Waterwetboek
Gecodificeerde decreten betreffende het integraal waterbeleid

Titel I.
Doelstellingen, beginselen, organisatie, voorbereiding en opvolging van het integraal waterbeleid


Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen


Art. 1.1.1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 1.1.2. Dit decreet is van toepassing op de watersystemen gelegen in het Vlaamse Gewest.

Art. 1.1.3.

§1. De definities opgenomen in artikel 1.1.2, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn van toepassing op deze titel.

§2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
Kaderrichtlijn Water: de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
binnenwateren: al het permanent of op geregelde tijdstippen stilstaande of stromende water op het landoppervlak, en al het grondwater, aan de landzijde van de basislijn vanaf waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
oppervlaktewater: binnenwateren, met uitzondering van grondwater;
grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
zwemwater: elk oppervlaktewater, met inbegrip van de territoriale zee waarvoor het Vlaamse Gewest bevoegd is, waarin naar verwachting een groot aantal mensen zal zwemmen, en waar zwemmen niet permanent verboden is of waarvoor geen permanent negatief zwemadvies bestaat;
watervoerende laag: een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of voor de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
oppervlaktewaterlichaam: een onderscheiden oppervlaktewater, zoals een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier, kanaal of overgangswater;
grondwaterlichaam: een onderscheiden grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen of in een deel ervan;
rivier: een oppervlaktewaterlichaam dat grotendeels bovengronds stroomt, maar dat voor een deel van zijn traject ondergronds kan stromen;
10° meer: een massa stilstaand landoppervlaktewater;
11° overgangswater: een oppervlaktewaterlichaam dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van zeewater, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromingen wordt beïnvloed;
12° kunstmatig oppervlaktewaterlichaam: een door menselijke activiteiten tot stand gekomen oppervlaktewaterlichaam, dat is aangeduid door of krachtens dit decreet;
13° sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam: een oppervlaktewaterlichaam dat door fysische wijzigingen ingevolge menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat is aangeduid door of krachtens dit decreet;µ
14° stroomgebiedsdistrict: het gebied van land en zee, gevormd door een of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende eraan toegewezen grondwaterlichamen, dat als de voornaamste eenheid voor stroomgebiedbeheer is omschreven;
15° stroomgebied: het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, hetzij via een kanaal, hetzij via een reeks stromen, rivieren, beken en eventueel meren, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, door een riviermond in zee stroomt;
16° deelstroomgebied of bekken: het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, een reeks stromen, rivieren, kanalen en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop of een kanaal;
17° watersysteem: een samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems en oevers, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische processen, en de daarbij behorende technische infrastructuur;
18° schadelijk effect: ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen;
19° verontreinigende stof: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen stof die tot verontreiniging kan leiden;
20° prioritaire stoffen: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen verontreinigende stof;
21° prioritaire gevaarlijke stoffen: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen prioritaire stof;
22° toestand van het oppervlaktewater: de aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de chemische toestand of de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van deze toestanden;
23° goede toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de chemische toestand, de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn;
24° toestand van het grondwater: de aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de chemische of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van beide;
25° goede toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam, waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn;
26° goede chemische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen voldoen aan de milieukwaliteitsnormen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor die stoffen die in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van Vlarem aangeduid zijn als “VS”, “PS” of “PGS” in de kolom “Europese context”;
27° goede chemische toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen voldoen aan de milieukwaliteitsnormen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
28° ecologische toestand van het oppervlaktewater: de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met het oppervlaktewaterlichaam zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
29° goede ecologische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de goede ecologische toestand, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
30° zeer goede ecologische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de zeer goede ecologische toestand, en de hydromorfologische chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
31° ecologisch potentieel: de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met sterk veranderde of kunstmatige oppervlaktewaterlichamen zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
32° matig ecologisch potentieel: de toestand van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het matig ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
33° goed ecologisch potentieel: de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het goed ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
34° maximaal ecologisch potentieel: de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het maximaal ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
35° goede eco-hydrologische toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn en waarbij tevens de fysisch-chemische kwaliteit voldoet aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde bijzondere milieukwaliteitsnormen die nodig zijn met het oog op de instandhouding van de terrestrische natuurlijke habitats die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhangen;
36° kwantitatieve toestand van het grondwater: de aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe en indirecte onttrekking en aanvulling wordt beïnvloed ten opzichte van de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
37° goede kwantitatieve toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarbij de grondwaterstand en het evenwicht tussen de directe en indirecte onttrekking en aanvulling van het grondwater voldoet aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
38° beschikbare grondwatervoorraad: het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen van de bijbehorende oppervlaktewaterlichamen te bereiken, alsmede om betekenisvolle schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;
39° kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater: de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden;
40° goede kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater: de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden, die nodig zijn om de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam te bereiken;
41° waterdiensten: alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in winning, onttrekking, opstuwing, opslag, opvang, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater, met inbegrip van de opvang en behandeling van afvalwater;
42° watergebruik: waterdiensten en elke andere menselijke activiteit, geïdentificeerd ter uitvoering van artikel 1.7.3.1, 2°, met significante gevolgen voor de toestand van water;
43° pesticide:
a) een gewasbeschermingsmiddel: een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/ EEG van de Raad;
b) een biocide: een biocide als vermeld in artikel 1, §1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;
44° talud: strook land binnen de bedding van een oppervlaktewaterlichaam vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm;
45° oeverzone: strook land vanaf de bodem van de bedding van het oppervlaktewaterlichaam die een functie vervult inzake de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud of inzake de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, pesticiden of meststoffen;
46° afgebakende oeverzone: oeverzone die met dat doel is afgebakend in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of door een beslissing van de Vlaamse Regering;
47° overstromingsgebied: door bandijken, binnendijken, valleiranden of op andere wijze begrensd gebied dat op regelmatige tijdstippen al dan niet op gecontroleerde wijze overstroomt of kan overstromen en dat als dusdanig een waterbergende functie vervult of kan vervullen;
48° afgebakend overstromingsgebied: overstromingsgebied dat met dat doel is afgebakend in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of door een beslissing van de Vlaamse Regering;
49° beschermde gebieden: de in artikel 1.7.6.1 van dit decreet bedoelde gebieden die bijzondere bescherming behoeven;
50° waterbodem: de bodem van een oppervlaktewaterlichaam die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat;
51° waterweg: een als bevaarbaar aangeduide waterloop of kanaal met een verbindingsfunctie via het water, alsmede de havens en dokken;
52° vrije vismigratie: verplaatsing van vissen die een groot deel van de populatie, dan wel een of meer leeftijdsklassen van een bepaalde soort betreffen, met een voorspelbare periodiciteit gedurende de levenscyclus van de soort en waarbij twee of meer ruimtelijk gescheiden habitats worden gebruikt;
53° water bestemd voor menselijke aanwending: water bestemd voor menselijke consumptie, tweedecircuitwater en al het water dat wordt aangewend voor huishoudelijke, agrarische of industriële toepassingen, ongeacht de herkomst van dat water;
54° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater, en water dat een geneesmiddel is;
55° waterketen: het geheel van activiteiten die samenhangen met het water bestemd voor menselijke aanwending of met de collectering en de zuivering van afvalwater;
56° waterrijke gebieden: gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter;
57° de Vlaamse Grondenbank: afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht volgens het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
58° initiatiefnemer: de overheid die vermeld wordt bij het overstromingsgebied of de oeverzone, zoals bedoeld in artikel 1.3.3.2.1;
59° de tot aankoop verplichte entiteit: de overheid die gehouden is de aankoop zoals bedoeld in artikel 1.3.3.3.1 te doen;
60° de vergoedingsplichtige: de overheid die gehouden is tot het betalen van een vergoeding zoals bedoeld in artikel 1.3.3.3.1;
61° de begunstigde: de overheid die een voorkooprecht, zoals bedoeld in artikel 1.3.3.2.1, geniet;
62° overstroming: het tijdelijk onder water staan van land dat normaliter niet onder water staat, veroorzaakt door onder meer overstromingen door waterlopen en overstromingen door de zee;
63° overstromingsrisico: de kans dat zich een overstroming voordoet in combinatie met de mogelijke negatieve gevolgen van een overstroming voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid;
64° overstromingsrisicobeheerdoelstellingen: de doelstellingen om de negatieve gevolgen, die overstromingen met zich meebrengen, te beperken, gebaseerd op een aantal relevante aspecten zoals kosten en baten, de omvang van de overstroming, de gebieden met het vermogen om overstromingswater vast te houden en te bergen, met inbegrip van natuurlijke overstromingsgebieden, de preventie en de bescherming en paraatheid, met inbegrip van systemen voor de voorspelling van en de vroegtijdige waarschuwing voor overstromingen, het bevorderen van duurzaam landgebruik, de verbetering van de wateropvangcapaciteit en de gecontroleerde overstroming van bepaalde gebieden bij hoogwater. De overstromingsrisicobeheerdoelstellingen worden uitgewerkt in de stroomgebiedbeheerplannen;
65° havenbedrijf: havenbedrijf als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;
66° matrix: een compartiment van het aquatische milieu, dat wil zeggen water, sediment of biota;
67° biotataxon of taxon: een specifiek aquatisch taxon met een taxonomische rang van “subphylum”, “klasse” of een daaraan gelijkwaardige rang.


Hoofdstuk II.
Voorwerp, doelstellingen en beginselen


Art. 1.2.1. Integraal waterbeleid is het beleid gericht op het gecoördineerd en geïntegreerd ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen met het oog op het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van dit watersysteem als zodanig, en met het oog op het multifunctionele gebruik, waarbij de behoeften van de huidige en komende generaties in rekening worden gebracht.

Art. 1.2.2.

Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid beogen het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:
1° de bescherming, de verbetering of het herstel van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen op zo'n wijze dat tegen de datum, vermeld in artikel 1.7.2.1.1, §2, een goede toestand van de watersystemen wordt bereikt. Onder een goede toestand wordt verstaan:
a) minstens een goede chemische, ecologische en kwantitatieve toestand voor oppervlaktewaterlichamen;
b) minstens een goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen;
c) minstens een goede chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen;
2° het voorkomen en verminderen van de verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater, onder meer door:
a) het progressief verminderen van de verontreiniging door prioritaire stoffen;
b) het stopzetten of het progressief beëindigen van de verontreiniging door prioritair gevaarlijke stoffen;
3° het duurzaam beheer van de voorraden aan oppervlakte- en grondwater door:
a) een duurzame watervoorziening, met inbegrip van de winning, opvang, behandeling en distributie van water bestemd voor menselijke aanwending;
b) een duurzaam watergebruik;
4° het voorkomen van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door:
a) het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
b) het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen;
c) de vrije vismigratie, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts, die voor alle soorten vis gegarandeerd moet worden, in alle hydrografische stroomgebieden waarbij voorrang gegeven wordt aan strategische knelpunten en het voorkomen van nieuwe migratieknelpunten. De Vlaamse Regering kan de verdere regels bepalen met betrekking tot vrije vismigratie.
d) het hanteren van technieken van natuurtechnische milieubouw;
5° het verbeteren en het herstellen van aquatische ecosystemen en van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen:
a) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de waterrijke gebieden van internationale betekenis;
b) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
c) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de groengebieden, de parkgebieden, de bosgebieden, de natuurontwikkelingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
d) in de speciale beschermingszones voor zover het maatregelen betreft bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
6° het terugdringen van overstromingsrisico's en het risico op waterschaarste door:
a) in het beheer van het hemelwater en het oppervlaktewater als prioriteitsvolgorde de volgende hiërarchie te hanteren: hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, hergebruikt, geïnfiltreerd en gescheiden van het afvalwater, alvorens het geborgen en vervolgens bij voorkeur op een vertraagde wijze afgevoerd wordt;
b) verdroging te voorkomen, beperken of ongedaan te maken;
c) zoveel mogelijk ruimte te bieden aan water, waarbij het waterbergend vermogen van overstromingsgevoelige gebieden zo veel als mogelijk gevrijwaard wordt en watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden worden behouden en waar nodig hersteld;
d) de negatieve gevolgen die overstromingen buiten de afgebakende overstromingsgebieden met zich meebrengen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed, de economische bedrijvigheid en de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, te beperken;
7° het terugdringen van landerosie en van de aanvoer van sedimenten naar de oppervlaktewaterlichamen, en van het door menselijk ingrijpen veroorzaakt transport en de afzetting van slib en sediment in het oppervlaktewaterlichaam;
8° het beheer en het ontwikkelen van waterwegen met het oog op de bevordering van een milieuvriendelijker transportmodus van personen en goederen via de waterwegen en het realiseren van de intermodaliteit met de andere vervoersmodi en het bevorderen van de internationale verbindingsfunctie ervan;
9° de integrale afweging van de diverse functies binnen een watersysteem, evenals het onderling verband tussen de verschillende functies van het watersysteem;
10° het bevorderen van de betrokkenheid van de mens met het watersysteem, waaronder de verhoging van de belevingswaarde in stedelijk gebied en vormen van zachte recreatie. Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt rekening gehouden met het onderlinge verband tussen:
a) het water en de andere onderdelen van het milieu, in het bijzonder het met het water verbonden ecosysteem;
b) het grondwater, oppervlaktewater en hemelwater;

c) de waterkwaliteit en de waterkwantiteit.


Art. 1.2.3.

Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid houden het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut rekening met volgende beginselen:
1° het standstill-beginsel, op grond waarvan moet worden voorkomen dat de toestand van watersystemen verslechtert;
2° het preventiebeginsel, op grond waarvan moet worden opgetreden om schadelijke effecten te voorkomen, veeleer dan die achteraf te moeten herstellen;
3° het bronbeginsel, op grond waarvan preventieve maatregelen aan de bron worden genomen;
4° het voorzorgsbeginsel, op grond waarvan het treffen van maatregelen ter voorkoming van schadelijke effecten niet moet worden uitgesteld omdat na afweging het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het handelen of nalaten en de gevolgen ervan niet volledig door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond;
5° het “de vervuiler betaalt”-beginsel, op grond waarvan de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van schadelijke effecten en de kosten voor het herstellen van deze schade voor rekening zijn van de veroorzaker;
6° het kostenterugwinningsbeginsel, op grond waarvan de kosten voor waterdiensten, met inbegrip van de milieukosten en de kosten van de hulpbronnen, in rekening worden gebracht met inachtneming van een economische analyse van het watergebruik;
7° het herstelbeginsel, op grond waarvan bij schadelijke effecten deze voor zover mogelijk daadwerkelijk worden hersteld tot de van toepassing zijnde referentieniveaus;
8° het participatiebeginsel, op grond waarvan aan de burgers vroeg, tijdig en doeltreffend inspraak wordt verleend bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid;
9° het beginsel van hoog beschermingsniveau, op grond waarvan een zo hoog mogelijk beschermingsniveau wordt nagestreefd van de aquatische ecosystemen, met inbegrip van de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden, zonder evenwel het multifunctionele gebruik van de watersystemen uit het oog te verliezen;
10° het beginsel dat het watersysteem een van de ordenende principes is in de ruimtelijke ordening;
11° het beginsel van de evaluatie ex ante, op grond waarvan een voorafgaande, systematische en grondige evaluatie van de gevolgen van het integraal waterbeleid op het milieu, het economische en sociale aspect en voor de samenleving, en voor de uitvoerende en handhavende instanties wordt uitgevoerd;

12° het solidariteitsbeginsel, op grond waarvan onder meer geen maatregelen worden genomen die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere gebieden in hetzelfde stroomgebied, bekken of deelbekken, tenzij die maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten, gewesten of andere beheerders een overeengekomen oplossing bereikt werd.


Art. 1.2.4.

De doelstellingen en beginselen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle aspecten van het integraal waterbeleid.

Bij de verwezenlijking van de in artikel 1.2.2 bedoelde doelstellingen en de toepassing van de in artikel 1.2.3 bedoelde beginselen wordt met het oog op het multifunctionele gebruik van watersystemen ook rekening gehouden met de sociale en economische gebruiksfuncties ervan.


Hoofdstuk III.
Algemene instrumenten van het integraal waterbeleid


Afdeling.
I. De watertoets


Art. 1.3.1.1.

§1. De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in §5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd.

Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren.

De overheid die oordeelt over de afgifte van een planologisch of stedenbouwkundig attest als vermeld in artikel 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, moet in redelijkheid nagaan of de aanvraag door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen de watertoets kan doorstaan.

§2. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse Regering vastgestelde waterbeheersplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voor zover die bestaan.

De beslissing die de overheid neemt in het kader van §1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid.

§3. De overheid die moet beslissen over een vergunningsaanvraag of de overheid die in de door de Vlaamse Regering vastgestelde gevallen de watertoets toepast op de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest kan advies vragen over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren aan de door de Vlaamse Regering aan te wijzen instantie. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier. Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de vergunningsprocedure, dan beschikt de door de Vlaamse Regering aan te wijzen instantie over dezelfde termijn als de andere adviesverleners.

Als er binnen die termijnen geen advies is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

In de door de Vlaamse Regering vastgestelde gevallen moet de vergunningverlenende overheid of de overheid die oordeelt over de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren advies vragen aan de door de Vlaamse Regering aangewezen instantie.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop dit advies moet worden aangevraagd en over de integratie ervan in andere adviesprocedures.

§4. Voor de vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma die zijn onderworpen aan een milieueffectenrapportage geschiedt de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport.

§5. De volgende vergunningen worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets:
1° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden van een project, vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° als dat relevant is, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten van een project, vermeld in artikel 5, 1°, c), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
3° voor zover als relevant, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de milieuvergunning als vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;
4° de vergunning voor een watervang als vermeld in artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
5° de machtiging voor het uitvoeren van buitengewone werken van verbetering en wijziging, vermeld in de artikelen 12 en 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
6° de vergunning, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

De volgende plannen en programma's worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets:
1° een ruimtelijk uitvoeringsplan en een algemeen en bijzonder plan van aanleg als vermeld in artikel 1.1.2, 9°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
2° een plan van de nieuwe wegen en afwateringen als vermeld in de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet en het ruilverkavelingsplan opgemaakt in uitvoering van voormelde wet;
3° een landinrichtingsplan als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
4° de plannen en programma's, vermeld in artikel 1.5.3.2, §4, 7°, van dit decreet;
5° waterhuishoudingsplannen van Polders en Wateringen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2002 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan polders, wateringen, verenigingen van wateringen voor het uitvoeren van bepaalde waterhuishoudkundige werken en tot vastlegging van de procedure inzake subsidiëring van deze werken;
6° natuurrichtplannen als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

De Vlaamse Regering kan in aanvulling op het eerste en tweede lid een lijst vaststellen van vergunningen, plannen en programma's die aan de watertoets moeten worden onderworpen. Ze kan ook een lijst vaststellen van subcategorieën van programma's, plannen en vergunningen waarvoor in afwijking van §5, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, 1°, geen watertoets is vereist, als die wegens de aard, omvang en locatie ervan geen schadelijk effect kunnen veroorzaken.

Als voor dezelfde activiteit verschillende vergunningen zijn vereist, kan de overheid die beslist over een vergunning voor een activiteit die al het voorwerp heeft uitgemaakt van een andere vergunning die aan de watertoets werd onderworpen, oordelen dat die watertoets volstaat in het kader van de vergunning waarover ze beslist. Voor opeenvolgende programma's, plannen en vergunningen die betrekking hebben op hetzelfde plangebied, kan de overheid die beslist over een programma, plan of vergunning, oordelen dat een eerder uitgevoerde watertoets volstaat.

De Vlaamse Regering kan ook algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen aan de hand waarvan wordt vastgesteld of handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken. Ze kan eveneens algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen voor het bepalen van gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren.


Afdeling II.
Oeverzones


Art. 1.3.2.1.

De oeverzone van elk oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van de waterwegen, omvat ten minste de taluds ervan.

Als met het oog op de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud, of de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, pesticiden of meststoffen, een bredere oeverzone nodig is, wordt die op gemotiveerde wijze afgebakend door de goedkeuring van een oeverzoneproject in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of een beslissing van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen en het goedkeuren van oeverzoneprojecten.


Art. 1.3.2.2.

§1. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat gelden ten minste de volgende bepalingen:
1° elke vorm van bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat, is elke vorm van bemesting, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing verboden binnen:
a) vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam;
b) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
c) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam indien een helling grenst aan het oppervlaktewaterlichaam;
2° het gebruik van pesticiden als vermeld in artikel 3, van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, is verboden in de oeverzone en binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
3° grondbewerkingen zijn verboden binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. De grondbewerkingen, uitgevoerd vanaf een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;
4° er mogen geen nieuwe bovengrondse constructies worden opgericht binnen vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Met uitzondering van herbouwen als vermeld in artikel 4.1.1, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, is het uitvoeren van onderhoudswerken, stabiliteitswerken en het verbouwen van dergelijke constructies als vermeld in artikel 4.1.1, 9°, 11° en 12°, van de voormelde codex, toegestaan, voor zover die handelingen toelaatbaar zijn op basis van de regelgeving inzake ruimtelijke ordening. De voormelde verboden zijn niet van toepassing op constructies die noodzakelijk zijn voor het beheer van het oppervlaktewaterlichaam, voor werkzaamheden van algemeen belang, voor werkzaamheden en constructies die expliciet zijn toegelaten door een ruimtelijk uitvoeringsplan mits zij de functie of de functies van de oeverzone niet onmogelijk maken en voor de constructies die verenigbaar zijn met de functie of de functies van de oeverzone;
5° bij het uitvoeren van de werken, vermeld in punt 4°, andere dan degene die niet zijn gericht op het herstel van de natuurlijke werking van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam, worden bij voorkeur en waar mogelijk de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd.

§2. De Vlaamse Regering kan in de oeverzones en in de afgebakende oeverzones, naast de bepalingen vermeld in paragraaf 1, andere noodzakelijke maatregelen opleggen, met inbegrip van erfdienstbaarheden.

In dat geval kunnen particuliere grondeigenaars of gebruikers aan het Vlaamse Gewest een vergoeding vragen. Die vergoeding kan alleen worden gevraagd als maatregelen worden opgelegd die verder gaan dan wat voor het bereiken van de basismilieukwaliteitsnormen is vereist of die verder gaan dan de maatregelen die vereist zijn voor het realiseren van het standstillbeginsel, vermeld in artikel 1.2.3, 1° .

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het beheer van oeverzones, de financiering ervan en de vergoedingsregeling, vermeld in het tweede lid.

§3. De aangelanden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken op de oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht om:
1° doorgang te verlenen aan de personeelsleden van de beheerder van een waterloop of waterweg, aan de werklieden en aan de andere personen die in opdracht van de overheid met de uitvoering van het beheer van een oeverzone zijn belast;
2° op hun gronden of eigendommen de materialen, het gereedschap en de werktuigen te laten plaatsen die voor de uitvoering van de werkzaamheden aan de oeverzone nodig zijn.


Afdeling III.
Verwerving van onroerende goederen, aankoopplicht, vergoedingsplicht en informatieplicht


Onderafdeling I.
Onteigening ten algemenen nutte


Art. 1.3.3.1.1. Voor de verwerving van onroerende goederen, vereist om de in artikel 5 1.2.2 van dit decreet genoemde doelstellingen van het integraal waterbeleid te verwezenlijken, kan het Vlaamse Gewest overgaan tot een onteigening ten algemenen nutte. Ongeacht de bepalingen die andere rechtspersonen bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen eveneens de provincies en gemeenten tot een onteigening overgaan.

Onderafdeling II.
Recht van voorkoop


Art. 1.3.3.2.1.

§1. Onverminderd de bepalingen die andere rechtspersonen ter zake een recht tot voorkoop verlenen, heeft het Vlaamse Gewest een recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones die samenhangen met een waterweg behorende tot haar bevoegdheid. Dit recht van voorkoop is niet van toepassing op onroerende goederen van het openbaar of privaat domein van de federale overheid en van andere gemeenschappen en gewesten.

Indien de oeverzone of het overstromingsgebied samenhangt met een waterweg behorende tot de bevoegdheid van De Vlaamse Waterweg, is de Vlaamse Waterweg de initiatiefnemer en de begunstigde voor het recht van voorkoop

Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop.

De Vlaamse Grondenbank heeft een recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones die niet samenhangen met waterwegen.

Bij de afbakening van een oeverzone of overstromingsgebied wordt de initiatiefnemer steeds vermeld. Is de initiatiefnemer een waterwegbeheerder, dan is die de begunstigde van het recht van voorkoop. Is de initiatiefnemer daarentegen een waterloopbeheerder van onbevaarbare waterlopen, dan is de Vlaamse Grondenbank de begunstigde van het recht van voorkoop.

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen, zijn van toepassing op dit recht van voorkoop.

§2. Het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de goedkeuring van de afbakening van oeverzones en overstromingsgebieden.

De Vlaamse Regering kan de nodige maatregelen nemen om in het geval het recht van voorkoop wordt uitgeoefend op een verpacht perceel, een vrijwillige grondruil mogelijk te maken. Voor die gronden kan slechts een einde worden gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van de pachtperiode zoals voorzien in artikel 7, 9°, van de Pachtwet, tenzij de pachter vroeger of vrijwillig afstand doet van zijn pachtrecht.


Onderafdeling III.
Aankoopplicht, vergoedingsplicht en informatieplicht


Art. 1.3.3.3.1.

§1. De eigenaar van een onroerend goed kan van de tot aankoop verplichte entiteit, de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de afbakening van een oeverzone of overstromingsgebied waarbinnen dit onroerend goed is gelegen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. De tot aankoop verplichte entiteit is de initiatiefnemer.

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 31 mei 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze koopplicht.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft.

Bij het bepalen van de aankoopprijs wordt geen rekening gehouden met de waardevermindering voortvloeiend uit de afbakening van het onroerend goed als oeverzone of overstromingsgebied.

Het bedrag dat de eigenaar van de tot aankoop verplichte entiteit ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Wanneer de eigenaar toepassing maakt van de aankoopplicht van de tot aankoop verplichte entiteit kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of andere aankoopplicht van het Vlaamse Gewest voor hetzelfde onroerend goed.

§2. Indien een onroerend goed wordt gebruikt dat binnen een afgebakend overstromingsgebied ligt, kan van de vergoedingsplichtige een vergoeding worden gevraagd in de mate dat, ten gevolge van het actief inschakelen ervan door de overheid in de waterbeheersing, inkomstenverlies kan worden aangetoond. De vergoedingsplichtige is de initiatiefnemer.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de vergoedingsplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de vergoeding waarop de gebruiker recht heeft. De Vlaamse Regering kan een instantie aanduiden die gemachtigd wordt om bepaalde taken in het kader van de vergoedingsplicht uit te voeren.

De hoogte van de vergoeding bedoeld in eerste lid houdt rekening met:
a) het in artikel 1.2.3, 1°, bedoelde standstill-beginsel en het in artikel 1.2.3, 5°, bedoelde “de vervuiler betaalt”-beginsel;
b) de verordenende bepalingen inzake ruimtelijke ordening, in het bijzonder de stedenbouwkundige voorschriften van de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening.

Er is geen vergoeding verschuldigd als het inkomstenverlies het gevolg is van beperkingen, voorschriften en voorwaarden die door of krachtens een andere regelgeving zijn opgelegd.

Wanneer een gebruiker toepassing maakt van de vergoedingsplicht van de vergoedingsplichtige, kan hij geen aanspraak meer maken op een andere vergoedingsplicht van het Vlaamse Gewest of een andere vergoedingsregeling voor hetzelfde inkomstenverlies met betrekking tot hetzelfde onroerend goed


Art. 1.3.3.3.2.

§ 1. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een onroerend goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een vruchtgebruik, erfpacht of een opstalrecht overdraagt, of op andere wijze een eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de hieraan verbonden publiciteit of het onroerend goed volledig of gedeeltelijk gelegen is:
1° in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of afgebakende oeverzone.

De Vlaamse Regering kan nader bepalen wat onder publiciteit begrepen wordt, kan bepaalde vormen van publiciteit omwille van praktische redenen vrijstellen en kan nadere regels bepalen voor het nakomen van deze informatieplicht.

Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van inbreng van een onroerend goed in een vennootschap en ook van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of het onroerend goed volledig of gedeeltelijk gelegen is:
1° in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of afgebakende oeverzone.

De instrumenterende ambtenaar vermeldt in alle onderhandse en authentieke akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel, met uitzondering van huwelijkscontracten en hun wijzigingen en contracten aangaande de mandeligheid of het onroerend goed gelegen is:
1° in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of afgebakende oeverzone.

 § 2. Elke verzekeraar van een zaakverzekeringsovereenkomst met betrekking tot het gevaar brand die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest de waarborg biedt tegen de natuurrampen, vermeld in artikel 123 van de wet van 4 april 2014 betreffende verzekeringen, stelt op eenvoudig verzoek van de CIW alle informatie waarover hij beschikt en die nodig is voor de vaststelling van de mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebieden, vermeld in paragraaf 1, ter beschikking van de CIW.

In het kader van de informatieoverdracht, vermeld in het eerste lid, worden de geografische gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van natuurlijke personen verwerkt met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens. De CIW wordt hierbij aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke. Die geografische gegevens worden verwerkt om de vaststelling van de mogelijk of effectief overstromingsgevoelige gebieden, vermeld in paragraaf 1, te realiseren. De bewaartermijn van die geografische gegevens is tien jaar na de ontvangst ervan.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld.


Hoofdstuk IV.
De geografische indeling van watersystemen


Afdeling I.
De stroomgebieden en de stroomgebiedsdistricten


Art. 1.4.1.1.

In het Vlaamse Gewest liggen vier stroomgebieden: het stroomgebied van de Schelde, van de Maas, van de IJzer en van de Brugse Polders.

De Vlaamse Regering duidt op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen van de stroomgebieden aan.


Art. 1.4.1.2.

§1. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de Schelde maakt deel uit van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. Met instemming van de partijen bij het Scheldeverdrag wordt de Internationale Scheldecommissie aangewezen als bevoegd orgaan voor de coördinatie van het waterbeleid binnen dit internationaal stroomgebiedsdistrict, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Scheldeverdrag voorziet de Vlaamse Regering in een passende internationale coördinatie.

§2. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de Maas maakt deel uit van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas. Met instemming van de partijen bij het Maasverdrag wordt de Internationale Maascommissie aangewezen als bevoegd orgaan voor de coördinatie van het waterbeleid binnen dit internationaal stroomgebiedsdistrict, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Maasverdrag voorziet de Vlaamse Regering in een passende internationale coördinatie.

§3. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de IJzer kan met instemming van de partijen bij het Scheldeverdrag worden toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. De bevoegdheid van de Internationale Scheldecommissie strekt zich onder dezelfde voorwaarden uit tot het stroomgebied van de IJzer.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Scheldeverdrag kan in overeenstemming met de Franse overheden een lichaam worden aangewezen voor de coördinatie van het waterbeleid binnen het internationaal stroomgebied van de IJzer, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

§4. Het stroomgebied van de Brugse Polders kan met instemming van de partijen bij het Scheldeverdrag worden toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. Met instemming van de partijen bij dat Scheldeverdrag strekt de bevoegdheid van de Internationale Scheldecommissie zich uit tot dit stroomgebied.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Scheldeverdrag kan in overeenstemming met de Nederlandse overheden een lichaam worden aangewezen voor de coördinatie van het waterbeleid binnen het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Brugse Polders, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

§5. Grondwaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald stroomgebied behoren, worden door de Vlaamse Regering nauwkeurig bepaald en toegewezen aan het dichtstbijgelegen of meest geschikte stroomgebiedsdistrict.


Afdeling II.
De bekkens en grondwatersystemen


Art. 1.4.2.1.

§1. De in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelten van de stroomgebieden van de Schelde en de Maas worden door de Vlaamse Regering aan de hand van in hoofdzaak hydrografische en hydrogeologische criteria ingedeeld in bekkens en grondwatersystemen.

De Vlaamse Regering bakent op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen van deze bekkens en grondwatersystemen af.

§2. Oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald bekken behoren, worden door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk toegewezen aan het dichtstbijgelegen of meest geschikte bekken.

§3. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de IJzer en het stroomgebied van de Brugse Polders worden aangewezen als bekkens.


Afdeling III.
De deelbekkens


Art. 1.4.3.1.

§1. De Vlaamse Regering deelt de bekkens aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria verder op in deelbekkens.

Ze bakent op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen daarvan af.

§2. Oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald deelbekken behoren, worden door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk toegewezen aan het meest dichtbij gelegen of meest geschikte deelbekken.


Hoofdstuk V.
De organisatie van het integraal waterbeleid


Afdeling I.
Het stroomgebiedsdistrict


Art. 1.5.1.1.

§1. De Vlaamse Regering neemt de passende initiatieven die erop gericht zijn dat voor de internationale stroomgebiedsdistricten van de Schelde en de Maas lichamen die worden aangewezen als bevoegd orgaan voor de coördinatie van het waterbeleid binnen die stroomgebiedsdistricten, binnen de termijnen, vermeld in artikel 1.6.2.2, §1, een stroomgebiedbeheerplan kunnen opstellen voor het volledige stroomgebiedsdistrict, en dat het plan overeenkomstig de termijnen, vermeld in artikel 1.6.2.2, §2, wordt getoetst en herzien.

