Art. 38.
In de hoofdplaats van elke provincie wordt, onder het voorzitterschap van de gouverneur of van zijn afgevaardigde, een commissie ingesteld, “Provinciale Visserijcommissie” genoemd.
Het aantal leden mag niet lager zijn dan vier, noch hoger dan tien. Er zijn zoveel plaatsvervangende als gewone leden. Zij worden door de gouverneur gekozen onder de candidaten, aangewezen door de meest gequalificeerde vissersverenigingen; zij vertegenwoordigen zoveel mogelijk de verschillende streken van de provincie en de belangrijkheid van de groeperingen.
De commissies verlenen, binnen het kader van de opdracht van de bij het artikel 36 ingestelde fonds en volgens door de Koning te bepalen regelen, hun medewerking aan het [Agentschap voor Natuur en Bos] voor de aanwending van dat fonds.
[Ten hoogste één vijfde van de leden mag echter worden gekozen onder de kandidaten, aangewezen door de vissersverenigingen waarvan de leden in andere wateren vissen dan die vermeld in artikel 2, behalve wanneer in de provincie slechts één vissersvereniging mocht bestaan.]