLAAMSE REGERING `BETREFFENDE NADERE REGELS VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE OVER PROJECTEN EN VOOR DE OMGEVINGSVEILIGHEIDSRAPPORTAGE '

Op 4 januari 2017 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw verzocht binnen een termijn van dertig dagen, verlengd tot 10 februari 2017, een advies te verstrekken over een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage '.

Het ontwerp is door de eerste kamer onderzocht op 2 februari 2017.

De kamer was samengesteld uit Marnix Van Damme, kamervoorzitter, Wilfried Van Vaerenbergh en Wouter Pas, staatsraden, Marc Rigaux en Michel Tison, assessoren, en Wim Geurts, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Dries Van Eeckhoutte, auditeur.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 10 februari 2017.

1. Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, heeft de afdeling Wetgeving zich toegespitst op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond, alsmede van de vraag of aan de te vervullen vormvereisten is voldaan.

Strekking en rechtsgrond van het ontwerp

2.1. Het om advies voorgelegde ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering geeft vooreerst invulling aan de procedure inzake milieueffectrapport (hierna: MER) en omgevingsveiligheidsrapport (hierna: OVR) die voorafgaat aan de vergunningsprocedure, inzonderheid wat betreft de zogenaamde aanmeldingsprocedure (artikelen 3 tot 10 van het ontwerp), met inbegrip van de voorlopige goed- of afkeuring van het project-MER of het OVR (artikel 11 van het ontwerp). Ook worden bepaalde aspecten van het project-MER in de vergunningsprocedure geregeld, met name de advisering door de adviesinstanties van het ontwerp van project-MER (artikel 12 van het ontwerp).

Daarnaast wordt uitvoering gegeven aan het decreet `tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten', dat op 14 december 2016 in plenaire vergadering van het Vlaams Parlement is aangenomen. Daartoe worden wijzigingen aangebracht in het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 `tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten' en het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 `tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning'.

Ten slotte worden diverse wijzigingen aangebracht in het VLAREL van 19 november 2010.

2.2. De aldus ontworpen regeling beoogt de nadere omzetting van richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 `tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'.

3. Zoals uit de aanhef van het ontwerp blijkt, vindt de ontworpen regeling rechtsgrond in tal van bepalingen van diverse decreten. Met het oog op het onderzoek van de rechtsgrond voor het ontwerp, heeft de gemachtigde een tabel bezorgd waarin voor elke bepaling van het ontwerp de specifieke rechtsgrond biedende decretale bepaling is aangeduid. De Raad van State, afdeling Wetgeving, heeft die tabel als uitgangspunt genomen voor zijn onderzoek. Wat betreft de verwijzing naar de rechtsgrond in de aanhef van het ontwerp, dient dan het volgende te worden opgemerkt:
- in een nieuw eerste lid dient een verwijzing te worden opgenomen naar artikel 20 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 `tot hervorming der instellingen';
- in het huidige eerste lid van de aanhef, moeten de verwijzingen naar artikel 4.3.3, § 2, eerste lid, artikel 4.3.4, § 1, vierde lid, en 4.5.2, § 1, vierde lid, van het decreet van 5 april 1995 `houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid' (hierna: DABM) worden geschrapt, en dient te worden vermeld dat artikel 4.3.4, § 4, van dat decreet werd gewijzigd door het decreet waarnaar wordt verwezen in het huidige vijfde lid van de aanhef;
- in het huidige tweede lid van de aanhef, dient de verwijzing naar artikel 48 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 te worden geschrapt;
- in het huidige derde lid van de aanhef, dient een verwijzing te worden toegevoegd naar artikel 15, § 1, vierde lid, van het decreet van 25 april 2014 `betreffende complexe projecten';
- in het huidige vierde lid van de aanhef, dient de verwijzing naar artikel 33 van het decreet van 25 april 2014 `betreffende de omgevingsvergunning' te worden geschrapt en een verwijzing naar artikel 390, § 5, vijfde lid, van dat decreet te worden toegevoegd;
- in het huidige vijfde lid van de aanhef, dient de datum van 14 december 2016 te worden vervangen door de datum waarop het bedoelde decreet zal worden bekrachtigd en afgekondigd, en dient de verwijzing naar artikel 24 van dat decreet te worden vervangen door de verwijzing naar artikel 25 van dat decreet.