§2. Als het niet mogelijk blijkt om binnen de termijnen, vermeld in artikel 1.6.2.2, een stroomgebiedbeheerplan vast te stellen voor het volledige internationale stroomgebiedsdistrict, stelt de Vlaamse Regering in elk geval voor elk van de op het Vlaamse grondgebied liggende delen van de internationale stroomgebiedsdistricten een stroomgebiedbeheerplan vast, overeenkomstig afdeling II van hoofdstuk VI. De Vlaamse Regering doet hetzelfde voor de gebieden die geen internationaal stroomgebiedsdistrict zijn.


Art. 1.5.1.2. De Vlaamse Regering en de door haar aangewezen openbare diensten en agentschappen alsmede de bekkenbesturen, verlenen hun medewerking aan de opstelling van het stroomgebiedbeheerplan waarin de doelstellingen voor het desbetreffende internationale stroomgebiedsdistrict nader worden bepaald en waarin de maatregelen, vereist voor het realiseren van die doelstellingen, overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water worden omschreven.

Afdeling II.
Het Vlaamse Gewest


Art. 1.5.2.1.

§1. De Vlaamse Regering wijst de minister aan die belast is met de coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid.

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de krachtlijnen van het integraal waterbeleid.

Daartoe stelt de Vlaamse Regering een waterbeleidsnota vast.


Art. 1.5.2.2.

§1. De Vlaamse Regering stelt een Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, afgekort CIW, in. De CIW is multidisciplinair en beleidsdomeinoverschrijdend samengesteld.

§2. De CIW staat op het niveau van het Vlaamse Gewest in voor de voorbereiding, de planning, de controle en de opvolging van het integraal waterbeleid, waakt over de uniforme aanpak van de bekkenwerking en is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Vlaamse Regering inzake integraal waterbeleid.

§3. De Vlaamse Milieumaatschappij verzekert het secretariaat en de ondersteuning van de planningscel van de CIW. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de CIW.


Afdeling III.
Het bekkenniveau


Art. 1.5.3.1.

Per bekken wordt een bekkenbestuur en een bekkenraad opgericht.

Het bekkenbestuur richt een bekkensecretariaat op.

Het Vlaamse Gewest stelt per bekken de nodige middelen en het nodige personeel ter beschikking voor de werking van het bekkenbestuur, van het bekkensecretariaat en van de bekkenraad.

Elke provincie, die op basis van haar ligging in een bepaald bekken een wezenlijk deel uitmaakt van dat bekken, stelt ten minste een personeelslid ter beschikking van het bekkensecretariaat en dit ten laste van de eigen begroting.

De Vlaamse minister, belast met de coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid, wijst op voordracht van de CIW, per bekken een bekkencoördinator aan. De bekkencoördinator is de secretaris van het bekkenbestuur.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de werking van het bekkenbestuur, met inbegrip van de regels voor het aanwezigheidsquorum. Het bekkenbestuur beslist in beginsel bij consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, kan de Vlaamse Regering in een bijzondere meerderheid voorzien voor het bekkenbestuur.


Art. 1.5.3.2.

1. In het bekkenbestuur zetelen minstens:
1° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zoals bedoeld in artikel 6, §1, II, 1°, en 4°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
2° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, zoals bedoeld in artikel 6, §1, III, 2°, 8°, 9° en 10°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
3° twee vertegenwoordigers van het Vlaamse Gewest, die worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken en het verkeer, zoals bedoeld in artikel 6, §1, X, 2°, 3° en 5°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
4° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6, §1, I, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
5° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij, zoals bedoeld in artikel 6, §1, V, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
6° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, zoals bedoeld in artikel 6, §1, VI, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
7° een provinciaal mandataris van elke provincie waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
8° een gemeentelijk mandataris van elke gemeente waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
9° een mandataris van elke polder waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
10° een mandataris van elke watering waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
11° een vertegenwoordiger van elk havenbedrijf waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken.

Het bekkenbestuur wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie waarvan het grondgebied deel uitmaakt van het bekken. Als het grondgebied van meerdere provincies deel uitmaakt van hetzelfde bekken, wordt het voorzitterschap waargenomen door de provinciegouverneur die in onderlinge overeenstemming wordt aangewezen.

De aangewezen provinciegouverneur is belast met het overleg en de samenwerking met de besturen van naburige staten of gewesten, die bevoegd zijn voor het waterbeheer, met het oog op de afstemming van de aspecten van het waterbeheer van regionaal belang.

§2. Het bekkenbestuur heeft tot taak:
1° het bekkensecretariaat te organiseren en aan te sturen;
2° het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het stroomgebiedbeheerplan goed te keuren, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad daarover heeft uitgebracht en met de resultaten van het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 1.6.2.5, binnen een termijn van 90 dagen na het afsluiten van het openbaar onderzoek en uiterlijk vier maanden voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft;
3° het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van een wateruitvoeringsprogramma goed te keuren, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad daarover heeft uitgebracht;
4° advies te verlenen over de waterbeleidsnota en de documenten vermeld in artikel 1.6.2.5, §1;
5° advies te verlenen over het ontwerp van zoneringsplan, vermeld in artikel 9, §3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen;
6° advies te verlenen over:
a) ontwerpen van investeringsprogramma's met een rechtstreekse invloed op de watersystemen;
b) ontwerpen van investeringsprogramma's over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties;
7° het voorstellen van een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen om een meer geïntegreerd, logisch samenhangend en efficiënter beheer te realiseren;
8° indien gewenst, de toelichting en/of bespreking van belangrijke projecten of intenties binnen het bekken te agenderen.

De Vlaamse Regering kan de programma's, vermeld in punt 6°, a), nader omschrijven.


Art. 1.5.3.3.

§1. Het bekkensecretariaat bestaat minstens uit het personeel dat door het Vlaamse Gewest ter beschikking wordt gesteld van het bekkenbestuur en uit afgevaardigden van de bij het integraal waterbeleid in het desbetreffende bekken betrokken besturen, diensten en agentschappen en de voor afvalwater bevoegde maatschappijen.

§2. Het bekkensecretariaat is in het bijzonder belast met:
1° het voorbereiden van het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het stroomgebiedbeheerplan;
2° het voorbereiden van het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het wateruitvoeringsprogramma;
3° het meewerken aan de organisatie van het openbaar onderzoek met betrekking tot het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan;
4° het garanderen en organiseren van gebiedsgericht en thematisch overleg en de samenwerking met de provincies, gemeenten, havenbedrijven, polders en wateringen waarvan het grondgebied respectievelijk ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken en andere belanghebbende diensten en agentschappen die afhangen van de Vlaamse overheid. Daartoe organiseert het bekkensecretariaat, al dan niet op vraag van een lid van het bekkenbestuur, een overleg over specifieke knelpunten of acties die belang hebben voor de betrokken actoren;
5° advies te verlenen over:
a) ontwerpen van technische plannen met een rechtstreekse invloed op de watersystemen;
b) ontwerpen van technische plannen over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties en daarover te rapporteren aan het bekkenbestuur;
6° alle andere taken die door het bekkenbestuur worden opgedragen.

De Vlaamse Regering kan de plannen, vermeld in punt 5°, nader omschrijven.


Art. 1.5.3.4.

§1. De bekkenraad bestaat uit vertegenwoordigers van de onderscheiden maatschappelijke belangengroepen die betrokken zijn bij het integraal waterbeleid.

De vergaderingen zijn openbaar.

De Vlaamse Regering bepaalt het aantal leden, alsook de wijze van voordracht en benoeming van de leden en de nadere regels voor de werking van de bekkenraad.

§2. De bekkenraad brengt advies uit over:
1° de documenten vermeld in artikel 1.6.2.5, §1, en artikel 1.7.4.4;
2° alle andere onderwerpen die worden voorgelegd door de CIW, het bekkensecretariaat, of het bekkenbestuur.

§3. De bekkenraad kan op eigen initiatief advies uitbrengen over de planning en uitvoering van het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het stroomgebiedbeheerplan en alle overige aspecten van integraal waterbeleid.


Hoofdstuk VI.
Voorbereiding en opvolging van het integraal waterbeleid


Afdeling I.
De waterbeleidsnota


Art. 1.6.1.1.

§1. De waterbeleidsnota legt de krachtlijnen vast van de visie van de Vlaamse Regering op het integraal waterbeleid voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel, en per stroomgebied afzonderlijk, inclusief een overzicht van de belangrijkste waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebied.

De waterbeleidsnota geeft eveneens aan in hoeverre de krachtlijnen van het integraal waterbeleid vastgelegd in de waterbeleidsnota afgestemd zijn op gewestelijke beleidsplannen.

§2. De eerste waterbeleidsnota wordt uiterlijk op 22 december 2004 vastgesteld.

De waterbeleidsnota wordt een eerste keer herzien uiterlijk op 22 december 2013 en vervolgens om de zes jaar

§3. Het ontwerp van waterbeleidsnota wordt ter inzage gelegd bij de gemeenten gedurende ten minste zes maanden. Iedereen kan schriftelijke opmerkingen indienen bij het college van burgemeester en schepenen. Tegelijkertijd wordt de nota voor advies voorgelegd aan de onderstaande strategische adviesraden:
1° de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) ;
2° de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) ;
3° de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij (SALV) .

§4. De waterbeleidsnota wordt bekendgemaakt door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan daartoe nadere regels bepalen.


Afdeling II.
Stroomgebiedbeheerplannen


Art. 1.6.2.1. De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict overeenkomstig artikel 1.5.1.1 een stroomgebiedbeheerplan vast.

Art. 1.6.2.2.

§1. De stroomgebiedbeheerplannen worden uiterlijk 22 december 2009 voor het eerst vastgesteld en bekendgemaakt.

Uiterlijk op 22 december 2015 worden voor elk stroomgebiedsdistrict, als onderdeel van het stroomgebiedbeheerplan, overstromingsrisicobeheerbepalingen opgenomen, als vermeld in artikel 1.6.2.5, §1.

Overstromingsrisicobeheerplannen die vóór 22 december 2010 werden voltooid kunnen gebruikt worden, mits de inhoud van deze plannen gelijkwaardig is aan punten 1.2, 2.3, 3.4, 4.1 en 4.2, van bijlage 1, en de maatregelen, vermeld in punt 6 van bijlage 2, voldoen aan artikel 1.2.3, 12°, en mits de maatregelen de bedoeling hebben de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen te verwezenlijken.

§2. Deze stroomgebiedbeheerplannen worden vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien overeenkomstig de regels voor de opmaak ervan. Bij de toetsing en herziening van de stroomgebiedbeheerplannen wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering, onder meer op het plaatsvinden van overstromingen.

De plannen blijven in ieder geval van kracht tot de nieuwe stroomgebiedbeheerplannen zijn bekendgemaakt.


Art. 1.6.2.3.

§1. Het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan wordt voorbereid door de CIW.

§2. De diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, de bekkensecretariaten, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, stellen op eenvoudig verzoek van de CIW, alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen ter beschikking van de CIW. De CIW zorgt voor de verdere doorstroming van de relevante informatie naar de bekkensecretariaten.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder deze informatie ter beschikking wordt gesteld.


Art. 1.6.2.4.

§1. Het stroomgebiedbeheerplan bepaalt de hoofdlijnen van het integraal waterbeleid voor het desbetreffende stroomgebiedsdistrict, met inbegrip van de voorgenomen maatregelen en acties, middelen en termijnen die worden bepaald om de doelstellingen ervan te bereiken.

Het bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 1. De overstromingsrisicobeheer-bepalingen zijn opgenomen in punt 1.4, 1.5, 4.3, 6.2 en 7, van bijlage 1, en in punt 6 van bijlage 2.

Er worden tevens bekkenspecifieke en grondwatersysteemspecifieke delen opgemaakt, die minstens de gegevens, vermeld in bijlage 3, bevatten.

Bovendien worden de stroomgebiedbeheerplannen zo opgesteld, en verlopen de besluitvormingsprocedures op zo een wijze dat ze voldoen aan de essentiële kenmerken van de milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.1.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud en de methodologie voor de opmaak van dat plan, met inbegrip van het verder uitwerken van het integratiespoor voor het plan-MER, zoals bedoeld in artikel 4.2.4 van het voornoemde decreet van 5 april 1995.

§2. De Vlaamse Regering duidt de onderdelen van de stroomgebiedbeheerplannen aan die bindend zijn voor de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest zijn belast met taken van openbaar nut.

Behoudens in het geval, bedoeld in §3, tweede en derde lid, kan van het bindende gedeelte van de stroomgebiedbeheerplannen niet in minder strenge zin worden afgeweken.

§3. Indien de realisatie van het bindende gedeelte van de stroomgebiedbeheerplannen de opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg vereist, dan wordt uiterlijk binnen de twee jaar na het van kracht worden van het stroomgebiedbeheerplan, het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan verstuurd naar de bestendige deputatie van de betrokken provincie of provincies, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de door de Vlaamse Regering aangewezen adviserende instellingen en administraties.

Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts afwijken van de bindende bepalingen van de stroomgebiedbeheerplannen op basis van een gemotiveerde en gelijktijdige afweging van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten, op basis van het verslag van de plenaire vergadering of op basis van de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen, of de adviezen, uitgebracht door de aangeduide administraties en overheden, of het advies van de bevoegde commissies voor ruimtelijke ordening. In dat geval wordt bij de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, het stroomgebiedbeheerplan onverwijld terug aangepast door de CIW.

Het stroomgebiedbeheerplan kan tevens de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg noodzakelijk maken. Indien in dat geval wordt afgeweken van de bindende bepalingen van het stroomgebiedbeheerplan, is het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing.

De aangepaste stroomgebiedbeheerplannen worden door de Vlaamse Regering vastgesteld, bekendgemaakt, ter inzage gelegd en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1.6.2.6.


Art. 1.6.2.5.

§1. Tijdens de opmaak van het stroomgebiedbeheerplan worden ten minste volgende documenten bekendgemaakt aan het publiek:
1° minstens drie jaar voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft: een tijdschema en werkprogramma voor de opstelling en, in voorkomend geval, de bijstelling van de stroomgebiedbeheerplannen, met inbegrip van de te nemen raadplegingsmaatregelen;
2° minstens twee jaar voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft: een tussentijds overzicht van de belangrijkste waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebied;
3° minstens een jaar voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft: het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan, met het plan-MER als dat van toepassing is.

§2. De in §1 bedoelde documenten worden gedurende ten minste zes maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten waarvan het grondgebied geheel of ten dele worden bestreken door de stroomgebiedbeheerplannen.

Iedereen kan gedurende die termijn zijn schriftelijke opmerkingen indienen bij de colleges van burgemeester en schepenen. Daarnaast kunnen opmerkingen rechtstreeks en bij voorkeur digitaal aan de CIW worden bezorgd.

Op verzoek wordt inzage gegeven in de achtergronddocumentatie en informatie die werd gebruikt bij de voorbereiding van het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan.

§3. De documenten, vermeld in paragraaf 1, worden tegelijkertijd bezorgd aan de onderstaande strategische adviesraden die binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, een advies uitbrengen:
1° de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) ;
2° de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) ;
3° de Strategische Adviesraad Landbouw en Visserij (SALV) .

De adviesraden zenden hun advies aan de CIW.

Als het advies niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

§4. De CIW maakt bekend dat de documenten, vermeld in paragraaf 1, ter inzage worden gelegd.

§5. De gemeente verstuurt uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek de door haar ontvangen schriftelijke opmerkingen aan de CIW.

§6. De CIW bundelt, coördineert en onderzoekt na ontvangst ervan de ingebrachte opmerkingen en adviezen, in samenwerking met de bekkenbesturen die instaan voor het onderzoek en de coördinatie van de verwerking van de ingebrachte opmerkingen en adviezen over de bekkenspecifieke delen; stemt de stroomgebiedbeheerplannen, inclusief de ontwerpen van bekkenspecifieke delen, onderling op elkaar af; maakt een definitief ontwerp van stroomgebiedbeheerplan op en legt dat ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering uiterlijk drie maanden voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor het openbaar onderzoek vaststellen.


Art. 1.6.2.6. De door de Vlaamse Regering vastgestelde stroomgebiedbeheerplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en worden door de CIW digitaal ter beschikking gesteld.

Afdeling III.
Overstromingsgebieden afgebakend buiten waterbeheersplannen


Art. 1.6.3.1.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het afbakenen van overstromingsgebieden buiten de stroomgebiedbeheerplannen, met inbegrip van een afbakeningsprocedure.

Binnen de afbakeningsprocedure zoals bedoeld in het eerste lid, gebeurt de afbakening na raadpleging van het bekkenbestuur en wordt minstens voorzien in een openbaar onderzoek.


Hoofdstuk VII.
Bijzondere verplichtingen met betrekking tot de stroomgebiedsdistricten


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 1.7.1.1. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en van richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG en richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.

Afdeling II.
Milieudoelstellingen


Onderafdeling I.
Vaststellen en bereiken van de milieudoelstellingen


Art. 1.7.2.1.1.

§1. De Vlaamse Regering stelt milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, grondwater en waterbodems vast door middel van milieukwaliteitsnormen of milieukwantiteitsdoelstellingen. De milieukwaliteitsnormen worden vast gesteld overeenkomstig het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De milieukwaliteitsnormen voor waterbodems en de milieukwantiteitsdoelstellingen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 2.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Ze houdt bij het vaststellen en bereiken van de milieudoelstellingen rekening met de strengere normen die vastgesteld zijn overeenkomstig andere specifieke regelgeving.

§2. De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2015 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:
1° voor oppervlaktewater:
a) de goede chemische toestand;
b) de goede of zeer goede ecologische toestand;
2° voor grondwater:
a) de goede chemische toestand;
b) de goede kwantitatieve toestand;
3° voor kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen:
a) de goede chemische toestand;
b) het goed of maximaal ecologisch potentieel.

De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2021 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:

1° voor oppervlaktewater:
a) minstens een goede kwantitatieve toestand;
b) de goede chemische toestand ten aanzien van de vanaf 22 december 2015 herziene normen voor antraceen, gebromeerde difenylethers, fluorantheen, lood en loodverbindingen, naftaleen, nikkel en nikkelverbindingen en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
c) de goede ecologische toestand ten aanzien van de bestaande normen die herzien zullen worden ter uitvoering van artikel 2.3.1.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2027 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:
1° voor oppervlaktewater:
a) de goede chemische toestand ten aanzien van de nieuwe normen, van kracht vanaf 22 december 2018, voor dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroomcyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM;
b) de goede ecologische toestand ten aanzien van de nieuwe stoffen die ingevoegd zullen worden ter uitvoering van artikel 2.3.1.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

§3. Behoudens de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 1.7.2.5.5 bedoelde gevallen, dient bij het realiseren van de milieudoelstellingen minstens de goede toestand van het oppervlaktewater en het grondwater of het goede ecologisch potentieel van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, en indien mogelijk, de zeer goede ecologische toestand of het maximale ecologisch potentieel van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, te worden bereikt.

§4. Behoudens de in artikel 1.7.2.5.3 en artikel 1.7.2.5.4, §§2 en 3, bedoelde gevallen, mag de bestaande toestand van het oppervlaktewater en het grondwater in geen geval achteruitgaan.

§5. De milieukwantiteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater omvatten onder meer de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen. Bij het vaststellen van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen wordt aandacht besteed aan:
1° de vermindering van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen buiten de afgebakende overstromingsgebieden voor:
a) de gezondheid van de mens;
b) het milieu;
c) het cultureel erfgoed;
d) de economische bedrijvigheid;
e) de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur;
2° indien noodzakelijk, de niet-structurele initiatieven of maatregelen ter vermindering van de kans op overstromingen.


Onderafdeling II.
Vaststellen en beheer van de zwemwaterkwaliteit


Art. 1.7.2.2.1.

Met het oog op het behoud, de bescherming en de verbetering van een bijzondere milieukwaliteit voor zwemwater en de bescherming van de gezondheid van de mens worden, overeenkomstig de Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG, door de Vlaamse Regering de volgende bepalingen vastgesteld:
1° de afbakening van zwemwateren en het bepalen van het badseizoen;
2° de controle en de indeling van de zwemwaterkwaliteit;
3° het beheer van de zwemwaterkwaliteit;
4° het verstrekken van informatie aan het publiek, alsook de organisatie van de inspraak voor het publiek, over de zwemwaterkwaliteit.


Onderafdeling III.
Aanduiding van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen


Art. 1.7.2.3.1.

Met het oog op het vaststellen van de milieudoelstellingen kan de Vlaamse Regering oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanduiden als:
1° de voor het bereiken van de goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken een betekenisvol nadelig effect zouden hebben op:
a) het milieu;
b) activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water bestemd voor menselijke consumptie of hernieuwbare energieopwekking;
c) overstromingsrisicobeheerdoelstellingen irrigatie, waterhuishouding of afwatering.
2° het doel dat door de kunstmatige of veranderde aard van het oppervlaktewaterlichaam wordt gediend, niet kan worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.

De aanduiding wordt overeenkomstig artikel 1.7.3.2 om de zes jaar getoetst en zonodig herzien.


Onderafdeling IV.
Aanwijzen van mengzones


Art. 1.7.2.4.1.

De Vlaamse Regering kan aan lozingspunten grenzende mengzones aanwijzen. In die mengzones mogen de concentraties van prioritaire stoffen en de door de Vlaamse Regering aangewezen verontreinigende stoffen de desbetreffende milieudoelstellingen overschrijden, mits dat geen gevolgen heeft voor de naleving van deze normen in de rest van het oppervlaktewaterlichaam in kwestie.

Bij de aanwijzing van lozingspunten waarborgt de Vlaamse Regering dat de omvang van elke mengzone:
1° beperkt is tot de nabijheid van het lozingspunt;
2° proportioneel is, rekening houdend met de concentraties van de verontreinigende stoffen op het lozingspunt en de geldende voorwaarden voor de emissies van verontreinigende stoffen.


Onderafdeling V.
Omstandigheden waarin van het bereiken van de milieudoelstellingen kan worden afgeweken


Art. 1.7.2.5.1.

De Vlaamse Regering kan de in artikel 1.7.2.1.1, §2, bedoelde termijn verlengen als alle noodzakelijke verbeteringen in de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet binnen die termijn kunnen worden bereikt omdat dit technisch niet haalbaar is, of onevenredig hoge kosten zou meebrengen, of niet mogelijk is omwille van natuurlijke omstandigheden.

In dat geval zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
a) alle maatregelen worden genomen die noodzakelijk worden geacht om de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen voor het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen;
b) de redenen voor de betekenisvolle vertraging bij de uitvoering van deze maatregelen worden onderzocht;
c) het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van deze maatregelen wordt aangeduid;
d) er geen verdere achteruitgang optreedt in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De verlengingen zijn beperkt tot maximaal twee herzieningen van het stroomgebiedbeheerplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden zodanig zijn dat de milieudoelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt.


Art. 1.7.2.5.2.

De Vlaamse Regering kan minder strenge milieudoelstellingen vaststellen voor oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen wanneer het bereiken van de milieudoelstellingen technisch niet haalbaar zou zijn of onevenredig hoge kosten met zich zou meebrengen als gevolg van:
1° de aantasting van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen door menselijke activiteiten, zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §1, uitgevoerde analyses en beoordelingen;
2° de natuurlijke gesteldheid van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen.

Bij het vaststellen van de minder strenge milieudoelstellingen neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door die menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere voor het milieu gunstiger middelen, die geen onevenredig hoge kosten met zich meebrengen;
2° er wordt zorg voor gedragen dat:
a) voor oppervlaktewaterlichamen de best mogelijke ecologische en chemische toestand wordt bereikt die haalbaar is gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
b) voor grondwaterlichamen zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand optreden, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
3° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.3.

Een tijdelijke achteruitgang van de toestand van oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als die het gevolg is van een van de volgende omstandigheden:
1° omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak voordoen en die uitzonderlijk zijn of redelijkerwijs niet waren te voorzien, met name extreme overstromingen of lange droogteperioden;
2° omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen.

Hierbij neemt de Vlaamse Regering al de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare maatregelen worden getroffen om de verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen zodat het bereiken van de milieudoelstellingen bij andere, niet door de omstandigheden getroffen oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen, niet in het gedrang wordt gebracht. Deze maatregelen mogen het herstel van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet in de weg staan wanneer de omstandigheden van het eerste lid niet meer bestaan;
2° het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam moet zo snel als redelijkerwijs haalbaar worden hersteld in de toestand waarin het zich bevond voordat de gevolgen van die omstandigheden intraden, behalve indien dit niet mogelijk is omwille van het feit dat:
a) de vereiste verbeteringen technisch niet haalbaar zijn;
b) de kostprijs van die maatregelen onevenredig hoog is;
c) de natuurlijke omstandigheden een tijdige verbetering van de toestand van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam beletten.

De effecten van die omstandigheden worden jaarlijks geëvalueerd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels van die evaluatie bepalen.


Art. 1.7.2.5.4.

§1. Het niet bereiken van de goede toestand van een grondwaterlichaam, de goede ecologische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, het goede ecologisch potentieel van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als dat het gevolg is van nieuwe veranderingen in de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of indirecte wijzigingen in de grondwaterstand, wegens:
1° activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water, bestemd voor menselijke consumptie, of hernieuwbare energieopwekking;
2° de bescherming tegen overstroming van vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden;
3° relevante activiteiten voor het bereiken van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen.

§2. In het geval, vermeld in paragraaf 1, neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare stappen en maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwaterlichaam tegen te gaan;
2° het doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt gediend, kan niet worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.5.

Bij het aanduiden van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen en bij de overeenkomstig de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 561.7.2.5.4 bedoelde afwijkingen van de milieudoelstellingen zorgt de Vlaamse Regering ervoor:
1° dat het bereiken van de milieudoelstellingen in andere oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen in hetzelfde stroomgebiedsdistrict niet in het gedrang worden gebracht of niet blijvend worden verhinderd;
2° dat alle maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de toepassing van de nieuwe bepalingen ten minste hetzelfde beschermingsniveau waarborgt als datgene dat wordt gewaarborgd door de bestaande wetgeving.


Art. 1.7.2.5.6.

Wanneer uit monitoringgegevens of andere gegevens blijkt dat de milieudoelstellingen voor waterlichamen vermoedelijk niet worden bereikt, zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
1° de oorzaken van het eventuele falen worden onderzocht;
2° de betrokken vergunningen en toestemmingen worden onderzocht en zo nodig worden herzien;
3° de monitoringprogramma's worden getoetst en zo nodig herzien;
4° de noodzakelijke aanvullende maatregelen worden genomen teneinde de milieudoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de vaststelling van strengere milieudoelstellingen.

Indien de in het eerste lid, 1°, bedoelde oorzaken het resultaat zijn van redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, in het bijzonder extreme overstromingen of lange droogteperioden, kan de Vlaamse Regering afwijken van hetgeen is bepaald in het eerste lid, 4°, onder voorbehoud van de in artikel 1.7.2.5.3 bedoelde tijdelijke achteruitgang.

Van het vereiste om noodzakelijke aanvullende maatregelen te nemen, vermeld in het eerste lid, 4°, kan door de Vlaamse Regering worden afgeweken als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de oorzaken, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn het resultaat van een overschrijding die te wijten is aan een buiten het Vlaamse Gewest gelegen verontreinigingsbron;
2° de Vlaamse Regering was ten gevolge van die grensoverschrijdende verontreiniging niet in staat om effectieve maatregelen te nemen om de milieudoelstellingen in kwestie na te leven;
3° de Vlaamse Regering paste de coördinatiemechanismen, vermeld in artikel 1.4.1.2, toe;
4° de Vlaamse Regering maakte in voorkomend geval gebruik van de bepalingen van artikelen 1.7.2.5.1 tot en met 1.7.2.5.3 voor de door de grensoverschrijdende verontreiniging getroffen waterlichamen.


Onderafdeling VI.
Kostenterugwinning van waterdiensten


Art. 1.7.2.6.1. De Vlaamse Regering doet de gepaste voorstellen van maatregelen om het in artikel 1.2.3, 6°, bedoelde kostenterugwinningsbeginsel tegen het jaar 2010 toe te passen.

Afdeling III.
Analyses en beoordelingen


Art. 1.7.3.1.

§1. De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat voor elk stroomgebiedsdistrict de volgende analyses en beoordelingen worden uitgevoerd:
1° de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict:
a) voor oppervlaktewateren:
1) het vaststellen van de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen;
2) het indelen van de oppervlaktewaterlichamen in de categorieën rivieren, meren en overgangswateren;
3) het aanduiden van oppervlaktewaterlichamen als kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen en het indelen van deze in de categorieën rivieren, meren en overgangswateren;
4) het voor elke categorie onderscheiden van de oppervlaktewaterlichamen in typen;
5) het bepalen van de referentieomstandigheden voor de typen oppervlaktewaterlichamen;
b) voor grondwater:
1) de ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen;
2) de karakterisering van de grondwaterlichamen;
2° een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater;
3° een economische analyse van het watergebruik, die voldoende gedetailleerde informatie bevat voor:
a)
de relevante berekeningen die nodig zijn om rekening te houden met het kostenterugwinningsbeginsel.
Dit impliceert:
1) langetermijnvoorspellingen van vraag en aanbod naar water in het stroomgebiedsdistrict;
2) waar nodig ramingen van volume, prijzen en kosten voor waterdiensten, en ramingen van relevante investeringen, inclusief voorspellingen van dergelijke investeringen;
b) een oordeel over de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen op het gebied van watergebruik, gebaseerd op ramingen van de potentiële kosten van dergelijke maatregelen.

Bij het maken van de in het eerste lid, 3°, bedoelde economische analyse van het watergebruik wordt rekening gehouden met de kosten voor het verzamelen van de relevante gegevens.

§2. De Vlaamse Regering zorgt er voor dat er een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling opgemaakt wordt die gebaseerd wordt op beschikbare of gemakkelijk af te leiden informatie, zoals registraties en onderzoeken naar ontwikkelingen op de lange termijn, in het bijzonder de gevolgen van klimaatverandering voor het optreden van overstromingen. De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt opgesteld ter beoordeling van mogelijke risico's. De beoordeling bevat de in bijlage 1, onder punt 1.2.1 vermelde elementen. De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt uiterlijk op 22 december 2011 voltooid.

Op basis van een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt voor ieder stroomgebiedsdistrict, stroomgebied, of voor het deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict zoals bepaald in artikelen 1.4.1.1 en 1.4.1.2 van dit decreet, de gebieden vastgesteld waarvoor geconcludeerd wordt dat een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht.

De vaststelling van de gebieden waarvoor een potentieel significant overstromingsrisico bestaat in een internationaal stroomgebiedsdistrict wordt tussen de betrokken lidstaten gecoördineerd.

De Vlaamse Regering kan beslissen om geen voorlopige overstromingsrisicobeoordeling te verrichten voor stroomgebieden, deelstroomgebieden of kustgebieden wanneer zij met betrekking tot die gebieden:
a) ofwel al vóór 22 december 2010 middels een risicobeoordeling hebben vastgesteld dat daar een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht, en zij deze bijgevolg hebben ingedeeld bij de gebieden waarvoor zij concluderen dat een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht;
b) ofwel al vóór 22 december 2010 hebben besloten overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten op te stellen en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit decreet overstromingsrisicobeheerplannen op te stellen.

De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling of de in §2, lid 4, bedoelde beoordeling en beslissingen wordt uiterlijk op 22 december 2018 en daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld.

Bij deze toetsing en bijstelling wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen. De voorlopige risicobeoordeling wordt ter beschikking van het publiek gesteld.

§3. De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat voor elk stroomgebiedsdistrict, voor die gebieden waarvoor zij concludeert dat er een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht, op de meest geschikte schaal, de volgende kaarten worden opgemaakt:
1° overstromingsgevaarkaarten:
a) overstromingsgevaarkaarten hebben betrekking op de geografische gebieden die volgens de volgende scenario's kunnen worden overstroomd:
1) kleine kans op overstromingen of scenario's van buitengewone gebeurtenissen;
2) middelgrote kans op overstromingen, met een kans op herhaling => 100 jaar;
3) grote kans op overstromingen, indien van toepassing;
b) voor elk van de scenario's, vermeld in punt a) , worden de volgende gegevens vermeld:
1) de omvang van de overstroming;
2) de waterdiepte of, indien van toepassing, het waterniveau;
3) de stroomsnelheid of het betrokken waterdebiet, indien van toepassing;
c) voor gebieden waar overstroming door grondwater wordt veroorzaakt, kan de Vlaamse Regering besluiten om de overstromingsgevaarkaarten uitsluitend op te stellen met betrekking tot het scenario, vermeld in punt a) , 1) ;
d) voor kustgebieden waar een passend beschermingsniveau wordt geboden, kan de Vlaamse Regering besluiten om de overstromingsgevaarkaarten uitsluitend op te stellen met betrekking tot het scenario, vermeld in punt a) , 1) ;
2° overstromingsrisicokaarten: overstromingsrisicokaarten moeten aan de hand van de volgende gegevens een beeld geven van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen in de scenario's, vermeld in punt 1°, a) ;
a) het indicatieve aantal potentieel getroffen inwoners;
b) het type economische bedrijvigheid van het potentieel getroffen gebied;
c) de GPBV-installaties, aangewezen in de indelingslijst, vermeld in artikel 7.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de overeenkomstig artikel 1.7.6.1, tweede lid, 1°, 3° en 5°, aangeduide beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn;
d) andere informatie die de Vlaamse Regering nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen, alsmede informatie over andere belangrijke bronnen van vervuiling.

