Titel I.
Doelstellingen, beginselen, organisatie, voorbereiding en opvolging van het integraal waterbeleid


Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen


Art. 1.1.1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 1.1.2. Dit decreet is van toepassing op de watersystemen gelegen in het Vlaamse Gewest.

Art. 1.1.3.

§1. De definities opgenomen in artikel 1.1.2, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn van toepassing op deze titel.

§2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
Kaderrichtlijn Water: de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
binnenwateren: al het permanent of op geregelde tijdstippen stilstaande of stromende water op het landoppervlak, en al het grondwater, aan de landzijde van de basislijn vanaf waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
oppervlaktewater: binnenwateren, met uitzondering van grondwater;
grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
zwemwater: elk oppervlaktewater, met inbegrip van de territoriale zee waarvoor het Vlaamse Gewest bevoegd is, waarin naar verwachting een groot aantal mensen zal zwemmen, en waar zwemmen niet permanent verboden is of waarvoor geen permanent negatief zwemadvies bestaat;
watervoerende laag: een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of voor de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
oppervlaktewaterlichaam: een onderscheiden oppervlaktewater, zoals een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier, kanaal of overgangswater;
grondwaterlichaam: een onderscheiden grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen of in een deel ervan;
rivier: een oppervlaktewaterlichaam dat grotendeels bovengronds stroomt, maar dat voor een deel van zijn traject ondergronds kan stromen;
10° meer: een massa stilstaand landoppervlaktewater;
11° overgangswater: een oppervlaktewaterlichaam dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van zeewater, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromingen wordt beļnvloed;
12° kunstmatig oppervlaktewaterlichaam: een door menselijke activiteiten tot stand gekomen oppervlaktewaterlichaam, dat is aangeduid door of krachtens dit decreet;
13° sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam: een oppervlaktewaterlichaam dat door fysische wijzigingen ingevolge menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat is aangeduid door of krachtens dit decreet;µ
14° stroomgebiedsdistrict: het gebied van land en zee, gevormd door een of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende eraan toegewezen grondwaterlichamen, dat als de voornaamste eenheid voor stroomgebiedbeheer is omschreven;
15° stroomgebied: het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, hetzij via een kanaal, hetzij via een reeks stromen, rivieren, beken en eventueel meren, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, door een riviermond in zee stroomt;
16° deelstroomgebied of bekken: het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, een reeks stromen, rivieren, kanalen en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop of een kanaal;
17° watersysteem: een samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems en oevers, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische processen, en de daarbij behorende technische infrastructuur;
18° schadelijk effect: ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen;
19° verontreinigende stof: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen stof die tot verontreiniging kan leiden;
20° prioritaire stoffen: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen verontreinigende stof;
21° prioritaire gevaarlijke stoffen: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen prioritaire stof;
22° toestand van het oppervlaktewater: de aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de chemische toestand of de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van deze toestanden;
23° goede toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de chemische toestand, de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn;
24° toestand van het grondwater: de aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de chemische of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van beide;
25° goede toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam, waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn;
26° goede chemische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen voldoen aan de milieukwaliteitsnormen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor die stoffen die in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van Vlarem aangeduid zijn als “VS”, “PS” of “PGS” in de kolom “Europese context”;
27° goede chemische toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen voldoen aan de milieukwaliteitsnormen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
28° ecologische toestand van het oppervlaktewater: de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met het oppervlaktewaterlichaam zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
29° goede ecologische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de goede ecologische toestand, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
30° zeer goede ecologische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de zeer goede ecologische toestand, en de hydromorfologische chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
31° ecologisch potentieel: de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met sterk veranderde of kunstmatige oppervlaktewaterlichamen zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
32° matig ecologisch potentieel: de toestand van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het matig ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
33° goed ecologisch potentieel: de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het goed ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
34° maximaal ecologisch potentieel: de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het maximaal ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
35° goede eco-hydrologische toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn en waarbij tevens de fysisch-chemische kwaliteit voldoet aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde bijzondere milieukwaliteitsnormen die nodig zijn met het oog op de instandhouding van de terrestrische natuurlijke habitats die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhangen;
36° kwantitatieve toestand van het grondwater: de aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe en indirecte onttrekking en aanvulling wordt beļnvloed ten opzichte van de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
37° goede kwantitatieve toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarbij de grondwaterstand en het evenwicht tussen de directe en indirecte onttrekking en aanvulling van het grondwater voldoet aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
38° beschikbare grondwatervoorraad: het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen van de bijbehorende oppervlaktewaterlichamen te bereiken, alsmede om betekenisvolle schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;
39° kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater: de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden;
40° goede kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater: de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden, die nodig zijn om de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam te bereiken;
41° waterdiensten: alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in winning, onttrekking, opstuwing, opslag, opvang, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater, met inbegrip van de opvang en behandeling van afvalwater;
42° watergebruik: waterdiensten en elke andere menselijke activiteit, geļdentificeerd ter uitvoering van artikel 1.7.3.1, 2°, met significante gevolgen voor de toestand van water;
43° pesticide:
a) een gewasbeschermingsmiddel: een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/ EEG van de Raad;
b) een biocide: een biocide als vermeld in artikel 1, §1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;
44° talud: strook land binnen de bedding van een oppervlaktewaterlichaam vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm;
45° oeverzone: strook land vanaf de bodem van de bedding van het oppervlaktewaterlichaam die een functie vervult inzake de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud of inzake de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, pesticiden of meststoffen;
46° afgebakende oeverzone: oeverzone die met dat doel is afgebakend in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of door een beslissing van de Vlaamse Regering;
47° overstromingsgebied: door bandijken, binnendijken, valleiranden of op andere wijze begrensd gebied dat op regelmatige tijdstippen al dan niet op gecontroleerde wijze overstroomt of kan overstromen en dat als dusdanig een waterbergende functie vervult of kan vervullen;
48° afgebakend overstromingsgebied: overstromingsgebied dat met dat doel is afgebakend in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of door een beslissing van de Vlaamse Regering;
49° beschermde gebieden: de in artikel 1.7.6.1 van dit decreet bedoelde gebieden die bijzondere bescherming behoeven;
50° waterbodem: de bodem van een oppervlaktewaterlichaam die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat;
51° waterweg: een als bevaarbaar aangeduide waterloop of kanaal met een verbindingsfunctie via het water, alsmede de havens en dokken;
52° vrije vismigratie: verplaatsing van vissen die een groot deel van de populatie, dan wel een of meer leeftijdsklassen van een bepaalde soort betreffen, met een voorspelbare periodiciteit gedurende de levenscyclus van de soort en waarbij twee of meer ruimtelijk gescheiden habitats worden gebruikt;
53° water bestemd voor menselijke aanwending: water bestemd voor menselijke consumptie, tweedecircuitwater en al het water dat wordt aangewend voor huishoudelijke, agrarische of industriėle toepassingen, ongeacht de herkomst van dat water;
54° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater, en water dat een geneesmiddel is;
55° waterketen: het geheel van activiteiten die samenhangen met het water bestemd voor menselijke aanwending of met de collectering en de zuivering van afvalwater;
56° waterrijke gebieden: gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter;
57° de Vlaamse Grondenbank: afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht volgens het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
58° initiatiefnemer: de overheid die vermeld wordt bij het overstromingsgebied of de oeverzone, zoals bedoeld in artikel 1.3.3.2.1;
59° de tot aankoop verplichte entiteit: de overheid die gehouden is de aankoop zoals bedoeld in artikel 1.3.3.3.1 te doen;
60° de vergoedingsplichtige: de overheid die gehouden is tot het betalen van een vergoeding zoals bedoeld in artikel 1.3.3.3.1;
61° de begunstigde: de overheid die een voorkooprecht, zoals bedoeld in artikel 1.3.3.2.1, geniet;
62° overstroming: het tijdelijk onder water staan van land dat normaliter niet onder water staat, veroorzaakt door onder meer overstromingen door waterlopen en overstromingen door de zee;
63° overstromingsrisico: de kans dat zich een overstroming voordoet in combinatie met de mogelijke negatieve gevolgen van een overstroming voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid;
64° overstromingsrisicobeheerdoelstellingen: de doelstellingen om de negatieve gevolgen, die overstromingen met zich meebrengen, te beperken, gebaseerd op een aantal relevante aspecten zoals kosten en baten, de omvang van de overstroming, de gebieden met het vermogen om overstromingswater vast te houden en te bergen, met inbegrip van natuurlijke overstromingsgebieden, de preventie en de bescherming en paraatheid, met inbegrip van systemen voor de voorspelling van en de vroegtijdige waarschuwing voor overstromingen, het bevorderen van duurzaam landgebruik, de verbetering van de wateropvangcapaciteit en de gecontroleerde overstroming van bepaalde gebieden bij hoogwater. De overstromingsrisicobeheerdoelstellingen worden uitgewerkt in de stroomgebiedbeheerplannen;
65° havenbedrijf: havenbedrijf als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;
66° matrix: een compartiment van het aquatische milieu, dat wil zeggen water, sediment of biota;
67° biotataxon of taxon: een specifiek aquatisch taxon met een taxonomische rang van “subphylum”, “klasse” of een daaraan gelijkwaardige rang.


Hoofdstuk II.
Voorwerp, doelstellingen en beginselen


Art. 1.2.1. Integraal waterbeleid is het beleid gericht op het gecoördineerd en geļntegreerd ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen met het oog op het bereiken van de randvoorwaarden die nodig zijn voor het behoud van dit watersysteem als zodanig, en met het oog op het multifunctionele gebruik, waarbij de behoeften van de huidige en komende generaties in rekening worden gebracht.