Onderzoek van de tekst

Algemene opmerking

4. In verschillende artikelen van het ontwerp worden decretale bepalingen gedeeltelijk overgenomen of geparafraseerd.

Bepalingen van een hogere regeling in herinnering brengen door ze over te nemen of te parafraseren in een lagere regeling dient te worden vermeden. Niet alleen is een dergelijke werkwijze op het normatieve vlak overbodig aangezien ze geen nieuwe norm tot stand brengt, maar bovendien kan ze tot verwarring leiden over de precieze aard van het in de lagere regeling opgenomen voorschrift en kan ze inzonderheid aanleiding ertoe zijn dat later uit het oog wordt verloren dat alleen de hogere regelgever het betreffende voorschrift kan wijzigen. Een herhaling van decretale bepalingen in een besluit van de Vlaamse Regering kan dan ook alleen maar worden gedoogd in zoverre zulks noodzakelijk is voor de leesbaarheid van dat besluit, in welk geval een uitdrukkelijke verwijzing naar de relevante decreetsbepaling het aangewezen middel zal zijn om de aard van die bepaling herkenbaar te houden ("conform artikel ... van het decreet").

De redactie van de betrokken bepalingen van het ontwerp moet op de voornoemde wijze worden aangepast en de inhoud ervan moet in overeenstemming zijn met die van de overgenomen hogere regel.

Zo dient te worden verwezen naar de specifieke decreetsbepaling die de overgenomen of geparafraseerde regeling bevat. In het licht daarvan moeten de volgende verwijzingen worden aangepast:
- in artikel 4, § 1, eerste lid, van het ontwerp dient de verwijzing naar "artikel 4.3.7" te worden vervangen door de verwijzing naar "artikel 4.3.4, § 1, lid 2, 7° en § 4";
- in artikel 5, eerste lid, 1°, van het ontwerp dient de verwijzing naar "artikel 4.3.6" te worden vervangen door de verwijzing naar "artikel 4.3.4, § 3";
- in artikel 5, eerste lid, 2°, van het ontwerp dient de verwijzing naar "artikel 4.3.7" te worden vervangen door de verwijzing naar "artikel 4.3.4, § 4";
- in artikel 8, § 1, van het ontwerp dient de verwijzing naar "artikel 4.5.6" te worden vervangen door de verwijzing naar "artikel 4.5.2, § 1, lid 2, 8° ";
- in artikel 9, eerste lid, 1°, van het ontwerp dient de verwijzing naar "artikel 4.5.5" te worden vervangen door de verwijzing naar "artikel 4.5.2, § 3".

Artikel 3

5.1. De terminologie gehanteerd in artikel 3 van het ontwerp ("De initiatiefnemer bezorgt de aanmelding van zijn voornemen..."), stemt niet geheel overeen met deze gehanteerd in het DABM, wat aanleiding kan geven tot verwarring over de precieze draagwijdte van bedoelde verplichting. Men vervange dan ook de woorden "bezorgt de aanmelding van" door het woord "meldt".

5.2. Dezelfde opmerking geldt mutatis mutandis voor artikel 7 van het ontwerp.

Artikel 4

6.1. Ingeval de aanmelding een verzoek om advies over de te verstrekken informatie bevat, dan moet de administratie overeenkomstig artikel 4.3.4, § 4, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 een afschrift van de aanmelding bezorgen aan de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die de Vlaamse Regering heeft aangewezen.

In artikel 4, § 1, eerste lid, van het ontwerp wordt bepaald dat "de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage het verzoek om advies zo spoedig mogelijk [bezorgt] aan de bevoegde administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in het tweede lid".

Artikel 4, § 1, tweede lid, van het ontwerp bepaalt:
"De betrokken instanties, vermeld in het eerste lid, zijn afhankelijk van de ligging en de mogelijk te verwachten aanzienlijke effecten van het voorgenomen project op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de mobiliteit."