§4. De overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten die voor 22 december 2010 werden voltooid, kunnen gebruikt worden als met die kaarten het informatieniveau wordt geboden dat in overeenstemming is met de vereisten, vermeld in artikel 1.7.3.1, §3.


Art. 1.7.3.2.

§1. De analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 1.7.3.1, §1, zijn uiterlijk op 22 december 2004 uitgevoerd.

Ze worden voor het eerst uiterlijk op 22 december 2013 en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien.

§2. De kaarten, vermeld in artikel 1.7.3.1, §3, zijn uiterlijk op 22 december 2013 voltooid. Ze worden voor het eerst uiterlijk op 22 december 2019 en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien. De kaarten worden ter beschikking van het publiek gesteld.

§3. Bij de toetsingen en herzieningen, vermeld in §2, wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen.


Art. 1.7.3.3.

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken aan de uitvoering van de in artikel 1.7.3.1 bedoelde analyses en beoordelingen, mogen voor de uitoefening van hun opdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen, bestemd voor privé- of bedrijfsactiviteiten, om er de noodzakelijke opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich daarbij steeds te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht.

Voor de uitvoering van deze analyses en beoordelingen kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en de eventueel bijbehorende nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

De in het eerste lid bedoelde personen mogen bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de politie vorderen.


Art. 1.7.3.4. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de inhoud en de uitvoering van de analyses en beoordelingen.

Afdeling IV.
De maatregelenprogramma's


Art. 1.7.4.1.

De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict afzonderlijk of voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel op basis van de resultaten van de analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 1.7.3.1 een maatregelenprogramma vast ter verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen inzake de afstemming op of de integratie van het maatregelenprogramma in bestaande waterbeheersplannen en bestaande maatregelenprogramma's.


Art. 1.7.4.2. De maatregelenprogramma's bevatten de in bijlage 2 bepaalde gegevens.

Art. 1.7.4.3.

§1. De maatregelenprogramma's worden uiterlijk op 22 december 2009 voor het eerst vastgesteld. De Vlaamse Regering stelt ten aanzien van de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM, een voorlopig maatregelenprogramma vast tegen 22 december 2018. De maatregelenprogramma's worden vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien.

De maatregelen met betrekking tot het beheer van overstromingsrisico's zijn opgenomen in punt 6 van bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd.

§2. De maatregelen dienen uiterlijk op 22 december 2012 in uitvoering te zijn.

Nieuwe of herziene maatregelen dienen binnen drie jaar na de vaststelling ervan in uitvoering te zijn.


Art. 1.7.4.4.

§1. Jaarlijks wordt een wateruitvoeringsprogramma met bekkenspecifieke delen opgemaakt. Het wateruitvoeringsprogramma bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 4. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de totstandkomingsprocedure en de goedkeuring van het wateruitvoeringsprogramma.

§2. Het wateruitvoeringsprogramma wordt voorbereid door de CIW.

Het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het wateruitvoeringsprogramma wordt voor advies voorgelegd aan de bekkenraad, die er binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst ervan een advies over uitbrengt. Als geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. De ontwerpen van de bekkenspecifieke delen van het wateruitvoeringsprogramma worden door het bekkenbestuur goedgekeurd en bezorgd aan de CIW.

§3. De diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, de bekkensecretariaten, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, stellen op eenvoudig verzoek van de CIW, alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opstellen van de wateruitvoeringsprogramma's ter beschikking van de CIW De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld. De CIW zorgt voor de verdere doorstroming van de relevante informatie naar de bekkensecretariaten.


Afdeling V.
Programma's voor de monitoring


Art. 1.7.5.1.

De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict programma's op voor de monitoring van de watertoestand.

De programma's dienen uiterlijk op 22 december 2006 in uitvoering te zijn.

De Vlaamse Regering stelt ten aanzien van de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 bij titel II van VLAREM, een aanvullend monitoringprogramma op tegen 22 december 2018.


Art. 1.7.5.2.

De programma's bevatten:
1° voor oppervlaktewater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand;
c) de mate waarin het oppervlaktewater aan erosie onderhevig is;
d) de aanvoer en afzetting van sedimenten;
e) de ecologische toestand en het ecologisch potentieel;
2° voor grondwater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand van het grondwater.

Voor de beschermde gebieden worden de programma's aangevuld met de bijzondere voorschriften van de communautaire wetgeving op grond waarvan de beschermde gebieden zijn ingesteld.

Art. 1.7.5.3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de inhoud en de uitvoering van de programma's, met inbegrip van de uitbouw en het beheer van waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmeetnetten.

Art. 1.7.5.4.

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken aan de uitvoering van de in artikel 1.7.5.1bedoelde programma's, mogen voor de uitoefening van hun opdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen, bestemd voor privé- of bedrijfsactiviteiten, om er de noodzakelijke opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich daarbij steeds te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht.

Voor de uitvoering van deze programma's kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en de eventueel bijbehorende nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

De in het eerste lid bedoelde personen mogen bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de politie vorderen.


Afdeling VI.
Register van beschermde gebieden


Art. 1.7.6.1.

De Vlaamse Regering maakt voor elk stroomgebiedsdistrict een register op van alle daarin gelegen beschermde gebieden.

Het register bevat ten minste de volgende in het kader van de communautaire wetgeving aangeduide beschermde gebieden:
1° oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen binnen elk stroomgebiedsdistrict die dagelijks gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, aangewezen voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie en de voor dat toekomstig gebruik bestemde oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met inbegrip van de beschermingszones voor die oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen;
2° gebieden voor de bescherming van economisch betekenisvolle in het water levende planten- en diersoorten;
3° oppervlaktewaterlichamen met als bestemming recreatiewater of zwemwater;
4° de kwetsbare zones water in uitvoering van de richtlijn 91/271 van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, de kwetsbare zones in uitvoering van richtlijn 91/676/EEG van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnenen de gebieden, vermeld in artikel 41bis en 41ter van het Mestdecreet van 22 december 2006;
5° de definitief vastgestelde speciale beschermingszones in uitvoering van artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de waterrijke gebieden van internationale betekenis bedoeld in artikel 2, 21°, van hetzelfde decreet.


Art. 1.7.6.2. Het register wordt uiterlijk op 22 december 2004 opgesteld en wordt voortdurend opgevolgd en bijgewerkt.

Art. 1.7.6.3.

Het register omvat minstens kaarten waarop de ligging van elk beschermd gebied is aangegeven, alsmede een beschrijving van de communautaire en Vlaamse wetgeving op grond waarvan zij als beschermde gebieden zijn aangewezen.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud, het opstellen en het bijwerken van het register.


Titel II.
Beheer van de waterketen


Hoofdstuk I.
Doelstellingen en definities


Art. 2.1.1.

§1. Deze titel beoogt een duurzame watervoorziening en een duurzaam watergebruik.

§2. Een duurzame watervoorziening, met inbegrip van de winning, opvang, behandeling en distributie van water bestemd voor menselijke aanwending, en een duurzaam watergebruik hebben als doel de bescherming van het milieu, waarbij de bescherming van de volksgezondheid door het verzekeren van de levering van een optimale hoeveelheid water bestemd voor menselijke aanwending van een geschikte kwaliteit prioritair is en waarbij rekening gehouden wordt met sociale en economische aspecten.

§3. Van het toepassingsgebied van deze titel wordt uitgesloten, met uitzondering van de bepalingen in artikel 2.3.5, artikel 2.6.1.3.3, artikel 4.3.1.1.1 tot en met artikel 4.3.1.1.5., en artikel 4.3.3.1- tot en met 4.3.3.4:
1° al het water bestemd voor menselijke consumptie dat in een levensmiddelenbedrijf wordt aangewend voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen en dat niet geleverd wordt via een waterdistributienetwerk of dat een verwerking of behandeling in het bedrijf ondergaat;
2° al het water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt in flessen of verpakkingen in het kader van een commerciële activiteit;
3° al het water bestemd voor menselijke consumptie dat in een levensmiddelenbedrijf via een tankschip of tankauto voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen wordt geleverd.


Art. 2.1.2.

In deze titel wordt verstaan onder:
aansluiting: de koppeling met het openbaar waterdistributienetwerk waardoor water, bestemd voor menselijke consumptie, kan worden afgenomen;
abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;
aftakking: het geheel van leidingen en apparatuur, gebruikt voor de watervoorziening van een onroerend goed, inclusief de watermeter, dat door de exploitant wordt aangelegd vanaf de distributieleiding tot aan een binneninstallatie;
bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
collectieve sanering: de sanering op gemeentelijk vlak uitgezonderd de individuele sanering;
distributiegebied: gebied waarin door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen van het openbaar waterdistributienetwerk, aan abonnees water bestemd voor menselijke consumptie of tweedecircuitwater wordt geleverd;
ecologisch toezichthouder: de instantie van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van ecologisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
economische toezichthouder: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van economisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren;
10° fraude: het oneigenlijke gebruik van het openbaar waterdistributienetwerk, waardoor water, bestemd voor menselijke consumptie onrechtmatig kan worden afgenomen dat niet geregistreerd wordt door de watermeter of waarvan de correcte registratie van het verbruik door kunstgrepen verhinderd wordt;
11° gebruiker van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft;
12° gemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake collectieve sanering die op de gemeenten rust. Indien de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit eveneens instaat voor de bouw of exploitatie van individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, maakt ook deze individuele sanering een integraal onderdeel uit van de gemeentelijke saneringsverplichting;
13° grens tussen het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en het huishoudelijk leidingnet: de grens tussen het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en het huishoudelijk leidingnet bevindt zich stroomafwaarts onmiddellijk na de watermeter of, indien een gedeelte van het leidingnet voor de watermeter eigendom is van de abonnee, op het punt waar het eigendomsrecht van de abonnee op het leidingnet aanvangt;
14° grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of de ondergrond staat;
15° grondwaterwinning: alle putten, opvangplaatsen, draineerinrichtingen, bronbemalingen en over het algemeen alle werken en installaties die tot doel of tot gevolg hebben grondwater op te vangen, met inbegrip van het opvangen van bronnen op het uitvloeiingspunt en het tijdelijk of bestendig verlagen van de grondwatertafel ingevolge grondwerken;
16° huishoudelijke abonnee: een abonnee die het door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk geleverde water uitsluitend gebruikt om te voorzien in de huishoudelijke behoeften van gedomicilieerde personen in het desbetreffende onroerend goed waarop hij een recht heeft. Het betreft een van de volgende personen:
a)
een natuurlijk persoon, behalve in het geval van een onderneming als vermeld in artikel I.4, 1°, van het Wetboek van Economisch Recht;
b)
een vereniging van mede-eigenaars;
17° huishoudelijk leidingnet: de kranen en de leidingen, fittingen en toestellen die geïnstalleerd worden tussen de kranen die gewoonlijk aangewend worden voor menselijke consumptie en het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en die niet vallen onder de overeenkomstig artikel 6 vastgestelde verantwoordelijkheid van de waterleverancier;
18° individuele sanering: alle installaties, met inbegrip van de leidingen die hiermee rechtstreeks in verbinding staan en die de verbinding maken tussen de installatie en het eigendom van de abonnee of gebruiker van een private waterwinning, waar uitsluitend huishoudelijk afvalwater afkomstig van een of meerdere woongelegenheden gezuiverd wordt en die de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit heeft gebouwd of exploiteert;
19° inrichting: de plaatsen waar oppervlaktewater, grondwater of ander water onttrokken, opgestuwd, opgeslagen of behandeld wordt tot water bestemd voor menselijke consumptie, ongeacht de herkomst van het water, en de plaatsen waar water bestemd voor menselijke consumptie in het openbaar of privaat waterdistributienetwerk verdeeld wordt;
20°
leveringsgebied: een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het water bestemd voor menselijke consumptie afkomstig is uit een of enkele bronnen waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn;
21°
openbare dienstverplichting: verplichting die betrekking heeft op sociaal-    economische, ecologische en technische aspecten van de voorziening van water bestemd voor menselijke aanwending en voor de sanering ervan;
22°
publieke gebouwen: plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek, waar het publiek van water bestemd voor menselijke consumptie wordt voorzien, onder andere waar:
a) al dan niet tegen betaling, aan het publiek diensten worden verstrekt, met inbegrip van plaatsen waar voedingsmiddelen of dranken ter consumptie aangeboden worden;
b) zieken of bejaarden worden opgevangen en verzorgd;
c) preventieve of curatieve gezondheidszorgen worden verstrekt;
d) kinderen of jongeren tot en met schoolgaande leeftijd worden opgevangen, gehuisvest of verzorgde
e) onderwijs en/of beroepsopleiding worden verstrekt;
f) vertoningen plaatsvinden;
g) tentoonstellingen worden georganiseerd;
h) sport wordt beoefend;
23° sanering: het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;
24° technische hulpmiddelen: chemische producten of fysische hulpmiddelen of alle materialen die deels of geheel aangewend worden bij de bereiding van water bestemd voor menselijke consumptie;
25°
Titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
26°
titularis van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water bestemd voor menselijke aanwending in eigendom heeft;
27°
toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vermeld in artikel 12, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
28°
tweedecircuitwater: hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en gerecupereerd afvalwater dat niet bestemd is voor menselijke consumptie en apparatuur bevoorraadt voor bijvoorbeeld besproeien van tuinen, WC, wasmachine of reinigen van vloeren of voor industriële of agrarische toepassingen;
29°
Vennootschap: de vennootschap zoals bedoeld in artikel 2.6.1.1.1.
30°
Vlaamse Milieumaatschappij: het intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Milieumaatschappij opgericht bij decreet van 7 mei 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, tot aanvulling ervan met een titel Agentschappen en tot wijziging van diverse andere wetten en decreten;
31°
verbruiker: de persoon die over het water bestemd voor menselijke aanwending beschikt in een onroerend goed of in een publiek gebouw
32°
water bestemd voor menselijke aanwending: het water bestemd voor menselijke consumptie, tweedecircuitwater en al het water dat aangewend wordt voor huishoudelijke, agrarische of industriële toepassingen, ongeacht de herkomst van dat water;
33°
water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiëne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van:
a)
natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
b)
water dat een geneesmiddel is;
34°
waterleverancier: hetzij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, hetzij de titularis van een private waterwinning die verbruikers of anderen die water bestemd voor menselijke aanwending gebruiken, bevoorraadt zonder een openbaar waterdistributienetwerk te gebruiken;
35°
watermeter: het toestel dat beantwoordt aan de wetgeving op de metrologie, dat eigendom is van de exploitant en dat geplaatst is bij de klant om het volume van het water, geleverd door de exploitant, te registreren;
36°
wooneenheid: elke eenheid in een woongebouw die ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en die minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette.


Hoofdstuk II.
Bepalingen inzake kwaliteit en levering van water bestemd voor menselijke aanwending


Art. 2.2.1.

§1. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de waterproductie en watervoorziening een technische reglementering inzake de kwaliteit en de levering van het water bestemd voor menselijke consumptie en een technische reglementering met betrekking tot het gebruik en de levering van tweedecircuitwater vaststellen.

De kwaliteitseisen van het water bestemd voor menselijke consumptie kunnen onder meer worden uitgedrukt in parameterwaarden. Tweedecircuitwater moet stromen in een afzonderlijk circuit, afgescheiden van het huishoudelijk leidingnet van water bestemd voor menselijke consumptie. Op plaatsen binnenshuis waar water bestemd voor menselijke consumptie kan worden aangewend, mag er geen afname mogelijk zijn van tweedecircuitwater dat zou kunnen worden aangewend als water bestemd voor menselijke consumptie, tenzij de nodige voorzorgen genomen werden.

§2. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot:
1° het huishoudelijk leidingnet, de systemen voor winning, opvang, behandeling en afvoer van tweedecircuitwater en het leidingnet voor tweedecircuitwater en de inspectie van deze leidingnetten en systemen, met inbegrip van een verplichte keuring voorafgaand aan de ingebruikname ervan en bij belangrijke wijzigingen;
2° de waterwinningen en de kwaliteit van het water dat gebruikt wordt als water bestemd voor menselijke consumptie, ongeacht de herkomst en ongeacht de behandeling ervan.

§3. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over de te nemen herstelmaatregelen en beperkingen van het gebruik voor het geval het water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt, niet voldoet aan de kwaliteitseisen.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over de tijdelijke beperkingen van het gebruik in het geval de levering van water bestemd voor menselijke consumptie vanuit kwantitatief oogpunt in het gedrang komt.

§4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot:
1° de inlichtingen die aan het publiek moeten worden verstrekt;
2° de gevallen waarvan de waterleverancier de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering op de hoogte moet houden en van informatie moet voorzien;
3° de gevallen waarin de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering advies verstrekken of inwinnen.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering kunnen met het oog op het opmaken van hun verslagen alle informatie en gegevens die beschikbaar zijn bij de waterleveranciers, opvragen.

Art. 2.2.2.

§1. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de aansluiting van woningen op het openbaar waterdistributienetwerk door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk in zijn distributiegebied of met betrekking tot mogelijke alternatieven voor de aansluiting van een woning.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot het aansluitrecht, de uitzonderingen hierop en de tariefstructuren voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk.

§2. Bij afwezigheid van een watermeter plaatst de waterleverancier een watermeter bij nieuwe aftakkingen of bij herstellingen aan het waterdistributienetwerk ter hoogte van de bestaande aftakkingen.

Bij afwezigheid van een watermeter wordt de grens tussen het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en het huishoudelijk leidingnet contractueel of reglementair bepaald tot op het moment dat een watermeter geplaatst wordt.

Onverminderd het eerste lid, plaatst de waterleverancier, bij afwezigheid van een watermeter, uiterlijk op 31 december 2007 een watermeter ter hoogte van de bestaande aftakkingen.

§3. Behalve in de gevallen waarbij tot afsluiting wordt overgegaan, vermeld in paragraaf 6, heeft elke huishoudelijke abonnee recht op een minimale en ononderbroken levering van water voor menselijke consumptie om, volgens de geldende levensstandaard, menswaardig te kunnen leven.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de desbetreffende sector, de minimaal te leveren hoeveelheid water vaststellen en nadere regels bepalen om die minimale levering aan te passen aan de geldende levensstandaard.

§4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot het leveren van een gratis hoeveelheid water bestemd voor menselijke consumptie door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk in zijn distributiegebied.

§5. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de procedure die de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk moet volgen bij wanbetaling van zijn abonnee.

De procedure voor huishoudelijke abonnees omvat minstens de volgende elementen:
1° de versturing van een herinneringsbrief en een aangetekende ingebrekestelling;
2° een voorstel tot afbetalingsplan door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk;
3° de regeling voor een sociale begeleiding door het O.C.M.W. of de door de huishoudelijke abonnee gekozen erkende schuldbemiddelaar.

§ 6. De exploitant mag op zijn initiatief de waterlevering bij een huishoudelijke abonnee alleen in de onderstaande gevallen en volgens de onderstaande voorwaarden begrenzen in debiet of afsluiten:
1° afsluiten bij werkzaamheden voor herstelling, vernieuwing, wijziging, verplaatsing, onderhoud of exploitatie van het openbaar waterdistributienetwerk;
2° afsluiten bij een onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de volksgezondheid, zolang die toestand duurt;
3° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar bij een bedreiging voor de volksgezondheid en de veiligheid van de watervoorziening als vermeld in artikel 2.3.2, § 4, en artikel 2.3.4, tweede lid, weigert gevolg te geven aan de geadviseerde herstelmaatregelen voor het huishoudelijk leidingnet;
4° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar niet toestemt in of zich verzet tegen de keuring van het huishoudelijk leidingnet, vermeld in artikel 2.2.1, § 2, 1°, en de inventarisatie, controle- en onderhoudstaken, vermeld in artikel 2.4.1, § 1 en § 2;
5° begrenzen in debiet of afsluiten als uit de keuring van het huishoudelijk leidingnet, vermeld in artikel 2.2.1, § 2, 1°, blijkt dat die niet conform is;
6° afsluiten bij fraude van de huishoudelijke abonnee of de eigenaar;
7° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar weigert om aan de exploitant of zijn aangestelde toegang te geven tot de ruimte waarin de watermeter is opgesteld voor de controle van de watermeter en van de aansluiting;
8° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee weigert om met de exploitant een regeling uit te werken voor de betaling van openstaande facturen of de regeling niet nakomt;
9° begrenzen in debiet of afsluiten als de verbruiker weigert om de procedures na te komen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de tegensprekelijke overname van de waterlevering of een vernieuwde indienststelling van de waterlevering;
10° afsluiten bij een vermoeden dat een onroerend goed onbewoond of in onbruik is;
11° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar de verplichtingen op het vlak van bemetering die zijn bepaald ter uitvoering van paragraaf 2, weigert na te komen;
12° afsluiten als de huishoudelijke abonnee niet toestemt in of zich verzet tegen de plaatsing van een debietsbegrenzing naar aanleiding van een overeenkomstig gemotiveerd advies van een lokale adviescommissie;
13° afsluiten als de exploitant vaststelt dat de huishoudelijke abonnee op een onrechtmatige wijze de begrenzing van het debiet, geplaatst naar aanleiding van een overeenkomstig gemotiveerd advies van een lokale adviescommissie, heeft gemanipuleerd of heeft weggenomen.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 5° en 11°, is de begrenzing van het debiet of de afsluiting pas mogelijk na de ontvangst van een overeenkomstig bevel van de toezichthoudende ambtenaar.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 9°, 12° en 13°, is de begrenzing van het debiet of de afsluiting pas mogelijk na een overeenkomstig gemotiveerd advies van de lokale adviescommissie en conform de procedure en de voorwaarden, vermeld in het decreet van 20 december 1996 tot regeling van de rol van de lokale adviescommissie in het kader van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water.

In het derde lid wordt verstaan onder lokale adviescommissie: een lokale adviescommissie als vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet.

De Vlaamse Regering kan nadere procedures over de begrenzing van het debiet en de afsluiting van de waterlevering bij een huishoudelijke abonnee bepalen.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, komen de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, niet ten laste van de huishoudelijke abonnee of de eigenaar.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de veroorzaker van de situatie van onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Als die veroorzaker niet bekend is, zijn die kosten ten laste van de exploitant.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 7° en 11°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet en de wegneming van de begrenzing van het debiet of de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de huishoudelijke abonnee of de eigenaar wanneer kan worden vastgesteld dat deze laatste verantwoordelijk is voor het niet in regel zijn.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 8°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de huishoudelijke abonnee. De kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet of de wegneming ervan, zijn ten laste van de exploitant.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 9°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de verbruiker. De kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet of de wegneming ervan, zijn ten laste van de exploitant.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 10°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de eigenaar.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 12° en 13°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de huishoudelijke abonnee.

In afwijking van het zesde tot en met het twaalfde lid zijn de kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet en de wegneming van de begrenzing van het debiet of de afsluiting en de heraansluiting, altijd ten laste van de exploitant als blijkt dat de huishoudelijke abonnee ten onrechte is afgesloten of ten onrechte een begrenzing van het debiet kreeg opgelegd.

§7. De Vlaamse Regering kan, na advies van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de gevallen bepalen waarin de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk de levering bij abonnees, andere dan huishoudelijke, kan begrenzen in debiet of afsluiten.

§8. De Vlaamse Regering kan, na advies van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, nadere regels bepalen met betrekking tot de effectieve begrenzing van het debiet of afsluiting van de waterlevering bij de abonnee en de informatieverstrekking daarover aan de vermoedelijke verbruikers.


Hoofdstuk III.
Bepalingen met betrekking tot de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan en met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de waterleverancier


Art. 2.3.1. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de waterleverancier voor de kwaliteit van het water bestemd voor menselijke consumptie.

Art. 2.3.2.

§1.Voor water, bestemd voor menselijke consumptie, moet de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldoen op het punt binnen een perceel of gebouw waar het water uit de kranen komt die gewoonlijk worden aangewend voor water, bestemd voor menselijke consumptie.

§2. Als in het kader van de controles, vermeld in artikel 2.4.1, §1, vastgesteld wordt dat het water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen ten gevolge van het huishoudelijk leidingnet of het onderhoud daarvan, maar dat de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk daardoor niet in het gedrang komt, wordt de waterleverancier, behalve in publieke gebouwen en voor zover de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geïnformeerd over de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, en over de mogelijke herstelmaatregelen, geacht te hebben voldaan aan de verplichtingen die daarvoor worden vastgesteld door de Vlaamse Regering.

De eigenaar of de abonnee voert in dat geval de herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet zodat het water, bestemd voor menselijke consumptie, voldoet aan de kwaliteitseisen.

Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geïnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over het feit dat niet is voldaan aan de kwaliteitseisen, de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

§3. Als in een publiek gebouw het water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen, moet de waterleverancier de eigenaar, de abonnee en de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering inlichten.

De eigenaar of de abonnee voert in dat geval de herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet zodat het water, bestemd voor menselijke consumptie, voldoet aan de kwaliteitseisen.

Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geïnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

§4. Als in het kader van de controles, vermeld in artikel 2.4.1, §1, vastgesteld wordt dat het water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen ten gevolge van het huishoudelijk leidingnet of het onderhoud daarvan, en als daardoor de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk wordt beïnvloed, informeert de waterleverancier de eigenaar of de abonnee over de situatie.

De waterleverancier:
adviseert de eigenaar of abonnee over de te nemen herstelmaatregelen aan het huishoudelijk leidingnet, vermeld in paragraaf 2;
legt herstelmaatregelen op aan het huishoudelijk leidingnet om de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk opnieuw op peil te brengen;
legt termijnen voor de uitvoering ervan op;
brengt de toezichthoudende ambtenaar, vermeld in artikel 5.2.1.1, op de hoogte van de situatie.

Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geïnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over de situatie, de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

De eigenaar of de abonnee voert binnen de opgelegde termijnen de opgelegde herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet om de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk opnieuw op peil te brengen.


Art. 2.3.3.

Voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt uit een tankschip of tankauto, wordt door de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldaan op het punt waar het uit het tankschip of de tankauto komt.

Voor water bestemd voor menselijke consumptie dat in het kader van een niet-commerciële activiteit wordt geleverd in flessen of verpakkingen, wordt door de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldaan op het punt waarop de flessen of verpakkingen worden gevuld.

Voor water bestemd voor menselijke consumptie dat aangewend wordt in een levensmiddelenbedrijf voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen en dat geleverd wordt via een waterdistributienetwerk en geen verwerking of behandeling in het bedrijf ondergaat, wordt door de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldaan op het punt waar het in het bedrijf wordt aangewend.


Art. 2.3.4.

Als uit de inventarisatie, controle- en onderhoudstaken, vermeld in artikel 2.4.1, §1 en §2, blijkt dat er een reëel risico is dat het water aan de kranen die in het desbetreffende perceel of gebouw gewoonlijk worden aangewend voor water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen, wordt de waterleverancier, voor zover hij de eigenaar of de abonnee heeft geïnformeerd over de situatie en over de mogelijke herstelmaatregelen, geacht te hebben voldaan aan de verplichtingen die daarvoor worden vastgesteld door de Vlaamse Regering. Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geïnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over het reële risico dat niet aan de kwaliteitseisen is voldaan, en over de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

Als uit de inventarisatie, controle- en onderhoudstaken, vermeld in artikel 2.4.1, §1 en §2, blijkt dat er een reëel risico is voor de kwaliteit van het water in het openbaar waterdistributienetwerk of voor de goede werking ervan door een gebrek in het huishoudelijk leidingnet, informeert de waterleverancier de eigenaar of de abonnee over de situatie, legt herstelmaatregelen op om het reële risico weg te nemen en legt termijnen op voor de uitvoering ervan. Indien de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geïnformeerd, dient in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar te informeren over de situatie, de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen. De eigenaar of de abonnee voert binnen de opgelegde termijnen de opgelegde herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet om het vastgestelde reële risico voor de kwaliteit van het water in het openbaar waterdistributienetwerk of de goede werking ervan weg te nemen.


Art. 2.3.5.

§1. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wordt belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water met het oog op het behoud van de kwaliteit van het geleverde water.

§2. Om aan zijn saneringsverplichting te voldoen, kan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk deze sanering hetzij zelf organiseren, hetzij hiervoor beroep doen op een derde, zoals voorzien in artikel 2.6.1.3.3.

§3. De Vlaamse Regering kan aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk openbare dienstverplichtingen opleggen inzake de sanering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de saneringsverplichting en de openbare dienstverplichtingen.

Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van hemelwater.


Hoofdstuk IV.
Bepalingen met betrekking tot de controle van water bestemd voor menselijke aanwending


Art. 2.4.1.

§1. De controle van het water aan de kranen die gewoonlijk worden aangewend voor water bestemd voor menselijke consumptie door de verbruiker, van het huishoudelijk leidingnet, de aftakking, de watermeter en van de aansluiting, wordt toevertrouwd aan de waterleverancier.

§2. De waterleverancier of zijn aangestelde en de controleambtenaren, vermeld in paragraaf 3, hebben het recht de woning, private en publieke gebouwen te bezoeken tussen acht en twintig uur met het oog op:
1° de controles, vermeld in paragraaf 1;
2° de inventarisatie-, controle- en onderhoudstaken bij de gebruikers van de diensten van de exploitanten met betrekking tot de opvang, het gebruik, de afvoer en de zuivering van het aan de abonnees verstrekte water, bestemd voor menselijke consumptie, hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en gerecupereerd afvalwater, inclusief de daarvoor aangewende infrastructuur;
3° de verplichte keuring, vermeld in artikel 2.2.1, §2, 1° .

Als de toegang tot de woning, het private of het publieke gebouw wordt geweigerd of de beoogde controle of keuring wordt geweigerd, brengt de waterleverancier de controleambtenaren, vermeld in paragraaf 3, en de toezichthoudende ambtenaren, vermeld in artikel 5.2.1.1, §1, daarvan op de hoogte.

§3. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering kunnen te allen tijde de controles, vermeld in paragraaf 1, en de controles en inventarisatietaken, vermeld in paragraaf 2, uitvoeren. De Vlaamse Regering wijst de daarvoor bevoegde controleambtenaren aan. De controleambtenaren moeten zich steeds legitimeren.

Het ambt van controleambtenaar is onverenigbaar met het in artikel 5.2.1.1, §1, bedoelde ambt van toezichthoudende ambtenaar.

De controles kunnen door de waterleverancier of de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering toevertrouwd worden aan door de Vlaamse Regering erkende organen.

Indien de controleambtenaren, de waterleverancier en de door de Vlaamse Regering erkende organen inbreuken vaststellen op dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, brengen zij de in artikel 5.2.1.1, §1, bedoelde toezichthoudende ambtenaren hiervan op de hoogte. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de inbreuken waarvan de toezichthoudende ambtenaren op de hoogte moeten worden gebracht.

§4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot:
de controle, waaronder de te analyseren parameters, de plaatsen van monsterneming, de minimumfrequentie van monsterneming en analyse, de specificaties voor de analyse van parameters, en de controleprogramma's;
het opstellen van controleprogramma's voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt in publieke gebouwen.


Hoofdstuk V.
Beheers- en beleidsinstrumenten


Afdeling 1.
Openbare dienstverplichtingen


Art. 2.5.1.1.

§1. De Vlaamse Regering legt aan de waterleverancier openbare dienstverplichtingen op, die betrekking kunnen hebben op:
de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het openbaar waterdistributienetwerk en van de inrichtingen;
het bevorderen van duurzaam watergebruik bij de abonnee en de verbruikers, waarbij actieprogramma's en sensibilisatiecampagnes naar de diverse doelgroepen gevoerd worden;
het nemen van maatregelen van sociale aard, waarbij rekening gehouden wordt met het decreet van 20 december 1996 tot regeling van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water;
de dienstverlening aan de abonnee verzekeren, waarbij servicegaranties geboden worden;
het in acht nemen van milieuzorg bij de winning, de behandeling en de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie en van tweedecircuitwater, gebaseerd op de beste beschikbare technieken;
het instellen van een aansluitrecht en het toepassen van de tariefstructuren voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, waarbij:
a) rekening gehouden wordt met de in 3° bedoelde maatregelen van sociale aard;
b) duurzaam watergebruik bevorderd wordt;
het bezorgen van het overeenkomstig artikel 2.5.3.1. vastgestelde algemeen en bijzonder waterverkoopreglement aan elke abonnee;
het streven naar zo laag mogelijke kostprijzen, onder afweging van de kosten en baten, die voortvloeien uit de realisering van de overige openbare dienstverplichtingen;

§2. De Vlaamse Regering kan, na consultatie van de WaterRegulator:
andere openbare dienstverplichtingen opleggen dan die bepaald in §1;
nadere regels bepalen met betrekking tot de in §1 en §2, 1°, bedoelde openbare dienstverplichtingen;
specifieke maatregelen of programma's opleggen aan de waterleverancier met betrekking tot de uitvoering van de in §1 en §2, 1°, bedoelde openbare dienstverplichtingen;
nadere regels bepalen met betrekking tot de vergoeding voor de waterleveranciers voor de uitvoering van opgelegde taken die niet tot de kerntaken van de waterleverancier behoren.


Afdeling 2.
Waterregulator


Onderafdeling 1.
Oprichting


Art. 2.5.2.1.1. De WaterRegulator wordt opgericht als subentiteit binnen de Vlaamse Milieumaatschappij. Deze instantie brengt jaarlijks een schriftelijk verslag uit over haar activiteiten en brengt dit ter kennis van het Vlaams Parlement, de Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen.

