Afdeling II.
Oeverzones


Art. 1.3.2.1.

De oeverzone van elk oppervlaktewaterlichaam, met uitzondering van de waterwegen, omvat ten minste de taluds ervan.

Als met het oog op de natuurlijke werking van watersystemen of het natuurbehoud, of de bescherming tegen erosie of inspoeling van sedimenten, pesticiden of meststoffen, een bredere oeverzone nodig is, wordt die op gemotiveerde wijze afgebakend door de goedkeuring van een oeverzoneproject in een stroomgebiedbeheerplan, een wateruitvoeringsprogramma of een beslissing van de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen en het goedkeuren van oeverzoneprojecten.


Art. 1.3.2.2.

1. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat gelden ten minste de volgende bepalingen:
1 elke vorm van bemesting is verboden, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing. Indien de oeverzone enkel de taluds omvat, is elke vorm van bemesting, met uitzondering van bemesting door rechtstreekse uitscheiding bij begrazing verboden binnen:
a) vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam;
b) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
c) tien meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam indien een helling grenst aan het oppervlaktewaterlichaam;
2 het gebruik van pesticiden als vermeld in artikel 3, van het decreet van 8 februari 2013 houdende duurzaam gebruik van pesticiden in het Vlaamse Gewest, is verboden in de oeverzone en binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van het oppervlaktewaterlichaam. Van dat verbod kan worden afgeweken in de gevallen, vermeld in artikel 7, eerste lid, 1, van het voormelde decreet, en volgens de procedures, vastgesteld ter uitvoering van dat decreet;
3 grondbewerkingen zijn verboden binnen een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. De grondbewerkingen, uitgevoerd vanaf een meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud, moeten beantwoorden aan de code van goede landbouwpraktijken;
4 er mogen geen nieuwe bovengrondse constructies worden opgericht binnen vijf meter landinwaarts vanaf de bovenste rand van het talud van een oppervlaktewaterlichaam. Met uitzondering van herbouwen als vermeld in artikel 4.1.1, 6, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, is het uitvoeren van onderhoudswerken, stabiliteitswerken en het verbouwen van dergelijke constructies als vermeld in artikel 4.1.1, 9, 11 en 12, van de voormelde codex, toegestaan, voor zover die handelingen toelaatbaar zijn op basis van de regelgeving inzake ruimtelijke ordening. De voormelde verboden zijn niet van toepassing op constructies die noodzakelijk zijn voor het beheer van het oppervlaktewaterlichaam, voor werkzaamheden van algemeen belang, voor werkzaamheden en constructies die expliciet zijn toegelaten door een ruimtelijk uitvoeringsplan mits zij de functie of de functies van de oeverzone niet onmogelijk maken en voor de constructies die verenigbaar zijn met de functie of de functies van de oeverzone;
5 bij het uitvoeren van de werken, vermeld in punt 4, andere dan degene die niet zijn gericht op het herstel van de natuurlijke werking van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam, worden bij voorkeur en waar mogelijk de technieken van natuurtechnische milieubouw gehanteerd.

2. De Vlaamse Regering kan in de oeverzones en in de afgebakende oeverzones, naast de bepalingen vermeld in paragraaf 1, andere noodzakelijke maatregelen opleggen, met inbegrip van erfdienstbaarheden.

In dat geval kunnen particuliere grondeigenaars of gebruikers aan het Vlaamse Gewest een vergoeding vragen. Die vergoeding kan alleen worden gevraagd als maatregelen worden opgelegd die verder gaan dan wat voor het bereiken van de basismilieukwaliteitsnormen is vereist of die verder gaan dan de maatregelen die vereist zijn voor het realiseren van het standstillbeginsel, vermeld in artikel 1.2.3, 1 .

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het beheer van oeverzones, de financiering ervan en de vergoedingsregeling, vermeld in het tweede lid.

3. De aangelanden, de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken op de oppervlaktewaterlichamen zijn verplicht om:
1 doorgang te verlenen aan de personeelsleden van de beheerder van een waterloop of waterweg, aan de werklieden en aan de andere personen die in opdracht van de overheid met de uitvoering van het beheer van een oeverzone zijn belast;
2 op hun gronden of eigendommen de materialen, het gereedschap en de werktuigen te laten plaatsen die voor de uitvoering van de werkzaamheden aan de oeverzone nodig zijn.