Art. 1.2.2.

Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid beogen het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:
1° de bescherming, de verbetering of het herstel van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen op zo'n wijze dat tegen de datum, vermeld in artikel 1.7.2.1.1, §2, een goede toestand van de watersystemen wordt bereikt. Onder een goede toestand wordt verstaan:
a) minstens een goede chemische, ecologische en kwantitatieve toestand voor oppervlaktewaterlichamen;
b) minstens een goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen;
c) minstens een goede chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen;
2° het voorkomen en verminderen van de verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater, onder meer door:
a) het progressief verminderen van de verontreiniging door prioritaire stoffen;
b) het stopzetten of het progressief beėindigen van de verontreiniging door prioritair gevaarlijke stoffen;
3° het duurzaam beheer van de voorraden aan oppervlakte- en grondwater door:
a) een duurzame watervoorziening, met inbegrip van de winning, opvang, behandeling en distributie van water bestemd voor menselijke aanwending;
b) een duurzaam watergebruik;
4° het voorkomen van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door:
a) het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
b) het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen;
c) de vrije vismigratie, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts, die voor alle soorten vis gegarandeerd moet worden, in alle hydrografische stroomgebieden waarbij voorrang gegeven wordt aan strategische knelpunten en het voorkomen van nieuwe migratieknelpunten. De Vlaamse Regering kan de verdere regels bepalen met betrekking tot vrije vismigratie.
d) het hanteren van technieken van natuurtechnische milieubouw;
5° het verbeteren en het herstellen van aquatische ecosystemen en van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen:
a) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de waterrijke gebieden van internationale betekenis;
b) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
c) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de groengebieden, de parkgebieden, de bosgebieden, de natuurontwikkelingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
d) in de speciale beschermingszones voor zover het maatregelen betreft bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
6° het terugdringen van overstromingsrisico's en het risico op waterschaarste door:
a) in het beheer van het hemelwater en het oppervlaktewater als prioriteitsvolgorde de volgende hiėrarchie te hanteren: hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, hergebruikt, geļnfiltreerd en gescheiden van het afvalwater, alvorens het geborgen en vervolgens bij voorkeur op een vertraagde wijze afgevoerd wordt;
b) verdroging te voorkomen, beperken of ongedaan te maken;
c) zoveel mogelijk ruimte te bieden aan water, waarbij het waterbergend vermogen van overstromingsgevoelige gebieden zo veel als mogelijk gevrijwaard wordt en watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden worden behouden en waar nodig hersteld;
d) de negatieve gevolgen die overstromingen buiten de afgebakende overstromingsgebieden met zich meebrengen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed, de economische bedrijvigheid en de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, te beperken;
7° het terugdringen van landerosie en van de aanvoer van sedimenten naar de oppervlaktewaterlichamen, en van het door menselijk ingrijpen veroorzaakt transport en de afzetting van slib en sediment in het oppervlaktewaterlichaam;
8° het beheer en het ontwikkelen van waterwegen met het oog op de bevordering van een milieuvriendelijker transportmodus van personen en goederen via de waterwegen en het realiseren van de intermodaliteit met de andere vervoersmodi en het bevorderen van de internationale verbindingsfunctie ervan;
9° de integrale afweging van de diverse functies binnen een watersysteem, evenals het onderling verband tussen de verschillende functies van het watersysteem;
10° het bevorderen van de betrokkenheid van de mens met het watersysteem, waaronder de verhoging van de belevingswaarde in stedelijk gebied en vormen van zachte recreatie. Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt rekening gehouden met het onderlinge verband tussen:
a) het water en de andere onderdelen van het milieu, in het bijzonder het met het water verbonden ecosysteem;
b) het grondwater, oppervlaktewater en hemelwater;

c) de waterkwaliteit en de waterkwantiteit.


Art. 1.2.3.

Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid houden het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut rekening met volgende beginselen:
1° het standstill-beginsel, op grond waarvan moet worden voorkomen dat de toestand van watersystemen verslechtert;
2° het preventiebeginsel, op grond waarvan moet worden opgetreden om schadelijke effecten te voorkomen, veeleer dan die achteraf te moeten herstellen;
3° het bronbeginsel, op grond waarvan preventieve maatregelen aan de bron worden genomen;
4° het voorzorgsbeginsel, op grond waarvan het treffen van maatregelen ter voorkoming van schadelijke effecten niet moet worden uitgesteld omdat na afweging het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het handelen of nalaten en de gevolgen ervan niet volledig door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond;
5° het “de vervuiler betaalt”-beginsel, op grond waarvan de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van schadelijke effecten en de kosten voor het herstellen van deze schade voor rekening zijn van de veroorzaker;
6° het kostenterugwinningsbeginsel, op grond waarvan de kosten voor waterdiensten, met inbegrip van de milieukosten en de kosten van de hulpbronnen, in rekening worden gebracht met inachtneming van een economische analyse van het watergebruik;
7° het herstelbeginsel, op grond waarvan bij schadelijke effecten deze voor zover mogelijk daadwerkelijk worden hersteld tot de van toepassing zijnde referentieniveaus;
8° het participatiebeginsel, op grond waarvan aan de burgers vroeg, tijdig en doeltreffend inspraak wordt verleend bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid;
9° het beginsel van hoog beschermingsniveau, op grond waarvan een zo hoog mogelijk beschermingsniveau wordt nagestreefd van de aquatische ecosystemen, met inbegrip van de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden, zonder evenwel het multifunctionele gebruik van de watersystemen uit het oog te verliezen;
10° het beginsel dat het watersysteem een van de ordenende principes is in de ruimtelijke ordening;
11° het beginsel van de evaluatie ex ante, op grond waarvan een voorafgaande, systematische en grondige evaluatie van de gevolgen van het integraal waterbeleid op het milieu, het economische en sociale aspect en voor de samenleving, en voor de uitvoerende en handhavende instanties wordt uitgevoerd;

12° het solidariteitsbeginsel, op grond waarvan onder meer geen maatregelen worden genomen die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere gebieden in hetzelfde stroomgebied, bekken of deelbekken, tenzij die maatregelen gecoördineerd werden en door de betrokken lidstaten, gewesten of andere beheerders een overeengekomen oplossing bereikt werd.


Art. 1.2.4.

De doelstellingen en beginselen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle aspecten van het integraal waterbeleid.

Bij de verwezenlijking van de in artikel 1.2.2 bedoelde doelstellingen en de toepassing van de in artikel 1.2.3 bedoelde beginselen wordt met het oog op het multifunctionele gebruik van watersystemen ook rekening gehouden met de sociale en economische gebruiksfuncties ervan.


Hoofdstuk III.
Algemene instrumenten van het integraal waterbeleid


Afdeling.
I. De watertoets


Art. 1.3.1.1.

§1. De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in §5, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd.

Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren.

De overheid die oordeelt over de afgifte van een planologisch of stedenbouwkundig attest als vermeld in artikel 4.4.24 en 5.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, moet in redelijkheid nagaan of de aanvraag door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen de watertoets kan doorstaan.

§2. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse Regering vastgestelde waterbeheersplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voor zover die bestaan.

De beslissing die de overheid neemt in het kader van §1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval rekening wordt gehouden met de relevante doelstellingen en beginselen van het integraal waterbeleid.

§3. De overheid die moet beslissen over een vergunningsaanvraag of de overheid die in de door de Vlaamse Regering vastgestelde gevallen de watertoets toepast op de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest kan advies vragen over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren aan de door de Vlaamse Regering aan te wijzen instantie. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier. Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de vergunningsprocedure, dan beschikt de door de Vlaamse Regering aan te wijzen instantie over dezelfde termijn als de andere adviesverleners.

Als er binnen die termijnen geen advies is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

In de door de Vlaamse Regering vastgestelde gevallen moet de vergunningverlenende overheid of de overheid die oordeelt over de afgifte van een stedenbouwkundig of planologisch attest over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren advies vragen aan de door de Vlaamse Regering aangewezen instantie.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop dit advies moet worden aangevraagd en over de integratie ervan in andere adviesprocedures.

§4. Voor de vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma die zijn onderworpen aan een milieueffectenrapportage geschiedt de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport.

§5. De volgende vergunningen worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets:
1° de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden van een project, vermeld in artikel 5, 1°, a) en b), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
2° als dat relevant is, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de omgevingsvergunning voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten van een project, vermeld in artikel 5, 1°, c), van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
3° voor zover als relevant, gelet op het voorwerp van de vergunningsaanvraag, de milieuvergunning als vermeld in artikel 4, §1, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning;
4° de vergunning voor een watervang als vermeld in artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
5° de machtiging voor het uitvoeren van buitengewone werken van verbetering en wijziging, vermeld in de artikelen 12 en 14 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
6° de vergunning, vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

De volgende plannen en programma's worden in ieder geval onderworpen aan de watertoets:
1° een ruimtelijk uitvoeringsplan en een algemeen en bijzonder plan van aanleg als vermeld in artikel 1.1.2, 9°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
2° een plan van de nieuwe wegen en afwateringen als vermeld in de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van wet en het ruilverkavelingsplan opgemaakt in uitvoering van voormelde wet;
3° een landinrichtingsplan als vermeld in het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting;
4° de plannen en programma's, vermeld in artikel 1.5.3.2, §4, 7°, van dit decreet;
5° waterhuishoudingsplannen van Polders en Wateringen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2002 houdende het toekennen van een gewestbijdrage aan polders, wateringen, verenigingen van wateringen voor het uitvoeren van bepaalde waterhuishoudkundige werken en tot vastlegging van de procedure inzake subsidiėring van deze werken;
6° natuurrichtplannen als vermeld in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

De Vlaamse Regering kan in aanvulling op het eerste en tweede lid een lijst vaststellen van vergunningen, plannen en programma's die aan de watertoets moeten worden onderworpen. Ze kan ook een lijst vaststellen van subcategorieėn van programma's, plannen en vergunningen waarvoor in afwijking van §5, eerste lid, 1° en 2°, en tweede lid, 1°, geen watertoets is vereist, als die wegens de aard, omvang en locatie ervan geen schadelijk effect kunnen veroorzaken.