Onderafdeling 2.
Bestuur en werking


Art. 2.5.2.2.1. De personeelsleden van de WaterRegulator zijn gebonden door het beroepsgeheim. Zij mogen de vertrouwelijke gegevens die hen ter kennis zijn gekomen op grond van hun functie bij de WaterRegulator aan niemand bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen en onverminderd de uitwisseling van informatie met de bevoegde instanties van de andere gewesten en lidstaten van de Europese Unie, die uitdrukkelijk bepaald of toegestaan zijn door verordeningen of richtlijnen, vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie.

Onderafdeling 3.
Doel en opdrachten


Art. 2.5.2.3.1.

§1. De WaterRegulator heeft als opdracht te inventariseren, te evalueren, te adviseren en te rapporteren over alle aangelegenheden met betrekking tot water bestemd voor menselijke aanwending.

§2. De WaterRegulator geeft, binnen de haar overeenkomstig §1 toegewezen opdracht, advies over en legt voorstellen voor aan de Vlaamse Regering met betrekking tot:
1° passende en doelmatige mechanismen voor de harmonisering, transparantie, functiescheiding en regulering met betrekking tot de productie, de invoer, de doorvoer, de levering, de tarieven en het gebruik van water bestemd voor menselijke aanwending, geleverd door exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
2° de uitwerking en uitvoering van de in artikel 2.5.1.1 bedoelde openbare dienstverplichtingen;
3° de investeringsplanningen in de waterdistributienetwerken, in de productie en in de invoer en doorvoer van water bestemd voor menselijke aanwending door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
4° het in artikel 2.5.3.1, §1, bedoelde algemeen waterverkoopreglement;
5° de kostenstructuur, de boekhouding en de daaraan gekoppelde maatstafconcurrentie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
6° de invoering van een normstelsel voor duurzaam watergebruik.

§3. De WaterRegulator vergelijkt door middel van onder meer de kostenstructuur, de boekhouding en de daaraan gekoppelde maatstafconcurrentie, zoals vastgesteld in §7, eerste lid, de prestaties en de efficiëntie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk.

§4. De WaterRegulator voert op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering studies uit in verband met de opdrachten zoals bedoeld in §1 en §2.

§5. De WaterRegulator inventariseert, evalueert en rapporteert jaarlijks vanaf het jaar na haar oprichting aan de Vlaamse Regering over onder meer:
1° de toepassing van de in artikel 2.5.1.1 bedoelde openbare dienstverplichtingen;
2° het in artikel 2.5.3.1, §1, bedoelde algemeen waterverkoopreglement;
3° de in paragraaf 2, 5°, en paragraaf 3 bedoelde maatstafconcurrentie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk.

§6. De WaterRegulator voert alle andere taken uit die haar door decreten, besluiten, reglementen en beslissingen van de Vlaamse Regering betreffende de organisatie van de levering van het water bestemd voor menselijke aanwending worden toevertrouwd.

§7. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de kostenstructuur, de boekhouding en de daaraan gekoppelde maatstafconcurrentie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk.

De Vlaamse Regering kan de opdrachten van de WaterRegulator nader omschrijven.


Art. 2.5.2.3.2.

§1. In afwijking van artikel V.2 van het Wetboek van Economisch Recht van 28 februari 2013 bepaalt de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de WaterRegulator, de tarieven die gebruikt worden voor het doorrekenen van de kosten voor productie en levering van water bestemd voor menselijke consumptie aan de abonnees.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen geen tariefverhoging toepassen of nieuwe tarieven invoeren zonder voorafgaandelijke aanvraag bij de WaterRegulator en zonder diens akkoord.

De Vlaamse Regering stelt de regels vast met betrekking tot de methode voor tariefbepaling, de inhoud en de modaliteiten van de aanvraag en de bekendmaking van tariefwijzigingen aan de abonnees. Het toezicht door de WaterRegulator, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de controle op de correcte naleving van deze regels.

Totdat het besluit van de Vlaamse Regering, vermeld in het derde lid, in werking treedt, kunnen de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk de toegepaste tarieven elk jaar (= jaar x) op 1 januari aanpassen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, basis 1988, tussen november van het aan het vorige jaar voorafgaande jaar (= x-2) en november van het vorige jaar (= x-1) .

§2. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor leefmilieu en het waterbeleid, als hij niet akkoord gaat met de beslissing van de WaterRegulator. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van dit beroep.


Art. 2.5.2.3.3.

§1. De diensten van de Vlaamse Regering, de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest die onderworpen zijn aan het bestuurlijk toezicht van het Vlaamse Gewest, en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen en personen die belast zijn met taken van openbaar nut, zijn ertoe gehouden de gevraagde gegevens en inlichtingen met betrekking tot de in artikel 2.5.2.3.1 beschreven opdrachten aan de WaterRegulator te verschaffen in de vorm die, na consultatie, door de WaterRegulator wordt vastgesteld.

Alle gegevens, verworven in het kader van opdrachten uitgaande van overheidsinstellingen, moeten gratis ter beschikking worden gesteld. Voor de overige gegevens kan, indien dat zo overeengekomen wordt, een vergoeding worden betaald.

§2. De waterleverancier moet de gevraagde gegevens en inlichtingen met betrekking tot de in artikel 2.5.2.3.1 beschreven opdrachten gratis aan de WaterRegulator verschaffen. De vorm en het tijdstip van die gegevensoverdracht worden, na consultatie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, door de WaterRegulator vastgesteld onder de vorm van een protocol.


Onderafdeling 4.
Financiële middelen


Art. 2.5.2.4.1.

De WaterRegulator beschikt over een dotatie die jaarlijks wordt ingeschreven op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de financiële middelen ten behoeve van de WaterRegulator.


Afdeling 3.
Waterverkoopreglement


Art. 2.5.3.1.

§1. De Vlaamse Regering stelt na consultatie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk het algemeen waterverkoopreglement vast, regelt er de verspreiding van alsook de rapportering over de toepassing ervan.

Het algemeen waterverkoopreglement regelt de relatie tussen de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en de verbruiker die gebruik maakt van zijn diensten.

Het algemeen waterverkoopreglement bevat ten minste de volgende bepalingen:
de herstelmaatregelen die overeenkomstig artikel 2.2.1 , §3, door de Vlaamse Regering worden bepaald en de herstelmaatregelen die betrekking hebben op de overschrijding van de parameterwaarden die te wijten is aan het huishoudelijk leidingnet of het onderhoud daarvan;
de regeling inzake de verantwoordelijkheid van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, de eigenaar en de abonnee zoals bedoeld in artikel 2.3.2;
de regeling inzake de saneringsverplichting en de openbare dienstverplichtingen van de exploitant zoals bedoeld in artikel 2.3.5, die betrekking hebben op de relatie met de verbruiker die gebruikmaakt van zijn diensten;
de regeling inzake de controle door de waterleverancier, de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering of door de Vlaamse Regering erkende organen van het water aan de kranen die gewoonlijk worden aangewend voor water bestemd voor menselijke consumptie, van het huishoudelijk leidingnet en van de watermeter zoals bedoeld in artikel 2.4.1, §1 tot en met §3, en de regeling met betrekking tot de in artikel 2.4.1, §2, eerste lid, bedoelde inventarisatietaken;
de openbare dienstverplichtingen van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk ten aanzien van verbruiker die gebruikmaakt van zijn diensten, zoals bedoeld in artikel 2.5.1;
de regeling inzake de toegang tot de diensten van de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk;
de regeling inzake de opname van de watermeterstand, de opmaak en de betalingsmodaliteiten van de factuur;
de regeling inzake het recht op minimumlevering, de regeling bij betalingsproblemen en eventuele afsluiting zoals bedoeld in het decreet van 20 december 1996 tot regeling van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water;
de regeling inzake de tegensprekelijke overname van de waterlevering of vernieuwde indienststelling van de waterlevering.

De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen.

De Vlaamse Regering kan na consultatie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk het algemeen waterverkoopreglement aanvullen of geheel of gedeeltelijk vervangen.

Deze paragraaf is overeenkomstig van toepassing op de derde waarop de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk een beroep doet voor het voldoen van zijn saneringsverplichting zoals bedoeld in artikel 2.3.5.

§2. Het door de Vlaamse Regering vastgestelde algemeen waterverkoopreglement kan door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk worden aangevuld met een bijzonder waterverkoopreglement, voorzover dat niet strijdig is met het algemeen waterverkoopreglement en met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het opstellen en de goedkeuring van het bijzonder waterverkoopreglement.

§3. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de communicatie van het algemeen en bijzonder waterverkoopreglement aan de abonnee.


Hoofdstuk VI.
Sanering van afvalwater


Afdeling 1.
De organisatie van de sanering van afvalwater


Onderafdeling 1.
De Vennootschap


Art. 2.6.1.1.1.

§1.De uitvoering van de in paragraaf 2 vermelde taken wordt vanaf 1 januari 1991 voor het hele Vlaamse Gewest uitsluitend toevertrouwd aan een vennootschap die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap en opgericht is door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen of een dochtermaatschappij hiervan, hierna “de Vennootschap” genoemd.

Het Vlaamse Gewest dient steeds direct of indirect te beschikken over ten minste de helft plus één van de aandelen in het kapitaal van de Vennootschap.

§2.Aan de Vennootschap worden volgens de regels vast te stellen door de Vlaamse Regering en op te nemen in een met de Vennootschap te sluiten overeenkomst voor het hele Vlaamse Gewest de volgende taken toevertrouwd:
1° het opmaken of laten opmaken van de technische plannen voor nieuwe rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, inzonderheid rioolwaterzuiveringsinstallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen, alsmede het uitvoeren of laten uitvoeren ervan conform het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma;
2° het exploiteren of laten exploiteren van de in punt 1° bedoelde installaties;
3° het financieren van de investeringen nodig voor de in punt 1° bedoelde installaties;
4° het overnemen, aanpassen en verbeteren van de bestaande rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, met uitzondering van niet prioritaire gemeentelijke riolen;
5° het exploiteren of laten exploiteren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij, het financieren van de investeringen nodig voor het in bedrijf houden, het aanpassen en verbeteren van deze installaties voor zover deze aanpassingen en verbeteringen zijn opgenomen in een technisch plan zoals bedoeld onder 1° ;
6° het financieren van de aankoop van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij;
7° het sluiten van contracten voor de sanering van afvalwater dat niet afkomstig is uit huishoudelijke activiteiten.

In taken, vermeld in het eerste lid, is tevens begrepen de technische kwaliteitsbewaking over de conceptie en de uitvoering van de projecten, die voorkomen op het in artikel 2.6.1.3.1, §2 bedoelde subsidiëringsprogramma. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels omtrent voormelde kwaliteitsbewaking vast.

§3. De Vlaamse Regering draagt binnen de door haar te bepalen termijn en volgens de door haar vast te stellen regels elk jaar een door haar goedgekeurd rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vennootschap voor uitvoering op.

De Vennootschap voert het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma uit binnen de gestelde planning en conform de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

De rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de Vennootschap bij het vervullen van de taken die haar in toepassing van dit hoofdstuk worden toevertrouwd.

§4. De Vlaamse Regering stelt de vergoeding vast die de Vennootschap ontvangt voor het vervullen van de in dit artikel bedoelde taken en stelt de nadere regels ter zake vast.


Onderafdeling 2.
De ecologisch en economisch toezichthouder


Art. 2.6.1.2.1.

§1. De economische en ecologische toezichthouder is overeenkomstig de in artikel 2.6.1.1.1., §2, eerste lid vastgestelde regels belast met de controle op de naleving door de Vennootschap van de bepalingen van de beheersovereenkomst die op 10 november 1993 werd gesloten tussen het Vlaamse Gewest en de Vennootschap. De economische en ecologische toezichthouder neemt de plaats in van de bijzondere gevolmachtigde waarvan sprake in deze beheersovereenkomst.

Met het oog op de uitvoering van het door de Vlaamse Regering goedgekeurde investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, 1°, legt de Vlaamse Milieumaatschappij binnen de door de Vlaamse Regering te bepalen termijn elk jaar een ontwerp van rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vlaamse Regering voor.

§2. Met het oog op het vaststellen van het in artikel 2.6.1.3.1., §2 bedoelde subsidiëringsprogramma legt de Vlaamse Milieumaatschappij een ontwerp van subsidiëringsprogramma voor aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Leefmilieu, volgens de modaliteiten te bepalen door de Vlaamse Regering.


Art. 2.6.1.2.2.

§1.Voor het uitvoeren van de opdrachten, vermeld in artikel 2.6.1.2.1., §1, hebben de personeelsleden van de ecologische toezichthouder toegang met het noodzakelijke materiaal en materieel tot alle rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen.

Met het oog op de opmaak van het door de Vlaamse Regering vast te stellen subsidiëringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.3.1., §2, en de opvolging van de uitvoering ervan, beschikken de personeelsleden van de ecologische toezichthouder eveneens over de rechten vermeld in het eerste lid.

De personeelsleden van de ecologische toezichthouder hebben met het noodzakelijke materiaal en materieel toegang tot alle rioolwaterzuiveringsinstallaties, rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, beheerd door een gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen, zodat ze de uitvoering van de aanleg en de verbetering van de installaties in kwestie kunnen opvolgen.

§2. Bij het uitvoeren van de taken vermeld in paragraaf 1 moeten de betrokken personeelsleden beschikken over een legitimatiebewijs ondertekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Zij hebben bij de uitvoering van die taken recht op bijstand van de politie.


Art. 2.6.1.2.3.

De gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de Vennootschap stellen op eenvoudig verzoek van de ecologische toezichthouder alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opvolgen van de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.2.1. en 2.6.1.2.2, ter beschikking van de ecologische toezichthouder.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld.


Onderafdeling 3.
Instanties op het lokale niveau


Art. 2.6.1.3.1.

§1. Het Vlaamse Gewest kan onder de voorwaarden en in de verhouding die de Vlaamse Regering vaststelt, bijdragen in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering door de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, van openbare riolen, andere dan prioritaire rioleringen als bedoeld in artikel 2.6.1.1.1., §2.

In afwijking van de bepalingen van artikel 2.6.1.1.1., §1 kunnen de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening onder de voorwaarden vastgesteld door de Vlaamse Regering, de taken vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, op zich nemen wat betreft rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximum 2.000 inwonersequivalenten.

Het Vlaamse Gewest kan onder de voorwaarden en in de verhouding die de Vlaamse Regering vaststelt eveneens bijdragen in de kosten verbonden aan de bouw en de verbetering door de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening van dergelijke kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties.

§2. Enkel projecten die voorkomen op een subsidiëringsprogramma vastgesteld door de Vlaamse Regering komen in aanmerking voor de in paragraaf 1 bedoelde gewestbijdrage.

De criteria voor de opname van projecten op het in het eerste lid bedoelde subsidiëringsprogramma zijn inzonderheid:
1° het in overeenstemming zijn met het gemeentelijk en bovengemeentelijk waterbeleid, gericht op het duurzaam beheren van het oppervlaktewater en het grondwater;
2° het aansluiten van vuilvracht via de riolering op de waterzuiveringsinfrastructuur of het afkoppelen van hemel- en oppervlaktewater.

§3. De gewestbijdrage, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van de milieutechnische ondersteuning, wordt berekend aan de hand van de door de Vlaamse Regering vastgestelde percentages van de totale kosten die voortvloeien uit:
1° de aanleg van een afvoersysteem voor de afvoer van afvalwater, waarbij het hemelwater langs hetzelfde traject wordt afgevoerd, bij voorkeur door middel van een geherwaardeerd grachtenstelsel dat op een milieuverantwoorde wijze in stand wordt gehouden, of door middel van een gelijkwaardige oplossing;
2° de aanleg van aan dat afvoersysteem gerelateerde buffer-, retentie- of infiltratievoorzieningen voor hemelwater;
3° de bouw en de verbetering van de kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties, vermeld in paragraaf 1.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot het op een milieuverantwoorde wijze in stand houden van een geherwaardeerd grachtenstelsel.

§4. Het Vlaamse Gewest kan bijdragen in de kosten voor het exploiteren van de in paragraaf 1 bedoelde kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties volgens de regels vast te stellen door de Vlaamse Regering.


Art. 2.6.1.3.2.

De Vlaamse Regering stelt het in artikel 2.6.1.3.1, §2 bedoelde subsidiëringsprogramma vast binnen de perken van de daartoe in de begroting ingeschreven kredieten. De Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met de zoneringsplannen en de gebiedsdekkende uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in het eerste lid vermelde procedure.


Art. 2.6.1.3.3.

§1. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wordt overeenkomstig artikel 2.3.5. belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water en voldoet aan deze saneringsverplichting door hetzij de sanering zelf te organiseren, hetzij hiervoor een beroep te doen op een derde.

§2. Aan de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst te sluiten met de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband of een door de gemeente na een publieke marktbevraging aangestelde entiteit.

Aan de uitvoering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst te sluiten met de Vennootschap.

§3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de saneringsverplichting.

Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van hemelwater.

§4. Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en dit op basis van de zoneringsplannen en uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

§5. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de door de gemeente na marktbevraging aangestelde entiteit die een overeenkomst als vermeld in paragraaf 2, eerste lid heeft gesloten en die instaat voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting, is verplicht om op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos de gegevens mee te delen die verband houden met de uitvoering van de saneringsverplichting en die de economische toezichthouder nodig heeft ter uitvoering van zijn taken.

De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels uitvaardigen.


Afdeling 2.
Contractuele sanering


Art. 2.6.2.1.

§1. De Vennootschap sluit in het kader van de aan haar toevertrouwde taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant op vraag van de exploitant zelf of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten.

Het saneringscontract heeft betrekking op de sanering van het geloosde afvalwater dat afkomstig is uit de normale bedrijfsactiviteiten, vermeld in de omgevings- of lozingsvergunning of dat afkomstig is uit een bronbemaling waarvoor een schriftelijke toelating van de Vennootschap verkregen werd overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem.

De lozing kan permanent of tijdelijk van aard zijn, maar vindt steeds plaats gedurende een op voorhand vastgelegde periode en is niet het gevolg van een calamiteit als vermeld in artikel 2.6.2.2., §1, tweede lid.

Het afvalwater kan afkomstig zijn van het water geleverd door een openbare watervoorzieningsmaatschappij of van een eigen waterwinning.

§2. Het afvalwater dat het voorwerp uitmaakt van dit saneringscontract:
1° is niet afkomstig uit huishoudelijke activiteiten. Het omvat dus alle afvalwater afkomstig van activiteiten als vermeld in de bijlage 5, met uitzondering van de activiteit 56 « lozingen uit huishoudelijke activiteiten »;
en wordt geloosd in:
a) een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
b) een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie via een bestaande privaatrechtelijke of ten laste van de vergunde exploitant aan de Vennootschap voor uitvoering opgedragen toevoerleiding;
c) een openbare riolering waarvan de aansluiting op een operationele of overeenkomstig artikel 2.6.1.1.1., §2 ter uitvoering aan de Vennootschap opgedragen openbare waterzuiveringsinstallatie is voorzien op basis van het zoneringsplan, vermeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie;
3° en maakt het voorwerp uit van een omgevings- of lozingsvergunning of een schriftelijke toelating van de Vennootschap voor het lozen van water afkomstig van een bronbemaling overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem.

§3. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake:
1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder;
2° de voorwaarden voor het sluiten van een contract indien dit niet verplicht is in de lozings- of omgevingsvergunning;
3° de te volgen procedure
voor het sluiten van een saneringscontract;
4° de inhoudelijke vermeldingen van het contract;
5° de verwerkbaarheid van het afvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Hierbij zullen de bepalingen van het contract inhoudelijk minstens bevatten:
1° in hoofde van de Vennootschap, een opsomming en de berekeningswijze van de specifieke investeringskosten of exploitatiekosten, noodzakelijk voor de verwerking van het afvalwater;
2° de meldingsprocedure voor de lozing;
3° een tijdschema van de geplande lozing en de vuilvrachten die conform de vergunning verwerkt kunnen worden;
4° voor lozingen ten gevolge van een bronbemaling de wijze waarop de vergoeding V berekend wordt.


Art. 2.6.2.2.

§1.De Vennootschap sluit, in het kader van de in artikel 2.6.1.1.1, §2 aan haar toevertrouwde taken en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant, betrekking hebbend op de sanering van het afvalwater afkomstig uit een noodlozing, wanneer de exploitant dit vraagt of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten.

Een noodlozing vindt plaats ten gevolge van een calamiteit, zijnde een totaal onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis, zich voordoende ten gevolge van overmacht, waardoor het zich van een tijdelijke lozing onderscheidt. De noodlozing omvat het afvalwater dat in principe op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie kan gezuiverd worden en dat wat betreft samenstelling en debiet gelijkaardig is aan het tijdens een normale bedrijfsvoering geproduceerde ongezuiverde afvalwater. Het afvalwater dat tijdens de noodlozing geloosd wordt mag geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur.

Het afvalwater rechtstreeks voortvloeiend uit de calamiteit, dient door de exploitant opgevangen te worden en vervolgens verwerkt of afgevoerd te worden, tenzij het afvalwater geen stoffen bevat die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur.

§2. Het afvalwater dat het voorwerp uitmaakt van het in dit artikel bedoelde saneringscontract:
1° is niet afkomstig van huishoudelijke activiteiten. Het omvat dus alle afvalwater afkomstig van activiteiten als vermeld in de bijlage 5, met uitzondering van de activiteit 56 «lozingen uit huishoudelijke activiteiten»;
2° en wordt geloosd via een noodaansluiting onder de welke verstaan wordt:
a) een aansluiting op een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
b) een aansluiting op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie via een bestaande privaatrechtelijke of ten laste van de vergunde exploitant aan de Vennootschap voor uitvoering opgedragen toevoerleiding;

3° en maakt het voorwerp uit van:
a) een bijzondere voorwaarde, betreffende de mogelijkheid tot noodlozing en de daaraan gekoppelde voorwaarden, van een lozings- of omgevingsvergunning;
b) een schriftelijke verklaring van de exploitant waarin gesteld wordt dat:

i) het afvalwater geloosd tijdens de noodlozing geen schadelijke stoffen, zijnde stoffen die de normale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie ernstig verstoort, bevat;
ii) het afvalwater aan de voorwaarden als vermeld in paragraaf 6, punt 5°, voldoet, en
iii) de exploitant de noodlozing zal beëindigen wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen.
Deze schriftelijke verklaring wordt voor de ingebruikname van de noodaansluiting opgesteld. De exploitant kan slechts eenmaal gebruik maken van de mogelijkheid om een noodlozing in gebruik te nemen door middel van een schriftelijke verklaring.

Indien door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, vastgesteld werd dat de exploitant zijn schriftelijke verklaring, vermeld in punt 3°, b) van het eerste lid, niet naleeft, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten.

§3. De exploitant kan de noodaansluiting pas in gebruik nemen na schriftelijke melding aan de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en de Vennootschap.

Bij de melding wordt de schriftelijke verklaring gevoegd, vermeld in paragraaf 2, punt 3°, b) , indien van toepassing.

De toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving bevestigt de melding door middel van een ontvangstmelding aan de exploitant.

Bij stopzetting van de noodlozing brengt de exploitant de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en de Vennootschap, schriftelijk op de hoogte van de einddatum van het gebruik van de noodaansluiting

§4. Voor de verwerking van het afvalwater ten gevolge van de noodlozing waarvoor een contract gesloten werd met de Vennootschap is de exploitant een vergoeding verschuldigd aan de Vennootschap.

Tevens moet de exploitant een verslag opstellen waarin de oorzaak van de noodlozing en de te nemen maatregelen om toekomstige noodlozingen te vermijden, opgesomd zijn.

§5. In het geval de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vaststelt dat de exploitant de noodlozing niet beëindigt wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten.

§6. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake:
1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder;
2° de procedure van melding van een noodlozing en van aanvraag tot het sluiten van een saneringscontract;
3° de inhoudelijke vermeldingen van het contract;
4° de criteria voor het opleggen van een saneringscontract als bijzondere voorwaarde in de lozings- of omgevingsvergunning;
5° de voorwaarden waaraan het afvalwater geloosd tijdens de noodlozing, minstens moet voldoen;
6° de berekeningswijze van de vergoeding via een progressief tarief in functie van de duur en frequentie van de noodlozing, inclusief de specifieke exploitatiekosten die noodzakelijk zijn voor de verwerking van het afvalwater.

Hierbij zullen de bepalingen van het contract inhoudelijk minstens bevatten:
1° een opsomming van de vergoeding en de specifieke exploitatiekosten;
2° de procedure voor de melding van de noodlozing (begin en einde);
3° de criteria waaraan het verslag, dat opgesteld wordt door de exploitant na de noodlozing, dient te voldoen.


Art. 2.6.2.3. Afvalwater niet afkomstig van huishoudelijke activiteiten of niet-verontreinigd hemelwater dat op basis van de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit in een geschikt oppervlaktewater moet geloosd worden, komt in aanmerking voor een contract voor de aanleg en exploitatie van een effluentleiding waarin de betrokken exploitant zijn aandeel inzake aanleg en exploitatie ten laste neemt.

Titel III.
Beheer van het watersysteem


Hoofdstuk.
1 Doelstellingen en definities


Art. 3.1.1.

Art. 3.1.2.

In deze titel wordt verstaan onder:
Openbare riool: elke openbare afwatering aangelegd als ondergrondse geleiding of openluchtgreppel of -gracht en bestemd voor het opvangen van afvalwater;
2° verontreiniging: rechtstreekse of zijdelings uit menselijke activiteiten voort­vloeiende inbreng van stoffen die de samenstelling of de toestand van het water kan verande­ren, derwijze dat het niet meer geschikt of minder geschikt is voor het gebruik dat ervan moet kunnen worden gemaakt, of dat het milieu door het aanzicht of de uitwasemingen van het water wordt bedorven;
wateren van het openbaar hydrografisch net: de wateren van de waterwegen of die als dusdanig zijn gerangschikt, de wateren van de onbevaarbare waterlopen en van de afwateringen met voortdurende of onderbroken afvoer, alsook in ’t het algemeen, de stromende en stilstaande wateren van het openbaar domein.


Hoofdstuk 2.
Bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging


Art. 3.2.1.

Het is verboden voorwerpen of stoffen in de wateren van het openbaar hydrografisch net of in de openbare riolen te werpen of te deponeren, er verontreinigde of verontreinigende vloeistoffen in te lozen of er gassen in te brengen, met uitzondering van volgende gevallen:
de lozing van afvalwater waarvoor vergunning is verleend of melding is gedaan overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en zijn uitvoeringsbesluiten;
2° het lozen van huishoudelijk afvalwater, voor zover de biologisch afbreekbare organische belasting van dit afvalwater niet meer bedraagt dan 20 inwonerequivalenten en de lozing geschiedt overeenkomstig het in het eerste lid van artikel 3.2.2 bedoelde reglement;
3° het lozen van afvalwater uit keukens, eetruimten, wasruimten en bijkeukens, alsmede toiletwater afkomstig van schepen, met uitzondering van:
a) passagierschepen die toegelaten zijn voor het vervoer van meer dan 50 passagiers die niet beschikken over een zuiveringsinstallatie welke voldoet aan de grens- en controlewaarden voor zuiveringsinstallaties aan boord van passagiersschepen zoals opgenomen in bijlage 2, aanhangsel V, van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart ondertekend te Straatsburg op 9 september 1996;
b) pleziervaartuigen, zijnde voor sport- en vrijetijdsdoeleinden bedoelde vaartuigen, ongeacht het type of de wijze van voortstuwing, met een romplengte van 2,5 tot 24 m;
4° het lozen door schepen van waswaters afkomstig van het reinigen van de eigen ruimen, voor zover cumulatief voldaan wordt aan:
a) de lozingsvoorwaarden voorzien in het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart ondertekend te Straatsburg op 9 september 1996;
b) de uitzonderingen op de losstandaarden voorzien door de havenkapiteindiensten binnen de Vlaamse havenbesturen;
5° het lozen door schepen van ballastwater voor zover voldaan wordt aan de voorwaarden voorzien in het Internationaal Verdrag voor de controle en het beheer van ballastwater en sedimenten van schepen, gedaan te Londen op 13 februari 2004.

Het is eveneens verboden vaste stoffen of vloeistoffen te deponeren op een plaats vanwaar ze door een natuurlijk verschijnsel in die wateren of in de openbare riolen kunnen terechtkomen.


Art. 3.2.2.

De Vlaamse Regering stelt de algemene reglementen vast inzake de openbare riolen en de lozing van afvalwater in de wateren van het openbaar hydrografisch net.

De Vlaamse Regering kan het gebruik reglementeren van producten die, indien zij na aanwending terechtkomen in de rioolwaters of in de oppervlaktewaters, hetzij de oppervlaktewaters kunnen verontreinigen of hun zelfreiniging belemmeren, hetzij de werking kunnen schaden van de installaties voor zuivering van afvalwater geëxploiteerd door de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1..


Art. 3.2.3. De Vlaamse Regering bepaalt de eenheid van verontreinigende belasting op grond van het volume en de kenmerken van het afvalwater dat gewoonlijk, in vierentwintig uren, door één inwoner geloosd wordt.

De Vlaamse Regering kan voor het afvalwater van de nijverheids- of andere ondernemingen de waarde van de omzettingscoëfficiënten in eenheden verontreinigende belasting bepalen.

(Hoofdstuk 3.
Het beheer van de onbevaarbare waterlopen)


Hoofdstuk 4.
Grachten


Art. 3.4.1. ...

Titel IV.
Financiële instrumenten ter regulering en financiering van het integraal waterbeleid


Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen en definities


Art. 4.1.1.

In deze titel wordt verstaan onder:
abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;
2° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd
3° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
4° economisch toezichthouder: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van economisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3.1, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren;
6° gebruiker van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft;
7° gemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake collectieve sanering die op de gemeenten rust. Indien de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit eveneens instaat voor de bouw of exploitatie van individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem, maakt ook deze individuele sanering een integraal onderdeel uit van de gemeentelijke saneringsverplichting;
8° grondwaterwinning: alle putten, opvangplaatsen, draineerinrichtingen, bronbemalingen en over het algemeen alle werken en installaties die tot doel of tot gevolg hebben grondwater op te vangen, met inbegrip van het opvangen van bronnen op het uitvloeiingspunt en het tijdelijk of bestendig verlagen van de grondwatertafel ingevolge grondwerken;
9° grondwaterwinningseenheid: de verschillende grondwaterwinningen, uitgezonderd deze die bestemd zijn voor de openbare drinkwatervoorziening, waarvan het gewonnen water is bestemd voor eenzelfde milieutechnische eenheid als gedefinieerd in het artikel 1.1.2. van titel II van het Vlarem. Het feit dat verschillende grondwaterwinningen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een grondwaterwinningseenheid kunnen vormen;
10° heffingsjaar: het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin water werd verbruikt en/of gefactureerd en/of geloosd en/of een grondwaterwinning werd geëxploiteerd;
11° Omgevingsvergunningsbesluit: besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
12° openbaar hydrografisch net: de wateren van de waterwegen of die als dusdanig zijn gerangschikt, de wateren van de onbevaarbare waterlopen en van de afwateringen met voortdurende of onderbroken afvoer, alsook in 't algemeen, de stromende en stilstaande wateren van het openbaar domein;
13° sanering: het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;
14° titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
15° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: Voor de toepassing van dit decreet wordt onder de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving verstaan: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vermeld in artikel 12,1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
16° Vlaamse Milieumaatschappij: intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Milieumaatschappij opgericht bij decreet van 7 mei 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, tot aanvulling ervan met een titel Agentschappen en tot wijziging van diverse andere wetten en decreten;
17° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiëne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van:
a) natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
b) water dat een geneesmiddel is;
18° watermeter: het toestel dat beantwoordt aan de wetgeving op de metrologie, dat eigendom is van de exploitant en dat geplaatst is bij de klant om het volume van het water, geleverd door de exploitant, te registreren;
19° wooneenheid: elke eenheid in een woongebouw die ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en die minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette.


Hoofdstuk II.
Heffingen waterverontreiniging en grondwater


Afdeling.
1. De heffingsplicht


Onderafdeling 1.
De heffingsplicht waterverontreiniging


Art. 4.2.1.1.1.

Voor de toepassing van de heffingsplicht waterverontreiniging wordt als een aan deze heffing onderworpen heffingsplichtige beschouwd, elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt of op dit grondgebied water heeft geloosd, ongeacht de herkomst van het water.

Voor de toepassing van de heffingsplicht waterverontreiniging wordt de persoon waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest factureert in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige te zijn voor het aan hem gefactureerde waterverbruik afgenomen van een openbare watervoorzieningsmaatschappij, onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker van het water.

Voor de toepassing van de heffing waterverontreiniging worden de personen aangewezen in artikel 4.2.1.2.1 onweerlegbaar vermoed heffingsplichtig te zijn voor het grondwater dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgenomen uit een eigen waterwinning vermeld in het eerste lid, onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van dit water.


Art. 4.2.1.1.2.

Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten, vetvangers of kleinschalige waterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximaal 20 inwonerequivalenten waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Een slibverbrandingsinstallatie waarmee het zuiveringstechnisch werk een milieutechnische eenheid vormt is geen onderdeel van het zuiveringstechnisch werk.


