Wet riviervisserij
Wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij

Artikel 1.
Deze wet regelt de visserij in de binnenwateren, met uitzondering van die welke beoefend wordt op de vijvers, visputten, sloten en kanalen, van welke aard ook, wanneer de vissen die er leven, zich niet vrij kunnen bewegen tussen deze plaatsen en de stromen, rivieren en andere openbare waterlopen.

Hoofdstuk I.
Het visrecht en de uitoefening daarvan


Afdeling 1.
Bevaarbare en vlotbare waterlopen waarvan het onderhoud ten laste van de Staat of diens rechthebbenden komt


Art. 2.
[Het visrecht behoort aan de Staat in de stromen, rivieren en vaarten die door de Koning onder de met schip, schuit of vlot bevaarbare of vlotbare waterwegen gerangschikt zijn en waarvan het onderhoud ten laste is van de Staat of van zijn rechthebbenden.
De bepaling van voorgaand lid is zelfs van toepassing indien de waterweg in werkelijkheid niet meer voor de scheepvaart of het vlotten gebruikt wordt.]

Art. 3.
Onverminderd de bepalingen van de internationale overeenkomsten betreffende de uitoefening van het visrecht in de Beneden-Schelde en in de grensscheidende Maas, bepaalt de Koning de bevaarbare of vlotbare waterlopen, of de gedeelten van die waterlopen, waarvoor vergunningen tegen geld met het oog op de palingvangst kunnen verleend worden.
Hij regelt insgelijks de voorwaarden van aflevering en van gebruik der vergunningen.

Art. 4.
In de waterlopen aangeduid in artikel 2, mag ieder die van een visverlof voorzien of vrijgesteld is, vissen met een of twee hengels en met de peur, al naar de rechten die hij bezit op grond van het verlof of de vrijstelling; het gebruik van de voornfles en van het kreeftennet is geoorloofd onder de voorwaarden door de Koning te bepalen.

Art. 5.
Zij die krachtens de bepalingen van deze wet het visrecht uitoefenen in de waterlopen aangeduid in artikel 2, mogen voor de uitoefening van dit recht gebruik maken van de oever over een breedte van 1, 50 m maximum berekend vanaf de boord die de waterloop bespoelt in zijn hoogst bereikte peil zonder te overstromen.

Art. 5.
Zij die krachtens de bepalingen van deze wet het visrecht uitoefenen in de waterlopen aangeduid in artikel 2, mogen voor de uitoefening van dit recht gebruik maken van de oever over een breedte van 1, 50 m maximum berekend vanaf de boord die de waterloop bespoelt in zijn hoogst bereikte peil zonder te overstromen.
[Degenen die inbreuk maken op de bepalingen van dit artikel worden gestrafd met een boete van 100 tot 1000 [euro].]

Afdeling 2.
Andere waterlopen dan die aangeduid in artikel 2


Art. 6.
In al de andere waterlopen dan die aangewezen in artikel 2 hebben de oevereigenaars het visrecht, ieder van zijn kant en tot in het midden van de waterloop.

Afdeling 3.
Kreken en kunstmatige waterwegen waarvan het onderhoud ten laste van polders of wateringen valt


Art. 6bis.
In kreken en kunstmatige waterwegen waarvan het onderhoud ten laste van polders of wateringen valt, behoort het visrecht aan die besturen.
Bij verpachting van dit visrecht, hebben de provinciale visserijcommissies het eerste recht tot pachten, tegen het hoogste bod.]

Hoofdstuk II.
Het visverlof


Art. 7.
Niemand mag vissen in de wateren waarop deze wet van toepassing is, zonder voorzien te zijn van een regelmatig visverlof, op straffe van geldboete van 50 tot 200 [euro] en verbeurdverklaring van al de voorwerpen die tot het plegen van het misdrijf hebben gediend.

Art. 7.
Niemand mag vissen in de wateren waarop deze wet van toepassing is, zonder voorzien te zijn van een regelmatig visverlof [...]

