Art. 1.1.3.

§1. De definities opgenomen in artikel 1.1.2, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn van toepassing op deze titel.

§2. Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder:
Kaderrichtlijn Water: de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid;
binnenwateren: al het permanent of op geregelde tijdstippen stilstaande of stromende water op het landoppervlak, en al het grondwater, aan de landzijde van de basislijn vanaf waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
oppervlaktewater: binnenwateren, met uitzondering van grondwater;
grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat;
zwemwater: elk oppervlaktewater, met inbegrip van de territoriale zee waarvoor het Vlaamse Gewest bevoegd is, waarin naar verwachting een groot aantal mensen zal zwemmen, en waar zwemmen niet permanent verboden is of waarvoor geen permanent negatief zwemadvies bestaat;
watervoerende laag: een of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of voor de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
oppervlaktewaterlichaam: een onderscheiden oppervlaktewater, zoals een meer, een wachtbekken, een spaarbekken, een stroom, een rivier, een kanaal, een overgangswater, of een deel van een stroom, rivier, kanaal of overgangswater;
grondwaterlichaam: een onderscheiden grondwatermassa in een of meer watervoerende lagen of in een deel ervan;
rivier: een oppervlaktewaterlichaam dat grotendeels bovengronds stroomt, maar dat voor een deel van zijn traject ondergronds kan stromen;
10° meer: een massa stilstaand landoppervlaktewater;
11° overgangswater: een oppervlaktewaterlichaam dat gedeeltelijk zout is door de nabijheid van zeewater, maar dat in belangrijke mate door zoetwaterstromingen wordt beļnvloed;
12° kunstmatig oppervlaktewaterlichaam: een door menselijke activiteiten tot stand gekomen oppervlaktewaterlichaam, dat is aangeduid door of krachtens dit decreet;
13° sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam: een oppervlaktewaterlichaam dat door fysische wijzigingen ingevolge menselijke activiteiten wezenlijk is veranderd van aard en dat is aangeduid door of krachtens dit decreet;µ
14° stroomgebiedsdistrict: het gebied van land en zee, gevormd door een of meer aan elkaar grenzende stroomgebieden met de bijbehorende eraan toegewezen grondwaterlichamen, dat als de voornaamste eenheid voor stroomgebiedbeheer is omschreven;
15° stroomgebied: het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, hetzij via een kanaal, hetzij via een reeks stromen, rivieren, beken en eventueel meren, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, door een riviermond in zee stroomt;
16° deelstroomgebied of bekken: het gebied vanaf waar al het over het oppervlak lopende water, met inbegrip van de eraan toegewezen grondwaterlichamen, een reeks stromen, rivieren, kanalen en eventueel meren volgt, tot een bepaald punt in een waterloop of een kanaal;
17° watersysteem: een samenhangend en functioneel geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems en oevers, met inbegrip van de daarin voorkomende levensgemeenschappen en alle bijbehorende fysische, chemische en biologische processen, en de daarbij behorende technische infrastructuur;
18° schadelijk effect: ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen;
19° verontreinigende stof: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen stof die tot verontreiniging kan leiden;
20° prioritaire stoffen: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen verontreinigende stof;
21° prioritaire gevaarlijke stoffen: iedere overeenkomstig de Vlaamse milieuwetgeving door de Vlaamse Regering aangewezen prioritaire stof;
22° toestand van het oppervlaktewater: de aanduiding van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, bepaald door de chemische toestand of de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van deze toestanden;
23° goede toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarvan zowel de chemische toestand, de ecologische toestand, of in voorkomend geval het ecologisch potentieel, als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn;
24° toestand van het grondwater: de aanduiding van de toestand van een grondwaterlichaam, bepaald door de chemische of de kwantitatieve toestand ervan, meer bepaald door de slechtste van beide;
25° goede toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam, waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn;