Als voor dezelfde activiteit verschillende vergunningen zijn vereist, kan de overheid die beslist over een vergunning voor een activiteit die al het voorwerp heeft uitgemaakt van een andere vergunning die aan de watertoets werd onderworpen, oordelen dat die watertoets volstaat in het kader van de vergunning waarover ze beslist. Voor opeenvolgende programma's, plannen en vergunningen die betrekking hebben op hetzelfde plangebied, kan de overheid die beslist over een programma, plan of vergunning, oordelen dat een eerder uitgevoerde watertoets volstaat.

De Vlaamse Regering kan ook algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen aan de hand waarvan wordt vastgesteld of handelingen of activiteiten een schadelijk effect veroorzaken. Ze kan eveneens algemene richtlijnen uitvaardigen of nadere regels vaststellen voor het bepalen van gepaste voorwaarden om het schadelijk effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren.


Afdeling II.
Oeverzones


Art. 1.3.2.1.

De oeverzone van elk oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van de waterwegen, omvat ten minste de taluds ervan.

Als met het oog op de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud, of de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, pesticiden of meststoffen, een bredere oeverzone nodig is, wordt die op gemotiveerde wijze afgebakend door de goedkeuring van een oeverzoneproject in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of een beslissing van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen en het goedkeuren van oeverzoneprojecten.


Art. 1.3.2.2.

§1. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat gelden ten minste de volgende bepalingen:
1° elke vorm van bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat, is elke vorm van bemesting, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing verboden binnen:
a) vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam;
b) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
c) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam indien een helling grenst aan het oppervlaktewaterlichaam;
2° het gebruik van pesticiden als vermeld in artikel 3, van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, is verboden in de oeverzone en binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
3° grondbewerkingen zijn verboden binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. De grondbewerkingen, uitgevoerd vanaf een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;
4° er mogen geen nieuwe bovengrondse constructies worden opgericht binnen vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Met uitzondering van herbouwen als vermeld in artikel 4.1.1, 6°, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, is het uitvoeren van onderhoudswerken, stabiliteitswerken en het verbouwen van dergelijke constructies als vermeld in artikel 4.1.1, 9°, 11° en 12°, van de voormelde codex, toegestaan, voor zover die handelingen toelaatbaar zijn op basis van de regelgeving inzake ruimtelijke ordening. De voormelde verboden zijn niet van toepassing op constructies die noodzakelijk zijn voor het beheer van het oppervlaktewaterlichaam, voor werkzaamheden van algemeen belang, voor werkzaamheden en constructies die expliciet zijn toegelaten door een ruimtelijk uitvoeringsplan mits zij de functie of de functies van de oeverzone niet onmogelijk maken en voor de constructies die verenigbaar zijn met de functie of de functies van de oeverzone;
5° bij het uitvoeren van de werken, vermeld in punt 4°, andere dan degene die niet zijn gericht op het herstel van de natuurlijke werking van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam, worden bij voorkeur en waar mogelijk de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd.

§2. De Vlaamse Regering kan in de oeverzones en in de afgebakende oeverzones, naast de bepalingen vermeld in paragraaf 1, andere noodzakelijke maatregelen opleggen, met inbegrip van erfdienstbaarheden.

In dat geval kunnen particuliere grondeigenaars of gebruikers aan het Vlaamse Gewest een vergoeding vragen. Die vergoeding kan alleen worden gevraagd als maatregelen worden opgelegd die verder gaan dan wat voor het bereiken van de basismilieukwaliteitsnormen is vereist of die verder gaan dan de maatregelen die vereist zijn voor het realiseren van het standstillbeginsel, vermeld in artikel 1.2.3, 1° .

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het beheer van oeverzones, de financiering ervan en de vergoedingsregeling, vermeld in het tweede lid.

§3. De aangelanden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken op de oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht om:
1° doorgang te verlenen aan de personeelsleden van de beheerder van een waterloop of waterweg, aan de werklieden en aan de andere personen die in opdracht van de overheid met de uitvoering van het beheer van een oeverzone zijn belast;
2° op hun gronden of eigendommen de materialen, het gereedschap en de werktuigen te laten plaatsen die voor de uitvoering van de werkzaamheden aan de oeverzone nodig zijn.


Afdeling III.
Verwerving van onroerende goederen, aankoopplicht, vergoedingsplicht en informatieplicht


Onderafdeling I.
Onteigening ten algemenen nutte


Art. 1.3.3.1.1. Voor de verwerving van onroerende goederen, vereist om de in artikel 5 1.2.2 van dit decreet genoemde doelstellingen van het integraal waterbeleid te verwezenlijken, kan het Vlaamse Gewest overgaan tot een onteigening ten algemenen nutte. Ongeacht de bepalingen die andere rechtspersonen bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen eveneens de provincies en gemeenten tot een onteigening overgaan.

Onderafdeling II.
Recht van voorkoop


Art. 1.3.3.2.1.

§1. Onverminderd de bepalingen die andere rechtspersonen ter zake een recht tot voorkoop verlenen, heeft het Vlaamse Gewest een recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones die samenhangen met een waterweg behorende tot haar bevoegdheid. Dit recht van voorkoop is niet van toepassing op onroerende goederen van het openbaar of privaat domein van de federale overheid en van andere gemeenschappen en gewesten.

Indien de oeverzone of het overstromingsgebied samenhangt met een waterweg behorende tot de bevoegdheid van De Vlaamse Waterweg, is de Vlaamse Waterweg de initiatiefnemer en de begunstigde voor het recht van voorkoop

Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop.

De Vlaamse Grondenbank heeft een recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones die niet samenhangen met waterwegen.

Bij de afbakening van een oeverzone of overstromingsgebied wordt de initiatiefnemer steeds vermeld. Is de initiatiefnemer een waterwegbeheerder, dan is die de begunstigde van het recht van voorkoop. Is de initiatiefnemer daarentegen een waterloopbeheerder van onbevaarbare waterlopen, dan is de Vlaamse Grondenbank de begunstigde van het recht van voorkoop.

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen, zijn van toepassing op dit recht van voorkoop.

§2. Het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de goedkeuring van de afbakening van oeverzones en overstromingsgebieden.

De Vlaamse Regering kan de nodige maatregelen nemen om in het geval het recht van voorkoop wordt uitgeoefend op een verpacht perceel, een vrijwillige grondruil mogelijk te maken. Voor die gronden kan slechts een einde worden gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van de pachtperiode zoals voorzien in artikel 7, 9°, van de Pachtwet, tenzij de pachter vroeger of vrijwillig afstand doet van zijn pachtrecht.


Onderafdeling III.
Aankoopplicht, vergoedingsplicht en informatieplicht


Art. 1.3.3.3.1.

§1. De eigenaar van een onroerend goed kan van de tot aankoop verplichte entiteit, de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de afbakening van een oeverzone of overstromingsgebied waarbinnen dit onroerend goed is gelegen, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is of de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt. De tot aankoop verplichte entiteit is de initiatiefnemer.

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 31 mei 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze koopplicht.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de aankoopplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft.

Bij het bepalen van de aankoopprijs wordt geen rekening gehouden met de waardevermindering voortvloeiend uit de afbakening van het onroerend goed als oeverzone of overstromingsgebied.

Het bedrag dat de eigenaar van de tot aankoop verplichte entiteit ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar heeft ontvangen ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Wanneer de eigenaar toepassing maakt van de aankoopplicht van de tot aankoop verplichte entiteit kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of andere aankoopplicht van het Vlaamse Gewest voor hetzelfde onroerend goed.

§2. Indien een onroerend goed wordt gebruikt dat binnen een afgebakend overstromingsgebied ligt, kan van de vergoedingsplichtige een vergoeding worden gevraagd in de mate dat, ten gevolge van het actief inschakelen ervan door de overheid in de waterbeheersing, inkomstenverlies kan worden aangetoond. De vergoedingsplichtige is de initiatiefnemer.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de vergoedingsplicht. De Vlaamse Regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de vergoeding waarop de gebruiker recht heeft. De Vlaamse Regering kan een instantie aanduiden die gemachtigd wordt om bepaalde taken in het kader van de vergoedingsplicht uit te voeren.

De hoogte van de vergoeding bedoeld in eerste lid houdt rekening met:
a) het in artikel 1.2.3, 1°, bedoelde standstill-beginsel en het in artikel 1.2.3, 5°, bedoelde “de vervuiler betaalt”-beginsel;
b) de verordenende bepalingen inzake ruimtelijke ordening, in het bijzonder de stedenbouwkundige voorschriften van de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening.

Er is geen vergoeding verschuldigd als het inkomstenverlies het gevolg is van beperkingen, voorschriften en voorwaarden die door of krachtens een andere regelgeving zijn opgelegd.

Wanneer een gebruiker toepassing maakt van de vergoedingsplicht van de vergoedingsplichtige, kan hij geen aanspraak meer maken op een andere vergoedingsplicht van het Vlaamse Gewest of een andere vergoedingsregeling voor hetzelfde inkomstenverlies met betrekking tot hetzelfde onroerend goed


Art. 1.3.3.3.2.