6.2. Erop gewezen dat de tekst van artikel 4 van het ontwerp op dit punt niet lijkt te stroken met het gegeven dat volgens artikel 4.3.4, § 4, eerste lid, van het decreet van 5 april 1995 de Vlaamse Regering de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen moet aanwijzen, antwoordde de gemachtigde:
"De selectie van adviesinstanties werd bewust flexibel gehouden om een procedure op maat mogelijk te maken, hetgeen ook één van de pijlers is van de nieuwe integratiespoorprocedure. De relevante adviesinstanties dienen geval per geval gekozen te worden in functie van de specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied van de instanties of in functie van de lokale of regionale bevoegdheden van de instanties."

6.3. Spijts deze toelichting van de gemachtigde, moet worden vastgesteld dat een selectie van adviesinstanties "geval per geval" door de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage niet in overeenstemming is met de voornoemde decretale bepaling, waarin uitdrukkelijk aan de Vlaamse Regering wordt opgedragen om de administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen waaraan advies moet worden gevraagd aan te wijzen. Dit laatste veronderstelt immers een normatieve handeling uitgaande van de Vlaamse Regering waarbij bedoelde instanties worden aangewezen. Een aanwijzing "geval per geval" door een administratieve dienst is daarmee niet in overeenstemming.

6.4. Volgens artikel 4, lid 2, juncto artikel 6, lid 1, van Richtlijn 2011/92/EU moeten alle instanties "die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen om advies uit te brengen". Het criterium van de "te verwachten aanzienlijke effecten", opgenomen in artikel 4, § 1, tweede lid, van het ontwerp, is daarmee niet in overeenstemming.

6.5. De ontworpen regeling zal moeten worden aangepast in het licht van de voorgaande opmerkingen.

6.6. Die opmerkingen gelden mutatis mutandis ook voor artikel 12 van het ontwerp.

Artikel 6

7.1. In artikel 6 van het ontwerp moeten de woorden "zijn voornemen" worden vervangen door de woorden "het voornemen".

7.2. Deze opmerking geldt mutatis mutandis ook voor artikel 10 van het ontwerp.

Artikel 12

8. Zoals door de gemachtigde wordt bevestigd, dient de zinsnede "kan ze het project-MER op haar beurt met het oog op advies bezorgen aan..." worden vervangen door de zinsnede "bezorgt ze het project-MER op haar beurt met het oog op advies aan ...".

Artikel 13

9. In het licht van de om te zetten richtlijn zijn de door OVAM te raadplegen instanties in artikel 13, 2°, van het ontwerp te beperkend gedefinieerd. Er dient niet enkel te worden verwezen naar de adviesverlenende instanties vermeld in punt 1° van artikel 83 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, maar ook naar deze vermeld in punt 2° van deze laatste bepaling.

Artikel 18

10. In het bij artikel 18 ontworpen artikelen 103/4 van het VLAREL wordt verwezen naar "de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van ...". Volgens het Verslag aan de Vlaamse Regering wordt hiermee het thans voorliggende ontwerpbesluit beoogd. Aangezien de inwerkingtreding van het thans voorliggende besluit is bepaald op 23 februari 2017 (artikel 31 van het ontwerp), verdient het aanbeveling om de woorden "de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van ..." te vervangen door de datum van 23 februari 2017.

Artikel 23

11. In het licht van de om te zetten richtlijn dient in artikel 23 van het ontwerp de zinsnede "kunnen, als dat nodig is, de vergunningsaanvrager om aanvullende informatie verzoeken" te worden vervangen door de zinsnede "verzoeken, als dat nodig is, de vergunningsaanvrager om aanvullende informatie".

Hoofdstuk 6

12. De artikelen 23 tot en met 29 van het ontwerp zijn identiek aan de artikelen 124, 128, 138, 142, 148, 172 en 173 van het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering `tot wijziging van diverse besluiten naar aanleiding van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning', waarover de Raad van State, afdeling Wetgeving, op 3 februari 2017 het advies 60.784/1 heeft uitgebracht. In dat advies werd opgemerkt dat de voornoemde artikelen in het ontwerp 60.784/1 moeten worden geschrapt en behouden dienen te blijven in het thans voorliggend ontwerp, aangezien zij inhoudelijk nauwer aanleunen bij de overige bepalingen van het voorliggend ontwerp. Het onderzoek van die bepalingen is dan ook het voorwerp van het thans uitgebrachte advies.