Art. 4.2.1.1.3.

Het lozen van opgepompt grondwater in het kader van bodemsaneringswerken en waarvoor een conformiteitsattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering of het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld.


Art. 4.2.1.1.4.

In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is geen heffing verschuldigd voor:
1° een vergunde grondwaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energie-opslag voor zover het gewonnen, niet-verontreinigde grondwater integraal wordt teruggepompt in dezelfde watervoerende laag, als waaruit het wordt gewonnen;
2° een vergunde oppervlaktewaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energieopslag en terug geloosd in hetzelfde oppervlaktewater als waaruit het wordt gewonnen.

De heffingsplichtige waterverontreiniging, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, dient op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar in het bezit te zijn van een milieu- of omgevingsvergunning respectievelijk voor:
1° het winnen van grondwater voor thermische energieopslag (indelingsrubriek 53.6 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM);
2° gebruik van oppervlaktewater uitsluitend voor thermische energieopslag en teruglozing ervan in hetzelfde oppervlaktewater (indelingsrubriek 3.7 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM).

Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in aanmerking wenst te komen voor de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, dient bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1 een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de bewijsstukken waaruit blijkt dat aan bovenvermelde vrijstellingsvoorwaarden is voldaan. De verleende vrijstelling geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de volgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat de installatie niet meer aan de hierboven vermelde vrijstellingsvoorwaarden voldoet.

Elke verandering van de vergunningssituatie en/of wijziging aan de grond-waterwinning respectievelijk de oppervlaktewaterwinning moet onmiddellijk per aangetekend schrijven aan de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij worden gemeld.


Art. 4.2.1.1.5.

De rechtspersoon die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in een grindwinningsgebied een groeve exploiteert waar overeenkomstig de beste beschikbare techniek grind wordt ontgonnen of verwerkt, is geen heffingsplichtige waterverontreiniging in de zin van artikel 4.2.1.1.1, voor zover het water integraal wordt teruggevoerd naar hetzelfde water als waaruit het is onttrokken en dit zonder gebruik te maken van de openbare riolering.

Deze bepaling is niet van toepassing op sanitair waterverbruik of voor het gebruik van water voor eventuele andere activiteiten die op hetzelfde terrein worden uitgeoefend.


Art. 4.2.1.1.6.

§ 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m® per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m® per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:
1° grondwaterwinningen voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik zijn;
2° bronbemalingen die ofwel:
a) technisch nodig zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of voor de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
b) noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
c) noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat:
1) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
3° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.

§ 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.


Art. 4.2.1.1.7.

Het lozen van afvalwater via een noodaansluiting als vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld, op voorwaarde dat de volgende voorwaarden cumulatief vervuld worden:
1° de noodlozing werd voorafgaand het aanvatten ervan schriftelijk gemeld aan de bevoegde instanties, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, en daarvan werd een ontvangstmelding ontvangen als vermeld in dat zelfde artikel;
2° uiterlijk binnen negentig dagen na het beëindigen van de noodlozing beschikt de lozer over een schriftelijk saneringscontract, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, voor de betrokken noodlozing;
3° de vergoeding met inbegrip van de specifieke kosten, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, werd integraal aan de in artikel 2.6.1.1.1, §1, bedoelde vennootschap vergoed binnen de contractueel vastgelegde betalingstermijn of uiterlijk 3 maand vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de heffing op de noodlozing ingekohierd moet zijn.

Elke heffingsplichtige die in aanmerking wenst te komen voor deze vrijstelling dient bij de aangifte, vermeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat aan al de bovenvermelde voorwaarden is voldaan.


Art. 4.2.1.1.8.

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met de vestiging, inning en de invordering van de heffing waterverontreiniging.

De ambtenaren die daartoe bevoegd zijn, worden voorzien van een legitimatiebewijs dat ondertekend is door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.


Onderafdeling.
2. De heffingsplicht grondwater


Art. 4.2.1.2.1.

Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd:
1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2;
3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2.

Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie:
a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend;

b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning melding heeft gedaan van een grondwaterwinning als vermeld in lid 1;
2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning.

Voor wat de heffing op het winnen van grondwater betreft wordt ook als grondwater beschouwd elk water dat zonder exploitatie in open verbinding staat met de waterverzadigde zone onder het bodemoppervlak en ermee in statisch evenwicht is. Water dat op natuurlijke wijze opborrelt of welwater wordt niet meer als grondwater beschouwd vanaf het ogenblik dat het langs natuurlijke weg in het openbaar hydrografisch net stroomt.


Art. 4.2.1.2.2.

In afwijking van artikel 4.2.1.2.1. is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen :
1° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
2° een grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik is;
3° bronbemalingen die technisch nodig zijn voor :
a) ofwel, de verwezenlijking van bouwkundige verwerkingen;
b) ofwel, de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
4° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden;
5° bronbemalingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
6° bronbemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat :
a) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-  deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
b) het hydrologisch attest, bepaald in a) , vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappijof de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
7° grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmtepomp integraal terug in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
8° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering of het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
9° het deel van het belucht grondwater van grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.


Art. 4.2.1.2.3.

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met de vestiging, inning en invordering van de heffing.

De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.


Afdeling 2.
Het vaststellen van de heffing waterverontreiniging


Onderafdeling 1.
Algemeen


Art. 4.2.2.1.1.

§1. Het bedrag van de heffing waterverontreiniging wordt als volgt vastgesteld:

H = N x T

waarin:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor water­verontreiniging;
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, berekend volgens één van de in onderafafdelingen 2, 3, 4 en 5 bepaalde berekeningsmethoden, veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
T = het in §2 hierna vermelde bedrag van het eenheids­tarief van de heffing.

§2. Het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor waterverontreiniging wordt vastgesteld op 22,64 euro voor:
1° de heffingsplichtigen waterverontreiniging, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en artikel 4.2.2.5.1, die zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, en bovendien:
a) ofwel op basis van de bepalingen van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alle uitvoeringsbepalingen van deze wet, evenals de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en in oppervlaktewater te lozen;
b) ofwel moeten voldoen aan de voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m®/jaar bedraagt, zoals bedoeld in indelingsrubriek 3 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM;
2° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. en artikel 4.2.2.5.1., die beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:
a) de openbare riolering die niet aangesloten is op een operationele openbare afvalwater-zuiveringsinstallatie;
b) een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
c) een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.
3° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, waarvan de inrichting niet gelegen is in de zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:
a) is aangesloten op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie; of
b) wordt aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis van het zoneringsplan zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie.

Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 33,38 euro.

De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77.

De indexering wordt ieder jaar ambtshalve toegepast op 1 januari. Het aangepaste bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.


Art. 4.2.2.1.2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1 en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering.

Art. 4.2.2.1.3.

§ 1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt het bedrag van de heffing verminderd met B
waarbij:
B = de som van de bijdrage en de vergoeding, vermeld in de artikelen 4.3.2.1 tot 4.3.2.4, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden.

Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald."

§2.Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1. §2 en 3, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering.


Art. 4.2.2.1.4.

§1. Elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, is vrijgesteld van de heffing waterverontreiniging voor zover geen sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt.

Indien sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik en/of koelwater een heffing gevestigd.

De heffingsplichtige mag bovendien op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater en/of koelwater te lozen.

§2. Elke heffingsplichtige die van de regeling in de vorige paragraaf gebruik wenst te  maken, moet bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1,§1, een dossier voegen dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid. Elk ander bewijs van niet lozing zal niet worden aanvaard door de Vlaamse Milieumaatschappij.

Het bedoelde dossier bevat minstens de volgende gegevens:
1° een beschrijving van het productieproces met aanduiding van de verschillende waterstromen;
2° een gedetailleerde waterbalans met vermelding van de verschillende waterbronnen, de aanwending en de afvoer van dit water;
3° indien van toepassing een beschrijving van de toegepaste technische maatregelen om tot de niet-lozing te komen;
4° een beschrijving van noodplannen en noodvoorzieningen.
5° een overzicht van de omgevings- of lozingsvergunningen van de laatste tien jaar met afzonderlijke vermelding van de nog geldende vergunningen waarover de heffingsplichtige beschikt
6° de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit rapport.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het bedoelde dossier.

§3. De uiterste datum voor de vaststellingen van de niet-lozing is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek.

Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

§4. Het bedoelde dossier geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de negen daaropvolgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Iedere wijziging betreffende de lozingssituatie moet onmiddellijk per aangetekend schrijven worden gemeld aan het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar.

§5. Het statuut van nullozer kan worden verlengd voor opeenvolgende periodes van tien jaar.

Hiertoe moet de heffingsplichtige waterverontreiniging, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier, een hernieuwingsaanvraag indienen bij de ambtenaar die conform artikel 4.2.1.1.8 aangewezen is voor de vestiging van de heffing, samen met een attest afgeleverd door een milieu-deskundige bedoeld in paragraaf 2, waarin de conclusie van het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd."

Het attest vermeldt tevens de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit attest. De uiterste datum voor deze vaststellingen is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar waarvoor de hernieuwingsaanvraag wordt ingediend.

Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.

Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

§6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, §1.

Voor de daaropvolgende jaren van de nog resterende looptijd van het dossier of het attest, vermeld in paragraaf 4 of 5, wordt het statuut van nullozer alleen behouden als voor die jaren de onregelmatige lozingssituatie is geremedieerd en de heffingsplichtige daarvan het bewijs levert.

§7. Als de totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces in afwijking van paragraaf 1 en 2 pas in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, wordt verwezenlijkt en/of vastgesteld, wordt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 evenwel toegekend vanaf de maand die volgt op de maand waarin de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle overige bepalingen van paragraaf 1 en 2 is voldaan.

 § 8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.


Art. 4.2.2.1.5.

§ 1. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, geniet van de toepassing van een sociaal tarief waarbij die heffingsplichtige voor 80% vrijgesteld wordt van de verplichting tot betaling van de heffing voor waterverontreiniging vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als hij zelf op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden één van de volgende tegemoetkomingen geniet:
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het tenlastenemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Het sociaal tarief, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de heffingsplichtige vermeld in artikel 4.2.2.2.1., met een gezinslid dat gedomicilieerd is op hetzelfde adres en dat op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden onder een van de categorieën vermeld in het eerste lid, valt. Voor de toepassing van dat sociaal tarief worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

De vrijstelling vermeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend voor de plaats van het watergebruik die tevens het wettelijke domicilie is van de heffingsplichtige.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan automatisch het sociaal tarief toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in paragraaf 1 toekennen. De heffingsplichtige ontvangt dan een heffingsbiljet waarop het sociaal tarief al is toegepast.

Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen voor het volledige heffingsbedrag, wordt de vrijstelling vermeld in paragraaf 1 enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De aanvraag om in aanmerking te komen voor de toepassing van het sociaal tarief moet uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, bij de Vlaamse Milieumaatschappij worden ingediend.

Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft;
5° de afscheurstrook van het overeenkomstige heffingsbiljet.

Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is het vermeld sociaal tarief van rechtswege verworven.

§3. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van paragraaf 1 de volgende regeling: de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in paragraaf 1, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in paragraaf 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in artikel 4.2.2.1.6.


Art. 4.2.2.1.6.

§1. Elke fysieke persoon die het sociaal tarief, vermeld in artikel 4.2.2.1.5,§1, niet kan genieten maar wel de werkelijke verbruiker van het water is, en die op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden zelf één van de volgende tegemoetkomingen geniet, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in artikel 4.2.2.1.5.,§1:
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming ’hulp aan bejaarden’ volgens het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

De compensatie wordt uitsluitend verleend voor de plaats van waterverbruik die tevens op 1 januari van het heffingsjaar het wettelijke domicilie is van de verbruiker.

Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust- verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de compensatie automatisch toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in paragraaf 1 toekennen.

Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de voormelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, bij de Vlaamse Milieumaatschappij worden ingediend.

Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald:

P= M x T x Q x 0,025 x 0,80;

waarbij:
1° P= de compensatie;
2° M= het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het heffingsjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3° T= het eenheidstarief van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1.;
4° Q = 10 m³ voor elke verbruiker die op een tijdstip gedurende het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet, en waarbij het waterverbruik in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de openbare watervoorzieningsmaatschappij, minder dan 500 m³ bedraagt, en die tevens op een tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning met een getotaliseerd nominaal pompvermogen van minder dan 5 m³ per uur;
Q = 30 m³ voor alle andere verbruikers.

De compensatie is niet van toepassing op de fysieke personen die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komen voor een compensatie, als vermeld in artikel 4.3.3.2. in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.


Art. 4.2.2.1.7.

§1. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater hetzij in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, hetzij gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem.

Deze individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater moeten voldoen aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 3.

Deze vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het afvalwater dat gezuiverd wordt in de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater;

§2. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater vermeld in paragraaf 1.

Deze vrijstelling heeft enkel betrekking op het huishoudelijk afvalwater ressorterend onder sector 56 uit de bijlage 5 bij dit decreet. Deze vrijstelling kan maximaal 30 m³ per persoon, op 1 januari van het heffingsjaar gedomicilieerd in de bedoelde woongelegenheid, bedragen.

De vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid ressorterend onder sector 56 uit de bijlage 5 bij dit decreet dat gezuiverd wordt in de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater vermeld in paragraaf 1.

De vrijstelling is niet van toepassing indien de heffingsplichtige of de werkelijke verbruiker van het water in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komt voor een compensatie, als vermeld in artikel 4.3.3.2. in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.

§3. De individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater vermeld in paragraaf 1 en 2 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van het Omgevingsvergunningsbesluit;
2° gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem;

De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) . De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.

§ 4. De heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater als vermeld in paragraaf 1 en 2, en die de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 en 2 wil krijgen, moet, op straffe van verval van het recht op vrijstelling, uiterlijk binnen drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd is, een schriftelijke aanvraag indienen bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt.

Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij die aanvraag een afschrift gevoegd van de melding of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater.

De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd conform een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM.

Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij stuurt een kopie van de aanvraag en het attest of de weigeringsbeslissing naar de heffingsplichtige.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk stuurt die stukken onmiddellijk door naar de Vlaamse Milieumaatschappij als die ervoor bevoegd is de vrijstelling te verlenen.

Het voormelde attest heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinfrastructuur tijdens die periode niet wordt uitgebaat conform een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM, of gewijzigd is.

Als aan de Vlaamse Milieumaatschappij een voormeld attest wordt bezorgd, kan deze de heffingsplichtige automatisch vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling alleen op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.

§ 5. De Vlaamse Milieumaatschappij kan een heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater als vermeld in paragraaf 1 en 2, automatisch vrijstellen op basis van de inlichtingen die ze heeft ingewonnen bij de gemeenten of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, op basis van de inlichtingen die ze ingewonnen heeft bij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk.

Als de vrijstelling automatisch wordt toegekend, ontvangt de rechthebbende geen heffingsbiljet.

Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de voormelde vrijstelling alleen op schriftelijke aanvraag verleend. De heffingsplichtigen moeten hun aanvraag uiterlijk binnen drie maanden vanaf de derde werkdag nadat het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd is, bij de Vlaamse Milieumaatschappij indienen.

§6. In afwijking van paragraaf 5 kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.


Art. 4.2.2.1.8.

§1. Worden eveneens vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de in artikel 4.2.2.1.1. bedoelde heffing, de sociale instellingen, buiten het medische kader, met een verzorgende finaliteit en zonder productieactiviteit, waar overwegend personen worden opgevangen die omwille van hun handicap of lichamelijke toestand, zorgenbehoevend zijn.

De vrijstelling geldt slechts indien de bedoelde rechtspersonen gedurende het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend huishoudelijke afvalwaters hebben geloosd en ze hebben gezuiverd of hebben laten zuiveren in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem:
1° waarvan, in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de exploitatie is gemeld en/of vergund overeenkomstig de voorschriften van het Omgevingsvergunningsbesluit;
2° die gebouwd is en geëxploiteerd wordt volgens een code van goede praktijk.

De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI.

§2. De heffingsplichtige die van de vrijstelling uit paragraaf 1 wenst te genieten, dient daarvoor, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in bij de Vlaamse Milieumaatschappij met de volgende bijlagen:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater;
2° een attest afgeleverd door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.

Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd.

Indien aan de Vlaamse Milieumaatschappij een attest werd bezorgd als bedoeld in het eerste lid, 2°, kan deze de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.

In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels.


Art. 4.2.2.1.9. De persoon vermeld in artikel 4.2.2.1.5 en 4.2.2.1.6 kan de compensatie aldaar vermeld niet verkrijgen voor zijn aandeel van het waterverbruik waarvan de heffingsplichtige vermeld in artikel 4.2.2.1.5.en 4.2.2.1.7, of de instelling vermeld in artikel 4.2.2.1.8, werd vrijgesteld of van het sociaal tarief geniet.

Art. 4.2.2.1.10.

§1. In afwijking van artikel 4.2.2.1.1., wordt in geval van:
1° een onvergunde lozing;
2° een lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of omgevingsvergunning om een contract, vermeld in artikel 2.6.2.1., af te sluiten; of
3° een lozing via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.1.1.7.;
het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld:

H = T x Qx x Cx + T x Nkx

waarbij:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 4.2.2.1.1, §2, 2e lid.;
Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.5.2., verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt:
Σ [(deind - dbegin) + F]
waarbij:
dbegin =
1° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 5.3.3., tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;
deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;
F =
1° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;

2° 30 in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;
Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
Nkx = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.

In alle andere gevallen wordt de vuilvracht vermeld in artikel 4.2.2.1.1., vermenigvuldigd met (365-dx) /365.

§2.Onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden is paragraaf 1 niet van toepassing op lozingen zonder voorafgaande melding of meldingsakte of voorafgaande of tijdige verlenging van de lozings-, milieu- of omgevingsvergunning, zoals respectievelijk vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en voor zover:
1° de heffingsplichtige beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens als vermeld in artikel 4.2.2.3.3., die betrekking hebben op de volledige afvalwaterstroom; ofwel
2° aan de voorwaarden voor de toepassing van
artikel 4.2.2.3.4., is voldaan en de meet- en bemonsteringsgegevens van de Vlaamse Milieumaatschappij op de volledige afvalwaterstroom slaan.

Er mag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen enkele vaststelling zijn gedaan van een lozing van een gedeelte van de afvalwaterstroom via een ander niet bemonsterd lozingspunt.

In geval van een in het eerste lid vermelde onvergunde lozing wordt de vuilvracht uitsluitend overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., berekend.


Art. 4.2.2.1.11.

Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, wordt voor de sectoren 45 en 51, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,850.

Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., wordt voor de sectoren 57, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,686.


Onderafdeling 2.
Berekening van de vuilvracht op basis van waterverbruik


Art. 4.2.2.2.1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging met een waterverbruik van minder dan 500 m® per jaar wordt de vuilvracht als volgt berekend:
1° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die uitsluitend water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar en waarbij het waterverbruik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de drinkwatermaatschappij, minder dan 500 m® bedraagt:
N = 0,025 x Qw
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in m®;
2° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die gedurende het gehele jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend beschikte over een eigen waterwinning van minder dan 500 m® per jaar:
N = 0,025 x Qp
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qp = a) voor natuurlijke personen: 30 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;
3° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk en die tevens op enig tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning waarbij het totale waterverbruik kleiner is dan 500 m® per jaar:
N = 0,025 x (Qw + Qg)
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in m®;
Qg = a) voor natuurlijke personen: 10 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;

Art. 4.2.2.2.2.

Elke in artikel 4.2.2.2.1 en in categorie 56 van de bijla­ge 5 bedoelde heffingsplichtige heeft het recht om de toepassing te vragen van één van de berekeningsmethoden bedoeld in de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9. en de artikelen 4.2.2.5.1.en 4.2.2.5.2. voorzover hij beschikt over de gegevens vereist voor de toepassing van de berekeningsmethoden.

Om van dit recht gebruik te kunnen maken dient de hef­fingsplichtige een aangifte in binnen de door arti­kel 4.2.4.1., §1, gestelde termijn.


Art. 4.2.2.2.3. De met toezicht belaste ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschap­pij kan, mits de hiervoor nodige gegevens voorhanden zijn, zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige, voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft, beslissen tot toepas­sing van de in artikel 4.2.2.3.1. of artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2. aangegeven berekeningsmethode voor zover dit resulteert in een grotere vuilvracht voor de in artikel 4.2.2.2.1 of in categorie 56 van de bijlage 5 bedoelde heffingsplichtige.

Onderafdeling 3.
Berekening van de vuilvracht op basis van meet- en bemonsteringsresultaten


Art. 4.2.2.3.1.

Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging die niet onder artikel 4.2.2.2.1 tot 4.2.2.2.3.vallen wordt de vuilvracht als volgt berekend:

                            N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv

waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, de vuilvracht kan in geen geval negatief worden;



waarin:
N1: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qd: het volume, uitgedrukt in liter, van het afvalwater geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
a:
1° deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen waterverontreining:

a) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, en op dezelfde datum bovendien beschikken over een omgevings- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch net;
b) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar beschikken over een omgevings-, respectievelijk lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:
-   de openbare riolering die niet aangesloten is op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie;
-   een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
-   een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.
indien in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar de lozingssituatie en/of vergunningstoestand bedoeld onder 1° verandert in deze bedoeld onder 3° of omgekeerd, wordt de berekening van de N1-component evenredig opgesplitst voor zover de vuilvracht berekend zonder de a- factor niet gevoelig wijzigt. De wijziging van de a- factor gaat in vanaf de maand volgend op deze waarin de lozingssituatie en/of vergunningstoestand volgens de vergunning van kracht wordt. Als de feitelijke lozingssituatie niet overeenstemt met de vergunningstoestand wordt de a- factor gewijzigd vanaf de maand die volgt op die waarin de feitelijke situatie aan de vergunning is aangepast. De heffingsplichtige dient minstens één maand voor de wijziging per aangetekend schrijven het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar hiervan op de hoogte te brengen. Bij gevoelige wijziging van de vuilvracht is overeenkomstig artikel 4.2.2.3.7 de situatie op het ogenblik van de monstername van toepassing.
3° deze term is in de overige gevallen gelijk aan 0,20.
ZS: het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
BZV: de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
CZV: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar gedurende verschillende etmalen metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als N1 het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-componenten genomen.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar in verschillende maanden metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als maand van de grootste bedrijvigheid die maand in aanmerking genomen waarvan het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-component het grootst is.

N2 = Qjx [40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni) + 1 x (Pb + AS + Cr) ]
                                                                  1000

waarin:
N2 = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde zware metalen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj = het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
Hg, Ag, Cd, Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr: de in het geloosde afvalwater gemeten gehaltes, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft, uitgedrukt in mg/l, van de respectievelijke stoffen: kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.

N3 = Qj x (N + P)
       10000
waarin:
N3: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde nutriënten uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj: het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar;
N:   het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P:   het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Nk = ak (K x 0,0004)

waarin:
Nk: de vuilvracht veroorzaakt door het lozen van koelwater;
K:   het thermisch belast koelwater, uitgedrukt in kubieke meter per jaar, dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd geloosd. Met ingang van het heffingsjaar 1992 wordt de hoeveelheid geloosd koelwater geacht overeen te stemmen met:
1° hetzij, de in de lozings- of omgevingsvergunning toegelaten hoeveelheid;
2° hetzij, de hoeveelheid aangegeven in de vóór 1 september 1991 ingediende lozingsvergunningsaanvraag zolang over deze laatste nog geen uitspraak is gedaan;
3° tenzij het bewijs geleverd wordt dat de reëel geloosde hoeveelheid kleiner is.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels hiervan vast.
akdeze term is gelijk aan 0,550.

Nv= Ev - Kv
waarin:
Nv : de vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden;

Onder goed verwerkbaar afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
1° CZV/BZV kleiner dan of gelijk aan 4;
2° BZV/N groter of gelijk aan 4;
3° BZV/P groter of gelijk aan 25;
4° BZV concentratie hoger dan of gelijk aan 100 mg/l.
waarbij:
BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;
CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;
N: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Onder complementair afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
1° CZV/BZV kleiner dan 2;
2° BZV/N groter dan 8;
3° BZV/P groter dan 40;
4° BZV concentratie hoger dan 500 mg/l.
waarbij:
BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;
CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;
N: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

De gemiddelde samenstelling is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.

Ev: de extra verwerkingskosten voor de sanering van afvalwater dat niet goed verwerkbaar is;
De term Ev is:
1° nul wanneer het afvalwater goed verwerkbaar of complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;
2° in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x [0,45 x (4 x (BZVc – BZV) ) + 0,35 x ZSp] x (0,40 + 0,60 x d)
180                   1.350                           500
waarbij:
Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:

                                       Qdv = Qj x 1000
                      225*d
BZVc: de gecorrigeerde BZV concentratie, uitgedrukt in mg BZV/l, zodat het afvalwater voldoet aan de voorwaarden voor goed verwerkbaar afvalwater met uitzondering van de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. BZVc is gelijk aan de maximale waarde uit de volgende reeks : 100, CZV/4, N × 4, BZV;
BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;
CZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;
N: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l;
Hierbij is de gemiddelde concentratie het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.
ZSp: de slibproductie, uitgedrukt in mg/l, ontstaan door de chemische precipitatie van het toe te voegen ijzertrichloride wanneer de samenstelling van afvalwater niet voldoet aan de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. ZSp kan niet negatief zijn en wordt berekend als :

6,6 x (P – BZV)
25
d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten wanneer minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d dan gelijk is aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225;
Kv: de korting voor de sanering van complementair afvalwater
De term Kv:
1° is nul wanneer het afvalwater niet complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;
2° is in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x 0,45 x BZV x (0,40 + 0,60 x d)
          180        1350

waarbij:
Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:
Qdv = Qj x 1000
225*d
BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l. De gemiddelde concentratie is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid;
d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

In afwijking van de voorgaande bepalingen wordt de component Nv bij toepassing van de 30 %-regel, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., tweede lid, uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dat resulteert in een hogere vuilvracht.


Art. 4.2.2.3.2.

De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

De Regering kan de nadere regels vaststellen aan­gaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in artikel 4.2.2.3.1. aangegeven berekeningsmethode.


Art. 4.2.2.3.3.

Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een laboratorium vermeld in artikel 4.2.2.3.2.

Indien de heffingsplichtige en de Vlaamse Milieumaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen hebben laten uitvoeren en de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N1-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij 30 % hoger ligt dan de N1-waarde bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, worden de componenten N1, N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht.

In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij, en de N-waarde, bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, kleiner is dan 50 VE.


Art. 4.2.2.3.4.

Indien de heffingsplichtige niet beschikt over geldige meet- en bemonsteringsgegevens, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., én indien artikel 4.2.2.3.5. of 4.2.2.3.6. niet van toepassing is, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode toepassen voor zover de nodige gegevens beschikbaar zijn en voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht dan de vuilvracht berekend volgens artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2., en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.5.

§1. Indien de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., eerste lid, kan hij bij de aangifte, bedoeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag tot afwijking van de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.,en van artikel 4.2.2.3.1. voegen.

Indien de Vlaamse Milieumaatschappij dit verzoek aanvaardt, zal de vuilvracht van de componenten waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, vastgesteld worden op 1,5 maal het rekenkundig gemiddelde van respectievelijk de N1-, N2-, N3- of Nv-componenten vastgesteld voor de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren.

§2. Voor de heffingsplichtige waarvan de heffingsplicht ontstaan is maximum drie kalenderjaren vóór het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, kunnen tevens maximum drie heffingsjaren, volgend op het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer van de componenten niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, aanvullend worden gebruikt voor de berekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid.

Samen met het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, moeten de heffingsjaren waarvan de vuilvracht in rekening gebracht wordt vier opeenvolgende heffingsjaren vormen.

De betrokken heffingsplichtige moet een schriftelijke aanvraag tot herberekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid indienen ten laatste op 1 april van het jaar volgend op het laatste betrokken heffingsjaar dat gebruikt wordt voor de herberekening.

§3. Dit artikel is van toepassing op voorwaarde dat:
1° de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 of Nv waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, voor drie opeenvolgende heffingsjaren gebaseerd is op meet- en bemonsteringsgegevens die voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 4.2.2.3.2., tweede lid en in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid;
2° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar de productieprocessen dezelfde zijn als deze in drie opeenvolgende jaren en het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gelijkaardig is aan het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N, gebruikt voor het vaststellen van de heffing voor drie opeenvolgende jaren;

3° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen vaststellingen zijn gedaan m.b.t. het niet of onvoldoende functioneren van de aanwezige zuiveringsapparatuur;
4° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen inbreuken werden vastgesteld inzake de lozing van afvalwater door middel van een proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag bedoeld in artikel 5.4.1.3., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige handelt met opzet om de heffing geheel of gedeeltelijk te ontwijken;
5° uit de bij de aangifte gevoegde verantwoordingsstukken blijkt dat aan de voorwaarden bepaald onder 1° tot 4° is voldaan.

Indien bovenvermelde regeling toegepast wordt op één of meer van de componenten N1, N2, N3 of Nv, kan artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2.niet meer toegepast worden op één of meer van de overige componenten N1, N2, N3 of Nv, en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft.


Art. 4.2.2.3.6.

Indien de bepalingen van artikel 4.2.2.3.5. op één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv van toepassing zijn, én de Vlaamse Milieumaatschappij heeft in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen laten uitvoeren conform artikel 4.2.2.3.2., tweede lid, dan worden deze meet- en bemonsteringsresultaten voor alle componenten gebruikt bij de berekening van de vuilvracht voor zover de som van de componenten N1, N2, N3 en Nv berekend op basis van deze metingen hoger is dan de som van de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 en Nv, hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.1., hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.5. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.7.

§1.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar zorgt voor een sterke en blijvende daling van de vuilvracht veroorzaakt door het geloosde afvalwater, hetzij door investeringen in het productieproces of zuiveringstechnische werken, hetzij door het stopzetten van bepaalde verontreinigende activiteiten, en hiervan het bewijs kan leveren, kan voor de berekening van de heffing een evenredige opsplitsing bekomen op voorwaarde dat voor elke periode geldige meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, beschikbaar zijn. Deze regeling geldt niet voor seizoensgebonden activiteiten.

Indien voor de periode vóór het realiseren van de bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht geen meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9, beschikbaar zijn, dan wordt voor deze periode de heffing berekend overeenkomstig artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.

Ingeval meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot de periode na de aanpassing of stopzetting ontbreken, wordt de heffing voor het volledige jaar berekend overeenkomstig de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode op basis van de gegevens van de periode vóór de wijziging of stopzetting.

Indien in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar overeenkomstig het eerste lid twee perioden worden onderscheiden, dan neemt de tweede periode slechts een aanvang op de eerste dag van de maand waarin de meting en bemonstering van het afvalwater overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9 uitgevoerd werd en waaruit de in het eerste lid bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht blijkt.

§2.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die acties onderneemt om te komen tot een in paragraaf 1 bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht, stelt de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij minstens 1 maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk op de hoogte van:
1° ofwel de ingebruikname van een nieuw productieproces;
2° ofwel de ingebruikname van een zuiveringstechnische installatie;
3° ofwel het stopzetten van de verontreinigende activiteit.


Art. 4.2.2.3.8.

Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. wordt als volgt bepaald:
1° op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels;
2° als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met debietmeetapparatuur bedoeld in 1° wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m³, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voor zo ver dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt;
a) de af te trekken hoeveelheid koelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeet-apparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid koelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
b) de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, §2, 2° en 3° ;
c) de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) wanneer de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
3) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in 1) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in 2) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
i. voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T=200;
ii. voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T=10x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
iii. in de overige gevallen: T = 2000;
4) als de debietmeting bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van 2) of 3) en op dagbasis berekend;
d) voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m²;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
3° als de debietmeting met registratie bedoeld in punt 1° geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
a) voor de periode dat de geloosde hoeveelheid afvalwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.

De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing en gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

In geval van het resetten van de debietmeetsystemen vermeld in deze paragraaf in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Art. 4.2.2.3.9. Wanneer geldige tegenanalyses zijn uitgevoerd conform de bepalingen van deze onderafdeling en de in uitvoering hiervan genomen besluiten, wordt voor de bepaling van de componenten N1 ,N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1., op dagbasis per parameter het gemiddelde genomen van de resultaten van de analyses en tegenanalyses.

Onderafdeling 4.
Berekening van de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater die in mindering mag gebracht worden in geval het geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater


Art. 4.2.2.4.1.