Art. 8.
[De kinderen beneden 14 jaar die met één van een eenvoudige vishaak voorziene hengel vissen, worden van het visverlof vrijgesteld op zaterdagen, zondagen, wettelijke feestdagen en gedurende de schoolverloven op voorwaarde dat ze vergezeld zijn van hun vader, moeder, voogd of van een door hen aangesteld meerderjarige voorzien van een visverlof.
Het aantal vergezellende kinderen is tot vier beperkt.]
De Koning kan andere algemene vrijstellingen verlenen.

Art. 8.

[§ 1

De Vlaamse Regering regelt de vorm van de visverloven, hun geldigheidsduur en de wijze waarop zij worden afgegeven, evenals de voorwaarden van afgifte en intrekking ervan.

§ 2 [

Jongeren tot en met zeventien jaar worden vrijgesteld van het visverlof onder de volgende voorwaarden:
ze vissen met maximaal één hengel;
ze vissen uitsluitend vanaf de oever, inclusief vanop een plateau of een steiger die verankerd of verbonden is met de oever;
ze vissen uitsluitend van twee uur voor zonsopgang tot twee uur na zonsondergang;
ze gebruiken geen aasvissen;
ze laten elke gevangen vis onmiddellijk en voorzichtig vrij in het water van herkomst;
ze vervoeren geen vissen en ze houden geen vissen in hun bezit tijdens het hengelen.
]

§ 3

De Vlaamse Regering kan andere algemene vrijstellingen verlenen voor het bezit van een visverlof.]

[§ 4

De Vlaamse regering kan vissersverenigingen erkennen.

§ 5

De Vlaamse regering stelt de voorwaarden op waaronder ze erkenning kan verlenen.]

Art. 9.
De Koning bepaalt de prijs van het visverlof, daarbij rekening houdend met de wijze van vissen, de te gebruiken tuigen en de dagen waarop het visverlof gebezigd zal mogen worden.
Ook bepaalt Hij de voorwaarden tot het verlenen en het intrekken van het visverlof.
[De Waalse Regering reikt de visverloven uit volgens de door haar bepaalde wijze om hun uitreiking te vergemakkelijken.]
Op het verlof mag geen provinciale of gemeentelijke belasting worden geheven.

Art. 9.
De belasting op de afgifte van visverloven wordt als volgt vastgesteld:
voor het jeugdvisverlof: 5 euro. Dit visverlof wordt afgegeven aan jongeren tot en met zeventien jaar. Het jeugdvisverlof geeft het recht om met maximaal twee hengels te vissen, zowel overdag als's nachts, vanaf de oever, vanop een plateau of een steiger die verankerd of verbonden is met de oever, en op een andere wijze dan vanaf de oever. Elke gevangen vis wordt onmiddellijk en voorzichtig vrijgelaten in het water van herkomst. Het jeugdvisverlof geeft geen recht om aasvissen te gebruiken, noch om vissen te vervoeren en tijdens het hengelen in bezit te houden;
voor het gewone visverlof: 13 euro. Dit visverlof geeft het recht om met maximaal twee hengels te vissen vanaf de oever, inclusief vanop een plateau of een steiger die verankerd of verbonden is met de oever. Elke gevangen vis wordt onmiddellijk en voorzichtig vrijgelaten in het water van herkomst. Het gewone visverlof geeft geen recht om aasvissen te gebruiken, noch om te vissen van twee uur na de officiële zonsondergang tot twee uur voor de officiële zonsopgang. Het gewone visverlof geeft geen recht om vissen te vervoeren en tijdens het hengelen in bezit te houden;
voor het grote visverlof: 48 euro. Dit visverlof geeft het recht om te vissen volgens de wijze van het gewone visverlof. Het grote visverlof geeft bijkomend het recht om aasvissen te gebruiken, om te vissen op andere wijzen dan vanaf de oever, alsook om te vissen van twee uur na de officiële zonsondergang tot twee uur voor de officiële zonsopgang. Het grote visverlof geeft bijkomend het recht om vissen te vervoeren en tijdens het hengelen in bezit te houden conform de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.

Hoofdstuk III.
De visserijpolitie


Art. 10.
Met de politie, de bewaking en het behoud van de riviervisserij is het Bestuur van Waters en Bossen belast.