Artikel 25

13. In het ontworpen artikel 48, § 1, 5° /1, a), van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 (artikel 25, 2°, van het ontwerp) moeten de woorden "afdeling, bevoegd voor milieueffectenrapportage" worden vervangen door de woorden "afdeling, bevoegd voor de veiligheids- en milieueffectenrapportage".

Artikel 30

14.1. Ter wille van de transparantie van de regelgeving verdient het aanbeveling om in artikel 30 van het ontwerp de zinsnede "treedt op dezelfde dag in werking als het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" te vervangen door de zinsnede "treedt in werking op 23 februari 2017". Die datum stemt immers overeen met de datum waarop het voornoemde besluit van 27 november 2015 in werking treedt.

14.2. Er dient evenwel te worden op toegezien dat uiterlijk op de voormelde datum het decreet waarvan de inwerkingtreding wordt geregeld, is bekrachtigd, afgekondigd en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Bedoeld decreet leent zich immers niet tot een retroactieve inwerkingtreding.

Artikel 31

15.1. Ter wille van de transparantie van de regelgeving verdient het aanbeveling om in artikel 31 van het ontwerp de zinsnede "treedt in werking op de datum van de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning" te vervangen door de zinsnede "treedt in werking op 23 februari 2017". Die datum stemt immers overeen met de datum waarop het voornoemde besluit van 27 november 2015 in werking treedt.

15.2. Er dient evenwel te worden op toegezien dat uiterlijk op de voormelde datum het ontworpen besluit is aangenomen en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het voorliggend besluit leent zich immers niet tot een retroactieve inwerkingtreding.

HOOFDSTUK 1.
Algemene bepalingen


Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

Art. 2. In dit besluit wordt verstaan onder:
administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage: de afdeling Milieu-, Natuur- en Energiebeleid van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie van het Vlaams Ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie;
decreet van 5 april 1995: het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

HOOFDSTUK 2.
Nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage voorafgaand aan en tijdens de omgevingsvergunningsprocedure


Afdeling 1.
De aanmeldingsprocedure


Onderafdeling 1.
De aanmelding van het voorgenomen project-MER


Art. 3. De initiatiefnemer meldt zijn voornemen om een project-MER op te stellen, vermeld in artikel 4.3.4, § 1, van het decreet van 5 april 1995, voorafgaand aan de indiening van de vergunningsaanvraag of de vergunningsaanvragen aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en, in voorkomend geval, voorafgaand aan het verzoek tot voorlopige goedkeuring.

Art. 4. § 1. Als de aanmelding een verzoek om advies bevat over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.3.4, § 1, lid 2, 7° en § 4 van het decreet van 5 april 1995, bezorgt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage het verzoek om advies zo spoedig mogelijk aan de relevante bevoegde administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. Die instanties bezorgen hun advies aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage binnen dertig dagen na de ontvangst van het verzoek om advies door de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage. Als een advies niet tijdig wordt verleend, wordt de procedure voortgezet.

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage neemt een beslissing over de aanmelding conform artikel 5 en bezorgt haar beslissing binnen zestig dagen na de datum van de ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer en aan de geraadpleegde administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

§ 2. Als uit de aanmelding blijkt dat het project aanzienlijke effecten kan hebben op mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, ondertekend in Espoo op 25 februari 1991, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage zo spoedig mogelijk samen met de informatie, vermeld in artikel 4.3.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995, de vraag aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie of ze hun commentaar aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage kunnen meedelen binnen dertig dagen. Als er niet tijdig een antwoord wordt verleend, wordt de procedure voortgezet.

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage brengt de initiatiefnemer ervan onverwijld op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld is.

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage neemt een beslissing over de aanmelding conform artikel 5 en bezorgt haar beslissing binnen zestig dagen na de datum van de ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer en aan de geraadpleegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

§ 3. In alle andere gevallen dan de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 2, neemt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage een beslissing over de aanmelding conform artikel 5 en bezorgt ze haar beslissing binnen twintig dagen na de datum van de ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

Art. 5. De beslissing over de aanmelding omvat ten minste de volgende informatie:
1° een beslissing over de aanstelling van de opstellers van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.4, § 3 van het decreet van 5 april 1995;
2° in voorkomend geval een advies over de inhoud van het project-MER, vermeld in artikel 4.3.4, § 4 van het voormelde decreet, en de voorgestelde methodologie in het aanmeldingsdossier;
3° in voorkomend geval een beslissing over de vraag in de aanmelding tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan.

