Hoofdstuk V.
Het visserijfonds


Art. 36.

[§ 1

Er wordt een instelling van algemeen nut opgericht, met name “Fonds piscicole de Wallonie” (Waalse Visserijfonds) bestemd om de visserij in het algemeen te bevorderen op de waterlopen waar deze wet van toepassing is door onder meer acties voor de inrichting en de herstel van het watermilieu, voor het weer uitzetten van pootvis, de strijd tegen de vervuiling en allerlei beschadigingen, de promotie en de scholing inzake visserij, de logistieke en financiële steun aan vissersverenigingen die in de provinciale visserijcommissies zetelen.
Dit fonds heeft de rechtspersoonlijkheid zonder aanstelling van bijzonder personeel. Het is gerangschikt in categorie A zoals vastgesteld bij artikel 1 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

§ 2

Het vermogen, de rechten en plichten van het Visserijfonds worden er van ambtswege aan overgedragen.
Het wordt gestijfd door een heffing op de ontvangsten van de verkoop van de visverloven.
Het kan legaten, giften of schenkingen ontvangen.
Op de voordracht van de Minister van Begroting en van de Minister tot wiens bevoegdheden de Visserij behoort bepaalt de Waalse Regering het bedrag van de heffingen dat niet lager dan [100 %] van de verkoopprijs van de verloven mag zijn.]

Art. 36.
Bij het ministerie tot welke bevoegdheid de riviervisserij behoort, wordt een fonds ingesteld ter bepoting van de waterlopen waarop deze wet van toepassing is, ter verscherping van het toezicht, tot steun aan de strijd tegen de verontreiniging en tot verbetering van de visserij in het algemeen.
[Dit fonds is een begrotingsfonds als bedoeld in artikel 19 van de wet van 28 juni 1963 tot wijziging en aanvulling van de wetten op de rijkscomptabiliteit.
Het wordt gestijfd door:
a)
een afneming op de prijs van de visverloven;
b)
de vrijwillige, contractuele, reglementaire of decretale bijdragen van natuurlijke personen, rechtspersonen, openbare besturen en instellingen ter verwezenlijking van de doelstellingen inzake het beleid van de Vlaamse Regering ten aanzien van de riviervisserij;
c)
de opbrengst van administratieve geldboeten en alle andere bedragen, welke door de diensten van het Vlaamse Gewest en door de rechtbanken gevorderd worden lastens de overtreders van de wetgeving en reglementering inzake de riviervisserij;
d)
de opbrengst van concessies van verhuur en van vervreemdingen van eigendommen, installaties en aanhorigheden, die aangewend of verworven werden met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen inzake de riviervisserij.]

Art. 36bis.
De voorwaarden voor de erkenning door de Regering en voor toelagen van het “Fonds piscicole de Wallonie” voor de “vissersscholen” met inbegrip van de opleiders en de vissersfederaties worden vastgesteld door de Regering op de voordracht van het centrale comité van het visserijfonds na raadpleging van de provinciale visserijcommissies.]

Art. 37.
[Het “Fonds piscicole de Wallonie” wordt beheerd door de Minister tot wiens bevoegdheid de riviervisserij behoort. Het secretariaat en de boekhouding worden waargenomen door het bestuur bevoegd voor het beheer van de riviervisserij.]

Art. 37.
[De Vlaamse Regering beschikt over de kredieten van het Visserijfonds voor al wat kan dienen in het raam van het beleid inzake riviervisserij in de ruime zin.]
Een bijzonder reglement betreffende de boekhouding van het fonds wordt gezamelijk opgesteld door de Minister van Financiën en de Minister tot wiens bevoegdheid de riviervisserij behoort. Dit reglement kan van de bepalingen betreffende de rijkscomptabiliteit afwijken voor zover betreft de aanwending, de liquidatie, de betaling en de verantwoording van de uitgaven.

Art. 37bis.
Het reglement betreffende de boekhouding van het fonds wordt door de Regering opgesteld. Het kan afwijken van de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 april 1954 houdende algemeen reglement op de begroting en de comptabiliteit van de bij de wet van 16 maart 1954 bedoelde instellingen van openbaar nut of deze aanvullen. Zij bepaalt met name de opstellings- en uitvoeringswijze van de begroting en de beleggingsmodaliteiten en -voorwaarden van het fonds.]

Art. 38.
In de hoofdplaats van elke provincie wordt, onder het voorzitterschap van de gouverneur of van zijn afgevaardigde, een commissie ingesteld, “Provinciale Visserijcommissie” genoemd.
Het aantal leden mag niet lager zijn dan vier, noch hoger dan tien. Er zijn zoveel plaatsvervangende als gewone leden. Zij worden door de gouverneur gekozen onder de candidaten, aangewezen door de meest gequalificeerde vissersverenigingen; zij vertegenwoordigen zoveel mogelijk de verschillende streken van de provincie en de belangrijkheid van de groeperingen.
De commissies verlenen, binnen het kader van de opdracht van de bij het artikel 36 ingestelde fonds en volgens door de Koning te bepalen regelen, hun medewerking aan het Bestuur van Waters en Bossen voor de aanwending van dat fonds.
[Ten hoogste één vijfde van de leden mag echter worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de vissersverenigingen waarvan de leden in andere wateren vissen dan die vermeld in artikel 2, behalve wanneer in de provincie slechts één vissersvereniging mocht bestaan.]

Art. 38.
In de hoofdplaats van elke provincie wordt, onder het voorzitterschap van de gouverneur of van zijn afgevaardigde, een commissie ingesteld, “Provinciale Visserijcommissie” genoemd.
Het aantal leden mag niet lager zijn dan vier, noch hoger dan tien. Er zijn zoveel plaatsvervangende als gewone leden. Zij worden door de gouverneur gekozen onder de candidaten, aangewezen door de meest gequalificeerde vissersverenigingen; zij vertegenwoordigen zoveel mogelijk de verschillende streken van de provincie en de belangrijkheid van de groeperingen.
De commissies verlenen, binnen het kader van de opdracht van de bij het artikel 36 ingestelde fonds en volgens door de Koning te bepalen regelen, hun medewerking aan het [Agentschap voor Natuur en Bos] voor de aanwending van dat fonds.
[Ten hoogste één vijfde van de leden mag echter worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de vissersverenigingen waarvan de leden in andere wateren vissen dan die vermeld in artikel 2, behalve wanneer in de provincie slechts één vissersvereniging mocht bestaan.]

Art. 39.
Bij het Ministerie tot welk bevoegdheid de riviervisserij behoort, wordt een centraal comité van het vissersfonds ingesteld, waarvan de bevoegdheid en de organisatie door de Koning worden geregeld. Iedere provinciale commissie is daarin door één afgevaardigde of diens plaatsvervanger vertegenwoordigd.

Art. 40.
De Koning stelt de datum van inwerkingtreding van deze wet vast.