§ 1. Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een onroerend goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een vruchtgebruik, erfpacht of een opstalrecht overdraagt, of op andere wijze een eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de hieraan verbonden publiciteit of het onroerend goed volledig of gedeeltelijk gelegen is:
1° in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of afgebakende oeverzone.

De Vlaamse Regering kan nader bepalen wat onder publiciteit begrepen wordt, kan bepaalde vormen van publiciteit omwille van praktische redenen vrijstellen en kan nadere regels bepalen voor het nakomen van deze informatieplicht.

Iedereen die een onderhandse akte van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van inbreng van een onroerend goed in een vennootschap en ook van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal opmaakt, moet vermelden of het onroerend goed volledig of gedeeltelijk gelegen is:
1° in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of afgebakende oeverzone.

De instrumenterende ambtenaar vermeldt in alle onderhandse en authentieke akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel, met uitzondering van huwelijkscontracten en hun wijzigingen en contracten aangaande de mandeligheid of het onroerend goed gelegen is:
1° in mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebied zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;
2° in een afgebakend overstromingsgebied of afgebakende oeverzone.

 § 2. Elke verzekeraar van een zaakverzekeringsovereenkomst met betrekking tot het gevaar brand die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest de waarborg biedt tegen de natuurrampen, vermeld in artikel 123 van de wet van 4 april 2014 betreffende verzekeringen, stelt op eenvoudig verzoek van de CIW alle informatie waarover hij beschikt en die nodig is voor de vaststelling van de mogelijk of effectief overstromingsgevoelig gebieden, vermeld in paragraaf 1, ter beschikking van de CIW.

In het kader van de informatieoverdracht, vermeld in het eerste lid, worden de geografische gegevens die kunnen leiden tot de identificatie van natuurlijke personen verwerkt met toepassing van de regelgeving inzake de bescherming van natuurlijke personen bij de verwerking van persoonsgegevens. De CIW wordt hierbij aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke. Die geografische gegevens worden verwerkt om de vaststelling van de mogelijk of effectief overstromingsgevoelige gebieden, vermeld in paragraaf 1, te realiseren. De bewaartermijn van die geografische gegevens is tien jaar na de ontvangst ervan.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld.


Hoofdstuk IV.
De geografische indeling van watersystemen


Afdeling I.
De stroomgebieden en de stroomgebiedsdistricten


Art. 1.4.1.1.

In het Vlaamse Gewest liggen vier stroomgebieden: het stroomgebied van de Schelde, van de Maas, van de IJzer en van de Brugse Polders.

De Vlaamse Regering duidt op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen van de stroomgebieden aan.


Art. 1.4.1.2.

§1. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de Schelde maakt deel uit van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. Met instemming van de partijen bij het Scheldeverdrag wordt de Internationale Scheldecommissie aangewezen als bevoegd orgaan voor de coördinatie van het waterbeleid binnen dit internationaal stroomgebiedsdistrict, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Scheldeverdrag voorziet de Vlaamse Regering in een passende internationale coördinatie.

§2. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de Maas maakt deel uit van het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Maas. Met instemming van de partijen bij het Maasverdrag wordt de Internationale Maascommissie aangewezen als bevoegd orgaan voor de coördinatie van het waterbeleid binnen dit internationaal stroomgebiedsdistrict, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Maasverdrag voorziet de Vlaamse Regering in een passende internationale coördinatie.

§3. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de IJzer kan met instemming van de partijen bij het Scheldeverdrag worden toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. De bevoegdheid van de Internationale Scheldecommissie strekt zich onder dezelfde voorwaarden uit tot het stroomgebied van de IJzer.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Scheldeverdrag kan in overeenstemming met de Franse overheden een lichaam worden aangewezen voor de coördinatie van het waterbeleid binnen het internationaal stroomgebied van de IJzer, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

§4. Het stroomgebied van de Brugse Polders kan met instemming van de partijen bij het Scheldeverdrag worden toegewezen aan het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Schelde. Met instemming van de partijen bij dat Scheldeverdrag strekt de bevoegdheid van de Internationale Scheldecommissie zich uit tot dit stroomgebied.

Bij gebrek aan instemming tussen de partijen bij het Scheldeverdrag kan in overeenstemming met de Nederlandse overheden een lichaam worden aangewezen voor de coördinatie van het waterbeleid binnen het internationaal stroomgebiedsdistrict van de Brugse Polders, in het bijzonder voor de multilaterale afstemming van de stroomgebiedbeheerplannen.

§5. Grondwaterlichamen en oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald stroomgebied behoren, worden door de Vlaamse Regering nauwkeurig bepaald en toegewezen aan het dichtstbijgelegen of meest geschikte stroomgebiedsdistrict.


Afdeling II.
De bekkens en grondwatersystemen


Art. 1.4.2.1.

§1. De in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelten van de stroomgebieden van de Schelde en de Maas worden door de Vlaamse Regering aan de hand van in hoofdzaak hydrografische en hydrogeologische criteria ingedeeld in bekkens en grondwatersystemen.

De Vlaamse Regering bakent op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen van deze bekkens en grondwatersystemen af.

§2. Oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald bekken behoren, worden door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk toegewezen aan het dichtstbijgelegen of meest geschikte bekken.

§3. Het in het Vlaamse Gewest gelegen gedeelte van het stroomgebied van de IJzer en het stroomgebied van de Brugse Polders worden aangewezen als bekkens.


Afdeling III.
De deelbekkens


Art. 1.4.3.1.

§1. De Vlaamse Regering deelt de bekkens aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria verder op in deelbekkens.

Ze bakent op nauwkeurige wijze op kaart de grenzen daarvan af.

§2. Oppervlaktewaterlichamen die aan de hand van in hoofdzaak hydrografische criteria niet volledig tot een bepaald deelbekken behoren, worden door de Vlaamse Regering geheel of gedeeltelijk toegewezen aan het meest dichtbij gelegen of meest geschikte deelbekken.


Hoofdstuk V.
De organisatie van het integraal waterbeleid


Afdeling I.
Het stroomgebiedsdistrict


Art. 1.5.1.1.

§1. De Vlaamse Regering neemt de passende initiatieven die erop gericht zijn dat voor de internationale stroomgebiedsdistricten van de Schelde en de Maas lichamen die worden aangewezen als bevoegd orgaan voor de coördinatie van het waterbeleid binnen die stroomgebiedsdistricten, binnen de termijnen, vermeld in artikel 1.6.2.2, §1, een stroomgebiedbeheerplan kunnen opstellen voor het volledige stroomgebiedsdistrict, en dat het plan overeenkomstig de termijnen, vermeld in artikel 1.6.2.2, §2, wordt getoetst en herzien.

§2. Als het niet mogelijk blijkt om binnen de termijnen, vermeld in artikel 1.6.2.2, een stroomgebiedbeheerplan vast te stellen voor het volledige internationale stroomgebiedsdistrict, stelt de Vlaamse Regering in elk geval voor elk van de op het Vlaamse grondgebied liggende delen van de internationale stroomgebiedsdistricten een stroomgebiedbeheerplan vast, overeenkomstig afdeling II van hoofdstuk VI. De Vlaamse Regering doet hetzelfde voor de gebieden die geen internationaal stroomgebiedsdistrict zijn.


Art. 1.5.1.2. De Vlaamse Regering en de door haar aangewezen openbare diensten en agentschappen alsmede de bekkenbesturen, verlenen hun medewerking aan de opstelling van het stroomgebiedbeheerplan waarin de doelstellingen voor het desbetreffende internationale stroomgebiedsdistrict nader worden bepaald en waarin de maatregelen, vereist voor het realiseren van die doelstellingen, overeenkomstig de Kaderrichtlijn Water worden omschreven.

Afdeling II.
Het Vlaamse Gewest


Art. 1.5.2.1.

§1. De Vlaamse Regering wijst de minister aan die belast is met de coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid.

§2. De Vlaamse Regering bepaalt de krachtlijnen van het integraal waterbeleid.

Daartoe stelt de Vlaamse Regering een waterbeleidsnota vast.


Art. 1.5.2.2.

§1. De Vlaamse Regering stelt een Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, afgekort CIW, in. De CIW is multidisciplinair en beleidsdomeinoverschrijdend samengesteld.

§2. De CIW staat op het niveau van het Vlaamse Gewest in voor de voorbereiding, de planning, de controle en de opvolging van het integraal waterbeleid, waakt over de uniforme aanpak van de bekkenwerking en is belast met de uitvoering van de beslissingen van de Vlaamse Regering inzake integraal waterbeleid.

§3. De Vlaamse Milieumaatschappij verzekert het secretariaat en de ondersteuning van de planningscel van de CIW. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de samenstelling en de werking van de CIW.


Afdeling III.
Het bekkenniveau


Art. 1.5.3.1.

Per bekken wordt een bekkenbestuur en een bekkenraad opgericht.

Het bekkenbestuur richt een bekkensecretariaat op.

Het Vlaamse Gewest stelt per bekken de nodige middelen en het nodige personeel ter beschikking voor de werking van het bekkenbestuur, van het bekkensecretariaat en van de bekkenraad.

Elke provincie, die op basis van haar ligging in een bepaald bekken een wezenlijk deel uitmaakt van dat bekken, stelt ten minste een personeelslid ter beschikking van het bekkensecretariaat en dit ten laste van de eigen begroting.

De Vlaamse minister, belast met de coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid, wijst op voordracht van de CIW, per bekken een bekkencoördinator aan. De bekkencoördinator is de secretaris van het bekkenbestuur.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de werking van het bekkenbestuur, met inbegrip van de regels voor het aanwezigheidsquorum. Het bekkenbestuur beslist in beginsel bij consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, kan de Vlaamse Regering in een bijzondere meerderheid voorzien voor het bekkenbestuur.