In voorkomend geval houdt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage bij haar beslissing rekening met de adviezen, de opmerkingen en de commentaren, vermeld in artikel 4, § 1 en § 2.

Art. 6. De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage maakt de aanmelding, vermeld in artikel 3, samen met de beslissing, vermeld in artikel 5, bekend op haar website onmiddellijk nadat de beslissing is genomen.

Onderafdeling 2.
De aanmelding van het voorgenomen OVR


Art. 7. De initiatiefnemer meldt zijn voornemen om een OVR op te stellen, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, van het decreet van 5 april 1995, voorafgaand aan de indiening van de vergunningsaanvraag en, in voorkomend geval, voorafgaand aan het verzoek tot voorlopige goedkeuring, aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage.

Art. 8. § 1. Als de aanmelding een verzoek om advies bevat over de te verstrekken informatie, vermeld in artikel 4.5.2, § 1, lid 2, 8° van het decreet van 5 april 1995, neemt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage een beslissing over de aanmelding conform artikel 9 van dit besluit, en bezorgt ze haar beslissing binnen dertig dagen na de datum van de ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

§ 2. Als uit de aanmelding blijkt dat het project ten gevolge van een zwaar ongeval betekenisvolle effecten kan hebben op mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie of in verdragspartijen bij het verdrag betreffende de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, ondertekend in Helsinki op 17 maart 1992, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage zo spoedig mogelijk samen met de informatie, vermeld in artikel 4.5.2, § 2, van het decreet van 5 april 1995, de vraag aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie of ze hun commentaar aan de administratie kunnen meedelen binnen dertig dagen. Als er niet tijdig een antwoord wordt verleend, wordt de procedure voortgezet.

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage brengt de initiatiefnemer ervan onverwijld op de hoogte dat het project aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie gemeld is.

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage neemt een beslissing over de aanmelding conform artikel 9 en bezorgt haar beslissing binnen veertig dagen na de datum van de ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer en aan de geraadpleegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

§ 3. In alle andere gevallen dan de gevallen, vermeld in paragraaf 1 en 2, neemt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage een beslissing over de aanmelding conform artikel 9 en bezorgt ze haar beslissing binnen twintig dagen na de datum van de ontvangst van het volledige aanmeldingsdossier aan de initiatiefnemer. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

Art. 9. De beslissing over de aanmelding omvat ten minste de volgende informatie:
1° een beslissing over de aanstelling van de erkende deskundige die het OVR zal opstellen, vermeld in artikel 4.5.2, § 3 van het decreet van 5 april 1995;
2° in voorkomend geval een advies over de inhoud van het OVR, vermeld in artikel 4.5.2, § 4, van het decreet van 5 april 1995, en de voorgestelde methodologie in het aanmeldingsdossier;
3° in voorkomend geval een beslissing over de vraag in de aanmelding tot onttrekking aan bekendmaking van de aanmelding of delen ervan.

In voorkomend geval houdt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage bij haar beslissing rekening met de commentaren, vermeld in artikel 8, § 2.

Art. 10. De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage maakt de aanmelding, vermeld in artikel 7, samen met de beslissing, vermeld in artikel 9, bekend op haar website onmiddellijk nadat de beslissing is genomen.

Afdeling 2.
De voorlopige goedkeuring of afkeuring


Art. 11. Ter uitvoering van artikel 4.3.4, § 7, van het decreet van 5 april 1995 keurt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage het project-MER, binnen dertig dagen na de ontvangst ervan, voorlopig goed of af en bezorgt ze die beslissing vervolgens binnen veertig dagen na de ontvangst ervan aan de initiatiefnemer. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

Ter uitvoering van artikel 4.5.2, § 7, van het decreet van 5 april 1995 keurt de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage het OVR, binnen dertig dagen na de ontvangst ervan, voorlopig goed of af en bezorgt ze die beslissing vervolgens binnen veertig dagen na de ontvangst ervan aan de initiatiefnemer. Op uitdrukkelijk gemotiveerd verzoek van de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage en in onderling overleg met de initiatiefnemer kan een langere termijn worden afgesproken.