Art. 10.
[...]

Art. 11.
De Koning geeft een omschrijving van de hengel.

Art. 12.
De Koning bepaalt:
De tijd, de seizoenen en de uren tijdens welke het vissen verboden is, hetzij overal, hetzij op sommige waterlopen of gedeelten van waterlopen, evenals de vissoorten waarop dit verbod van toepassing is;
De wijzen van vissen en de vistuigen en -toestellen die verboden zijn;
De gebruiksvoorwaarden, de afmetingen evenals de wijze van keuring van de geoorloofde vistuigen;
De maten beneden welke sommige vissoorten in het water teruggeworpen moeten worden;
De lokazen waarvan het gebruik verboden is als aas aan de vistuigen.

Art. 13.

§ 1

Overtreding van de bepalingen ter uitvoering van artikel 12, 1° en 4°, wordt gestraft met geldboete van 26 tot 200 [euro] en met verbeurdverklaring van alle voorwerpen die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben.

§ 2

Overtreding van de bepalingen ter uitvoering van artikel 12, 2° en 3°, wordt gestraft met geldboete van 100 tot 300 [euro] en met verbeurdverklaring van alle voorwerpen die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben.
De geldboete wordt verdubbeld indien het misdrijf gedurende de rijtijd gepleegd wordt.
De inbeslaggenomen verboden vistuigen of -toestellen worden vernietigd.

§ 3

Overtreding van de bepalingen ter uitvoering van artikel 12, 5°, wordt gestraft met geldboete van 26 tot 100 [euro] en met verbeurdverklaring van alle voorwerpen die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben.

Art. 13.
[...]

Art. 14.
De Minister tot wiens bevoegdheid de riviervisserij behoort, kan, met het oog op proefnemingen of op het gewestelijk of plaatselijk nut, het vissen, sommige wijzen van vissen, het vangen van sommige vissoorten of -categorieën evenals het gebruik van bijzondere lokazen of tuigen tijdelijk toestaan of verbieden.

Art. 14bis.
De Vlaamse Regering kan, ten behoeve van de preventie, de bewaking en de bestrijding van ziekten bij in het wild levende dieren, met als doel de bescherming en vrijwaring van de volksgezondheid, de economische welvaart van beroepsmatige dierenhouders en de natuur, afwijken van de bepalingen van deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan, onder de door haar te bepalen voorwaarden en onder haar toezicht.
Afwijkingen op grond van dit artikel kunnen alleen maar toegestaan worden als de volgende voorwaarden zijn vervuld:
er mag geen andere bevredigende oplossing bestaan;
de afwijking mag geen afbreuk doen aan het streefdoel om de populaties van de soort in kwestie in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan, op lokaal niveau of op Vlaams niveau.

Art. 15.
Te rekenen van de tweede dag na sluiting van de vistijd is het verboden, vis of kreeft, waarvan de vangst verboden is, te vervoeren, rond te venten, te verkopen, te koop te stellen of voorhanden te hebben met het oog op de verkoop, tenzij bewezen wordt dat die vis of kreeft afkomstig is van water waarop deze wet niet van toepassing is.
Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met geldboete van 100 tot 300 [euro].

Art. 15.
[Het is verboden om het even welke levende vis, behalve paling, afkomstig uit viswater waarop de wetgeving van toepassing is, aan dit viswater te onttrekken en te vervoeren.
[...]]

Art. 16.
Het is verboden vis of kreeft die de door de Koning bepaalde maten niet heeft, vanwaar hij ook afkomstig is, te vervoeren, rond te venten, te verkopen, te koop te stellen of voorhanden te hebben met het oog op de visvangst of de verkoop.
De Koning bepaalt de nodige afwijkingen om het gebruik van sommige vissoorten als aas toe te laten.
Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met geldboete van 50 tot 200 [euro].

Art. 16.
In afwijking van artikel 15 mag elke hengelaar maximaal vijf levende aasvisjes kleiner dan of gelijk aan 15 centimeter vervoeren en tijdens het hengelen in zijn bezit houden. De Vlaamse Regering kan het gebruik, de wijze van transport en de soorten aasvisjes nader omschrijven.