Art. 1.5.3.2.

1. In het bekkenbestuur zetelen minstens:
1° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zoals bedoeld in artikel 6, §1, II, 1°, en 4°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
2° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, zoals bedoeld in artikel 6, §1, III, 2°, 8°, 9° en 10°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
3° twee vertegenwoordigers van het Vlaamse Gewest, die worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken en het verkeer, zoals bedoeld in artikel 6, §1, X, 2°, 3° en 5°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
4° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6, §1, I, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
5° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij, zoals bedoeld in artikel 6, §1, V, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
6° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, zoals bedoeld in artikel 6, §1, VI, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
7° een provinciaal mandataris van elke provincie waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
8° een gemeentelijk mandataris van elke gemeente waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
9° een mandataris van elke polder waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
10° een mandataris van elke watering waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
11° een vertegenwoordiger van elk havenbedrijf waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken.

Het bekkenbestuur wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie waarvan het grondgebied deel uitmaakt van het bekken. Als het grondgebied van meerdere provincies deel uitmaakt van hetzelfde bekken, wordt het voorzitterschap waargenomen door de provinciegouverneur die in onderlinge overeenstemming wordt aangewezen.

De aangewezen provinciegouverneur is belast met het overleg en de samenwerking met de besturen van naburige staten of gewesten, die bevoegd zijn voor het waterbeheer, met het oog op de afstemming van de aspecten van het waterbeheer van regionaal belang.

§2. Het bekkenbestuur heeft tot taak:
1° het bekkensecretariaat te organiseren en aan te sturen;
2° het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het stroomgebiedbeheerplan goed te keuren, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad daarover heeft uitgebracht en met de resultaten van het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 1.6.2.5, binnen een termijn van 90 dagen na het afsluiten van het openbaar onderzoek en uiterlijk vier maanden voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft;
3° het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van een wateruitvoeringsprogramma goed te keuren, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad daarover heeft uitgebracht;
4° advies te verlenen over de waterbeleidsnota en de documenten vermeld in artikel 1.6.2.5, §1;
5° advies te verlenen over het ontwerp van zoneringsplan, vermeld in artikel 9, §3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen;
6° advies te verlenen over:
a) ontwerpen van investeringsprogramma's met een rechtstreekse invloed op de watersystemen;
b) ontwerpen van investeringsprogramma's over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties;
7° het voorstellen van een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen om een meer geļntegreerd, logisch samenhangend en efficiėnter beheer te realiseren;
8° indien gewenst, de toelichting en/of bespreking van belangrijke projecten of intenties binnen het bekken te agenderen.

De Vlaamse Regering kan de programma's, vermeld in punt 6°, a), nader omschrijven.


Art. 1.5.3.3.

§1. Het bekkensecretariaat bestaat minstens uit het personeel dat door het Vlaamse Gewest ter beschikking wordt gesteld van het bekkenbestuur en uit afgevaardigden van de bij het integraal waterbeleid in het desbetreffende bekken betrokken besturen, diensten en agentschappen en de voor afvalwater bevoegde maatschappijen.

§2. Het bekkensecretariaat is in het bijzonder belast met:
1° het voorbereiden van het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het stroomgebiedbeheerplan;
2° het voorbereiden van het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het wateruitvoeringsprogramma;
3° het meewerken aan de organisatie van het openbaar onderzoek met betrekking tot het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan;
4° het garanderen en organiseren van gebiedsgericht en thematisch overleg en de samenwerking met de provincies, gemeenten, havenbedrijven, polders en wateringen waarvan het grondgebied respectievelijk ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken en andere belanghebbende diensten en agentschappen die afhangen van de Vlaamse overheid. Daartoe organiseert het bekkensecretariaat, al dan niet op vraag van een lid van het bekkenbestuur, een overleg over specifieke knelpunten of acties die belang hebben voor de betrokken actoren;
5° advies te verlenen over:
a) ontwerpen van technische plannen met een rechtstreekse invloed op de watersystemen;
b) ontwerpen van technische plannen over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties en daarover te rapporteren aan het bekkenbestuur;
6° alle andere taken die door het bekkenbestuur worden opgedragen.

De Vlaamse Regering kan de plannen, vermeld in punt 5°, nader omschrijven.


Art. 1.5.3.4.

§1. De bekkenraad bestaat uit vertegenwoordigers van de onderscheiden maatschappelijke belangengroepen die betrokken zijn bij het integraal waterbeleid.

De vergaderingen zijn openbaar.

De Vlaamse Regering bepaalt het aantal leden, alsook de wijze van voordracht en benoeming van de leden en de nadere regels voor de werking van de bekkenraad.

§2. De bekkenraad brengt advies uit over:
1° de documenten vermeld in artikel 1.6.2.5, §1, en artikel 1.7.4.4;
2° alle andere onderwerpen die worden voorgelegd door de CIW, het bekkensecretariaat, of het bekkenbestuur.

§3. De bekkenraad kan op eigen initiatief advies uitbrengen over de planning en uitvoering van het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het stroomgebiedbeheerplan en alle overige aspecten van integraal waterbeleid.


Hoofdstuk VI.
Voorbereiding en opvolging van het integraal waterbeleid


Afdeling I.
De waterbeleidsnota


Art. 1.6.1.1.

§1. De waterbeleidsnota legt de krachtlijnen vast van de visie van de Vlaamse Regering op het integraal waterbeleid voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel, en per stroomgebied afzonderlijk, inclusief een overzicht van de belangrijkste waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebied.

De waterbeleidsnota geeft eveneens aan in hoeverre de krachtlijnen van het integraal waterbeleid vastgelegd in de waterbeleidsnota afgestemd zijn op gewestelijke beleidsplannen.

§2. De eerste waterbeleidsnota wordt uiterlijk op 22 december 2004 vastgesteld.

De waterbeleidsnota wordt een eerste keer herzien uiterlijk op 22 december 2013 en vervolgens om de zes jaar

§3. Het ontwerp van waterbeleidsnota wordt ter inzage gelegd bij de gemeenten gedurende ten minste zes maanden. Iedereen kan schriftelijke opmerkingen indienen bij het college van burgemeester en schepenen. Tegelijkertijd wordt de nota voor advies voorgelegd aan de onderstaande strategische adviesraden:
1° de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) ;
2° de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) ;
3° de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij (SALV) .

§4. De waterbeleidsnota wordt bekendgemaakt door de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan daartoe nadere regels bepalen.


Afdeling II.
Stroomgebiedbeheerplannen


Art. 1.6.2.1. De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict overeenkomstig artikel 1.5.1.1 een stroomgebiedbeheerplan vast.

Art. 1.6.2.2.

§1. De stroomgebiedbeheerplannen worden uiterlijk 22 december 2009 voor het eerst vastgesteld en bekendgemaakt.

Uiterlijk op 22 december 2015 worden voor elk stroomgebiedsdistrict, als onderdeel van het stroomgebiedbeheerplan, overstromingsrisicobeheerbepalingen opgenomen, als vermeld in artikel 1.6.2.5, §1.

Overstromingsrisicobeheerplannen die vóór 22 december 2010 werden voltooid kunnen gebruikt worden, mits de inhoud van deze plannen gelijkwaardig is aan punten 1.2, 2.3, 3.4, 4.1 en 4.2, van bijlage 1, en de maatregelen, vermeld in punt 6 van bijlage 2, voldoen aan artikel 1.2.3, 12°, en mits de maatregelen de bedoeling hebben de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen te verwezenlijken.

§2. Deze stroomgebiedbeheerplannen worden vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien overeenkomstig de regels voor de opmaak ervan. Bij de toetsing en herziening van de stroomgebiedbeheerplannen wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering, onder meer op het plaatsvinden van overstromingen.

De plannen blijven in ieder geval van kracht tot de nieuwe stroomgebiedbeheerplannen zijn bekendgemaakt.


Art. 1.6.2.3.

§1. Het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan wordt voorbereid door de CIW.

§2. De diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, de bekkensecretariaten, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, stellen op eenvoudig verzoek van de CIW, alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opstellen van de stroomgebiedbeheerplannen ter beschikking van de CIW. De CIW zorgt voor de verdere doorstroming van de relevante informatie naar de bekkensecretariaten.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder deze informatie ter beschikking wordt gesteld.


Art. 1.6.2.4.

§1. Het stroomgebiedbeheerplan bepaalt de hoofdlijnen van het integraal waterbeleid voor het desbetreffende stroomgebiedsdistrict, met inbegrip van de voorgenomen maatregelen en acties, middelen en termijnen die worden bepaald om de doelstellingen ervan te bereiken.

Het bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 1. De overstromingsrisicobeheer-bepalingen zijn opgenomen in punt 1.4, 1.5, 4.3, 6.2 en 7, van bijlage 1, en in punt 6 van bijlage 2.

Er worden tevens bekkenspecifieke en grondwatersysteemspecifieke delen opgemaakt, die minstens de gegevens, vermeld in bijlage 3, bevatten.

Bovendien worden de stroomgebiedbeheerplannen zo opgesteld, en verlopen de besluitvormingsprocedures op zo een wijze dat ze voldoen aan de essentiėle kenmerken van de milieueffectrapportage, vermeld in artikel 4.1.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud en de methodologie voor de opmaak van dat plan, met inbegrip van het verder uitwerken van het integratiespoor voor het plan-MER, zoals bedoeld in artikel 4.2.4 van het voornoemde decreet van 5 april 1995.

