Hoofdstuk IV.
Algemene bepalingen


Art. 29.
[De overtredingen van deze wet worden opgespoord en vastgesteld overeenkomstig de artikelen 92 tot 95 van het Boswetboek, onverminderd de artikelen 30 tot 34 van deze wet.]
[De overtredingen van deze wet zijn het voorwerp van hetzij strafvervolgingen, hetzij een overeenkomst, hetzij een administratieve boete overeenkomstig de titels V en VI van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek, tenzij het openbaar ministerie overweegt gebruik te maken of gebruik maakt van de bevoegdheden die hem krachtens de artikelen 216bis en 216ter van het Gerechtelijk Wetboek toegewezen worden [...].
Voor de toepassing van dezelfde titels V en VI worden de overtredingen van deze wet gelijkgesteld met overtredingen van vierde categorie in de zin van deel VIII van het decretaal gedeelte van Boek I van het Milieuwetboek.]

Art. 30.
[De Regering kan overeenkomstig artikel 56, lid 1, van het Boswetboek ambtenaren van de administratie aanwijzen die de hoedanigheid van visserijambtenaar hebben.
De visserijambtenaren worden gelijkgesteld met de aangestelden voor natuur en bossen, in de zin van artikel 3, 1°, van het Boswetboek.]

Art. 31.
De houder van het visrecht kan eigen visserijwachters benoemen met inachtneming van artikel 177 van het Boswetboek.
Die wachters worden met de private boswachters gelijkgesteld.

Art. 32.
Overtreding van deze wet en van de besluiten ter uitvoering daarvan genomen, wordt [...] vastgesteld [door de ambtenaren in de zin van artikel 3, 1°, van het Boswetboek, door de visserijambtenaren,] door de [politieambtenaren] en andere officieren van de gerechtelijke politie, alsook door de ingenieurs en conducteurs van bruggen en wegen, de scheepvaartinspecteurs, de wachters van de bevaarbare waterwegen, de sluismeesters, de wegopzieners, [...] en de beambten van de directe belastingen en van de douanen en accijnzen.
De processen-verbaal van de officieren van de gerechtelijke politie [, die van de ingenieurs van natuur en bossen] en die van de [politieambtenaren] hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is. De andere hebben alleen bewijskracht wanneer zij opgemaakt zijn door twee aangestelden of gestaafd door een tweede getuigenis.
[...]

Art. 33.
De publieke vordering en de burgerlijke vordering volgende uit een overtreding van deze wet en van de besluiten ter uitvoering daarvan genomen, verjaren na verloop van [twaalf maanden] te rekenen van de dag waarop het misdrijf gepleegd is.

Art. 34.
De vervolgingen worden ambtshalve ingesteld; is het in artikel 23 omschreven misdrijf, afgezien van enig ander misdrijf, gepleegd in een in artikel 6 bedoelde waterloop, dan geschieden de vervolgingen slechts op klachte van de rechthebbende van het visrecht.

Art. 35.
Worden opgeheven:
De wet van 19 Januari 1883 op de riviervisserij;
De wet van 5 Juli 1899 tot wijziging van de wet van 19 Januari 1883 op de riviervisserij;
Artikel 29 van de wet van 10 Augustus 1923 tot wijziging van de wetten op de zegel-, registratie-, griffie-, hypotheek- en successierechten;
Artikel 5, derde lid, van de wet van 30 Januari 1924 tot herinrichting der landelijke politie;
Het koninklijk besluit nr 232 van 26 December 1935 houdende wijziging van de wet op de riviervisserij;
De wet van 1 Juni 1937 waarbij de wet van 19 Januari 1883, gewijzigd bij de wet van 5 Juli 1899, wordt aangevuld.