Art. 17.
De Minister tot wiens bevoegdheid de riviervisserij behoort, kan machtiging verlenen om te allen tijde vissen en kreeften van om het even welke maten, die voor bepoting bestemd zijn, te vangen en te vervoeren.

Art. 17bis.
[Met het oog op de bewaring van de populaties van visteeltsoorten in een gunstige staat van instandhouding in de zin van artikel 1bis, 10°, van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, neemt de Regering alle noodzakelijke maatregelen teneinde het vangen, het houden, het vervoer en het verkopen van in de waterlopen en kanalen van het Waalse Gewest onttrokken vissen, te verbieden.
Wat betreft de soorten die beschermd zijn overeenkomstig artikel 2quinquies van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, beroept de Regering zich op de gegevens verzameld krachtens deze wet om vast te stellen of de in het vorige lid bedoelde maatregelen dienen te worden getroffen.]
Zij kan met name bepalen welke soorten het onderwerp zijn van bijzondere maatregelen, de voorschriften inzake grootte of aantal, de inhoud van de bewaar- en vervoerbakken. Zij bepaalt de plaatsen, deel of geheel van het grondgebied van het Waalse Gewest waar de verkoop van deze soorten verboden is.
De inbreuken op de bepalingen van de besluiten genomen krachtens het 1e en het 2e lid worden gestraft met een boete van 100 tot 1000 [euro].]

Art. 18.
De houders van vergunningen mogen, terwijl zij vissen, in hun vaartuigen, korven of om het even welke benodigdheden, geen andere vissen hebben dan die waarvan de vangst geoorloofd is krachtens de vergunning.
Overtreding van deze bepaling wordt gestraft met geldboete van 50 tot 200 [euro] en met verbeurdverklaring van alle vistuigen en voorwerpen die tot het plegen van het misdrijf gediend hebben.

Art. 18.
De houders van vergunningen mogen, terwijl zij vissen, in hun vaartuigen, korven of om het even welke benodigdheden, geen andere vissen hebben dan die waarvan de vangst geoorloofd is krachtens de vergunning.
[...]

Art. 19.
De schippers op de bevaarbare of vlotbare stromen, rivieren of kanalen, mogen in hun schepen of uitrustingen generlei zelfs geoorloofd visnet of vistuig hebben, behalve een hengel, op straffe van geldboete van 50 tot 200 [euro] en verbeurdverklaring van de netten of tuigen.
Zij zijn gehouden hun vaartuigen en uitrustingen te laten bezichtigen door de met de politie van de visserij belaste ambtenaren en wachters. In geval van weigering worden ze gestraft met geldboete van 100 tot 500 [euro].

Art. 19.
De schippers op de bevaarbare of vlotbare stromen, rivieren of kanalen, mogen in hun schepen of uitrustingen generlei zelfs geoorloofd visnet of vistuig hebben, behalve een hengel [...]
[...]

Art. 20.
Het is verboden buiten zijn woning voorzien tezijn van verboden vistuigen of -toestellen, tenzij bewezen wordt dat die tuigen of toestellen bestemd zijn voor de visvangst in wateren waarop deze wet niet van toepassing is voor de zeevisserij of voor de visserij die krachtens internationale overeenkomsten beoefend wordt in vreemde wateren waar het gebruik er van niet verboden is.
In de laatste twee gevallen moeten de vissers die op de binnenwateren varen om de plaats van hun bestemming te bereiken, deze tuigen of toestellen in het ruim wegzetten.
Overtreding van de bepalingen die voorafgaan, wordt gestraft met geldboete van 50 tot 200 [euro] en met verbeurdverklaring van de vistuigen of -toestellen.

