Art. 5.
Zij die krachtens de bepalingen van deze wet het visrecht uitoefenen in de waterlopen aangeduid in artikel 2, mogen voor de uitoefening van dit recht gebruik maken van de oever over een breedte van 1, 50 m maximum berekend vanaf de boord die de waterloop bespoelt in zijn hoogst bereikte peil zonder te overstromen.