Afdeling 3.
De vergunningsprocedure


Art. 12. Zodra de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage het project-MER van de vergunningverlenende overheid ontvangt met het oog op het verlenen van een beslissing tot goedkeuring of afkeuring, bezorgt ze het project-MER op haar beurt met het oog op advies aan de relevante bevoegde administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen, vermeld in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd. Die instanties bezorgen hun advies aan de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage binnen dertig dagen na de ontvangst van het verzoek om advies door de administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage. Als een advies niet tijdig wordt verleend, wordt het geacht positief te zijn.

HOOFDSTUK 3.
Wijzigingen van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007


Art. 13. In artikel 78/1 van het VLAREBO-besluit van 14 december 2007, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 23 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "overgaat en" worden vervangen door de zinsnede "overgaat,";
2° de zinsnede "milieueffectrapportage," wordt vervangen door de zinsnede "milieueffectrapportage en de adviesverlenende instanties, vermeld in artikel 83, 1° en 2°, en artikel 84,".

Art. 14. Aan artikel 86, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt de volgende zin toegevoegd:
"Als het bodemsaneringsproject werken omvat waarvoor een project-MER vereist is, kan het bodemsaneringsproject gedurende diezelfde periode van dertig dagen ook digitaal geraadpleegd worden op de website van de OVAM.".

HOOFDSTUK 4.
Wijzigingen van het VLAREL van 19 november 2010


Art. 15. In artikel 6, 1°, d), van het VLAREL van 19 november 2010, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1) wordt de zinsnede "toxicologie, psychosomatische aspecten" vervangen door het woord "gezondheid";
2° in punt 2) worden de woorden "fauna en flora" vervangen door het woord "biodiversiteit";
3° punt 6) word opgeheven.

Art. 16. In artikel 28, § 2, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 10 juni 2011 en 1 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt a), 1), wordt het woord "toxicologie" vervangen door het woord "gezondheid";
2° in punt a) wordt punt 2) opgeheven;
3° in punt b) worden de woorden "fauna en flora" vervangen door het woord "biodiversiteit";
4° punt f) wordt opgeheven.

Art. 17. In artikel 103 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 maart 2013, wordt paragraaf 2 opgeheven.

Art. 18. In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden een artikel 103/4 en 103/5 ingevoegd, die luiden als volgt:
"Art. 103/4. Een MER-deskundige die op de datum van 23 februari 2017 erkend is in de discipline fauna en flora, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline biodiversiteit.

Art. 103/5. § 1. De bestaande erkenningen voor MER-deskundigen op grond van artikel 6, 1°, d), 6), van dit besluit houden op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad.

§ 2. Een MER-deskundige die zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in zowel de discipline mens, deeldomein toxicologie, als de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid.

Een MER-deskundige die zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in ofwel de discipline mens, deeldomein toxicologie, ofwel de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, kan in afwijking van artikel 12, § 1, 2° en 3°, op basis van een aanvraag die ingediend is vóór die datum, erkend worden als MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid, op voorwaarde dat hij met gunstig gevolg een opleiding genoten heeft van minstens dertig uur over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie of minstens vijf jaar praktische ervaring heeft met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie. De bestaande erkenning als MER-deskundige in de discipline mens voor respectievelijk het deeldomein toxicologie en het deeldomein psychosomatische aspecten houdt op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad.".