Art. 20.
Het is verboden buiten zijn woning voorzien tezijn van verboden vistuigen of -toestellen, tenzij bewezen wordt dat die tuigen of toestellen bestemd zijn voor de visvangst in wateren waarop deze wet niet van toepassing is voor de zeevisserij of voor de visserij die krachtens internationale overeenkomsten beoefend wordt in vreemde wateren waar het gebruik er van niet verboden is.
In de laatste twee gevallen moeten de vissers die op de binnenwateren varen om de plaats van hun bestemming te bereiken, deze tuigen of toestellen in het ruim wegzetten.
[...]

Art. 21.
Op elke vordering van de met het toezicht op de visserij belaste ambtenaren en aangestelden zijn de vissers gehouden hun tuigen te laten nazien, de inhoud van hun manden of alle andere benodigdheden waarin vis kan worden geborgen, te tonen, hun schepen aan te leggen en hun kooien en bergplaatsen, visbunnen en welke andere vergaarbakken ook te openen.
Zij die zich tegen bezichtiging verzetten, worden, wegens dit feit alleen, gestraft met geldboete van 100 tot 500 [euro].

Art. 21.
[...]

Art. 22.
Al wie in de waterlopen stoffen werpt, van die aard dat de vis bedwelmd of vernield wordt en met de bedoeling een dezer resultaten te bekomen, wordt gestraft met geldboete van 100 tot 1.000 [euro] en met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden of met een van die straffen alleen, onverminderd de schadevergoeding indien daartoe aanleiding bestaat.

Art. 22.
Het is verboden om in stromen, rivieren of kanalen, of in delen ervan stoffen te werpen met als bedoeling de vissen te bedwelmen, of te doden.

Art. 23.
Hij die in de aan deze wet onderworpen wateren vist, zonder de toelating van hem aan wie het visrecht behoort, wordt veroordeeld tot geldboete van 50 tot 200 [euro] en tot verbeurdverklaring van al de voorwerpen die tot het plegen van het misdrijf hebben gediend, onverminderd teruggave en schadevergoeding.

Art. 23.
[Het is verboden om te vissen in de wateren die vallen onder het toepassingsgebied van deze wet zonder de toestemming van degene aan wie het visrecht behoort.]

Art. 24.
In al de gevallen waarin de wet de verbeurdverklaring uitspreekt van de netten, vistuigen of andere voorwerpen die tot het plegen van het misdrijf hebben gediend, zijn de overtreders gehouden ze op de eerste aanmaning van de overheidsbeambten te overhandigen.
In geval van weigering worden zij tot geldboete van 100 tot 500 [euro] veroordeeld.

Art. 24.
[...]

Art. 25.
Het is verboden, op straffe van geldboete van 50 tot 200 [euro], vis uit te storten in de wateren waarop deze wet van toepassing is, zonder de machtiging van de Minister, die de riviervisserij in zijn bevoegdheid heeft, of van zijn afgevaardigde.

Art. 25.
Het is verboden [...]vis uit te storten in de wateren waarop deze wet van toepassing is, zonder de machtiging van de Minister, die de riviervisserij in zijn bevoegdheid heeft, of van zijn afgevaardigde.

Art. 26.
De bij deze wet gestelde straffen worden verdubbeld:
Indien er herhaling is binnen de twee jaar die volgen op een veroordeling wegens een van de misdrijven in deze wet omschreven;
Indien het misdrijf 's nachts of in bende gepleegd is.

Art. 26.
[...]

Art. 27.
In afwijking van artikel 100 van het Wetboek van Strafrecht, zijn hoofdstuk VII en artikel 85 van boek I van dit Wetboek van toepassing op de bij deze wet omschreven misdrijven.
In geval van verzachtende omstandigheden wordt de bij artikel 24, tweede lid, gestelde geldboete niet verminderd.

Art. 27.
[...]

Art. 28.
De vader, de moeder, de meesters en de lastgevers zijn burgerlijk verantwoordelijk voor de overtredingen van deze wet en van de besluiten ter uitvoering daarvan genomen die gepleegd worden door hun minderjarige ongehuwde kinderen die bij hen inwonen, of door hun dienstboden of aangestelden, behoudens beroep als naar recht.
Die verantwoordelijkheid wordt geregeld overeenkomstig artikel 1384 van het Burgerlijk Wetboek en is slechts van toepassing op de schadevergoeding en op de kosten.

Art. 28.
[...]

Hoofdstuk IV.
Algemene bepalingen


Art. 29.
[De overtredingen van deze wet worden opgespoord en vastgesteld overeenkomstig de artikelen 92 tot 95 van het Boswetboek, onverminderd de artikelen 30 tot 34 van deze wet.]
[De overtredingen van deze wet zijn het voorwerp van hetzij strafvervolgingen, hetzij een overeenkomst, hetzij een administratieve boete overeenkomstig de titels V en VI van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek, tenzij het openbaar ministerie overweegt gebruik te maken of gebruik maakt van de bevoegdheden die hem krachtens de artikelen 216bis en 216ter van het Gerechtelijk Wetboek toegewezen worden [...].
Voor de toepassing van dezelfde titels V en VI worden de overtredingen van deze wet gelijkgesteld met overtredingen van vierde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek.]

Art. 30.
[De Regering kan overeenkomstig artikel 56, lid 1, van het Boswetboek ambtenaren van de administratie aanwijzen die de hoedanigheid van visserijambtenaar hebben.
De visserijambtenaren worden gelijkgesteld met de aangestelden voor natuur en bossen, in de zin van artikel 3, 1°, van het Boswetboek.]

Art. 31.
De houder van het visrecht kan eigen visserijwachters benoemen met inachtneming van artikel 177 van het Boswetboek.
Die wachters worden met de private boswachters gelijkgesteld.

Art. 32.
Overtreding van deze wet en van de besluiten ter uitvoering daarvan genomen, wordt [...] vastgesteld [door de ambtenaren in de zin van artikel 3, 1°, van het Boswetboek, door de visserijambtenaren,] door de [politieambtenaren] en andere officieren van de gerechtelijke politie, alsook door de ingenieurs en conducteurs van bruggen en wegen, de scheepvaartinspecteurs, de wachters van de bevaarbare waterwegen, de sluismeesters, de wegopzieners, [...] en de beambten van de directe belastingen en van de douanen en accijnzen.
De processen-verbaal van de officieren van de gerechtelijke politie [, die van de ingenieurs van natuur en bossen] en die van de [politieambtenaren] hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. De andere hebben alleen bewijskracht wanneer zij opgemaakt zijn door twee aangestelden of gestaafd door een tweede getuigenis.
[...]

Art. 33.
De publieke vordering en de burgerlijke vordering volgende uit een overtreding van deze wet en van de besluiten ter uitvoering daarvan genomen, verjaren na verloop van [twaalf maanden] te rekenen van de dag waarop het misdrijf gepleegd is.

Art. 34.
De vervolgingen worden ambtshalve ingesteld; is het in artikel 23 omschreven misdrijf, afgezien van enig ander misdrijf, gepleegd in een in artikel 6 bedoelde waterloop, dan geschieden de vervolgingen slechts op klachte van de rechthebbende van het visrecht.

Art. 35.
Worden opgeheven:
De wet van 19 Januari 1883 op de riviervisserij;
De wet van 5 Juli 1899 tot wijziging van de wet van 19 Januari 1883 op de riviervisserij;
Artikel 29 van de wet van 10 Augustus 1923 tot wijziging van de wetten op de zegel-, registratie-, griffie-, hypotheek- en successierechten;
Artikel 5, derde lid, van de wet van 30 Januari 1924 tot herinrichting der landelijke politie;
Het koninklijk besluit nr 232 van 26 December 1935 houdende wijziging van de wet op de riviervisserij;
De wet van 1 Juni 1937 waarbij de wet van 19 Januari 1883, gewijzigd bij de wet van 5 Juli 1899, wordt aangevuld.

Hoofdstuk IV.
Handhaving


Art. 29.
[Voor deze wet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden het uitoefenen van toezicht, het opleggen van bestuurlijke maatregelen, het onderzoeken van milieu-inbreuken, het opleggen van bestuurlijke geldboeten, het innen en invorderen van verschuldigde bedragen, het opsporen van milieumisdrijven, het strafrechtelijk bestraffen van milieumisdrijven en het opleggen van veiligheidsmaatregelen uitgevoerd volgens de regels in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.]

Art. 30.
[...]

Art. 31.
De houder van het visrecht kan eigen visserijwachters benoemen met inachtneming van artikel 177 van het Boswetboek.
Die wachters worden met de private boswachters gelijkgesteld.

Art. 32.
[...]

Art. 33.
[...]

Art. 34.
De vervolgingen worden ambtshalve ingesteld; is het in artikel 23 omschreven misdrijf, afgezien van enig ander misdrijf, gepleegd in een in artikel 6 bedoelde waterloop, dan geschieden de vervolgingen slechts op klachte van de rechthebbende van het visrecht.

Art. 35.
Worden opgeheven:
De wet van 19 Januari 1883 op de riviervisserij;
De wet van 5 Juli 1899 tot wijziging van de wet van 19 Januari 1883 op de riviervisserij;
Artikel 29 van de wet van 10 Augustus 1923 tot wijziging van de wetten op de zegel-, registratie-, griffie-, hypotheek- en successierechten;
Artikel 5, derde lid, van de wet van 30 Januari 1924 tot herinrichting der landelijke politie;
Het koninklijk besluit nr 232 van 26 December 1935 houdende wijziging van de wet op de riviervisserij;
De wet van 1 Juni 1937 waarbij de wet van 19 Januari 1883, gewijzigd bij de wet van 5 Juli 1899, wordt aangevuld.

Hoofdstuk V.
Het visserijfonds


Art. 36.

[§ 1

Er wordt een instelling van algemeen nut opgericht, met name “Fonds piscicole de Wallonie” (Waalse Visserijfonds) bestemd om de visserij in het algemeen te bevorderen op de waterlopen waar deze wet van toepassing is door onder meer acties voor de inrichting en de herstel van het watermilieu, voor het weer uitzetten van pootvis, de strijd tegen de vervuiling en allerlei beschadigingen, de promotie en de scholing inzake visserij, de logistieke en financiële steun aan vissersverenigingen die in de provinciale visserijcommissies zetelen.
Dit fonds heeft de rechtspersoonlijkheid zonder aanstelling van bijzonder personeel. Het is gerangschikt in categorie A zoals vastgesteld bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

§ 2

Het vermogen, de rechten en plichten van het Visserijfonds worden er van ambtswege aan overgedragen.
Het wordt gestijfd door een heffing op de ontvangsten van de verkoop van de visverloven.
Het kan legaten, giften of schenkingen ontvangen.
Op de voordracht van de Minister van Begroting en van de Minister tot wiens bevoegdheden de Visserij behoort bepaalt de Waalse Regering het bedrag van de heffingen dat niet lager dan [100 %] van de verkoopprijs van de verloven mag zijn.]

Art. 36.
Bij het ministerie tot welke bevoegdheid de riviervisserij behoort, wordt een fonds ingesteld ter bepoting van de waterlopen waarop deze wet van toepassing is, ter verscherping van het toezicht, tot steun aan de strijd tegen de verontreiniging en tot verbetering van de visserij in het algemeen.
[Dit fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 19 van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de rijkscomptabiliteit.
Het wordt gestijfd door:
a)
een afneming op de prijs van de visverloven;
b)
de vrijwillige, contractuele, reglementaire of decretale bijdragen van natuurlijke personen, rechtspersonen, openbare besturen en instellingen ter verwezenlijking van de doelstellingen inzake het beleid van de Vlaamse Regering ten aanzien van de riviervisserij;
c)
de opbrengst van administratieve geldboeten en alle andere bedragen, welke door de diensten van het Vlaamse Gewest en door de rechtbanken gevorderd worden lastens de overtreders van de wetgeving en reglementering inzake de riviervisserij;
d)
de opbrengst van concessies van verhuur en van vervreemdingen van eigendommen, installaties en aanhorigheden, die aangewend of verworven werden met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake de riviervisserij.]