§1. In geval het in een bepaald oppervlaktewater geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater, dat uit hetzelfde oppervlaktewater is opgenomen als dit waarin het afvalwater geloosd wordt, mag de vuilvracht N, bepaald volgens artikel 4.2.2.3.1. verminderd worden met de vuilvracht N0 van het gebruikte oppervlaktewater berekend als volgt:
No = N1,0 + N2,0 + N3,0
met:
No: de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden van het opgenomen oppervlaktewater;
N1,0 = Qd,ox [0,35 xZS0 + 0,45 (2 x BZV0 + CZV0) ] x (0,40 + 0,60 x d)
180        500                     1350
waarin:
N1,0: de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater veroorzaakt door de opname van de beschouwde stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qd,o: het volume uitgedrukt in liter, van het op de geloosde afvalwaters betrekking hebbende gebruikte oppervlaktewater, in het etmaal waarop Qd betrekking heeft. Indien Qd,o niet werd gemeten, kan Qd,0 maximaal gelijk gesteld worden aan Qd;
ZS0: het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft;
BZV0: de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft;
CZV0: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,o betrekking heeft;
d: correctiefactor bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.
N2,0 = Qj,o x (40 x (Hg,o) + 10 x (Ag,o + Cd,o) + 5 x (Zn,o + Cu,o) + 2 x (Ni,o) + 1 x (Pb,o + As,o + Cr,o) ) /1000
waarin:
N2,0: de vuilvracht van de beschouwde zware metalen van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj,o: het volume oppervlaktewater, uitgedrukt in kubieke meter, gebruikt in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar en dat betrekking heeft op Qj zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
Hg,o, Ag,o, Cd,o, Zn,o, Cu,o, Ni,o, Pb,o, As,o, Cr,o: de in het gebruikte oppervlaktewater Qj,0 gemeten gehaltes van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft uitgedrukt in mg/l, van de respectieve stoffen kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.
N3,0 = Qj,o x (No + Po) /10000
waarin:
N3,o:  de vuilvracht van de beschouwde nutriënten van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj,o: het volume oppervlaktewater, uitgedrukt in kubieke meter, gebruikt in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar en dat betrekking heeft op Qj zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;

No: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale stikstof, uitgedrukt in mg N/l;
Po: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

§2. De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater en oppervlaktewater als vermeld in  artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

§3. De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in §1 aangegeven berekeningsmethode.


Art. 4.2.2.4.2.

De overeenkomstig de bepalingen van de in artikel 4.2.2.4.1 berekende vuilvrachten van het gebruikte oppervlaktewater N1,o, N2,o en N3,o kunnen als mindering slechts in aanmerking genomen worden voor maximum het aantal vervuilingseenheden van de overeenstemmende vuilvrachten van het geloosde afvalwater N1, N2 en N3.
Indien de heffingsplichtige het afvalwater loost langs meerdere lozingspunten dan wordt het hierboven vermelde in mindering brengen uitgevoerd per lozingspunt.


Art. 4.2.2.4.3.

Op straffe van verval van het in artikel 4.2.2.4.1. bedoelde recht van vermindering van de vuilvracht voor het gebruikte oppervlaktewater, dienen de bedoelde heffingsplichtigen waterverontreiniging binnen de termijn en volgens de regels bepaald door de Regering:
1° aan de Vlaamse Milieumaatschappij de gegevens te bezorgen met betrekking tot het geloosde afvalwater alsmede met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater, nodig voor de toepassing van de artikel 4.2.2.3.1., en artikel 4.2.2.5.1., vermelde berekeningsmethode, samen met de benodigde stavingsstukken;
2° de Vlaamse Milieumaatschappij kennis te geven van de eis tot het in mindering brengen van de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater No.


Onderafdeling 5.
Berekening van de vuilvracht op basis van omzet¬tingscoëfficiënten


Art. 4.2.2.5.1.

Onverminderd de toepassing van artikel 4.2.2.3.4.tot 4.2.2.3.6., wordt bij het niet of onvolledig voorhanden zijn van de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., de vuilvracht voor één of meer van de termen N1 ,N2, N3 en Nv als volgt berekend;
   N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv
met:
N: de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
   N1 = A x C1
              B
waarin:
N1: de vuilvracht veroorzaakt door de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenhe­den;
A: de bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitgedrukt over­eenkomstig de  grondslag vermeld in kolom 3 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
B: de grondslag vermeld in kolom 3 van de tabel opgeno­men in bijlage 5;
C1: de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 4 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
   N2 = (Q - K) x C2
waarin:
N2: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van zware metalen, uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Q: het waterverbruik berekend als de som van het door de openbare watervoorzie­ningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende dezelfde periode op een andere wijze gewonnen hoeveelheid water, uitgedrukt in m³;
K: de hoeveelheid koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
C2: de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 5 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
   N3 = (Q - K) x C3
waarin:
N3: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de nutriënten stikstof en fosfor, uitgedrukt in vervuilingseenhe­den;
Q:  het waterverbruik berekend als de som van het door de openbare watervoorzie­ningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende dezelfde periode op een andere wijze gewonnen hoe­veelheid water, uitgedrukt in m³;
C3: de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 6 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
K:  de hoeveelheid koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
     Nk = ak (K x 0,0004)
waarin:
Nk: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwa­ter;
k: het thermisch belast koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
ak: deze term is gelijk aan 0,550.

   Nv = (Q - K) x Cv
waarin:
Nv: de vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden;
Q: het waterverbruik zoals hierboven bepaald;
K: de hoeveelheid koelwater, vermeld in artikel 4.2.2.3.1.;
Cv: deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen vermeld in artikel 4.2.2.1.1. §2, 1° en 2°, en is in alle andere gevallen gelijk aan de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 7 van de tabel opgenomen in bijlage 5.


Art. 4.2.2.5.2.

Voor de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. wordt onder Q verstaan:
het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m³.

Q wordt als volgt berekend:
1° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.2.2.5.1.;
2° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
a)het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b)indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1., §2, 2° en 3° ;
3° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) wanneer het opgenomen volume oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
1) voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
2) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
3) in de overige gevallen: T = 2000;
d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
1) voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
4° voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren en/of vervuild wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m²;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
1) voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend.

De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

In geval van het resetten van de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Afdeling 3.
Het vaststellen van de heffing grondwater


Art. 4.2.3.1.

§1. Het bedrag van de heffing grondwater, vermeld in artikel 4.2.1.2.1. en 4.2.1.2.2., wordt vastgesteld als volgt :
H = Z * Q,
waarbij
1° voor de exploitatie van grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
Z  = 7,5 eurocent per m³ * index;
Q  = het volume grondwater (in m3) dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen en dat tot drinkbaar water voor de openbare drinkwatervoorziening verwerkt kan worden, ongeacht de wijze van winning of het gebruik. De hoeveelheid die voorafgaand aan de winning via kunstmatige infiltratie aan het grondwaterreservoir werd toegevoegd kan in mindering worden gebracht van de gewonnen hoeveelheid, op voorwaarde dat voor die activiteit de nodige vergunningen en toestemmingen zijn verleend en op voorwaarde dat het infiltratiewater minstens voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater;
2° voor de exploitatie van grondwaterwinningen niet bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
a) indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid aangelegd in een freatische watervoerende laag aanleiding geeft tot een gewonnen hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar van 500 tot en met 30.000 m³:
Z  =  6 eurocent per m³ * index;
Q =  Σ (Qgwp - 0.5 * Qb)
grondwaterputten
Met:
Qgwp = gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) ;
Qb =  gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m3) bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij  Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;
Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb;
b) indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid aanleiding geeft tot een gewonnen hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar van meer dan 30.000 m3 of tot een gewonnen volume grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uit een afgesloten watervoerende laag:
Z = een lineaire tarieffunctie (in eurocent per m³) die voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid van toepassing is en als volgt bepaald wordt:
(6,2 + 0.75 * Σ (Qgwp - 0.5 * Qb) / 100.000) * index
                    grondwaterputten
Met:
Qgwp =  gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) ;
Qb =  gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) onttrokken uit een freatische watervoerende laag bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;
Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb;
Q =  Σ (λ * Qgwp - λ * 0,5 * Qb )
    grondwaterputten
Met
λ=  een grondwaterputspecifieke multiplicator zijnde het product van twee termen: laagfactor en gebiedsfactor. Daarbij nemen de laagfactor en gebiedsfactor de waarde aan die is aangegeven in de bijlage 6;
Qgwp =  gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) ;
Qb =  gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) onttrokken uit een freatische watervoerende laag bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;
Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb.

De index is de verhouding van twee indexcijfers van de consumptieprijzen met in de teller het indexcijfer van de maand november van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar en in de noemer het indexcijfer van de maand november 2001, basis 1988, namelijk 134,75.

De indexering gebeurt elk jaar ambtshalve op 1 januari. Het aangepast bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.

§2. De hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen wordt als volgt bepaald:
1° op basis van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;
2° als de opgenomen hoeveelheid grondwater niet gemeten is aan de hand van een continue debietmeting als vermeld in punt 1° wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan:
a)
als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund:
1) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld: deze hoeveelheid;
2) als in de vergunning alleen een hoeveelheid op dagbasis is vermeldd
i. deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest in geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
ii. deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met 225 in de andere gevallen;
b)
als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen niet met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund of als er in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid is vermeld: de som van de maximale nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
1) voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
2) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is;
3) in de overige gevallen: T = 2.000;
3° als de debietmeting met registratie geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
a) voor de periode dat de opgenomen hoeveelheid grondwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld volgens de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.

Bij toepassing van de punten 2° en 3° uit het eerste lid behouden de daartoe bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij bedoeld in artikel 5.4.2.1. de mogelijkheid over te gaan tot het opleggen van een boete bedoeld in artikel 5.4.2.2.

In geval van het resetten van het debietmeetsysteem met registratie, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Art. 4.2.3.2.

§1. Elke grondwaterwinning en/of grondwaterwinningseenheid waarvan de exploitatie overeenkomstig het artikel 4.2.1.2.1 en 4.2.1.2.2. aan de heffing is onderworpen en elke conform titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vergunningsplichtige of meldingsplichtige grondwaterwinning moet uitgerust zijn met een debietmeting en registratie van de opgepompte hoeveelheid grondwater.

Deze debietmeting en registratie dienen te gebeuren overeenkomstig een code van goede praktijk.

De Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan bedoelde debietmeting en registratie moeten voldoen.

§2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde registratie technisch niet uitvoerbaar is, kan de Regering de heffingsplichtige vrijstellen van voormelde registratieverplichting. In dat geval bepaalt zij de alternatieve wijze waarop de hoeveelheden worden bepaald.

§3. De in paragraaf 1 opgelegde verplichtingen tot het voorzien van een debietsmeting en registratie gelden niet voor draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.


Afdeling 4.
Vestiging en inning van de heffingen waterverontreiniging en grondwater


Art. 4.2.4.1.

§1. De in artikel 4.2.1.2.1, 4.2.1.2.2. en artikel 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9 (onderafdeling 3) bedoelde heffingsplichtige, met uitzondering van de in categorie 56 van de bijlage 5 bedoelde heffingsplichtige, is verplicht voor 15 maart van elk heffingsjaar een aangifte bij de Vlaamse Milieumaatschappij in te dienen. In voorkomend geval bevat de aangifte de nodige gegevens voor de berekening van de vuilvracht en/of voor de vaststelling van de heffing op de winning van grondwater.

Wanneer de heffingsplichtige overleden is of failliet verklaard, rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator.

§2. De aangifte wordt gedaan volgens de modaliteiten vastgesteld door de Vlaamse Regering.

§3. De stukken, opgaven en inlichtingen die samen met de aangifte of de melding worden ingediend, vormen een integrerend deel ervan. De bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden genummerd, gedagtekend en ondertekend. Afschriften moeten éénsluidend met het oorspronkelijk stuk worden verklaard.

§4. De gemeentelijke regies, intercommunales en alle andere maatschappijen die instaan voor een openbare watervoorziening en, voor wat de heffing grondwater betreft, de vergunningverlenende overheid verlenen hun medewerking en verstrekken aan de Vlaamse Milieumaatschappij, op eenvoudig verzoek, alle gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor de vestiging en de inning van de heffing.


Art. 4.2.4.2.

§1.De heffingsplichtige die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar een eigen waterwinning in gebruik neemt, is verplicht dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij te melden binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop hij van die waterwinning gebruik maakt.

De heffingsplichtige die het gebruik van een eigen waterwinning stopzet, is verplicht dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij te melden binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop die waterwinning niet meer wordt gebruikt.

In geval van overschrijding van de termijn, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt ongeacht de datum van de stopzetting, vermeld in de melding, aangenomen dat de heffingsplichtige pas vanaf de tweede maand vóór de datum van ontvangst van de melding de waterwinning niet meer gebruikt. Tenzij de stopzetting reeds op een eerdere datum werd vastgesteld door de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, of tenzij een eerdere datum van stopzetting werd vastgelegd in de vergunning waarvoor er geen verdere exploitatie werd vastgesteld.

De melding vermeld in het eerste en tweede lid wordt gedaan met het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij bezorgt de gegevens van de melding van ingebruikname van een grondwaterwinning aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de grondwaterwinning zich bevindt.

§3. De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.§1, 2°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, gedeeltelijk overschakelt op water, afgenomen van een openbaar waterdistributienet, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij over een aansluiting bij de openbare watervoorzieningsmaatschappij beschikt.

De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, §1, 3°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, volledig overschakelt op water opgenomen uit een eigen waterwinning, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij uitsluitend gebruik maakt van een eigen waterwinning.


Art. 4.2.4.3.

§1. Wanneer de Vlaamse Milieumaatschappij meent de aangifte of de melding, vermeld in artikel 4.2.4.2., te moeten rechtzetten die door de heffingsplichtige is ingediend binnen de in 4.2.4.1., §1 bepaalde termijn en die voldoet aan de vormvereisten, brengt zij hem de rechtzetting die zij voorstelt per aangetekend schrijven ter kennis.

Het bericht van rechtzetting vermeldt de redenen die de rechtzetting naar het oordeel van de Vlaamse Milieumaatschappij rechtvaardigen. Het vermeldt ook de modaliteiten die de heffingsplichtige moet eerbiedigen om het te beantwoorden.

§2. De heffingsplichtige kan zijn eventuele opmerkingen schriftelijk inbrengen binnen een termijn van één maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van rechtzetting. Deze termijn kan wegens wettige redenen worden verlengd.

De heffing mag niet voor het verstrijken van die, eventueel verlengde, termijn worden gevestigd, behalve indien de rechten van de gewestelijke thesaurie wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn in gevaar verkeren of indien de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van de rechtzetting.


Art. 4.2.4.4.

§1. De Vlaamse Milieumaatschappij kan overgaan tot een heffing van ambtswege op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft:
ofwel een aangifte in te dienen binnen de in artikel 4.2.4.1., §1 bepaalde termijn;
2° ofwel de vormgebreken waarmee de aangifte is aangetast, te verhelpen binnen de termijn die de Vlaamse Milieumaatschappij hem hiervoor toekent;
3° ofwel in overeenstemming met artikel 5.4.1.2. de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn;
4° ofwel zich te schikken naar de wettelijk voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het ter inzage voorleggen van boeken, stukken of registers. Zo kan de Vlaamse Milieumaatschappij inzonderheid tot een heffing van ambtswege overgaan wanneer de berekeningselementen van de heffing niet of onjuist werden ingeschreven in de boeken, stukken of registers.

Bij de toepassing van artikel 4.2.2.2.3. kan de Vlaamse Milieumaatschappij eveneens tot een heffing van ambtswege overgaan.

§2. Voor de heffing van ambtswege wordt gevestigd, brengt de Vlaamse Milieumaatschappij een bericht van heffing van ambtswege per aangetekend schrijven ter kennis aan de heffingsplichtige.

Dit bericht vermeldt de redenen waarom de Vlaamse Milieumaatschappij van die procedure gebruik maakt, de periode waarop de heffing van ambtswege zal slaan, de gegevens waarop de heffing van ambtswege zal steunen, en de wijze waarop deze gegevens zijn vastgesteld. Het bericht van heffing van ambtswege vermeldt de modaliteiten die de heffingsplichtige moet eerbiedigen om het te beantwoorden.

§3. Aan de heffingsplichtige wordt een termijn van één maand toegestaan, te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van heffing van ambtswege om zijn eventuele opmerkingen schriftelijk in te brengen.

De heffing van ambtswege mag niet voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn worden gevestigd, behalve indien de rechten van de gewestelijke thesaurie in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn of indien de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van heffing van ambtswege.

§4. De Vlaamse Milieumaatschappij voegt bij elk bericht van heffing van ambtswege een vaststellingsverslag, bedoeld bij artikel 5.4.1.3. Het vaststellingsverslag kan door de ambtenaar die het bericht van aanslag van ambtswege ondertekent, worden medegedeeld door middel van een voor éénsluidend verklaard afschrift van het origineel.

§5. Indien een heffing van ambtswege is gevestigd, behoort het aan de heffingsplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de verschuldigde heffing.


Art. 4.2.4.5.

§1. De heffing, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.2.2.1.1. tot 4.2.2.1.10, en artikel 4.2.3.1., wordt gevestigd uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het heffingsjaar.

§2. In afwijking van paragraaf 1, kan een heffing of een aanvullende heffing worden gevestigd gedurende vijf jaar vanaf 1 januari van het heffingsjaar, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft tijdig een geldige aangifte in te dienen waartoe hij verplicht is overeenkomstig artikel 4.2.4.1., of als de verschuldigde heffing hoger is dan de heffing die gesteund is op de gegevens vermeld in de aangifte.

Indien in een proces-verbaal van overtreding onvergunde lozingen zijn vastgesteld, als vermeld in artikel 4.2.2.1.10, §1, wordt voor de jaren waarin de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, de in vorige lid bedoelde termijn verlengd vanaf de datum van het proces-verbaal tot zes maanden na de datum waarop de Vlaamse Milieumaatschappij kennis krijgt van de definitieve gerechtelijke beslissing.

In afwijking van de eerste paragraaf kan een heffing of een aanvullende heffing waterverontreiniging worden gevestigd binnen twaalf maanden na de datum waarop:
1° het geschil over de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1., definitief is beslecht;
2° de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk aan de betrokken abonnee of persoon bevestigt dat hem ten onrechte een bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.

§3. Meerdere heffingen betreffende eenzelfde heffingsjaar kunnen lastens een zelfde heffingsplichtige worden gevestigd.

§4. De heffingen, evenals de administratieve geldboeten en de heffingsverhogingen die ermee verband houden, verschuldigd overeenkomstig dit hoofdstuk en titel V worden opgenomen in kohieren die worden medegedeeld aan de met de inning en invordering belaste ambtenaren.

§5. De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar. Ze worden, op straffe van verval, binnen de in §1 en §2 bepaalde termijn uitvoerbaar verklaard.

§6 De kohieren vermelden:
1° de gegevens van de heffingplichtigen:
a) voor de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.:
i) waaraan een openbare water­voorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest heeft gefactureerd betreffende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar: de naam en het adres van facturatie;
ii) die geen water hebben afge­no­men van een openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar: de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de rechtsperso­nen;
b) voor de overige heffingsplichtige: de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtsperso­nen;
c) indien voor de heffing waterverontreiniging de natuurlijke persoon, vermeld in punt a) of b) , is overleden, wordt de aanslag ingekohierd op de naam van de overleden persoon voor­afgegaan van het woord "Nalatenschap" en eventueel gevolgd door de aanduiding van de persoon of personen die zich aan de Vlaamse Milieumaatschappij hebben bekend gemaakt als erfgenaam of legataris;
2° de verwijzing naar dit hoofdstuk uit deze titel;
3° het bedrag van de heffing en het heffingsjaar waarop ze betrekking heeft;
4° het artikelnummer;
5° de datum van uitvoerbaarverklaring;
6° de handtekening van de in §5 bedoelde ambtenaar.

§7. De heffingsplichtige op wiens naam de heffing is ingekohierd ontvangt zonder kosten een heffingsbiljet.

De verzending van het heffingsbiljet geschiedt op straffe van verval per post binnen zes maanden te rekenen van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.

Het heffingsbiljet bevat:
1° de datum van verzending van het heffingsbiljet;
2° de gegevens bedoeld in §6, 1° tot 5° ;
3° de betalingstermijn;
4° de termijn waarin een bezwaarschrift kan worden ingediend, de benaming en het juiste adres van de instantie die bevoegd is om ze te ontvangen.

§8. Op schriftelijk verzoek van een persoon die niet is opgenomen in het kohier, vermeld in paragraaf 6, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de naam op het heffingsbiljet, vermeld in paragraaf 7, wijzigen. Die persoon ontvangt dan een heffingsbiljet op zijn naam, met de vermelding dat dit nieuw exemplaar met toepassing van die paragraaf wordt uitgereikt. In voorkomend geval is het oorspronkelijke kohier uitvoerbaar tegen de persoon die er niet in opgenomen is en die de naamswijziging heeft aangevraagd.


Art. 4.2.4.6.

§1. De persoon op wiens naam de heffing is ingekohierd alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen het heffingsbiljet wordt ingevorderd, kan tegen de gevestigde heffing, verhogingen en boeten, vermeld in hoofdstuk III van titel V, een bezwaarschrift indienen bij de leidend ambtenaar of de door hem gedelegeerde ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

In dit bezwaarschrift kan tevens om uitstel of spreiding van betaling van de heffing en vrijstelling of vermindering van de eventueel opgelegde administratieve geldboete of heffingsverhoging, vermeld in hoofdstuk III van titel V, worden verzocht.

Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden gedaan, gemotiveerd zijn, en moet op straffe van verval worden verzonden naar of overhandigd aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of zijn gedelegeerde, binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd of vanaf de datum van kennisgeving van het heffingsbiljet.

§2. De leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet als administratieve overheid uitspraak over het bezwaarschrift.

De ambtenaar kan de betwiste heffing noch de opgelegde administratieve geldboete noch de opgelegde heffingsverhoging vermeerderen.

De beslissing van de ambtenaar wordt met redenen omkleed en aan de indiener van het bezwaarschrift ter kennis gegeven per aangetekend schrijven. De beslissing vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan worden opgekomen.

§3. Wanneer een aanslag nietig verklaard is door de in paragraaf 2 bedoelde ambtenaar omdat hij niet gevestigd is overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, kan de Vlaamse Milieumaatschappij, zelfs wanneer de termijnen bedoeld in artikel 4.2.4.5. reeds verstreken zijn, op naam van dezelfde heffingsplichtige, op grond van dezelfde heffingselementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van deze ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.


Art. 4.2.4.7.

De leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is tevens bevoegd om in bijzondere gevallen onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling te verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of een deel ervan.


Art. 4.2.4.8.

§1. In zoverre dit hoofdstuk en hoofdstuk III van titel V en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken, zijn de regels betreffende de vestiging, de invordering, de geschillen, de subsidiaire aanslag, de verwijl- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek en de verjaring inzake rijksinkomstenbelastingen, mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen, en de in hoofdstuk III van titel V bedoelde geldboeten en heffingsverhogingen.

§2. Een bezwaarschrift indienen of een vordering in rechte instellen, verhindert niet dat de aanslag en de eventueel volgens hoofdstuk III van titel V verschuldigde geldboete of heffingsverhoging worden ingevorderd als ze als een zekere en vaststaande schuld kunnen worden beschouwd onder de voorwaarden vermeld in artikel 410 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992.

Onverminderd de toepassing van artikel 414, §2, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 schort de indiening van een bezwaarschrift evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op.

§3. De wettelijke hypotheek kan gevestigd worden op al de in het Vlaamse Gewest gelegen en daarvoor vatbare goederen die toebehoren aan de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd.

De wettelijke hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.


Hoofdstuk III.
Saneringsbijdrage en saneringsvergoeding


Afdeling I.
Berekening van de bijdrage en vergoeding voor kleinverbruikers


Onderafdeling I.
Aanrekenen van een bijdrage voor het water dat geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk


Art. 4.3.1.1.1.

§1. In deze onderafdeling wordt verstaan onder abonnee: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., §1 en §3.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen een bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting aanrekenen aan hun abonnees.

§2. De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak worden als onderdeel van de integrale prijs voor het leveren van water via het openbare waterdistributienetwerk opgenomen in de waterfactuur.

De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak bestaan uit een vastrecht en een variabele prijs.

De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.

De bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.


Art. 4.3.1.1.2.

§1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder het tarief voor de berekening van de variabele prijs op basis van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen.

Het tarief is een prijs per vervuilingseenheid. Bij het bepalen van het bovengemeentelijke en gemeentelijke tarief wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen:
de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het “de vervuiler betaalt”- beginsel;
de collectieve respectievelijk individuele saneringskosten per m³ water;
een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
een aandeel voor de opgelegde vrijstellingen of sociale correcties en de openbare dienstverplichtingen;
de door de gemeente of het Vlaamse Gewest toegekende tegemoetkoming in de financiering;
het aandeel van de kosten, veroorzaakt door het lozen van water dat niet afkomstig is van een openbaar waterdistributienetwerk;
het aandeel van de inkomsten van het vastrecht voor de gemeentelijke of de bovengemeentelijke bijdrage.

§2. In het kader van het algemeen belang kan door het Vlaamse Gewest aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk een tussenkomst in de financiering van de bovengemeentelijke collectieve sanering toegekend worden in de vorm van een algemene werkingstoelage. De uitgekeerde werkingstoelage moet worden aangewend voor de invulling van de bovengemeentelijke saneringsverplichting. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van de algemene werkingstoelage aan de exploitanten.

§3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de economische toezichthouder, of de economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdrage die aan de abonnees wordt aangerekend.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen en regels vaststellen met betrekking tot de methode voor tariefbepaling en de tariefstructuur van de variabele prijs.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk stellen op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos alle gegevens en inlichtingen ter beschikking die de economische toezichthouder nodig heeft om zijn taken uit te voeren.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de informatie, vermeld in het derde lid, ter beschikking wordt gesteld.


Art. 4.3.1.1.3.

§1. Jaarlijks wordt een vastrecht aangerekend aan de abonnee.

Het bovengemeentelijke tarief van het vastrecht bedraagt 20 euro per wooneenheid, verminderd met 4 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

Het gemeentelijke tarief van het vastrecht voor de collectieve sanering bedraagt 30 euro per wooneenheid, verminderd met 6 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

Het gemeentelijke tarief van het vastrecht voor de individuele sanering bedraagt 50 euro per wooneenheid, verminderd met 10 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

In geval de watermeter water meet dat niet geleverd wordt ten behoeve van één of meerdere wooneenheden kan het vastrecht daarnaast per watermeter aangerekend worden.

Het bovengemeentelijk tarief van het vastrecht bedraagt 20 euro per watermeter. Het gemeentelijk tarief van het vastrecht bedraagt 30 euro per watermeter.


Art. 4.3.1.1.4.

§1. De variabele prijs wordt berekend op de volgende wijze:
B = Tkv × N en N = 0,025 × Q,
waarbij:
1° B = de variabele prijs, aangerekend aan de abonnee;
2° Tkv = het tarief om de variabele prijs te berekenen, uitgedrukt in euro per vervuilingseenheid;
3° N = de vervuiling;
4° Q = het te factureren waterverbruik, uitgedrukt in m³.

Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed één of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen. De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m³ per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m³ per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden.

De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant.

§2. Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de collectieve sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 1,4 keer hoger zijn.

Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,4 keer hoger zijn.

De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen.

De economische toezichthouder legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels.


Art. 4.3.1.1.5.

De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, §3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel art. 2.6.1.3.3.


Onderafdeling II.
Aanrekenen van een vergoeding voor water dat niet geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk


Art. 4.3.1.2.1.

§1. In dit artikel wordt verstaan onder gebruiker van een private waterwinning: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., §1 en §3.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning.

De vergoedingen in de kostprijs voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, bestaan op gemeentelijk vlak uit een vastrecht en een variabele prijs. Het vastrecht van de vergoeding mag niet aangerekend worden voor de gebruiker van een private waterwinning die ook abonnee is.

De vergoeding voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.

De vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.

De bepalingen van artikel 4.3.1.1.2, §3 en §4, artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het tweede lid.

§2. Als een vergoeding als vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald conform artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m³ water, opgenomen via de private waterwinning. Het water, opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikel 4.2.2.2.1, §2 en §3.

§3. De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, §3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3.

§4. Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:
1° is aangesloten op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie;
2° wordt aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis van het zoneringsplan, vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie.

Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de gemeentelijke collectieve saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren.

Voor inrichtingen die onder de toepassing van artikel 4.2.2.2.1 vallen en die uitsluitend beschikken over een vergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, is onderhavige paragraaf ook van toepassing.


Afdeling II.
Berekening van de bijdrage en vergoeding voor grootverbruikers


Art. 4.3.2.1.

§1. In dit artikel wordt verstaan onder abonnee en onder gebruiker van een private waterwinning: een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.2, artikel4.2.2.2.3., artikel 4.2.2.3.1, en artikel 4.2.2.5.1.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen een bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting aanrekenen aan hun abonnees en kunnen een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning.

De bijdrage en de vergoeding bestaan uit een variabele prijs.

§2. De bijdragen en de vergoeding op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak worden als onderdeel van de integrale prijs voor het leveren van water via het openbare waterdistributienetwerk opgenomen in de waterfactuur.

De bijdrage en vergoeding voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting respectievelijk de sanering.

De bijdrage en vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting respectievelijk de sanering.


Art. 4.3.2.2.

De bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding voor de kosten van de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, worden op bovengemeentelijk vlak berekend op basis van de heffingsgegevens over de abonnee of gebruiker van een private waterwinning die door de Vlaamse Milieumaatschappij aan exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk bezorgd worden.

De totale bijdrage en vergoeding met betrekking tot een lozingsjaar stemt overeen met het resultaat van de volgende berekeningsmethode:
B = Tgv x VE,
waarbij:
B = de som van de bijdrage respectievelijk de vergoeding, aangerekend aan de abonnee of titularis van een private waterwinning met betrekking tot het lozingsjaar;
VE = de vuilvracht, uitgedrukt in vervuilingseenheden, bepaald conform dit decreet met betrekking tot het lozingsjaar en zoals aangeleverd door de VMM aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
Tgv = het eenheidstarief van de heffing met betrekking tot het lozingsjaar voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, tweede lid.

De Vlaamse Regering kan daartoe de verdere modaliteiten bepalen. Deze modaliteiten hebben onder andere betrekking op de wijze waarop de aanrekening gebeurt, de mogelijke aanrekening van voorschotten, de verrekening van de voorschotten en de aanrekeningsbasis van de voorschotten.

De economische toezichthouder legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels.


Art. 4.3.2.3.

De bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, worden op gemeentelijk vlak als volgt berekend:
Bg = Tgvg × Q,
waarbij:
1° Bg = de bijdrage respectievelijk de vergoeding, aangerekend aan de abonnee of titularis van een private waterwinning;
2° Tgvg = het gemeentelijke tarief en is begrensd op 1,4 keer het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., §2, tweede lid, met betrekking tot het lozingsjaar en vermenigvuldigd met 0,025 VE per m3;
3° Q = in geval van:
a) de bijdrage: het te factureren of indien van toepassing, het geloosde waterverbruik, uitgedrukt in m³;
b) de vergoeding: het waterverbruik of indien van toepassing, het geloosde water uit een private waterwinning, bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, of artikel 4.2.2.5.2., uitgedrukt in m³.


Art. 4.3.2.4. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de economische toezichthouder, of de economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, die op gemeentelijk vlak worden aangerekend. De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen.

Art. 4.3.2.5.

De gemeentelijke tarieven van de bijdrage en vergoeding en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.2.4, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3.


Afdeling III.
Het sociale tarief en vrijstellingen om ecologische of economische redenen


Art. 4.3.3.1.

§1. Voor de abonnee respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 4.2.2.2.1, past de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voor de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage respectievelijk vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1 en artikel 4.3.1.1.2, respectievelijk 4.3.1.2.1, een sociaal tarief toe als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet:
1° het gewaarborgde inkomen voor bejaarden met toepassing van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen met toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het OCMW met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden met toepassing van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Het sociale tarief, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de abonnee en de gebruiker van een private waterwinning, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, met een gezinslid, gedomicilieerd op hetzelfde adres, dat op 1 januari van het kalenderjaar onder een van de categorieën, vermeld in het eerste lid, valt.

Voor de toepassing van het sociale tarief worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling, en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

§2. Het sociale tarief bedraagt een vijfde van het tarief voor zowel het vastrecht als de variabele prijs, vermeld in artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4.

Het sociale tarief wordt pro rata temporis toegekend op het verbruik van hetzelfde kalenderjaar en wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1.

§3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de gerechtigde, vermeld in paragraaf 1, automatisch het sociale tarief toe op grond van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij andere overheidsinstellingen die de rechten, vermeld in paragraaf 1, toekennen.

Als het sociale tarief niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt het sociale tarief alleen op schriftelijke aanvraag verleend. Bij die schriftelijke aanvraag van het sociale tarief moet een van de volgende documenten gevoegd worden:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1, het gewaarborgde inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het OCMW, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1, een door het OCMW toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

De schriftelijke aanvraag van het sociale tarief moet op straffe van verval van het recht op sociaal tarief uiterlijk op 31 december van hetzelfde kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, bij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk worden ingediend.


Art. 4.3.3.2. Als in een gebouw minstens één gezin is gedomicilieerd, waaraan de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., artikel 4.3.1.1.2 en artikel 4.3.1.2.1, niet rechtstreeks door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk wordt aangerekend, geldt in afwijking van artikel 4.3.3.1. dat de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk aan elk gezin dat gedomicilieerd is in dat gebouw, waarvan een gezinslid op 1 januari van het kalenderjaar tot een van de categorieën, vermeld in artikel 4.3.3.1, paragraaf 1, eerste lid, behoort, een compensatie verleent voor hun aandeel in de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding conform de voorwaarden en de regeling, vermeld in artikel 4.3.3.3.

Art. 4.3.3.3.