Art. 19. In bijlage 9, 2°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in de inleidende zin wordt de zinsnede "de discipline licht, warmte en elektromagnetische golven en" opgeheven;
2° in punt a) wordt punt 1) vervangen door wat volgt:
"1) deeldomein gezondheid:
1.1. epidemiologie: begrippen, methoden en technieken van epidemiologisch onderzoek;
1.2. (eco)toxicologie, inclusief evaluatie van blootstelling en effecten, toxicokinetiek en -dynamiek (ook voor gevoelige populaties);
1.3. risicoanalyse (van (blootstelling aan) chemische, fysische, biologische stoffen op de gezondheid van de mens);
1.4. toxicologisch onderzoek en normstelling, verschil normen/gezondheidskundige advieswaarden;
1.5. biomonitoring;
1.6. milieugezondheidskunde;
1.7. psychosomatische en psychosociale gevolgen van milieublootstellingen en gepercipieerde milieublootstelling; gevolgen voor mentaal en sociaal welzijn en lichamelijke effecten;
1.8. elementaire begrippen over licht, optica en studie van elektromagnetische golven;
1.9. relatie tussen klimaat en menselijke gezondheid;
1.10. milderende maatregelen voor het deeldomein mens-gezondheid (zowel voor toxicologie, psychosomatische aspecten als effecten ten gevolge van licht en elektromagnetische golven);";
3° in punt a) wordt punt 2) opgeheven;
4° in punt b) worden de woorden "fauna en flora" telkens vervangen door het woord "biodiversiteit";
5° punt f) wordt opgeheven.

HOOFDSTUK 5.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten


Art. 20. In artikel 12, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de woorden "bezorgt de synthesenota" en de woorden "en het voorontwerp van voorkeursbesluit" wordt de zinsnede ", het ontwerp van MER" ingevoegd;
2° de woorden "en het ontwerp van MER" worden toegevoegd.

Art. 21. In artikel 19, eerste en tweede lid, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen de woorden "bezorgt de synthesenota" en de woorden "en het voorontwerp van projectbesluit" wordt de zinsnede ", het ontwerp van MER" ingevoegd;
2° de woorden "en het ontwerp van MER" worden toegevoegd.

Art. 22. Aan artikel 22, § 1, van hetzelfde besluit wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het ontwerp van voorkeursbesluit of projectbesluit kan samen met het ontwerp van MER, met uitzondering van de door een architect opgemaakte auteursrechtelijk beschermde plannen en de documenten die aan de openbaarheid worden onttrokken, ook digitaal geraadpleegd worden op de website van de bevoegde overheid of, in voorkomend geval, op de website die specifiek voor het project in kwestie is ontwikkeld.".

HOOFDSTUK 6.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning


Art. 23. Aan artikel 15 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 3. Het bevoegde bestuur en de afdeling, bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage, verzoeken, als dat nodig is, de vergunningsaanvrager om aanvullende informatie, overeenkomstig bijlage IIbis van het DABM, die rechtstreeks ter zake doet om te komen tot de gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke milieueffecten van het project.".

Art. 24. Aan artikel 24 van hetzelfde besluit wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
" § 4. Als de vergunningsaanvraag een nog niet goedgekeurd project-MER of OVR omvat, kan ze, met uitzondering van de door een architect opgemaakte auteursrechtelijk beschermde plannen en de documenten die aan de openbaarheid worden onttrokken, digitaal geraadpleegd worden via het omgevingsloket."

Art. 25. In artikel 48, § 1, van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° punt 5° wordt vervangen door wat volgt:
"5° als een OVR is opgemaakt: een verwijzing naar de beslissing over de goedkeuring van het OVR en de wijze waarop met het OVR is omgegaan;";
2° er wordt een punt 5° /1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"5° /1 als een project-MER is opgemaakt:
a) de gemotiveerde conclusie van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014, over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de resultaten van het onderzoek van de afdeling, bevoegd voor veiligheids- milieueffectenrapportage, vermeld in artikel 4.3.8, § 2, van het DABM, en met de adviezen, standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn uitgebracht in het kader van de gevolgde vergunningsprocedure;
b) een beschrijving van alle kenmerken van het project of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, in voorkomend geval, monitoringsmaatregelen;
c) in voorkomend geval de vaststelling van de procedures voor de monitoring van de aanzienlijke nadelige milieueffecten die door de aanvrager uitgevoerd moeten worden, als er op basis van andere wetgeving geen andere monitoringsregeling is vastgesteld.".

Art. 26. In artikel 66 van hetzelfde besluit worden tussen het tweede en het derde lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Het resultaat van het onderzoek over de project-m.e.r.-screening bevat in voorkomend geval:
1° als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;
2° als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.".

