Art. 1.2.2.

Bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid beogen het Vlaamse Gewest, de diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, alsmede de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:
1° de bescherming, de verbetering of het herstel van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen op zo'n wijze dat tegen de datum, vermeld in artikel 1.7.2.1.1, §2, een goede toestand van de watersystemen wordt bereikt. Onder een goede toestand wordt verstaan:
a) minstens een goede chemische, ecologische en kwantitatieve toestand voor oppervlaktewaterlichamen;
b) minstens een goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen;
c) minstens een goede chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen;
2° het voorkomen en verminderen van de verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater, onder meer door:
a) het progressief verminderen van de verontreiniging door prioritaire stoffen;
b) het stopzetten of het progressief beėindigen van de verontreiniging door prioritair gevaarlijke stoffen;
3° het duurzaam beheer van de voorraden aan oppervlakte- en grondwater door:
a) een duurzame watervoorziening, met inbegrip van de winning, opvang, behandeling en distributie van water bestemd voor menselijke aanwending;
b) een duurzaam watergebruik;
4° het voorkomen van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door:
a) het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
b) het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen;
c) de vrije vismigratie, zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts, die voor alle soorten vis gegarandeerd moet worden, in alle hydrografische stroomgebieden waarbij voorrang gegeven wordt aan strategische knelpunten en het voorkomen van nieuwe migratieknelpunten. De Vlaamse Regering kan de verdere regels bepalen met betrekking tot vrije vismigratie.
d) het hanteren van technieken van natuurtechnische milieubouw;
5° het verbeteren en het herstellen van aquatische ecosystemen en van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen:
a) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de waterrijke gebieden van internationale betekenis;
b) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
c) tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de groengebieden, de parkgebieden, de bosgebieden, de natuurontwikkelingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
d) in de speciale beschermingszones voor zover het maatregelen betreft bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
6° het terugdringen van overstromingsrisico's en het risico op waterschaarste door:
a) in het beheer van het hemelwater en het oppervlaktewater als prioriteitsvolgorde de volgende hiėrarchie te hanteren: hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden, hergebruikt, geļnfiltreerd en gescheiden van het afvalwater, alvorens het geborgen en vervolgens bij voorkeur op een vertraagde wijze afgevoerd wordt;
b) verdroging te voorkomen, beperken of ongedaan te maken;
c) zoveel mogelijk ruimte te bieden aan water, waarbij het waterbergend vermogen van overstromingsgevoelige gebieden zo veel als mogelijk gevrijwaard wordt en watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden worden behouden en waar nodig hersteld;
d) de negatieve gevolgen die overstromingen buiten de afgebakende overstromingsgebieden met zich meebrengen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed, de economische bedrijvigheid en de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, te beperken;
7° het terugdringen van landerosie en van de aanvoer van sedimenten naar de oppervlaktewaterlichamen, en van het door menselijk ingrijpen veroorzaakt transport en de afzetting van slib en sediment in het oppervlaktewaterlichaam;
8° het beheer en het ontwikkelen van waterwegen met het oog op de bevordering van een milieuvriendelijker transportmodus van personen en goederen via de waterwegen en het realiseren van de intermodaliteit met de andere vervoersmodi en het bevorderen van de internationale verbindingsfunctie ervan;
9° de integrale afweging van de diverse functies binnen een watersysteem, evenals het onderling verband tussen de verschillende functies van het watersysteem;
10° het bevorderen van de betrokkenheid van de mens met het watersysteem, waaronder de verhoging van de belevingswaarde in stedelijk gebied en vormen van zachte recreatie. Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt rekening gehouden met het onderlinge verband tussen:
a) het water en de andere onderdelen van het milieu, in het bijzonder het met het water verbonden ecosysteem;
b) het grondwater, oppervlaktewater en hemelwater;

c) de waterkwaliteit en de waterkwantiteit.