§1. Elke verbruiker die het sociale tarief, vermeld in artikel 4.3.3.1, paragraaf 1, niet kan genieten, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, artikel 4.3.1.1.2, artikel 4.3.1.2.1, artikel 4.3.2.1 en artikel 4.3.2.2, voor hetzelfde kalenderjaar als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet:
1° het gewaarborgde inkomen voor bejaarden met toepassing van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen met toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het OCMW met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden met toepassing van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

§2. De compensatie wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de verbruiker op 1 januari van hetzelfde kalenderjaar. Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend, die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.

Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

§3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de compensatiegerechtigde, vermeld in paragraaf 1, automatisch een compensatie toe op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten, vermeld in paragraaf 1, toekennen als de compensatiegerechtigde de nodige inlichtingen aan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bezorgt uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin die laatste de inlichtingen bij hem heeft opgevraagd.

§4. Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt de compensatie alleen op schriftelijke aanvraag verleend.

Bij die schriftelijke aanvraag van compensatie moet een van de volgende documenten gevoegd zijn:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, het gewaarborgde inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het OCMW, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, een door het OCMW toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

De schriftelijke aanvraag van compensatie moet op straffe van verval van het recht op compensatie uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, ingediend worden bij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk van het verzorgingsgebied waar het desbetreffende gebouw ligt.

§5. Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald:
C = A + M × 0,75 × Tkvc,
waarbij:
1° C = de compensatie;
2° A = het vastrecht, vermeld in artikel 4.3.1.1.3, voor zover van toepassing, vermenigvuldigd met 0,80;
3° M = het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het kalenderjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
4° Tkvc =
a) voor de klanten, vermeld in afdeling 1: het tarief Tkv, vermeld in artikel 4.3.1.1.4, §2, vermenigvuldigd met 0,80;
b) voor de klanten, vermeld in afdeling 2 : het tarief Tgv, vermeld in artikel 4.3.2.2, §3, verhoogd met het tarief Tgvg, vermeld in artikel 4.3.2.3, §4, en vermenigvuldigd met 0,80.

De verbruiker, vermeld in het eerste lid, heeft geen recht op de compensatie, vermeld in het eerste lid, als zijn verbruik aangerekend is of aangerekend kan worden tegen het sociale tarief conform artikel 4.3.3.1.


Art. 4.3.3.4.

§ 1. De abonnee, respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, die al het huishoudelijke afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, hetzij in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, hetzij gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een entiteit die de gemeente na publieke marktbevraging heeft aangesteld als vermeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, en die aan de voorwaarden, vermeld in het derde lid, voldoet, wordt door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk vrijgesteld van betaling van de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1 en 4.3.1.2.1 van dit decreet.

§ 2. Elke verbruiker die al het huishoudelijke afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd op de wijze, vermeld in paragraaf 1, en die de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, niet kan krijgen, heeft recht op een compensatie in zijn aandeel in de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, 4.3.1.2.1 en 4.3.2.1, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.3.3, en die berekend wordt met de formule C = A + M x 0,75 x Tkvc, waarbij:
1° C: de compensatie;
2° A: het vastrecht, vermeld in artikel 4.3.1.1.3 als dat van toepassing is;
3° M: het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het kalenderjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
4° Tkvc:
a) voor de klanten, vermeld in afdeling 1: het tarief Tkv, vermeld in artikel 4.3.1.1.4;
b) voor de klanten, vermeld in afdeling 2: het tarief Tgv, vermeld in artikel 4.3.2.2, verhoogd met het tarief Tgvg, vermeld in artikel 4.3.2.3.

De individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater moeten aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° als het gaat om een hinderlijk ingedeelde inrichting conform bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gemeld of vergund zijn conform de voorschriften, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2° gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, kan ook worden toegekend aan de abonnee of de gebruiker van een private waterwinning van wie de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden wordt volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.

De vrijstelling, respectievelijk de compensatie, geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die zijn aangelegd nadat de woongelegenheid al aangesloten kon worden op een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.

Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, of de gemeente of een gemeentelijke rioolbeheerder, instaat voor de bouw of exploitatie van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, kent de exploitant automatisch de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, toe als de installatie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.

§ 3. In alle overige gevallen dient de vrijstellingsgerechtigde respectievelijk de compensatiegerechtigde die de vrijstelling, respectievelijk de compensatie, vermeld in dit artikel wil krijgen, op straffe van verval van het recht op die vrijstelling of die compensatie, binnen twaalf maanden na de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk een schriftelijke aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt.

Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij de aanvraag, vermeld in het achtste lid, een afschrift gevoegd van de melding of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater. De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM. Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij zendt een kopie van de aanvraag en het attest of van de beslissing waarbij het attest wordt geweigerd aan de vrijstellingsgerechtigde of de compensatiegerechtigde.

Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk niet bevoegd is voor de beslissing over die aanvraag, worden de stukken onmiddellijk doorgestuurd naar de Vlaamse Milieumaatschappij.

Het attest, vermeld in het tweede lid, heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie tijdens die periode niet wordt uitgebaat conform een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of substantieel is gewijzigd.

De vrijstelling en de compensatie worden pro rata temporis toegekend op het verbruik vanaf de datum van ingebruikname van de waterzuiveringsinstallatie.

De vrijstelling en de compensatie zijn niet cumuleerbaar met het sociale tarief en de compensatie, vermeld in de artikelen 4.3.3.1 tot en met 4.3.3.3..

§4. Met betrekking tot de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage en de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, artikel 4.3.1.2.1, artikel 4.3.2.1 en artikel 4.3.2.2, kan de Vlaamse Regering een correctie bepalen, waarmee de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekening moet houden om economische of ecologische redenen.

Die correctie kan gaan van een vermindering tot een vrijstelling van de bijdrage van de abonnee of de vergoeding van de gebruiker van de private waterwinning. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor die correcties.

Tot de Vlaamse Regering gebruikmaakt van de bevoegdheden zoals vermeld in het eerste en het tweede lid worden voor het vaststellen van die correcties, de correcties overgenomen zoals vermeld in artikel 4.2.1.1.2 tot en met artikel 4.2.1.1.5, artikel 4.2.2.1.4 tot en met artikel 4.2.2.1.8, artikel 4.2.2.3.5 tot en met artikel 4.2.2.3.7 en artikel 4.2.2.4.1 tot en met artikel 4.2.2.4.3, met dien verstande dat de woorden "de heffing", "het heffingsbiljet", "het heffingsjaar" en "de heffingsplichtige" vervangen worden door respectievelijk de woorden "de bijdrage of vergoeding", "de waterfactuur", "het facturatiejaar", "de abonnee of gebruiker van een private waterwinning".


Art. 4.3.3.5.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 1° en 2° .

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen vergoeding als vermeld in artikel 4.3.1.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 3° .

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor het geloosde afvalwatervolume of het verbruikte water dat het voorwerp uitmaakt van een contract als vermeld in artikel 2.6.2.1., waarin de vergoeding vermeld wordt.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor de lozing van grondwater dat onttrokken wordt bij de bronbemalingen die technisch noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken, of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, vermeld in indelingsrubriek 53.2 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM.


Hoofdstuk IV.
Aanrekening van de kosten voor de productie en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie ? drinkwatercomponent


Art. 4.4.1.

§1. De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen de kosten die verbonden zijn aan de productie en levering van het verbruikte water, bestemd voor menselijke consumptie, doorrekenen aan de abonnees met een vastrecht en een variabele prijs.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekent het vastrecht aan per wooneenheid.

Het tarief van het vastrecht bedraagt 50 euro per wooneenheid per jaar, verminderd met 10 euro per gedomicilieerde per jaar. Het vastrecht kan niet negatief zijn.

In geval de watermeter water meet dat niet geleverd wordt ten behoeve van één of meerdere wooneenheden kan het vastrecht daarnaast per watermeter aangerekend worden.

Het tarief van het vastrecht bedraagt 50 euro per watermeter.

De exploitant kan daarnaast een capaciteitsvergoeding aanrekenen. De tarieven van deze capaciteitsvergoeding worden uitgedrukt in euro per watermeter per jaar.

De variabele prijs is afhankelijk van het waterverbruik van de abonnee.

§2. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen.

Deze bepaling is alleen van toepassing voor abonnees waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft met een waterverbruik via het openbare waterdistributienetwerk dat lager is dan 500 m³ per jaar.

Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed één of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen.

De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m³ per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m³ per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden.

De maximumtarieven, uitgedrukt in euro/m³, om de variabele prijs te bepalen, worden vastgelegd zoals bepaald in artikel 2.5.2.3.2.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de berekening en aanrekening van het vastrecht, de capaciteitsvergoeding, de variabele prijs, de tariefstructuur van de variabele prijs, het afwijken van de indeling van de klanten en de vaststelling van het aantal gedomicilieerden. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant.


Titel V.
Toezicht en handhaving


Hoofdstuk I.
Toezicht en handhaving met betrekking tot titel I


Art. 5.1.1.

Voor de artikelen 1.3.1.1, 1.3.2.2 tot en met 3.3.3.1, 1.7.3.3 en 1.7.5.4, van dit decreet en de uitvoeringsbesluiten bij deze artikelen gebeurt het toezicht op en de handhaving van milieu-inbreuken en milieumisdrijven, en het opleggen van veiligheidsmaatregelen volgens de regels bepaald in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


Hoofdstuk II.
Toezicht en handhaving met betrekking tot de waterketen


Afdeling I.
Toezicht


Art. 5.2.1.1.

§1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren toezicht op de toepassing van titel II, hoofdstukken 2 tot 5 en de uitvoeringsbesluiten.

§2. De in paragraaf 1 bedoelde toezichthoudende ambtenaren kunnen bij de uitoefening van hun ambt:
elk onderzoek instellen, elke controle uitoefenen en alle inlichtingen inwinnen die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht;
alle personen ondervragen over feiten die voor de uitoefening van het toezicht relevant zijn;
de bijstand van de federale politie vorderen;
De toezichthoudende ambtenaren hebben voor de uitoefening van hun ambt, te allen tijde, zonder voorafgaande verwittiging, toegang tot de inrichtingen.

De toezichthoudende ambtenaren dienen zich steeds te legitimeren.

§3. Binnen de bevoegdheden die hun overeenkomstig paragraaf 1 zijn toegewezen, kunnen de toezichthoudende ambtenaren mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen geven. Ze kunnen ook de termijn vastleggen waarbinnen de voorschriften moeten worden nagekomen.

Wanneer de toezichthoudende ambtenaren mondelinge raadgevingen, aanmaningen of bevelen hebben gegeven, dan dienen die binnen vijf werkdagen, bij ter post aangetekende brief, door hen te worden bevestigd.

§4. Zij stellen de inbreuken vermeld in paragraaf 1 vast door middel van processen-verbaal die bewijswaarde hebben tot het tegendeel bewezen is en die onmiddellijk worden bezorgd aan de procureur des Konings.

Een afschrift van het proces-verbaal wordt bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder binnen vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding.


Art. 5.2.1.2.

§1. Wanneer de toezichthoudende ambtenaren vaststellen dat de waterleverancier water bestemd voor menselijke consumptie levert dat niet voldoet aan de overeenkomstig artikel 2.2.1, §1, en zijn uitvoeringsbesluiten vastgestelde kwaliteitseisen of dat de waterleverancier de overeenkomstig artikel 2.2.1, §3, en zijn uitvoeringsbesluiten vastgestelde herstelmaatregelen en beperkingen van het gebruik niet neemt, kunnen de toezichthoudende ambtenaren, wanneer de waterleverancier weigert gevolg te geven aan de in artikel 5.2.1.1., §3, bedoelde raadgevingen, aanmaningen en bevelen:
mondeling en ter plaatse de stopzetting bevelen van de levering van water bestemd voor menselijke consumptie binnen de termijn die zij bepalen of;
de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren; de uitvoering van deze maatregelen geschiedt op kosten en risico van de in gebreke blijvende persoon.

§2. Als de toezichthoudende ambtenaren vaststellen dat de eigenaar of de abonnee een van de volgende handelingen stelt:
niet instemmen met of zich verzetten tegen de controles, vermeld in artikel 2.4.1, §1, met uitzondering van de controle van de watermeter;
niet instemmen met of zich verzetten tegen de inventarisatie-, controle- en onderhoudstaken, vermeld in artikel 2.4.1, §2;
niet instemmen met of zich verzetten tegen de keuring, vermeld in artikel 2.2.1, §2, 1° ;
de herstelmaatregelen aan het huishoudelijk leidingnet, vermeld in artikel 2.3.2, §2 tot en met §4 en artikel 2.3.4, niet uitvoeren;
weigeren om de door de Vlaamse Regering vastgestelde procedures voor de tegensprekelijke overname van de waterlevering of voor een vernieuwde indienststelling van de waterlevering, na te leven;
6° weigert om de door de Vlaamse Regering vastgestelde verplichting voor de bemetering van het waterverbruik na te komen;
dan kunnen de toezichthoudende ambtenaren – als de eigenaar of de abonnee weigert gevolg te geven aan de raadgevingen, aanmaningen en bevelen die overeenkomstig artikel 5.2.1.1., §3, zijn gegeven – de onderbreking bevelen van de levering van water, bestemd voor menselijke consumptie, binnen de termijn die ze bepalen, of kunnen ze de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren.

De uitvoering van die maatregelen geschiedt op kosten en op risico van de in gebreke blijvende persoon.

§3. Naast de in paragraaf 1 en 2 bedoelde gevallen, kunnen de toezichthoudende ambtenaren in geval van gevaar voor de volksgezondheid de stopzetting of de onderbreking bevelen van de levering van water bestemd voor menselijke consumptie.

§4. Indien binnen de gestelde termijn geen gevolg gegeven wordt aan de bevelen tot stopzetting of onderbreking, kunnen de toezichthoudende ambtenaren de nodige maatregelen ambtshalve uitvoeren of doen uitvoeren. De uitvoering van deze maatregelen geschiedt op kosten en risico van de in gebreke blijvende persoon.

De toezichthoudende ambtenaren vermelden bij de bevelen tot stopzetting of onderbreking van de levering van water, bestemd voor menselijke consumptie, de voorwaarden waaraan moet worden voldaan voor het heropstarten van de levering.

§5. De overtreder en de waterleverancier worden op de hoogte gebracht van de bevelen tot stopzetting of onderbreking van de levering, vermeld in dit artikel.

De overtreder wordt op de hoogte gebracht binnen vijf werkdagen, met een per post aangetekende brief.


Art. 5.2.1.3.

De waterleverancier, de eigenaar, de abonnee en de verbruiker kunnen beroep indienen bij de Vlaamse Regering tegen de in artikel 5.2.1.1., §3, bedoelde bevelen en de in artikel 5.2.1.2. bedoelde bevelen tot stopzetting of onderbreking van de levering.

Het beroep schorst de beslissingen niet.

Binnen een termijn van twee weken wordt over het beroep uitspraak gedaan.

De Vlaamse Regering regelt de modaliteiten en de termijnen van het beroep.


Art. 5.2.1.4.

De waterleverancier, de eigenaar of de abonnee die van mening is dat de stopzetting of onderbreking van de levering van water, bestemd voor menselijke consumptie, vermeld in artikel 5.2.1.2, niet meer terecht is omdat voldaan is aan de opgelegde voorwaarden voor het heropstarten van de levering, vermeld in artikel 5.2.1.2, §4, tweede lid, kan het heropstarten van de levering aanvragen bij de toezichthoudende ambtenaar die het initieel bevel tot stopzetting of onderbreking van de levering van water, bestemd voor menselijke consumptie, heeft gegeven.

In geval van de eigenaar of de abonnee kan de aanvraag alleen gebeuren nadat de procedures zijn doorlopen voor de aanvraag van een heraansluiting bij de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk, bepaald door de Vlaamse Regering.

De aanvraag, vermeld in het eerste lid, wordt gedaan met een gewone brief. De aanvraag moet worden gemotiveerd, waarbij wordt aangetoond dat aan de opgelegde voorwaarden wordt voldaan.

De toezichthoudende ambtenaar beslist over de aanvraag binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag.

De aanvrager en de waterleverancier worden met een aangetekende brief op de hoogte gebracht van de beslissing binnen een termijn van drie werkdagen.


Afdeling 2.
Straffen


Art. 5.2.2.1.

§ 1. De volgende personen worden gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar en met een geldboete van 100 euro tot 15.000 euro of met een van deze straffen alleen:
1° de waterleverancier die water bestemd voor menselijke consumptie levert dat niet voldoet aan de kwaliteitseisen, met name bij niet-naleving van artikel 2.2.1, §1, en zijn uitvoeringsbesluiten;
2° de waterleverancier die de vastgestelde herstelmaatregelen of beperkingen van het gebruik niet neemt, met name bij niet-naleving van artikel 2.2.1 , §3, eerste lid, en zijn uitvoeringsbesluiten;
de eigenaar of de abonnee die de herstelmaatregelen aan het huishoudelijk leidingnet niet uitvoert of die de informatieverplichting daaromtrent niet naleeft, met name bij niet-naleving van artikel 2.3.1, §2, tweede en derde lid, en zijn uitvoeringsbesluiten;
4° de abonnee of de verbruiker die de beperkingen die zijn vastgelegd ter uitvoering van artikel 2.2.1, § 3, tweede lid, niet respecteert.

§ 2. In afwijking van de straf, vermeld in paragraaf 1, 4°, kunnen gemeenten voor kleine vormen van openbare overlast ten gevolge van het niet naleven van de vastgelegde beperkingen van het gebruik die zijn vastgelegd ter uitvoering van artikel 2.2.1, § 3, tweede lid, van dit decreet, gemeentelijke sancties bepalen conform artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988.

Als de gemeente geen gemeentelijke sancties conform artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet van 24 juni 1988 heeft bepaald, worden die kleine vormen van openbare overlast in die gemeente bestraft met een geldboete van maximaal 43,75 euro.


Art. 5.2.2.2.

De volgende personen worden gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie maanden en met een geldboete van 100 euro tot 2000 euro of met een van deze straffen alleen:
1° degene die niet toestemt in of zich verzet tegen de bezoeken, de controles, de inspecties, het toezicht of de monsternemingen, verricht door de overeenkomstig artikel 5.2.1.1, §1, door de Vlaamse Regering aangewezen toezichthoudende ambtenaren die gemachtigd zijn om overtredingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten op te sporen en vast te stellen;
2° de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de titularis van de aansluiting of zijn afgevaardigde die de verplichtingen met betrekking tot de levering van een gratis hoeveelheid water bestemd voor menselijke consumptie niet naleeft, met name bij niet-naleving van artikel 2.2.2, §3, en zijn uitvoeringsbesluiten;
3° de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk die de verplichtingen met betrekking tot de aansluiting op het openbaar waterdistributienetwerk niet naleeft, met name bij niet-naleving van artikel 2.2.2, §1, en zijn uitvoeringsbesluiten;
4° de waterleverancier die de overeenkomstig artikel 2.5.1.1. en zijn uitvoeringsbesluiten opgelegde openbare dienstverplichtingen niet naleeft;
de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk die de overeenkomstig artikel 2.5.3.1 en zijn uitvoeringsbesluiten opgelegde verplichtingen met betrekking tot het waterverkoopreglement niet naleeft.


Art. 5.2.2.3.

De personeelsleden van de WaterRegulator die de overeenkomstig artikel 2.5.2.2.1, §3, opgelegde verplichtingen met betrekking tot het beroepsgeheim niet naleven, worden gestraft met de straffen, bepaald door artikel 458 van het Strafwetboek.


Art. 5.2.2.4.

In geval van herhaling binnen twee jaar na de jongste veroordeling, mogen de in artikelen 5.2.2.1 en 5.2.2.2. vermelde straffen worden verdubbeld.


Afdeling III.
Administratieve geldboetes


Art. 5.3.1.

§1. Voor iedere inbreuk op:
1° de overeenkomstig artikel 2.4.1, §1 en §4, en zijn uitvoeringsbesluiten opgelegde controleverplichtingen, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 750 euro;
2° de overeenkomstig artikel 2.2.1, §4, eerste lid, 2° en 3°, en tweede lid, en zijn uitvoeringsbesluiten opgelegde verplichtingen om de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering in te lichten en informatie te leveren, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 750 euro;
3° de overeenkomstig artikel 2.2.1, §4, eerste lid, 1°, en zijn uitvoeringsbesluiten opgelegde verplichtingen om de verbruikers in te lichten of van informatie te voorzien, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 375 euro;
4° de overeenkomstig artikel 2.2.2, §2, en zijn uitvoeringsbesluiten opgelegde verplichtingen om een watermeter te plaatsen, wordt een administratieve geldboete opgelegd van 125 euro per niet geplaatste watermeter.

§2. De administratieve geldboete wordt opgelegd door de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren.

§3. De overtreder wordt van het voornemen om een administratieve geldboete op te leggen in kennis gesteld bij ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst.

Deze kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete en ook de dag, de plaats en het uur waarop een hoorzitting wordt gehouden waar de overtreder zal worden gehoord.

§4. Na de hoorzitting nemen de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, andere dan die bedoeld in §2, de zaak onmiddellijk in beraad.

De beslissing wordt met redenen omkleed.

De ambtenaren delen de beslissing mee aan de overtreder binnen tien dagen na de hoorzitting, bij ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst.

§5. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de in §3, tweede lid, bedoelde hoorzitting en met betrekking tot de betaling van de administratieve geldboete.

Indien de overtreder in gebreke blijft bij het betalen van de administratieve geldboete, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd.

De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren aan die gelast zijn dwangbevelen te geven en uitvoerbaar te verklaren. Die dwangbevelen worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

§6. De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan.

De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.


Art. 5.3.2.

§1. De ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij, daarvoor aangewezen door het hoofd van het agentschap, kunnen een administratieve geldboete opleggen voor iedere inbreuk op de bepalingen van:
artikel 2.5.2.3.3, §2, aan de waterleveranciers die de gegevens of inlichtingen die opgevraagd worden in het kader van artikel 2.5.2.3.1 niet correct of tijdig aanleveren, na twee schriftelijke aanmaningen;
artikel 2.5.2.3.2 en zijn uitvoeringsbesluiten aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk.

Voor een eerste inbreuk wordt de administratieve boete bepaald op maximaal 0,01 % van het integrale facturatiebedrag exclusief btw van het jaar waarvoor de gegevens worden opgevraagd. Voor elke volgende overtreding in datzelfde jaar wordt het percentage van de administratieve geldboete verdubbeld.

§2. De administratieve geldboete wordt met een ter post aangetekende brief met bericht van ontvangst ter kennis gebracht van de betrokken waterleverancier binnen een termijn van één maand na de tweede schriftelijke aanmaning om gegevens of inlichtingen te verschaffen. Deze kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete.

§3. De waterleverancier kan tegen de administratieve geldboete beroep aantekenen bij de minister van Leefmilieu. Het gemotiveerd beroep dient schriftelijk en aangetekend te worden gericht aan de minister binnen een termijn van een maand na het verzenden van de administratieve geldboete.

§4. De minister doet uitspraak in verband met het beroep binnen een termijn van 6 maanden te rekenen vanaf de verzendingsdatum van de kennisgeving van de administratieve geldboete.

§5. Indien de overtreder in gebreke blijft bij het betalen van de administratieve geldboete, wordt de geldboete bij dwangbevel ingevorderd. De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren aan die gelast zijn dwangbevelen te geven en uitvoerbaar te verklaren. Die dwangbevelen worden betekend bij deurwaardersexploot met bevel tot betaling.

§6. De vordering tot voldoening van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, bepaald in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

§7. De Vlaamse Regering kan nadere modaliteiten vaststellen met betrekking tot het toepassen van de administratieve boete


Art. 5.3.3.

De administratieve geldboetes, vermeld in artikel 5.3.1. en 5.3.2., worden geïnd door de Vlaamse Milieumaatschappij en betaald op de ontvangstenrekening van de Vlaamse Milieumaatschappij.

De opbrengst van de administratieve geldboetes wordt aangewend voor initiatieven ter voorkoming van inbreuken op het decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

Hoofdstuk III.
Toezicht en handhaving met betrekking tot het watersysteem


Hoofdstuk IV.
Toezicht en handhaving met betrekking tot de financiële instrumenten ter regulering en financiering van het integraal waterbeleid


Afdeling 1.
Toezicht


Art. 5.4.1.1.

Voor hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan geldt het volgende:
1° onverminderd de bevoegdheden van andere toezichthoudende ambtenaren die zijn aangewezen krachtens andere regelgeving, oefenen de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor de controle of het onderzoek, vermeld in artikel 5.4.1.2. van deze wet, voor de toepassing van de heffing, hun toezichtsopdrachten uit volgens de regels, vermeld in dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de bepalingen van titel XVI, hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn niet van toepassing op de overtredingen van hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan. Die overtredingen worden bestraft conform artikel 5.4.2.1 tot 5.4.2.2.


Art. 5.4.1.2.

§1. De ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, zijn voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

De Vlaamse Milieumaatschappij is eveneens bevoegd voor de controle op de bepalingen opgenomen in artikel 4.2.3.2 betreffende de debietsmeting en registratie. De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

§2. Ze zijn van rechtswege gemachtigd om zowel bij de heffingsplichtige als bij derden:
1° alle inlichtingen in te winnen, op te zoeken en in te zamelen die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige; de heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde inlichtingen beschikt, is verplicht deze inlichtingen te verstrekken op ieder verzoek van deze ambtenaren;
2° alle boeken, stukken en registers op te vragen die kunnen leiden tot de juiste heffing van de heffingsplichtige; de heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde boeken, stukken of registers beschikt is verplicht deze voor te leggen op ieder verzoek van deze ambtenaren.

De ambtenaren kunnen de boeken, stukken en registers vermeld in het eerste lid meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

Heffingsplichtigen zijn gehouden om aan de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1 tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot hun bedrijfslokalen, zoals fabrieken, werkhuizen en magazijnen, bergplaatsen, garages en grondwaterwinningen alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen en ruimtes, om aan die ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen inlichtingen en bescheiden te verzamelen en vaststellingen te doen die kunnen leiden tot een juiste heffing.

§3. Elke inlichting, elk stuk, proces-verbaal of akte, ontdekt of verkregen door de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar in het uitoefenen van zijn functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en griffies van de hoven en rechtbanken, de administraties van de Gemeenschappen en Gewesten, de provincies en de gemeenten, alsmede de organismen en de openbare instellingen, kan door het Vlaamse Gewest worden ingeroepen voor het opsporen van elke ingevolge hoofdstuk II van titel IV verschuldigde heffing.

§ 4. De aangiften die de heffingsplichtigen hebben ingediend, vermeld in artikel 4.2.4.1, en de documenten en bewijsstukken die daarbij worden gevoegd, die de ambtenaren, bevoegd voor de vestiging van de heffingen, fotografisch, optisch, elektronisch of met een andere informatica- of telegeleidingstechniek registreren, bewaren of weergeven, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan.

§ 5. Onverminderd de toepassing van paragraaf 4 hebben de gegevens en de documenten die de ambtenaren, bevoegd voor de vestiging, inning of invordering van de heffingen, hebben ontvangen, opgesteld of verzonden in het kader van de toepassing van hoofdstuk II van titel IV, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en die ze fotografisch, optisch, elektronisch of met een andere informatica- of telegeleidingstechniek registreren, bewaren of weergeven, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, bewijskracht.


Art. 5.4.1.3.

Overtredingen van de bepalingen van hoofdstuk II van titel IV of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de heffing, heffingsverhoging of van een administratieve boete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de ambtenaren van de Maatschappij bewezen worden volgens alle gemeenrechtelijk toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

De vaststellingsverslagen opgesteld door de ambtenaren van de Maatschappij leveren het bewijs op van de gedane vaststellingen zolang het tegendeel niet is bewezen.


Afdeling 2.
Sancties


Art. 5.4.2.1.

§1. Bij niet-aangifte of bij niet tijdige aangifte, of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, bedoeld in artikel 4.2.4.1., wordt de heffing vermeerderd met een heffingsverhoging.

Deze heffingsverhoging wordt procentueel berekend op het verschil tussen de heffing zoals berekend op basis van de elementen van de aangifte en de door de Vlaamse Milieumaatschappij of rechtbank aangehouden heffing.

Bij ontstentenis van aangifte wordt de heffingsverhoging procentueel berekend op de door de Vlaamse Milieumaatschappij of rechtbank aangehouden heffing.

De ambtenaren die bevoegd zijn voor heffingsverhogingen worden aangewezen door het afdelingshoofd van de afdeling van de Maatschappij die bevoegd is voor de heffingen of, voor wat de heffingen grondwater betreft, de door hem gedelegeerde ambtenaar.

§2. Het percentage van de heffingsverhoging bij niet-aangifte of bij niet tijdige aangifte, bedoeld in paragraaf 1, wordt als volgt vastgelegd:
1° als de niet-aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de aangifte niet binnen de termijn wordt ingediend, maar de heffingsplichtige wel tijdig antwoordt op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 10 %;
3° als de heffingsplichtige niet of niet tijdig antwoordt op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 50 %;
4° als de heffingsplichtige die niet valt onder de toepassing van artikel 4.2.4.1. ambtshalve wordt belast overeenkomstig artikel 4.2.2.2.3., geen verhoging.

§3. Het percentage van de heffingsverhoging bij onvolledige of onjuiste aangifte, vermeld in paragraaf 1, wordt als volgt bepaald:
1° als de onvolledige of onjuiste aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de heffingsplichtige tijdig reageert op het bericht van rechtzetting: verhoging van 10 % op het gedeelte bepaald in paragraaf 1;
3° als de heffingsplichtige niet of niet tijdig reageert op het bericht van rechtzetting: verhoging van 50 % op het gedeelte bepaald in paragraaf 1;
4° als uit de reactie van de heffingsplichtige blijkt dat de in de aangifte of melding opgegeven gegevens juist zijn: geen verhoging.


Art. 5.4.2.2.

De ambtenaren van de Maatschappij, bedoeld in artikel 5.4.1.2.,§1, kunnen een geldboete van 50 tot 1250 euro opleggen voor elke overtreding van hoofdstuk II van titel IV evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.


Bijlage 1. Inhoud van de stroomgebiedbeheerplannen

Bijlage 1. - Inhoud van de stroomgebiedbeheerplannen

1. Gegevens met betrekking tot de analyses en beoordelingen :


1.1. overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §1, 1°, een algemene beschrijving van de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict :
1° voor oppervlaktewateren :
a) kaarten met de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen;
b) kaarten van de typen oppervlaktewaterlichamen in het stroomgebied;
c) aanduiding op kaart van de overeenkomstig artikel 1.7.2.3.1, als kunstmatig of sterk veranderd aangeduide oppervlaktewaterlichamen en de opgave van de redenen voor het aanmerken van de desbetreffende oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd;
d) bepaling van de referentieomstandigheden voor de typen oppervlaktewaterlichamen;
e) een beschrijving van de aanpak en de methoden die zijn toegepast om de mengzones af te bakenen;
f) een beschrijving van de maatregelen die zijn genomen met het oog op het verkleinen van de omvang van de mengzones in de toekomst;
2° voor grondwater : kaarten met de ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen;


1.2. overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §1, 2°, een overzicht van de betekenisvolle belastingen en effecten van menselijke activiteiten op de toestand van oppervlaktewater en grondwater, met inbegrip van :
1° een raming van de verontreiniging door puntbronnen;
2° een raming van de verontreiniging door diffuse bronnen, met inbegrip van een overzicht van het bodemgebruik;
3° een raming van de effecten op de kwantitatieve toestand van het water, met inbegrip van onttrekkingen;
4° een analyse of beoordeling van de andere effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater;
5° een analyse van langetermijntendensen met betrekking tot de concentraties van prioritaire stoffen die de tendens hebben te accumuleren in sediment of biota met bijzondere aandacht voor de stoffen antraceen, gebromeerde difenylethers, cadmium en cadmiumverbindingen, C1013-chlooralkanen, di(2ethylhexyl) ftalaat, fluorantheen, hexachloorbenzeen, hexachloorbutadieen, hexachloorcyclohexaan, lood en loodverbindingen, kwik en kwikverbindingen, pentachloorbenzeen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, tributyltinverbindingen, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM en de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxine-achtige verbindingen, hexabroomcyclododecaan en heptachloor en heptachloorepoxide, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM, op basis van de programma's voor de monitoring van de watertoestand;
6° een inventaris, met inbegrip van kaarten als die beschikbaar zijn, van de emissies, lozingen en verliezen van prioritaire stoffen en door de Vlaamse Regering aan te wijzen verontreinigende stoffen, waar passend, met inbegrip van dc concentraties ervan in sedimenten en biota. In de inventaris wordt ook opgenomen welke referentieperiodes gebruikt werden voor de gemaakte schattingen;


1.3. een samenvatting van de overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §1, 3°, uitgevoerde economische analyse van het watergebruik;

1.4. de conclusies van de overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §2, voorlopige overstromingsrisicobeoordeling worden opgesteld in de vorm van een summiere kaart van het stroomgebiedsdistrict, waarop de gebieden zijn afgebakend waarvoor werd geconcludeerd dat er een potentieel significant overstromingsrisico bestaat;

1.5. de overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §3 en §4, opgemaakte en al geldende overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten, en de conclusies uit die kaarten;

2. Gegevens met betrekking tot de beschermde gebieden :

2.1. vermelding en kaarten van de beschermde gebieden, vermeld in artikel 1.7.6.1, waarvan een register moet worden opgemaakt.