Art. 27. Aan artikel 81 van hetzelfde besluit worden tussen het tweede en het derde lid twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Het resultaat van het onderzoek over de project-m.e.r.-screening bevat in voorkomend geval:
1° als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;
2° als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.".

Art. 28. In artikel 787 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid worden twee leden ingevoegd, die luiden als volgt:
"Het resultaat van het onderzoek, vermeld in het eerste lid, bevat in voorkomend geval:
1° als besloten wordt dat een project-MER moet worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom een project-MER moet worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM;
2° als besloten wordt dat er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, de belangrijkste redenen waarom er geen project-MER hoeft te worden opgesteld, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria, vermeld in bijlage II van het DABM, en, als de aanvrager die heeft voorgesteld, de kenmerken van het project of de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.
Het bevoegde bestuur houdt, als dat relevant is, bij de beslissing, vermeld in het derde lid, rekening met de resultaten van de voorafgaande controles die zijn verricht, of met de beoordelingen van de effecten op het milieu die zijn gemaakt met toepassing van titel IV van het DABM of met toepassing van andere gewestelijke of federale regelgeving.";
2° in het bestaande vierde lid, dat het zesde lid wordt, wordt het woord "derde" vervangen door het woord "vijfde".

Art. 29. In artikel 788, eerste lid, van hetzelfde besluit wordt het woord "derde" vervangen door het woord "vijfde".

HOOFDSTUK 7.
Slotbepalingen


Art. 30. Het decreet van 23 december 2016 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende complexe projecten, wat betreft de milieueffectrapportage van bepaalde openbare en particuliere projecten, treedt op 23 februari 2017 in werking.

Art. 31. Dit besluit treedt op 23 februari 2017 in werking, met uitzondering van artikel 15, 1° en 3°, artikel 16, 1°, 2° en 4°, artikel 17 en 19, 1°, 2°, 3° en 5°, die in werking treden zes maanden na de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Art. 32. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

BIJLAGE


-. Adviserende instanties als vermeld in artikel 4, § 1, en artikel 12

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage vraagt advies aan de volgende relevante bevoegde administraties, overheidsinstellingen en openbare besturen die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, tenzij zij de initiatiefnemer zijn:
1° de deputatie van de provincie of de deputatie van de provincies, waarop het voorgenomen project milieueffecten kan hebben;
2° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente of het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten waarop het voorgenomen project milieueffecten kan hebben;
3° De volgende relevante bevoegde instanties van de Vlaamse Overheid:
a) het Agentschap voor Natuur en Bos als:
- voor het voorgenomen project een passende beoordeling vereist is;
- het voorgenomen project aanzienlijke effecten zou kunnen hebben op de biodiversiteit;
b) de Vlaamse Milieumaatschappij als:
- voor het voorgenomen project een watertoets vereist is;
- het voorgenomen project aanzienlijke effecten zou kunnen hebben op de water- of luchtkwaliteit;
c) het Departement Mobiliteit en Openbare Werken als:
- voor het voorgenomen project een mobiliteitsstudie vereist is;
- het voorgenomen project aanzienlijke effecten zou kunnen hebben op de mobiliteit;
d) de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) als:
- voor het voorgenomen project een mogelijke impact zou kunnen hebben op gronden waarop volgens het Grondeninformatieregister van de OVAM een oriënterend bodemonderzoeken werd uitgevoerd met als conclusie dat verdere maatregelen voor de behandeling van de bodemverontreiniging noodzakelijk zijn of een beschrijvend bodemonderzoek werd uitgevoerd;
e) het agentschap Zorg en Gezondheid als:
- het voorgenomen project aanzienlijke effecten zou kunnen hebben op de gezondheid van de mens;
f) het Agentschap Onroerend Erfgoed als:
- het voorgenomen project aanzienlijke effecten zou kunnen hebben op het landschap, de stoffelijke goederen of het cultureel erfgoed, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed;

De administratie bevoegd voor veiligheids- en milieueffectrapportage kan daarenboven advies vragen aan die instanties waarvan ze het advies nuttig acht afhankelijk van de ligging en de mogelijk te verwachten aanzienlijke effecten van het voorgenomen project op, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ordening, de biodiversiteit, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de mobiliteit.