§2. De Vlaamse Regering duidt de onderdelen van de stroomgebiedbeheerplannen aan die bindend zijn voor de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest zijn belast met taken van openbaar nut.

Behoudens in het geval, bedoeld in §3, tweede en derde lid, kan van het bindende gedeelte van de stroomgebiedbeheerplannen niet in minder strenge zin worden afgeweken.

§3. Indien de realisatie van het bindende gedeelte van de stroomgebiedbeheerplannen de opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of de wijziging van een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg vereist, dan wordt uiterlijk binnen de twee jaar na het van kracht worden van het stroomgebiedbeheerplan, het voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan verstuurd naar de bestendige deputatie van de betrokken provincie of provincies, de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten en de door de Vlaamse Regering aangewezen adviserende instellingen en administraties.

Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg zoals bedoeld in het eerste lid, kunnen slechts afwijken van de bindende bepalingen van de stroomgebiedbeheerplannen op basis van een gemotiveerde en gelijktijdige afweging van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten, op basis van het verslag van de plenaire vergadering of op basis van de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen, of de adviezen, uitgebracht door de aangeduide administraties en overheden, of het advies van de bevoegde commissies voor ruimtelijke ordening. In dat geval wordt bij de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, de ruimtelijke uitvoeringsplannen of plannen van aanleg, het stroomgebiedbeheerplan onverwijld terug aangepast door de CIW.

Het stroomgebiedbeheerplan kan tevens de opmaak van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg noodzakelijk maken. Indien in dat geval wordt afgeweken van de bindende bepalingen van het stroomgebiedbeheerplan, is het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing.

De aangepaste stroomgebiedbeheerplannen worden door de Vlaamse Regering vastgesteld, bekendgemaakt, ter inzage gelegd en ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 1.6.2.6.


Art. 1.6.2.5.

§1. Tijdens de opmaak van het stroomgebiedbeheerplan worden ten minste volgende documenten bekendgemaakt aan het publiek:
1° minstens drie jaar voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft: een tijdschema en werkprogramma voor de opstelling en, in voorkomend geval, de bijstelling van de stroomgebiedbeheerplannen, met inbegrip van de te nemen raadplegingsmaatregelen;
2° minstens twee jaar voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft: een tussentijds overzicht van de belangrijkste waterbeheerkwesties die zijn vastgesteld in het stroomgebied;
3° minstens een jaar voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft: het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan, met het plan-MER als dat van toepassing is.

§2. De in §1 bedoelde documenten worden gedurende ten minste zes maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten waarvan het grondgebied geheel of ten dele worden bestreken door de stroomgebiedbeheerplannen.

Iedereen kan gedurende die termijn zijn schriftelijke opmerkingen indienen bij de colleges van burgemeester en schepenen. Daarnaast kunnen opmerkingen rechtstreeks en bij voorkeur digitaal aan de CIW worden bezorgd.

Op verzoek wordt inzage gegeven in de achtergronddocumentatie en informatie die werd gebruikt bij de voorbereiding van het ontwerp van stroomgebiedbeheerplan.

§3. De documenten, vermeld in paragraaf 1, worden tegelijkertijd bezorgd aan de onderstaande strategische adviesraden die binnen de termijn, vermeld in paragraaf 2, een advies uitbrengen:
1° de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) ;
2° de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) ;
3° de Strategische Adviesraad Landbouw en Visserij (SALV) .

De adviesraden zenden hun advies aan de CIW.

Als het advies niet binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.

§4. De CIW maakt bekend dat de documenten, vermeld in paragraaf 1, ter inzage worden gelegd.

§5. De gemeente verstuurt uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek de door haar ontvangen schriftelijke opmerkingen aan de CIW.

§6. De CIW bundelt, coördineert en onderzoekt na ontvangst ervan de ingebrachte opmerkingen en adviezen, in samenwerking met de bekkenbesturen die instaan voor het onderzoek en de coördinatie van de verwerking van de ingebrachte opmerkingen en adviezen over de bekkenspecifieke delen; stemt de stroomgebiedbeheerplannen, inclusief de ontwerpen van bekkenspecifieke delen, onderling op elkaar af; maakt een definitief ontwerp van stroomgebiedbeheerplan op en legt dat ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering uiterlijk drie maanden voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft.

De Vlaamse Regering kan nadere regels voor het openbaar onderzoek vaststellen.


Art. 1.6.2.6. De door de Vlaamse Regering vastgestelde stroomgebiedbeheerplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en worden door de CIW digitaal ter beschikking gesteld.

Afdeling III.
Overstromingsgebieden afgebakend buiten waterbeheersplannen


Art. 1.6.3.1.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het afbakenen van overstromingsgebieden buiten de stroomgebiedbeheerplannen, met inbegrip van een afbakeningsprocedure.

Binnen de afbakeningsprocedure zoals bedoeld in het eerste lid, gebeurt de afbakening na raadpleging van het bekkenbestuur en wordt minstens voorzien in een openbaar onderzoek.


Hoofdstuk VII.
Bijzondere verplichtingen met betrekking tot de stroomgebiedsdistricten


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 1.7.1.1. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en van richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG en richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.

Afdeling II.
Milieudoelstellingen


Onderafdeling I.
Vaststellen en bereiken van de milieudoelstellingen


Art. 1.7.2.1.1.

§1. De Vlaamse Regering stelt milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, grondwater en waterbodems vast door middel van milieukwaliteitsnormen of milieukwantiteitsdoelstellingen. De milieukwaliteitsnormen worden vast gesteld overeenkomstig het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De milieukwaliteitsnormen voor waterbodems en de milieukwantiteitsdoelstellingen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 2.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Ze houdt bij het vaststellen en bereiken van de milieudoelstellingen rekening met de strengere normen die vastgesteld zijn overeenkomstig andere specifieke regelgeving.

§2. De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2015 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:
1° voor oppervlaktewater:
a) de goede chemische toestand;
b) de goede of zeer goede ecologische toestand;
2° voor grondwater:
a) de goede chemische toestand;
b) de goede kwantitatieve toestand;
3° voor kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen:
a) de goede chemische toestand;
b) het goed of maximaal ecologisch potentieel.

De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2021 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:

1° voor oppervlaktewater:
a) minstens een goede kwantitatieve toestand;
b) de goede chemische toestand ten aanzien van de vanaf 22 december 2015 herziene normen voor antraceen, gebromeerde difenylethers, fluorantheen, lood en loodverbindingen, naftaleen, nikkel en nikkelverbindingen en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne;
c) de goede ecologische toestand ten aanzien van de bestaande normen die herzien zullen worden ter uitvoering van artikel 2.3.1.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne.

De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2027 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:
1° voor oppervlaktewater:
a) de goede chemische toestand ten aanzien van de nieuwe normen, van kracht vanaf 22 december 2018, voor dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroomcyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM;
b) de goede ecologische toestand ten aanzien van de nieuwe stoffen die ingevoegd zullen worden ter uitvoering van artikel 2.3.1.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne.

§3. Behoudens de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 1.7.2.5.5 bedoelde gevallen, dient bij het realiseren van de milieudoelstellingen minstens de goede toestand van het oppervlaktewater en het grondwater of het goede ecologisch potentieel van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, en indien mogelijk, de zeer goede ecologische toestand of het maximale ecologisch potentieel van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, te worden bereikt.

§4. Behoudens de in artikel 1.7.2.5.3 en artikel 1.7.2.5.4, §§2 en 3, bedoelde gevallen, mag de bestaande toestand van het oppervlaktewater en het grondwater in geen geval achteruitgaan.

§5. De milieukwantiteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater omvatten onder meer de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen. Bij het vaststellen van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen wordt aandacht besteed aan:
1° de vermindering van de potentiėle negatieve gevolgen van overstromingen buiten de afgebakende overstromingsgebieden voor:
a) de gezondheid van de mens;
b) het milieu;
c) het cultureel erfgoed;
d) de economische bedrijvigheid;
e) de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur;
2° indien noodzakelijk, de niet-structurele initiatieven of maatregelen ter vermindering van de kans op overstromingen.


Onderafdeling II.
Vaststellen en beheer van de zwemwaterkwaliteit


Art. 1.7.2.2.1.

Met het oog op het behoud, de bescherming en de verbetering van een bijzondere milieukwaliteit voor zwemwater en de bescherming van de gezondheid van de mens worden, overeenkomstig de Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG, door de Vlaamse Regering de volgende bepalingen vastgesteld:
1° de afbakening van zwemwateren en het bepalen van het badseizoen;
2° de controle en de indeling van de zwemwaterkwaliteit;
3° het beheer van de zwemwaterkwaliteit;
4° het verstrekken van informatie aan het publiek, alsook de organisatie van de inspraak voor het publiek, over de zwemwaterkwaliteit.


Onderafdeling III.
Aanduiding van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen


Art. 1.7.2.3.1.

Met het oog op het vaststellen van de milieudoelstellingen kan de Vlaamse Regering oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanduiden als:
1° de voor het bereiken van de goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken een betekenisvol nadelig effect zouden hebben op:
a) het milieu;
b) activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water bestemd voor menselijke consumptie of hernieuwbare energieopwekking;
c) overstromingsrisicobeheerdoelstellingen irrigatie, waterhuishouding of afwatering.
2° het doel dat door de kunstmatige of veranderde aard van het oppervlaktewaterlichaam wordt gediend, niet kan worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.

De aanduiding wordt overeenkomstig artikel 1.7.3.2 om de zes jaar getoetst en zonodig herzien.


Onderafdeling IV.
Aanwijzen van mengzones


Art. 1.7.2.4.1.

