Art. 21.
Op elke vordering van de met het toezicht op de visserij belaste ambtenaren en aangestelden zijn de vissers gehouden hun tuigen te laten nazien, de inhoud van hun manden of alle andere benodigdheden waarin vis kan worden geborgen, te tonen, hun schepen aan te leggen en hun kooien en bergplaatsen, visbunnen en welke andere vergaarbakken ook te openen.
Zij die zich tegen bezichtiging verzetten, worden, wegens dit feit alleen, gestraft met geldboete van 100 tot 500 [euro].