Onderafdeling II.
Recht van voorkoop


Art. 1.3.3.2.1.

1. Onverminderd de bepalingen die andere rechtspersonen ter zake een recht tot voorkoop verlenen, heeft het Vlaamse Gewest een recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones die samenhangen met een waterweg behorende tot haar bevoegdheid. Dit recht van voorkoop is niet van toepassing op onroerende goederen van het openbaar of privaat domein van de federale overheid en van andere gemeenschappen en gewesten.

Indien de oeverzone of het overstromingsgebied samenhangt met een waterweg behorende tot de bevoegdheid van De Vlaamse Waterweg, is de Vlaamse Waterweg de initiatiefnemer en de begunstigde voor het recht van voorkoop

Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop.

De Vlaamse Grondenbank heeft een recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen in afgebakende overstromingsgebieden en oeverzones die niet samenhangen met waterwegen.

Bij de afbakening van een oeverzone of overstromingsgebied wordt de initiatiefnemer steeds vermeld. Is de initiatiefnemer een waterwegbeheerder, dan is die de begunstigde van het recht van voorkoop. Is de initiatiefnemer daarentegen een waterloopbeheerder van onbevaarbare waterlopen, dan is de Vlaamse Grondenbank de begunstigde van het recht van voorkoop.

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen, zijn van toepassing op dit recht van voorkoop.

2. Het recht van voorkoop kan worden uitgeoefend vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de goedkeuring van de afbakening van oeverzones en overstromingsgebieden.

De Vlaamse Regering kan de nodige maatregelen nemen om in het geval het recht van voorkoop wordt uitgeoefend op een verpacht perceel, een vrijwillige grondruil mogelijk te maken. Voor die gronden kan slechts een einde worden gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van de pachtperiode zoals voorzien in artikel 7, 9, van de Pachtwet, tenzij de pachter vroeger of vrijwillig afstand doet van zijn pachtrecht.