3. Gegevens met betrekking tot de programma's voor de monitoring :


3.1. een kaart van de overeenkomstig artikel 1.7.5.1 gevormde monitoringnetwerken, en een presentatie in kaartvorm van de resultaten van de overeenkomstig artikel 1.7.5.1 uitgevoerde programma's voor de monitoring voor de toestand van :
1° oppervlaktewater : ecologische, chemische en kwantitatieve toestand;
2° grondwater : chemische en kwantitatieve toestand;
3° de beschermde gebieden, vermeld in artikel 1.7.6.1.


3.2. aanvullende kaarten waarop de informatie over de chemische toestand van het oppervlaktewater van een of meer van de volgende stoffen afzonderlijk van informatie van de stoffen vermeld in artikel 3 of vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM, wordt weergegeven:
a) de stoffen gebromeerde difenylethers, kwik en kwikverbindingen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen, tributyltinverbindingen, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, hexabroomcyclododecaan en heptachloor en hepta-chloorepoxide die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT's;
b) de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, (waarvoor vanaf 22 december 2018 nieuwe normen van kracht zijn) ;
c) de stoffen antraceen, gebromeerde difenylethers, fluorantheen, lood en loodverbindingen, naftaleen, nikkel en nikkelverbindingen en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, (waarvoor vanaf 22 december 2015 herziene, strengere MKN zijn vastgesteld) ;


3.3. de rechtvaardiging voor de toegepaste meetfrequentie, vermeld in artikel 1quinquies, §2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2013 tot vaststelling van het geactualiseerde monitoringprogramma van de watertoestand ter uitvoering van artikel 1.7.5.1 en 1.7.5.3 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, als de monitoringsintervallen meer dan een jaar bedragen.

4. Gegevens met betrekking tot de milieudoelstellingen.


4.1. een lijst van de overeenkomstig artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1 vastgestelde milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, grondwater en de beschermde gebieden, vermeld in artikel 1.7.6.1. Voor de prioritaire stoffen waarvoor een milieukwaliteitsnorm voor een andere matrix dan biota toegepast wordt, of wanneer relevant, voor een andere biotataxon als vermeld in artikel 4 van bijlage 2.3.1 bij titel II van VLAREM:
1° de redenen en de basis voor het gebruik van die mogelijkheid;
2° waar relevant, de vastgestelde alternatieve milieukwaliteitsnormen, het bewijs dat die milieukwaliteitsnormen een even hoog beschermingsniveau bieden als de milieukwaliteitsnormen, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 bij titel II van VLAREM, met inbegrip van de gegevens en de methode waarmee de milieukwaliteitsnormen zijn afgeleid en de categorieën van oppervlaktewateren waarvoor die milieukwaliteitsnormen zouden gelden;
3° ter vergelijking met de informatie, vermeld in punt 4°, de bepalingsgrenzen van de analysemethoden voor de matrices, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 bij titel II van VLAREM, met inbegrip van informatie over de prestaties van die methoden ten aanzien van de minimale prestatiekenmerken, vermeld in artikel 1quater van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2013 tot vaststelling van het geactualiseerde monitoringprogramma van de watertoestand ter uitvoering van artikel 67 en 69 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;
4° een tabel waarin de bepalingsgrenzen en informatie over de prestaties van de toegepaste analysemethode worden weergegeven ten aanzien van de minimale prestatiekenmerken, vermeld in artikel 1quater van het besluit van de Vlaamse Regering van 26 april 2013 tot vaststelling van het geactualiseerde monitoringprogramma van de watertoestand ter uitvoering van artikel 1.7.5.1 en 1.7.5.3 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid.;

4.2. de aanduiding van de gevallen waarin overeenkomstig de gevallen, vermeld in artikel 1.7.2.5.1 tot en met 1.7.2.5.6, moest worden afgeweken van de milieudoelstellingen, met inbegrip van de redenen daarvoor, de vereiste maatregelen en de in verband daarmee vereiste informatie, in het bijzonder :
1° in het geval, vermeld in artikel 1.7.2.5.1, een overzicht van :
a) de maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen vóór het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen;
b) de redenen voor de betekenisvolle vertraging bij de uitvoering van die maatregelen;
c) het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen;
2° in het geval, vermeld in artikel 1.7.2.5.2, een aanduiding van de redenen voor het vaststellen van minder strenge milieudoelstellingen;
3° in het geval, vermeld in artikel 1.7.2.5.3 :
a) de voorwaarden waaronder uitzonderlijke of redelijkerwijs niet te voorspellen omstandigheden mogen worden aangevoerd, met inbegrip van de vaststelling van passende indicatoren daarvoor;
b) de maatregelen, vernield in artikel 1.7.2.5.3, tweede lid, 1° ;
4° in het geval, vermeld in artikel 1.7.2.5.4 een aanduiding van de redenen voor die veranderingen of wijzigingen;

4.3. een lijst en beschrijving van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen in de gebieden, vermeld in artikel 1.7.3.1, §2.

5. Afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones :


5.1. gegevens met betrekking tot de afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones;

5.2. de aanduiding op een kaart van de afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones.

6. Beleidsdoelstellingen :


6.1. de integratie van alle beleidsvoornemens van de betrokken waterbeheerders voor alle aspecten van het waterbeleid binnen het desbetreffende stroomgebied;

6.2. gegevens met betrekking tot overstromingsrisico's :
6.2.1. gegevens van de voorlopige overstromingsrisicobeoordeling, namelijk :
a) kaarten van het stroomgebiedsdistrict met een geschikte schaal, waarop de grenzen van de stroomgebieden, de deelstroomgebieden en de kustgebieden worden aangegeven, alsmede de topografie en het grondgebruik;
b) een beschrijving van de overstromingen die zich in het verleden hebben voorgedaan en die significante negatieve effecten hebben gehad op de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid en ten aanzien waarvan nog steeds de kans bestaat dat zich in de toekomst soortgelijke overstromingen voordoen, inclusief de omvang van de overstroming en de waterafvoerroutes, en een beoordeling van de negatieve effecten die ze hebben meegebracht;
c) een beschrijving van belangrijke overstromingen die zich in het verleden hebben voorgedaan en waarvoor geldt dat soortgelijke overstromingen in de toekomst aanzienlijke negatieve effecten kunnen hebben;
d) een beoordeling van de mogelijke negatieve gevolgen van toekomstige overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid, rekening houdend, voor zover mogelijk, met kwesties als de topografie, de ligging van waterlopen en hun algemene hydrologische en geomorfologische kenmerken, met inbegrip van de rol van uiterwaarden die het water op natuurlijke wijze vasthouden, de doeltreffendheid van bestaande door de mens aangelegde werken ter bescherming tegen overstromingen, de locatie van bevolkte gebieden, gebieden met economische bedrijvigheid en ontwikkelingen op lange termijn, waaronder de effecten van klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen, of de beslissing om geen voorlopige overstromingsrisicobeoordeling uit te voeren;
6.2.2. een beschrijving van de door de betrokken lidstaten vastgestelde methodologie voor de kosten-batenanalyse die wordt gebruikt bij de beoordeling van maatregelen met grensoverschrijdende gevolgen, als die beschikbaar is voor gedeelde stroomgebieden of deelstroomgebieden.

7. Gegevens met betrekking tot de maatregelenprogramma's :


7.1. een samenvatting van de overeenkomstig artikel 1.7.4.1 en bijlage 2 vastgestelde maatregelenprogramma's, met inbegrip van de wijze waarop de overeenkomstig artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1 vastgestelde doelstellingen moeten worden bereikt;

7.2. de prioriteit die de maatregelen voor overstromingsrisicobeheer hebben met het oog op de verwezenlijking van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen en de wijze waarop de vorderingen bij de uitvoering van het plan zullen worden gevolgd.

8. Herzieningen van het stroomgebiedbeheerplan :


8.1. een samenvatting van alle veranderingen of actualiseringen sinds de publicatie van het vorige stroomgebiedbeheerplan, met inbegrip van een samenvatting van de toetsingen overeenkomstig artikel 1.7.3.2, §2 en §3;

8.2. een beoordeling van de vooruitgang die is geboekt bij het bereiken van de milieudoelstellingen, met een presentatie in kaartvorm van de monitoringresultaten voor de vorige planperiode, en een verklaring voor de milieudoelstellingen die niet zijn bereikt;

8.3. een samenvatting van en een verklaring voor eventuele maatregelen in het vroegere stroomgebiedbeheerplan die niet zijn uitgevoerd;

8.4. een samenvatting van alle aanvullende tussentijdse maatregelen die in het overeenkomstig artikel 1.7.4.1 opgestelde maatregelenprogramma zijn vastgesteld sedert de publicatie van het vorige stroomgebiedbeheerplan;

8.5. in de gevallen, vermeld in artikel 1.7.2.5.1 tot 1.7.2.5.6, wordt bovendien de volgende informatie opgenomen in de herziening van het stroomgebiedbeheerplan :
1° een samenvatting van de herzieningen van de gevallen waarin overeenkomstig artikel 1.7.2.5.1 tot en met 1.7.2.5.6 van de milieudoelstellingen is afgeweken;
2° een evaluatie van de uitvoering van de maatregelen;
3° een overzicht van eventuele extra maatregelen;
4° in de gevallen, vermeld in artikel 1.7.2.5.1, bovendien de redenen voor de betekenisvolle vertraging en het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van de maatregelen;
5° in de gevallen, vermeld in artikel 1.7.2.5.3, bovendien een overzicht van de effecten van de in omstandigheden, vermeld in artikel 1.7.2.5.3, en van de maatregelen, vermeld in artikel 1.7.2.5.3, tweede lid, 1° .

9. Overige gegevens :


9.1. een register van andere meer gedetailleerde plannen en programma's die betrekking hebben op sectoren, aangelegenheden of watertypen, alsmede een samenvatting daarvan;

9.2. een samenvatting van de overeenkomstig artikel 1.6.2.5 genomen maatregelen inzake voorlichting en raadpleging van het publiek, de resultaten daarvan, alsmede de planwijzigingen die daarvan het gevolg zijn;

9.3. een lijst van de autoriteiten die bevoegd zijn voor de toepassing van de bepalingen van de richtlijn binnen ieder stroomgebiedsdistrict;

9.4. de contactpunten en procedures om de achtergrondinformatie en de informatie, vermeld in artikel 1.6.2.5, §1, en de overeenkomstig artikel 1.7.5.2 verzamelde monitoringgegevens, te verkrijgen.

10. Opmaak of wijziging van ruimtelijke uitvoeringsplannen en plannen van aanleg. In het geval, vermeld in artikel 1.6.2.4, §3, worden de volgende elementen aangegeven in het stroomgebiedbeheerplan :
1° de aanduiding van de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg die moeten worden opgemaakt of gewijzigd;
2° de aanduiding van de elementen die in de op te maken of te wijzigen plannen moeten worden opgenomen;
3° een indicatieve raming van de eventuele planschade die daaruit voortvloeit.

11. Niet-technische samenvatting : een goed onderscheiden, voor een breed publiek bedoelde samenvatting van de krachtlijnen van het stroomgebiedbeheerplan


Bijlage 2. Inhoud van de maatregelenprogramma?s

Bijlage 2. Inhoud van de maatregelenprogramma’s

1. Maatregelen voor de toepassing van communautaire wetgeving:
de maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van de communautaire wetgeving voor de waterbescherming en andere communautaire wetgeving. De in het kader van andere communautaire wetgeving genomen overstromingsgerelateerde maatregelen;

2. Maatregelen voor de realisatie van het kostenterugwinningsbeginsel en het vervuiler-betaalt-beginsel:

2.1. de overeenkomstig artikel 1.7.2.6.1 genomen maatregelen die nodig zijn voor de realisatie van het in artikel 1.2.3, 5° en 6°, bedoelde vervuiler-betaalt-beginsel en kostenterugwinningsbeginsel, met inbegrip van:
1° de in artikel 1.7.3.1, 3°, b) , bedoelde beoordeling over de meest kosteneffectieve combinatie op het gebied van watergebruik, gebaseerd op ramingen van de potentiële kosten van dergelijke maatregelen;
2° de redenen voor het niet onverkort toepassen van de maatregelen;
3° het aandeel van de verschillende vormen van watergebruik in de terugwinning van kosten voor waterdiensten.

3. Maatregelen met betrekking tot duurzaam watergebruik:

3.1. maatregelen om duurzaam watergebruik te bevorderen om de overeenkomstig artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1 vastgestelde milieudoelstellingen te bereiken.

4. Maatregelen met betrekking tot de in artikel 1.7.6.1 bedoelde beschermde gebieden en met betrekking tot de waterrijke gebieden:

4.1. maatregelen om aan de bij decreet of besluit vastgestelde voorschriften met betrekking tot voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie gebruikt water te voldoen, met inbegrip van maatregelen om de waterkwaliteit veilig te stellen om het niveau van zuivering dat voor de productie van water bestemd voor menselijke consumptie vereist is, te verlagen;

4.2. maatregelen inzake waterrijke gebieden.

5. Maatregelen met betrekking tot kwantiteit:

5.1. beheersingsmaatregelen voor de onttrekking van zoet oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van zoet oppervlaktewater, met inbegrip van:
1° een register of registers van wateronttrekkingen;
2° de vermelding van de gevallen waarin vrijstelling is verleend van de beheersingsmaatregelen;

5.2. beheersingsmaatregelen voor de aanvulling van grondwaterlichamen.

6. Maatregelen met betrekking tot het beheer van overstromingsrisico's

6.1. maatregelen om de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen te verwezenlijken;

6.2. deze maatregelen houden rekening met :
1° de doelstellingen en beginselen overeenkomstig artikel 1.2.2, 1.2.3 en 1.2.4, en de milieudoelstellingen overeenkomstig artikel 1.7.2.1.1;
2° de kenmerken van het stroomgebied of bekken in kwestie;
3° bodem- en waterbeheer;
4° ruimtelijke ordening;
5° grondgebruik;
6° natuurbehoud;
7° scheepvaart en haveninfrastructuur.

7. Maatregelen met betrekking tot verontreiniging:

7.1. maatregelen ter voorkoming of vermindering van verontreiniging door puntbronnen;

7.2. maatregelen ter voorkoming of vermindering van verontreiniging door diffuse bronnen;

7.3. maatregelen voor het progressief voorkomen of verminderen van de verontreiniging van oppervlaktewateren door prioritaire stoffen en van verontreiniging door andere stoffen, die het bereiken van de overeenkomstig artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1 vastgestelde milieudoelstellingen kunnen verhinderen, met inbegrip van de maatregelen die erop gericht zijn dat de concentraties van prioritaire stoffen niet significant toenemen in sediment en/of de biota in kwestie;

7.4. maatregelen om elke betekenisvolle en aanhoudende stijging van de concentratie van verontreinigende stoffen in grondwater ten gevolge van menselijke activiteiten om te buigen, om de grondwaterverontreiniging te verminderen;

7.5. maatregelen ter voorkoming van verontreiniging uit technische installaties en ter voorkoming of beperking van de gevolgen van incidentele verontreiniging.

8. Maatregelen voor andere schadelijke effecten:

8.1. maatregelen voor andere schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater die overeenkomstig de in artikel 1.7.3.1 uitgevoerde analyses en beoordelingen worden vastgesteld, in het bijzonder maatregelen om ervoor te zorgen dat de hydromorfologische toestand verenigbaar is met het bereiken van de vereiste ecologische toestand of het goed ecologisch potentieel.

9. Andere maatregelen om de milieudoelstellingen te bereiken:

9.1. alle andere maatregelen die nodig zijn om de overeenkomstig artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1 door de Vlaamse regering vastgestelde milieudoelstellingen te bereiken, met inbegrip van:
1° de maatregelen die overeenkomstig artikel 1.7.2.5.6 moeten worden genomen in geval de milieudoelstellingen vermoedelijk niet worden bereikt;
2° de maatregelen die moeten worden genomen in geval van de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 1.7.2.5.6 bedoelde gevallen, in het bijzonder:
a) in het geval van artikel 1.7.2.5.1:
- de maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen voor het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen;
- de redenen voor de betekenisvolle vertraging bij de uitvoering van deze maatregelen;
- het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van deze maatregelen;
b) in het geval van artikel 1.7.2.5.3: de in artikel 1.7.2.5.3, tweede lid, 1°, bedoelde maatregelen.


Bijlage 3. Inhoud van de bekkenspecifieke en grondwatersysteemspecifieke delen van het stroomgebiedbeheerplan

Bijlage 3. Inhoud van de bekkenspecifieke en grondwatersysteemspecifieke delen van het stroomgebiedbeheerplan

1. Algemene gegevens :
omvat minstens een situering van het bekken/grondwatersysteem binnen het stroomgebied, een algemene beschrijving van de kenmerken van het bekken en een beschrijving van het planproces voor het bekkenspecifiek/grondwatersysteemspecifiek deel.

2. Analyses en beoordelingen :
omvat minstens gegevens over analyses, beschermde gebieden en monitoring.

3. Visie :
omvat minstens :
- informatie over milieudoelstellingen binnen het bekken/grondwatersysteem en de gemotiveerde afwijkingen daarbij,
- een gebiedsgerichte visie op het waterbeheer in het bekken/grondwatersysteem inclusief het langetermijnstreefbeeld;
- de integratie van alle beleidsvoornemens van de betrokken waterbeheerders met betrekking tot alle aspecten van het waterbeleid binnen het desbetreffende bekken/grondwatersysteem;
- de afbakening van de overstromingsgebieden en van de oeverzones binnen het bekken en de motivering daartoe.

4. Actieprogramma :
omvat informatie over het actiepakket dat zal worden uitgevoerd om de doelstellingen op niveau van het bekken/grondwatersysteem te realiseren, per maatregel en per maatregelengroep, met inbegrip van de raming van de middelen.
Dit bevat onder meer :
- een overzicht van de vereiste infrastructuur- en inrichtingswerken, de daarmee gepaard gaande beheerswerken;
- de maatregelen voor het beheren van overstromingsrisico's;
- de aanduiding van de met de uitvoering ervan belaste diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, of de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest zijn belast met taken van openbaar nut.
De acties op deelbekkenniveau worden geïntegreerd op bekkenniveau.

5. Conclusies :
omvat minstens informatie over het herzien van de afwijkingen per oppervlaktewaterlichaam binnen het bekken en per grondwaterlichaam binnen het grondwatersysteem, en een algemene conclusie.

6. Niet- technische samenvatting :
is een goed onderscheiden, voor een breed publiek bedoelde samenvatting van de krachtlijnen van het bekkenspecifiek/grondwatersysteemspecifiek deel.


Bijlage 4. Inhoud van het wateruitvoeringsprogramma

Bijlage 4. Inhoud van het wateruitvoeringsprogramma

Een wateruitvoeringsprogramma is ten minste samengesteld uit :
1. een geïntegreerd voortgangsverslag van de stand van de uitvoering van het maatregelenprogramma;
2. een uitvoeringsplan voor het komende jaar en de komende jaren;
3. een weergave van de status van de acties;
4. in voorkomend geval een bijsturing van de acties;
5. in voorkomend geval een overzicht van de acties die stopgezet worden, inclusief de motivatie daarvoor;
6. in voorkomend geval een overzicht van bijkomende acties die passen binnen de visie en de maatregelen van het maatregelenprogramma;
7. in voorkomend geval een overzicht van de opmaak van RUP's, gekoppeld aan gewijzigde/bijkomende acties;
8. in voorkomend geval tussentijdse afbakeningen van overstromingsgebieden en oeverzones.


Bijlage 5. Tabel omzettingscoëfficiënten heffing waterverontreiniging

Bijlage 5. Tabel omzettingscoëfficiënten heffing waterverontreiniging

Nr.

Aard activiteit

Grondslag waarop de omzettingscoëfficiënt C1 betrekking heeft

C1

C2

C3

Cv

Cx

1

Aardappelmeelfabrieken

1 000 kg aardappelen

1,44

0,001

0,009

0

0,622

2

Aardappelverwerking met bakproces

1 000 kg aardappelen

0,87

0,001

0,009

0

0,622

3

Aardewerk, asbestcement-, glas-, kalksteen-, asbest-, cement-, baksteen-, en betonfabriek

1 m3 gebruikt water

0,007

0,005

0,009

0

0,021

4

Autorevisiewerkplaatsen, werkplaatsen voor tram en spoor, garages, spuiterijen en transportbedrijven

1 m3 gebruikt water

0,05

0,023

0,009

0

0,082

5.a
5.b

a) Bierbrouwerijen
b) idem bij terughouden van hop en bostel

1 000 kg bier
1 000 kg bier

1,33
0,34

0,001
0,001

0,009
0,009

0
-0,009

0,127
0,074

6

Niet elders genoemde voedingsmiddelen

1 m3 gebruikt water

0,038

0,001

0,009

-0,006

0,048

7

Cacao-, chocolade-, suikerwerk- en honingfabrieken

1 m3 gebruikt water

0,130

0,006

0,01

-0,011

0,137

8.a
8.b

Chemische industrieën :
a) minerale scheikunde en transformatie activiteiten
b) organische scheikunde

1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruikt water

0,300
0,600

0,010
0,002

0,012
0,010

0,005
0

0,327
0,612

9

Destilleerderijen

1 m3 gebruikt water

0,06

0,001

0,009

0

0,070

10

Destructiebedrijven

1 000 kg bruto gewicht te destructeren materiaal

1,1

0,023

0,009

0

2,234

11

Dorserijen van erwten en capucijners

1 000 kg uitgangsproduct

0,034

0,001

0,009

0

0,048

12

Elektriciteitscentrales

1 m3 gebruikt water

0,02

0,002

0,009

0,008

0,039

13

Emailleerderijen

1 m3 gebruikt water

0,04

0,023

0,009

0

0,072

14

Fruitconservenfabrieken (incl. jamfabrieken)

1 000 kg appelen, peren, aardbeien
1 000 kg kersen, bramen, bessen en overige zachte vruchten

1,02
0,73

0,001
0,001

0,009
0,009

-0,006
-0,006

0,341
0,341

15

Galvaniseerfabrieken

1 m3 gebruikt water

0,04

0,023

0,009

0

0,072

16

Gasfabrieken

1 000 kg uitgangsproduct

1,10

0,001

0,009

0

0,030

17

Gist- en spiritusfabrieken

1 000 kg melasse

9,3

0,001

0,009

0

0,922

18

Grafische en andere papierverwerkende en kartonverwerkende bedrijven

1 m3 gebruikt water

0,04

0,013

0,009

0

0,062

19.a
19.b

Groenteconservenbedrijven :
a) aardappelbedrijven
b) groentebedrijven

1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruik water

0,154
0,072

0,004
0,003

0,037
0,011

0
0

0,195
0,086

20

Groentewasserijen

1 000 kg wortelen
1 000 kg zilveruien

0,13
0,23

0,001
0,001

0,009
0,009

0
0

0,412
0,412

21.a
21.b

Horeca :
a) hotels, motels restaurants, jeugdherbergen en cafés
b) pensions, bungalowparken, campings, pretparken en diergaarden

1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruikt water

0,02
0,02

0,001
0,001

0,009
0,009

0
0

0,030
0,030

22.a
22.b
22.c
22.d
22.e

Huiden en vellen :
a) chroomleerlooierijen
b) plantaardige leerlooierijen c) witleerlooierijen
d) pelsbereiding bedrijven e) zeemleerlooierijen

1 000 kg uitgangsproduct
1 000 kg uitgangsproduct
1 000 kg uitgangsproduct
1 000 kg uitgangsproduct
1 000 kg uitgangsproduct

6,9
7
10
10
20

0,003
0,002
0,002
0,002
0,002

0,009
0,009
0,009
0,009
0,009

0,013
0
0
0
0

0,169
0,720
0,263
0,091
0,263

23

Ijzerbeitserij extra per voor geloosd ijzer

1 m3 gebruikt water
1 000 kg geloosd ijzer

0,004
3,30

0,023

0,009

0

0,074

24

Kaarsfabrieken en wasblekerijen

1 m3 gebruikt water

0,010

0,001

0,009

0

0,020

25

Keramische industrie

1 m3 gebruikt water

0,011

0,005

0,009

0

0,025

26

Laboratoria

1 m3 gebruikt water

0,035

0,002

0,009

0

0,046

27

Lak- en verffabrieken

1 m3 gebruikt water

0,370

0,008

0,009

0,006

0,393

28.a
28.b
28.c
28.d
28.e

a) pluimveebedrijven
b) varkenshouderijen c) rundveebedrijven
d) veehouderijen niet in sub a, b en c begrepen
e) overige bedrijven

1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruikt water

0,015/50
0,015/20
0,015/10
0,015/5
0,015/100

0,001/50
0,001/20
0,001/10
0,001/5
0,001/100

0,009/50
0,009/20
0,009/10
0,009/5
0,009/100

0
0
0
0
0

0,001
0,001
0,003
0,005
0,000

29

Lijmfabrieken

1 000 kg beenderlijm

3,7

0,001

0,009

0

0,610

30

Limonadefabrieken en bottelarijen

1 000 l gefabriceerd product

0,12

0,001

0,009

0

0,110

31

Margarine vet- en spijsoliefabrieken indien uitsluitend olie wordt gewonnen door het persen van zaden

1 000 kg ruwe oliën en vetten
1 000 kg gefabriceerd product

0,7
0,06

0,001
0,001

0,009
0,009

0
0

1,457
1,457

32

Metaalindustrie (mechanisch bewerken, verzinken en non-ferro beitsen)

1 m3 gebruikt water

0,028

0,023

0,009

0,005

0,065

33

Metallurgische industrie

1 m3 gebruikt water

0,010

0,023

0,009

0

0,042

34

Mouterijen

1 000 kg gerst

0,16

0,001

0,009

0

0,093

35

Papierindustrie

1 000 kg papier

1,6

0,001

0,009

0

0,692

36

Parfum- en cosmeticafabrieken

1 m3 gebruikt water

0,026

0,001

0,009

-0,018

0,036

37

Pindabranderijen

1 000 kg uitgangsproduct

0,75

0,001

0,009

0

0,048

38

Plastiekverwerkende nijverheid

1 m3 gebruikt water

0,010

0,001

0,009

0

0,020

39

Pluimveeslachterijen

1 m3 gebruikt water

0,1756

0,0151

0,0456

0

0,236

40

Poets- en smeermiddelen fabrieken

1 m3 gebruikt water

0,012

0,002

0,009

0

0,023

41

Slachthuizen (excl. vleeswarenverwerking)

1 m3 gebruikt water

0,0953

0,0091

0,0484

0

0,153

42

Stijfsel- en zetmeelfabrieken

1 000 kg uitgangsproduct

3

0,001

0,009

0

1,551

43

Strokartonfabrieken

1 000 kg karton

4,9

0,001

0,009

0

0,692

44

Suikerfabrieken en
suikerbietenrasperijen indien uitsluitend afvalwater van de condensoren wordt geloosd

1 000 kg suikerbieten
1 000 kg suikerbieten

0,27
0,027

0,001
0,001

0,009
0,009

0
0

0,284
0,284

45

Textielfabrieken

1 m3 gebruikt water

0,042

0,004

0,008

0

0,052

46

Vatenwasserijen

1 m3 gebruikt water

0,58

0,012

0,009

0

0,601

47

Visconservenfabrieken

1 000 kg verse vis

2,43

0,001

0,009

-0,006

0,770

48

Vismeelfabrieken

1 000 kg uitgangsproduct

3,3

0,001

0,009

0

0,048

49

Vleeswarenbedrijven

1 m3 gebruikt water

0,1103

0,0037

0,0423

0

0,156

50

Vulcaniseerinrichting, gummiwaren, kabel- en kunstleerfabrieken

1 m3 gebruikt water

0,014

0,002

0,009

0

0,025

51

Wasserijen, met uitzondering van wassalons : natwasserijen

1 m3 gebruikt water

0,031

0,006

0,003

0

0,040

52

Zeepfabrieken indien onderloog geloosd wordt te verhogen met :

1 000 kg zeep

0,55
3,1

0,001

0,009

0

0,859

53.a
53.b

Zuivelindustrie
a) niet gesaneerde bedrijven b) gesaneerde bedrijven

1 m3 gebruikt water
1 m3 gebruikt water

0,089
0,052

0,002
0,001

0,009
0,013

-0,011
-0,006

0,100
0,066

54

Zwembadinrichtingen

1 m3 gebruikt water

0,006

0,001

0,001

0

0,008

55

Niet elders genoemde bedrijfsactiviteiten

1 m3 gebruikt water

0,017

0,001

0,009

0,008

0,035

56

Lozingen uit huishoudelijke activiteiten

1 m3 gebruikt water

0,015

0,001

0,009

0

0,025

57

- Ziekenhuizen
- de door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde voorzieningen in de Bijzondere Jeugdbijstand en de Gemeenschapsinstellingen voor Bijzondere Jeugdzorg
- de door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde residentiële voorzieningen binnen het algemeen welzijnswerk
- de door de Vlaamse Gemeenschap erkende en gesubsidieerde centra integrale gezinsondersteuning
- erkende en gesubsidieerde kinderdagverblijven en de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning
- erkende Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg en erkende psychiatrische ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen en initiatieven voor beschut wonen
- door de Vlaamse Gemeenschap erkende rusthuizen en de erkende serviceflatsgebouwen en woningcomplexen met dienstverlening zonder individuele facturatie
- door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap erkende semi-residentiële en residentiële voorzieningen, met inbegrip van de werkvormen beschermd en zelfstandig wonen.
- Onderwijsinstellingen

1 m3 gebruikt water

0,017

0,001

0,009

0

0,027

58

het grondwater onttrokken bij:
1° de in artikel 4.2.1.1.3 vermelde grondwaterwinningen en geloosd in de openbare riolering;
2° de in artikel 4.2.1.1.6 vermelde grondwaterwinningen en met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m³ per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m³ per uur geloosd in de openbare riolering

1 m3 gebruikt water

0,0017

0,0001

0,0009

0

0,0027

59

Sanitair afvalwater

1 m3 gebruikt water

0,017

0,001

0,009

0

0,027

Voor de toepassing van de nummering 53 wordt onder een gesaneerde zuivelfabriek verstaan een zuivelfabriek waarin goede voorzieningen ter beperking van de vervuilingsgraad zijn getroffen, als het opvangen van drupmelk, het terughouden van het bezinksel uit het boterwaswater, het opvangen van de perswei, het voorkomen van lekverliezen en dergelijke.

Voor de toepassing van de nummeringen die als grondslag "1 m³ gebruikt water" vermelden wordt onder aantal m³ gebruikt water verstaan de hoeveelheid gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar verbruikte water Q, zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1.5.1, verminderd met het koelwater K, zoals gedefinieerd in artikel 4.2.2.3.1 van deze wet.


Bijlage 6.

Bijlage 6

I. Laagfactor

Code

Hydrogeologische hoofdeenheid

laagfactor

0100

Quartaire aquifersystemen

1

0200

Kempens aquifersysteem

1

0300

Boom aquitard

1

0400

Oligoceen aquifersysteem

1

0500

Bartoon aquitardsysteem

1

0600

Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem

1

0700

Paniseliaan aquitard

1

0800

Ieperiaan aquifer

1

0900

Ieperiaan aquitardsysteem

1

1000

Paleoceen aquifersysteem

1

1100

Krijt aquifersysteem

1

1200

Jura Trias Perm

1

1300

Sokkel

1


II. Gebiedsfactor

Code gebied

Hydrogeologische hoofdeenheid

Zone

Gebiedsfactor heffingsjaar 2018

Jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023

0100_niet-afgesloten

0100

Quartaire aquifersystemen

1,28

0,03125

0200_niet-afgesloten

0200

Kempens aquifersysteem

1,28

0,03125

0400_niet-afgesloten

0400

Niet afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem

1,28

0,03125

0400_ afgesloten

0400

Afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied

1,81

0,0625

0400_actiegebied

0400

Actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem

3,72

0,21875

0600_niet-afgesloten

0600

Niet afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem

1,28

0,03125

0600_ afgesloten

0600

Afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem

1,81

0,0625

0600_actiegebied

0600

Actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem

2,63

0,125

0800_niet-afgesloten

0800

Niet afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer

1,28

0,03125

0800_ afgesloten

0800

Afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer

1,81

0,0625

0800_actiegebied

0800

Actiegebied in de Ieperiaan Aquifer

2,63

0,125

1000_niet-afgesloten

1000

Niet afgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem

1,28

0,03125

1000_ afgesloten

1000

Afgesloten deel van het Paleoceen Aquifersysteem

1,81

0,0625

1000_actiegebied_4

1000

Actiegebied 4 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem

1,81

0,0625

1000_actiegebied_3

1000

Actiegebied 3 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem

2,63

0,125

1000_actiegebied_2

1000

Actiegebied 2 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem

5,38

0,375

1000_actiegebied_1

1000

Actiegebied 1 in het Paleoceen Aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem

5,38

0,375

1100_niet-afgesloten

1100+1300

Niet afgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel

1,28

0,03125

1100_afgesloten

1100+1300

Afgesloten deel van het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel

1,81

0,0625

1300_actiegebied_4

1100+1300

Actiegebied 4 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem

1,81

0,0625

1300_actiegebied_3

1100+1300

Actiegebied 3 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem

2,63

0,125

1300_actiegebied_2

1100+1300

Actiegebied 2 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem

5,38

0,375

1300_actiegebied_1

1100+1300

Actiegebied 1 in het Krijt Aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem

5,38

0,375


De gebiedsfactor is in de overige zones gelijk aan de gebiedsfactor van het gebied met code 0100_niet-afgesloten.

De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast.