Art. 2.
[Het visrecht behoort aan de Staat in de stromen, rivieren en vaarten die door de Koning onder de met schip, schuit of vlot bevaarbare of vlotbare waterwegen gerangschikt zijn en waarvan het onderhoud ten laste is van de Staat of van zijn rechthebbenden.
De bepaling van voorgaand lid is zelfs van toepassing indien de waterweg in werkelijkheid niet meer voor de scheepvaart of het vlotten gebruikt wordt.]