Hoofdstuk 8.
Slot- en opheffingsbepalingen


Art. 48. Artikel 35ter van het Veldwetboek wordt opgeheven een jaar na het in werking treden van deze wet.

De naaldbomen die geplant zijn in overtreding van het koninklijk besluit van 8 maart 1963 waarbij de waterlopen bepaald worden langs welke elke aanplanting van naaldbomen niet dan op een afstand van ten minste 6 meter van de oevers mag geschieden, en die nog geen 5 jaar oud zijn op het ogenblik van het in werking treden van deze wet, moeten binnen het jaar worden uitgeroeid.

De natuurlijke zaailingen, die geen vijf jaar oud zijn op het ogenblik van het in werking treden van deze wet, moeten binnen dezelfde termijn worden verwijderd.

Art. 49. Artikel 3, § 1, 3°, van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968 wordt door de volgende bepaling vervangen:
“3° voor het openbaar verkeer openstaande wegen in Staatsbossen, natuur- en bosreservaten”.

Art. 50. Onder de voorwaarden die Hij bepaalt, kan de Koning, na raadpleging van de ondergeschikte besturen, vrijstelling verlenen van de onroerende voorheffing voor gronden die deel uitmaken van erkende natuurreservaten.