26° goede chemische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen voldoen aan de milieukwaliteitsnormen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor die stoffen die in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van Vlarem aangeduid zijn als “VS”, “PS” of “PGS” in de kolom “Europese context”;
27° goede chemische toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarin de concentraties van verontreinigende stoffen voldoen aan de milieukwaliteitsnormen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
28° ecologische toestand van het oppervlaktewater: de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met het oppervlaktewaterlichaam zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
29° goede ecologische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de goede ecologische toestand, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
30° zeer goede ecologische toestand van het oppervlaktewater: de toestand van een oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de zeer goede ecologische toestand, en de hydromorfologische chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
31° ecologisch potentieel: de aanduiding van de kwaliteit van de structuur en het functioneren van aquatische ecosystemen die met sterk veranderde of kunstmatige oppervlaktewaterlichamen zijn geassocieerd, ingedeeld overeenkomstig de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
32° matig ecologisch potentieel: de toestand van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het matig ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
33° goed ecologisch potentieel: de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het goed ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
34° maximaal ecologisch potentieel: de toestand van een sterk veranderd of kunstmatig oppervlaktewaterlichaam, die voldoet aan de biologische kwaliteitselementen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor het maximaal ecologisch potentieel, en de hydromorfologische, chemische en fysisch-chemische kwaliteitselementen die de biologische elementen mee bepalen;
35° goede eco-hydrologische toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarvan zowel de chemische als de kwantitatieve toestand ten minste goed zijn en waarbij tevens de fysisch-chemische kwaliteit voldoet aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde bijzondere milieukwaliteitsnormen die nodig zijn met het oog op de instandhouding van de terrestrische natuurlijke habitats die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhangen;
36° kwantitatieve toestand van het grondwater: de aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe en indirecte onttrekking en aanvulling wordt beļnvloed ten opzichte van de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
37° goede kwantitatieve toestand van het grondwater: de toestand van een grondwaterlichaam waarbij de grondwaterstand en het evenwicht tussen de directe en indirecte onttrekking en aanvulling van het grondwater voldoet aan de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende grondwaterlichaam;
38° beschikbare grondwatervoorraad: het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen van de bijbehorende oppervlaktewaterlichamen te bereiken, alsmede om betekenisvolle schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;
39° kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater: de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden;
40° goede kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater: de hoogte van de waterstand, het debiet en de stroomsnelheid van het water in een oppervlaktewaterlichaam, met inbegrip van seizoensgebonden toestanden, die nodig zijn om de door de Vlaamse Regering vastgestelde milieukwantiteitsdoelstellingen voor het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam te bereiken;
41° waterdiensten: alle diensten die ten behoeve van de huishoudens, openbare instellingen en andere economische actoren voorzien in winning, onttrekking, opstuwing, opslag, opvang, behandeling en distributie van oppervlakte- of grondwater, met inbegrip van de opvang en behandeling van afvalwater;
42° watergebruik: waterdiensten en elke andere menselijke activiteit, geļdentificeerd ter uitvoering van artikel 1.7.3.1, 2°, met significante gevolgen voor de toestand van water;
43° pesticide:
a) een gewasbeschermingsmiddel: een gewasbeschermingsmiddel als vermeld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/ EEG van de Raad;
b) een biocide: een biocide als vermeld in artikel 1, §1, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2003 betreffende het op de markt brengen en het gebruiken van biociden;