De Vlaamse Regering kan aan lozingspunten grenzende mengzones aanwijzen. In die mengzones mogen de concentraties van prioritaire stoffen en de door de Vlaamse Regering aangewezen verontreinigende stoffen de desbetreffende milieudoelstellingen overschrijden, mits dat geen gevolgen heeft voor de naleving van deze normen in de rest van het oppervlaktewaterlichaam in kwestie.

Bij de aanwijzing van lozingspunten waarborgt de Vlaamse Regering dat de omvang van elke mengzone:
1° beperkt is tot de nabijheid van het lozingspunt;
2° proportioneel is, rekening houdend met de concentraties van de verontreinigende stoffen op het lozingspunt en de geldende voorwaarden voor de emissies van verontreinigende stoffen.


Onderafdeling V.
Omstandigheden waarin van het bereiken van de milieudoelstellingen kan worden afgeweken


Art. 1.7.2.5.1.

De Vlaamse Regering kan de in artikel 1.7.2.1.1, §2, bedoelde termijn verlengen als alle noodzakelijke verbeteringen in de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet binnen die termijn kunnen worden bereikt omdat dit technisch niet haalbaar is, of onevenredig hoge kosten zou meebrengen, of niet mogelijk is omwille van natuurlijke omstandigheden.

In dat geval zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
a) alle maatregelen worden genomen die noodzakelijk worden geacht om de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen voor het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen;
b) de redenen voor de betekenisvolle vertraging bij de uitvoering van deze maatregelen worden onderzocht;
c) het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van deze maatregelen wordt aangeduid;
d) er geen verdere achteruitgang optreedt in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De verlengingen zijn beperkt tot maximaal twee herzieningen van het stroomgebiedbeheerplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden zodanig zijn dat de milieudoelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt.


Art. 1.7.2.5.2.

De Vlaamse Regering kan minder strenge milieudoelstellingen vaststellen voor oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen wanneer het bereiken van de milieudoelstellingen technisch niet haalbaar zou zijn of onevenredig hoge kosten met zich zou meebrengen als gevolg van:
1° de aantasting van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen door menselijke activiteiten, zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §1, uitgevoerde analyses en beoordelingen;
2° de natuurlijke gesteldheid van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen.

Bij het vaststellen van de minder strenge milieudoelstellingen neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door die menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere voor het milieu gunstiger middelen, die geen onevenredig hoge kosten met zich meebrengen;
2° er wordt zorg voor gedragen dat:
a) voor oppervlaktewaterlichamen de best mogelijke ecologische en chemische toestand wordt bereikt die haalbaar is gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
b) voor grondwaterlichamen zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand optreden, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
3° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.3.

Een tijdelijke achteruitgang van de toestand van oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als die het gevolg is van een van de volgende omstandigheden:
1° omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak voordoen en die uitzonderlijk zijn of redelijkerwijs niet waren te voorzien, met name extreme overstromingen of lange droogteperioden;
2° omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen.

Hierbij neemt de Vlaamse Regering al de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare maatregelen worden getroffen om de verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen zodat het bereiken van de milieudoelstellingen bij andere, niet door de omstandigheden getroffen oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen, niet in het gedrang wordt gebracht. Deze maatregelen mogen het herstel van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet in de weg staan wanneer de omstandigheden van het eerste lid niet meer bestaan;
2° het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam moet zo snel als redelijkerwijs haalbaar worden hersteld in de toestand waarin het zich bevond voordat de gevolgen van die omstandigheden intraden, behalve indien dit niet mogelijk is omwille van het feit dat:
a) de vereiste verbeteringen technisch niet haalbaar zijn;
b) de kostprijs van die maatregelen onevenredig hoog is;
c) de natuurlijke omstandigheden een tijdige verbetering van de toestand van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam beletten.

De effecten van die omstandigheden worden jaarlijks geėvalueerd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels van die evaluatie bepalen.


Art. 1.7.2.5.4.

§1. Het niet bereiken van de goede toestand van een grondwaterlichaam, de goede ecologische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, het goede ecologisch potentieel van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als dat het gevolg is van nieuwe veranderingen in de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of indirecte wijzigingen in de grondwaterstand, wegens:
1° activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water, bestemd voor menselijke consumptie, of hernieuwbare energieopwekking;
2° de bescherming tegen overstroming van vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden;
3° relevante activiteiten voor het bereiken van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen.

§2. In het geval, vermeld in paragraaf 1, neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare stappen en maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwaterlichaam tegen te gaan;
2° het doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt gediend, kan niet worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.5.

Bij het aanduiden van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen en bij de overeenkomstig de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 561.7.2.5.4 bedoelde afwijkingen van de milieudoelstellingen zorgt de Vlaamse Regering ervoor:
1° dat het bereiken van de milieudoelstellingen in andere oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen in hetzelfde stroomgebiedsdistrict niet in het gedrang worden gebracht of niet blijvend worden verhinderd;
2° dat alle maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de toepassing van de nieuwe bepalingen ten minste hetzelfde beschermingsniveau waarborgt als datgene dat wordt gewaarborgd door de bestaande wetgeving.


Art. 1.7.2.5.6.

Wanneer uit monitoringgegevens of andere gegevens blijkt dat de milieudoelstellingen voor waterlichamen vermoedelijk niet worden bereikt, zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
1° de oorzaken van het eventuele falen worden onderzocht;
2° de betrokken vergunningen en toestemmingen worden onderzocht en zo nodig worden herzien;
3° de monitoringprogramma's worden getoetst en zo nodig herzien;
4° de noodzakelijke aanvullende maatregelen worden genomen teneinde de milieudoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de vaststelling van strengere milieudoelstellingen.

Indien de in het eerste lid, 1°, bedoelde oorzaken het resultaat zijn van redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, in het bijzonder extreme overstromingen of lange droogteperioden, kan de Vlaamse Regering afwijken van hetgeen is bepaald in het eerste lid, 4°, onder voorbehoud van de in artikel 1.7.2.5.3 bedoelde tijdelijke achteruitgang.

Van het vereiste om noodzakelijke aanvullende maatregelen te nemen, vermeld in het eerste lid, 4°, kan door de Vlaamse Regering worden afgeweken als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de oorzaken, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn het resultaat van een overschrijding die te wijten is aan een buiten het Vlaamse Gewest gelegen verontreinigingsbron;
2° de Vlaamse Regering was ten gevolge van die grensoverschrijdende verontreiniging niet in staat om effectieve maatregelen te nemen om de milieudoelstellingen in kwestie na te leven;
3° de Vlaamse Regering paste de coördinatiemechanismen, vermeld in artikel 1.4.1.2, toe;
4° de Vlaamse Regering maakte in voorkomend geval gebruik van de bepalingen van artikelen 1.7.2.5.1 tot en met 1.7.2.5.3 voor de door de grensoverschrijdende verontreiniging getroffen waterlichamen.


Onderafdeling VI.
Kostenterugwinning van waterdiensten


Art. 1.7.2.6.1. De Vlaamse Regering doet de gepaste voorstellen van maatregelen om het in artikel 1.2.3, 6°, bedoelde kostenterugwinningsbeginsel tegen het jaar 2010 toe te passen.

Afdeling III.
Analyses en beoordelingen


Art. 1.7.3.1.

§1. De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat voor elk stroomgebiedsdistrict de volgende analyses en beoordelingen worden uitgevoerd:
1° de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict:
a) voor oppervlaktewateren:
1) het vaststellen van de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen;
2) het indelen van de oppervlaktewaterlichamen in de categorieėn rivieren, meren en overgangswateren;
3) het aanduiden van oppervlaktewaterlichamen als kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen en het indelen van deze in de categorieėn rivieren, meren en overgangswateren;
4) het voor elke categorie onderscheiden van de oppervlaktewaterlichamen in typen;
5) het bepalen van de referentieomstandigheden voor de typen oppervlaktewaterlichamen;
b) voor grondwater:
1) de ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen;
2) de karakterisering van de grondwaterlichamen;
2° een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater;
3° een economische analyse van het watergebruik, die voldoende gedetailleerde informatie bevat voor:
a)
de relevante berekeningen die nodig zijn om rekening te houden met het kostenterugwinningsbeginsel.
Dit impliceert:
1) langetermijnvoorspellingen van vraag en aanbod naar water in het stroomgebiedsdistrict;
2) waar nodig ramingen van volume, prijzen en kosten voor waterdiensten, en ramingen van relevante investeringen, inclusief voorspellingen van dergelijke investeringen;
b) een oordeel over de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen op het gebied van watergebruik, gebaseerd op ramingen van de potentiėle kosten van dergelijke maatregelen.

Bij het maken van de in het eerste lid, 3°, bedoelde economische analyse van het watergebruik wordt rekening gehouden met de kosten voor het verzamelen van de relevante gegevens.

§2. De Vlaamse Regering zorgt er voor dat er een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling opgemaakt wordt die gebaseerd wordt op beschikbare of gemakkelijk af te leiden informatie, zoals registraties en onderzoeken naar ontwikkelingen op de lange termijn, in het bijzonder de gevolgen van klimaatverandering voor het optreden van overstromingen. De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt opgesteld ter beoordeling van mogelijke risico's. De beoordeling bevat de in bijlage 1, onder punt 1.2.1 vermelde elementen. De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt uiterlijk op 22 december 2011 voltooid.

Op basis van een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt voor ieder stroomgebiedsdistrict, stroomgebied, of voor het deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict zoals bepaald in artikelen 1.4.1.1 en 1.4.1.2 van dit decreet, de gebieden vastgesteld waarvoor geconcludeerd wordt dat een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht.