Art. 36bis.
De voorwaarden voor de erkenning door de Regering en voor toelagen van het “Fonds piscicole de Wallonie” voor de “vissersscholen” met inbegrip van de opleiders en de vissersfederaties worden vastgesteld door de Regering op de voordracht van het centrale comité van het visserijfonds na raadpleging van de provinciale visserijcommissies.]

Art. 37.
[Het “Fonds piscicole de Wallonie” wordt beheerd door de Minister tot wiens bevoegdheid de riviervisserij behoort. Het secretariaat en de boekhouding worden waargenomen door het bestuur bevoegd voor het beheer van de riviervisserij.]

Art. 37.
[De Vlaamse Regering beschikt over de kredieten van het Visserijfonds voor al wat kan dienen in het raam van het beleid inzake riviervisserij in de ruime zin.]
Een bijzonder reglement betreffende de boekhouding van het fonds wordt gezamelijk opgesteld door de Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid de riviervisserij behoort. Dit reglement kan van de bepalingen betreffende de rijkscomptabiliteit afwijken voor zover betreft de aanwending, de liquidatie, de betaling en de verantwoording van de uitgaven.

Art. 37bis.
Het reglement betreffende de boekhouding van het fonds wordt door de Regering opgesteld. Het kan afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 april 1954 houdende algemeen reglement op de begroting en de comptabiliteit van de bij de wet van 16 maart 1954 bedoelde instellingen van openbaar nut of deze aanvullen. Zij bepaalt met name de opstellings- en uitvoeringswijze van de begroting en de beleggingsmodaliteiten en -voorwaarden van het fonds.]

Art. 38.
In de hoofdplaats van elke provincie wordt, onder het voorzitterschap van de gouverneur of van zijn afgevaardigde, een commissie ingesteld, “Provinciale Visserijcommissie” genoemd.
Het aantal leden mag niet lager zijn dan vier, noch hoger dan tien. Er zijn zoveel plaatsvervangende als gewone leden. Zij worden door de gouverneur gekozen onder de candidaten, aangewezen door de meest gequalificeerde vissersverenigingen; zij vertegenwoordigen zoveel mogelijk de verschillende streken van de provincie en de belangrijkheid van de groeperingen.
De commissies verlenen, binnen het kader van de opdracht van de bij het artikel 36 ingestelde fonds en volgens door de Koning te bepalen regelen, hun medewerking aan het Bestuur van Waters en Bossen voor de aanwending van dat fonds.
[Ten hoogste één vijfde van de leden mag echter worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de vissersverenigingen waarvan de leden in andere wateren vissen dan die vermeld in artikel 2, behalve wanneer in de provincie slechts één vissersvereniging mocht bestaan.]

Art. 38.
In de hoofdplaats van elke provincie wordt, onder het voorzitterschap van de gouverneur of van zijn afgevaardigde, een commissie ingesteld, “Provinciale Visserijcommissie” genoemd.
Het aantal leden mag niet lager zijn dan vier, noch hoger dan tien. Er zijn zoveel plaatsvervangende als gewone leden. Zij worden door de gouverneur gekozen onder de candidaten, aangewezen door de meest gequalificeerde vissersverenigingen; zij vertegenwoordigen zoveel mogelijk de verschillende streken van de provincie en de belangrijkheid van de groeperingen.
De commissies verlenen, binnen het kader van de opdracht van de bij het artikel 36 ingestelde fonds en volgens door de Koning te bepalen regelen, hun medewerking aan het [Agentschap voor Natuur en Bos] voor de aanwending van dat fonds.
[Ten hoogste één vijfde van de leden mag echter worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de vissersverenigingen waarvan de leden in andere wateren vissen dan die vermeld in artikel 2, behalve wanneer in de provincie slechts één vissersvereniging mocht bestaan.]

Art. 39.
Bij het Ministerie tot welk bevoegdheid de riviervisserij behoort, wordt een centraal comité van het vissersfonds ingesteld, waarvan de bevoegdheid en de organisatie door de Koning worden geregeld. Iedere provinciale commissie is daarin door één afgevaardigde of diens plaatsvervanger vertegenwoordigd.

Art. 40.
De Koning stelt de datum van inwerkingtreding van deze wet vast.