44° talud: strook land binnen de bedding van een oppervlaktewaterlichaam vanaf de bodem van de bedding tot aan het begin van het omgevende maaiveld of de kruin van de berm;
45° oeverzone: strook land vanaf de bodem van de bedding van het oppervlaktewaterlichaam die een functie vervult inzake de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud of inzake de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, pesticiden of meststoffen;
46° afgebakende oeverzone: oeverzone die met dat doel is afgebakend in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of door een beslissing van de Vlaamse Regering;
47° overstromingsgebied: door bandijken, binnendijken, valleiranden of op andere wijze begrensd gebied dat op regelmatige tijdstippen al dan niet op gecontroleerde wijze overstroomt of kan overstromen en dat als dusdanig een waterbergende functie vervult of kan vervullen;
48° afgebakend overstromingsgebied: overstromingsgebied dat met dat doel is afgebakend in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of door een beslissing van de Vlaamse Regering;
49° beschermde gebieden: de in artikel 1.7.6.1 van dit decreet bedoelde gebieden die bijzondere bescherming behoeven;
50° waterbodem: de bodem van een oppervlaktewaterlichaam die altijd of een groot gedeelte van het jaar onder water staat;
51° waterweg: een als bevaarbaar aangeduide waterloop of kanaal met een verbindingsfunctie via het water, alsmede de havens en dokken;
52° vrije vismigratie: verplaatsing van vissen die een groot deel van de populatie, dan wel een of meer leeftijdsklassen van een bepaalde soort betreffen, met een voorspelbare periodiciteit gedurende de levenscyclus van de soort en waarbij twee of meer ruimtelijk gescheiden habitats worden gebruikt;
53° water bestemd voor menselijke aanwending: water bestemd voor menselijke consumptie, tweedecircuitwater en al het water dat wordt aangewend voor huishoudelijke, agrarische of industriėle toepassingen, ongeacht de herkomst van dat water;
54° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater, en water dat een geneesmiddel is;
55° waterketen: het geheel van activiteiten die samenhangen met het water bestemd voor menselijke aanwending of met de collectering en de zuivering van afvalwater;
56° waterrijke gebieden: gebieden met moerassen, vennen, veen- of plasgebieden, natuurlijk of kunstmatig, blijvend of tijdelijk, met stilstaand of stromend water, zoet, brak of zout, met inbegrip van zeewater, waarvan de diepte bij eb niet meer is dan zes meter;
57° de Vlaamse Grondenbank: afdeling van de Vlaamse Landmaatschappij, opgericht volgens het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen;
58° initiatiefnemer: de overheid die vermeld wordt bij het overstromingsgebied of de oeverzone, zoals bedoeld in artikel 1.3.3.2.1;
59° de tot aankoop verplichte entiteit: de overheid die gehouden is de aankoop zoals bedoeld in artikel 1.3.3.3.1 te doen;
60° de vergoedingsplichtige: de overheid die gehouden is tot het betalen van een vergoeding zoals bedoeld in artikel 1.3.3.3.1;
61° de begunstigde: de overheid die een voorkooprecht, zoals bedoeld in artikel 1.3.3.2.1, geniet;
62° overstroming: het tijdelijk onder water staan van land dat normaliter niet onder water staat, veroorzaakt door onder meer overstromingen door waterlopen en overstromingen door de zee;
63° overstromingsrisico: de kans dat zich een overstroming voordoet in combinatie met de mogelijke negatieve gevolgen van een overstroming voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid;
64° overstromingsrisicobeheerdoelstellingen: de doelstellingen om de negatieve gevolgen, die overstromingen met zich meebrengen, te beperken, gebaseerd op een aantal relevante aspecten zoals kosten en baten, de omvang van de overstroming, de gebieden met het vermogen om overstromingswater vast te houden en te bergen, met inbegrip van natuurlijke overstromingsgebieden, de preventie en de bescherming en paraatheid, met inbegrip van systemen voor de voorspelling van en de vroegtijdige waarschuwing voor overstromingen, het bevorderen van duurzaam landgebruik, de verbetering van de wateropvangcapaciteit en de gecontroleerde overstroming van bepaalde gebieden bij hoogwater. De overstromingsrisicobeheerdoelstellingen worden uitgewerkt in de stroomgebiedbeheerplannen;
65° havenbedrijf: havenbedrijf als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;
66° matrix: een compartiment van het aquatische milieu, dat wil zeggen water, sediment of biota;
67° biotataxon of taxon: een specifiek aquatisch taxon met een taxonomische rang van “subphylum”, “klasse” of een daaraan gelijkwaardige rang.