De vaststelling van de gebieden waarvoor een potentieel significant overstromingsrisico bestaat in een internationaal stroomgebiedsdistrict wordt tussen de betrokken lidstaten gecoördineerd.

De Vlaamse Regering kan beslissen om geen voorlopige overstromingsrisicobeoordeling te verrichten voor stroomgebieden, deelstroomgebieden of kustgebieden wanneer zij met betrekking tot die gebieden:
a) ofwel al vóór 22 december 2010 middels een risicobeoordeling hebben vastgesteld dat daar een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht, en zij deze bijgevolg hebben ingedeeld bij de gebieden waarvoor zij concluderen dat een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht;
b) ofwel al vóór 22 december 2010 hebben besloten overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten op te stellen en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit decreet overstromingsrisicobeheerplannen op te stellen.

De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling of de in §2, lid 4, bedoelde beoordeling en beslissingen wordt uiterlijk op 22 december 2018 en daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld.

Bij deze toetsing en bijstelling wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen. De voorlopige risicobeoordeling wordt ter beschikking van het publiek gesteld.

§3. De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat voor elk stroomgebiedsdistrict, voor die gebieden waarvoor zij concludeert dat er een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht, op de meest geschikte schaal, de volgende kaarten worden opgemaakt:
1° overstromingsgevaarkaarten:
a) overstromingsgevaarkaarten hebben betrekking op de geografische gebieden die volgens de volgende scenario's kunnen worden overstroomd:
1) kleine kans op overstromingen of scenario's van buitengewone gebeurtenissen;
2) middelgrote kans op overstromingen, met een kans op herhaling => 100 jaar;
3) grote kans op overstromingen, indien van toepassing;
b) voor elk van de scenario's, vermeld in punt a) , worden de volgende gegevens vermeld:
1) de omvang van de overstroming;
2) de waterdiepte of, indien van toepassing, het waterniveau;
3) de stroomsnelheid of het betrokken waterdebiet, indien van toepassing;
c) voor gebieden waar overstroming door grondwater wordt veroorzaakt, kan de Vlaamse Regering besluiten om de overstromingsgevaarkaarten uitsluitend op te stellen met betrekking tot het scenario, vermeld in punt a) , 1) ;
d) voor kustgebieden waar een passend beschermingsniveau wordt geboden, kan de Vlaamse Regering besluiten om de overstromingsgevaarkaarten uitsluitend op te stellen met betrekking tot het scenario, vermeld in punt a) , 1) ;
2° overstromingsrisicokaarten: overstromingsrisicokaarten moeten aan de hand van de volgende gegevens een beeld geven van de potentiėle negatieve gevolgen van overstromingen in de scenario's, vermeld in punt 1°, a) ;
a) het indicatieve aantal potentieel getroffen inwoners;
b) het type economische bedrijvigheid van het potentieel getroffen gebied;
c) de GPBV-installaties, aangewezen in de indelingslijst, vermeld in artikel 7.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de overeenkomstig artikel 1.7.6.1, tweede lid, 1°, 3° en 5°, aangeduide beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn;
d) andere informatie die de Vlaamse Regering nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen, alsmede informatie over andere belangrijke bronnen van vervuiling.

§4. De overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten die voor 22 december 2010 werden voltooid, kunnen gebruikt worden als met die kaarten het informatieniveau wordt geboden dat in overeenstemming is met de vereisten, vermeld in artikel 1.7.3.1, §3.


Art. 1.7.3.2.

§1. De analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 1.7.3.1, §1, zijn uiterlijk op 22 december 2004 uitgevoerd.

Ze worden voor het eerst uiterlijk op 22 december 2013 en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien.

§2. De kaarten, vermeld in artikel 1.7.3.1, §3, zijn uiterlijk op 22 december 2013 voltooid. Ze worden voor het eerst uiterlijk op 22 december 2019 en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien. De kaarten worden ter beschikking van het publiek gesteld.

§3. Bij de toetsingen en herzieningen, vermeld in §2, wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen.


Art. 1.7.3.3.

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken aan de uitvoering van de in artikel 1.7.3.1 bedoelde analyses en beoordelingen, mogen voor de uitoefening van hun opdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen, bestemd voor privé- of bedrijfsactiviteiten, om er de noodzakelijke opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich daarbij steeds te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht.

Voor de uitvoering van deze analyses en beoordelingen kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en de eventueel bijbehorende nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

De in het eerste lid bedoelde personen mogen bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de politie vorderen.


Art. 1.7.3.4. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de inhoud en de uitvoering van de analyses en beoordelingen.

Afdeling IV.
De maatregelenprogramma's


Art. 1.7.4.1.

De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict afzonderlijk of voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel op basis van de resultaten van de analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 1.7.3.1 een maatregelenprogramma vast ter verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen inzake de afstemming op of de integratie van het maatregelenprogramma in bestaande waterbeheersplannen en bestaande maatregelenprogramma's.


Art. 1.7.4.2. De maatregelenprogramma's bevatten de in bijlage 2 bepaalde gegevens.

Art. 1.7.4.3.

§1. De maatregelenprogramma's worden uiterlijk op 22 december 2009 voor het eerst vastgesteld. De Vlaamse Regering stelt ten aanzien van de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM, een voorlopig maatregelenprogramma vast tegen 22 december 2018. De maatregelenprogramma's worden vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien.

De maatregelen met betrekking tot het beheer van overstromingsrisico's zijn opgenomen in punt 6 van bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd.

§2. De maatregelen dienen uiterlijk op 22 december 2012 in uitvoering te zijn.

Nieuwe of herziene maatregelen dienen binnen drie jaar na de vaststelling ervan in uitvoering te zijn.


Art. 1.7.4.4.

§1. Jaarlijks wordt een wateruitvoeringsprogramma met bekkenspecifieke delen opgemaakt. Het wateruitvoeringsprogramma bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 4. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de totstandkomingsprocedure en de goedkeuring van het wateruitvoeringsprogramma.

§2. Het wateruitvoeringsprogramma wordt voorbereid door de CIW.

Het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het wateruitvoeringsprogramma wordt voor advies voorgelegd aan de bekkenraad, die er binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst ervan een advies over uitbrengt. Als geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. De ontwerpen van de bekkenspecifieke delen van het wateruitvoeringsprogramma worden door het bekkenbestuur goedgekeurd en bezorgd aan de CIW.

§3. De diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, de bekkensecretariaten, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, stellen op eenvoudig verzoek van de CIW, alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opstellen van de wateruitvoeringsprogramma's ter beschikking van de CIW De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld. De CIW zorgt voor de verdere doorstroming van de relevante informatie naar de bekkensecretariaten.


Afdeling V.
Programma's voor de monitoring


Art. 1.7.5.1.

De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict programma's op voor de monitoring van de watertoestand.

De programma's dienen uiterlijk op 22 december 2006 in uitvoering te zijn.

De Vlaamse Regering stelt ten aanzien van de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 bij titel II van VLAREM, een aanvullend monitoringprogramma op tegen 22 december 2018.


Art. 1.7.5.2.

De programma's bevatten:
1° voor oppervlaktewater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand;
c) de mate waarin het oppervlaktewater aan erosie onderhevig is;
d) de aanvoer en afzetting van sedimenten;
e) de ecologische toestand en het ecologisch potentieel;
2° voor grondwater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand van het grondwater.

Voor de beschermde gebieden worden de programma's aangevuld met de bijzondere voorschriften van de communautaire wetgeving op grond waarvan de beschermde gebieden zijn ingesteld.

Art. 1.7.5.3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de inhoud en de uitvoering van de programma's, met inbegrip van de uitbouw en het beheer van waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmeetnetten.

Art. 1.7.5.4.

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken aan de uitvoering van de in artikel 1.7.5.1bedoelde programma's, mogen voor de uitoefening van hun opdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen, bestemd voor privé- of bedrijfsactiviteiten, om er de noodzakelijke opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich daarbij steeds te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht.

Voor de uitvoering van deze programma's kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en de eventueel bijbehorende nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

De in het eerste lid bedoelde personen mogen bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de politie vorderen.


Afdeling VI.
Register van beschermde gebieden


Art. 1.7.6.1.

De Vlaamse Regering maakt voor elk stroomgebiedsdistrict een register op van alle daarin gelegen beschermde gebieden.

Het register bevat ten minste de volgende in het kader van de communautaire wetgeving aangeduide beschermde gebieden:
1° oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen binnen elk stroomgebiedsdistrict die dagelijks gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, aangewezen voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie en de voor dat toekomstig gebruik bestemde oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met inbegrip van de beschermingszones voor die oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen;
2° gebieden voor de bescherming van economisch betekenisvolle in het water levende planten- en diersoorten;
3° oppervlaktewaterlichamen met als bestemming recreatiewater of zwemwater;
4° de kwetsbare zones water in uitvoering van de richtlijn 91/271 van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, de kwetsbare zones in uitvoering van richtlijn 91/676/EEG van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnenen de gebieden, vermeld in artikel 41bis en 41ter van het Mestdecreet van 22 december 2006;
5° de definitief vastgestelde speciale beschermingszones in uitvoering van artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de waterrijke gebieden van internationale betekenis bedoeld in artikel 2, 21°, van hetzelfde decreet.


Art. 1.7.6.2. Het register wordt uiterlijk op 22 december 2004 opgesteld en wordt voortdurend opgevolgd en bijgewerkt.

Art. 1.7.6.3.

Het register omvat minstens kaarten waarop de ligging van elk beschermd gebied is aangegeven, alsmede een beschrijving van de communautaire en Vlaamse wetgeving op grond waarvan zij als beschermde gebieden zijn aangewezen.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud, het opstellen en het bijwerken van het register.