Art. 1.5.3.2.

1. In het bekkenbestuur zetelen minstens:
1° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, zoals bedoeld in artikel 6, §1, II, 1°, en 4°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
2° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, zoals bedoeld in artikel 6, §1, III, 2°, 8°, 9° en 10°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
3° twee vertegenwoordigers van het Vlaamse Gewest, die worden aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken en het verkeer, zoals bedoeld in artikel 6, §1, X, 2°, 3° en 5°, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
4° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, zoals bedoeld in artikel 6, §1, I, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
5° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het landbouwbeleid en de zeevisserij, zoals bedoeld in artikel 6, §1, V, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
6° een vertegenwoordiger van het Vlaamse Gewest, die wordt aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor de economie, zoals bedoeld in artikel 6, §1, VI, van de bijzondere wet tot hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980;
7° een provinciaal mandataris van elke provincie waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
8° een gemeentelijk mandataris van elke gemeente waarvan het grondgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
9° een mandataris van elke polder waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
10° een mandataris van elke watering waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken;
11° een vertegenwoordiger van elk havenbedrijf waarvan het ambtsgebied geheel of gedeeltelijk deel uitmaakt van het bekken.

Het bekkenbestuur wordt voorgezeten door de gouverneur van de provincie waarvan het grondgebied deel uitmaakt van het bekken. Als het grondgebied van meerdere provincies deel uitmaakt van hetzelfde bekken, wordt het voorzitterschap waargenomen door de provinciegouverneur die in onderlinge overeenstemming wordt aangewezen.

De aangewezen provinciegouverneur is belast met het overleg en de samenwerking met de besturen van naburige staten of gewesten, die bevoegd zijn voor het waterbeheer, met het oog op de afstemming van de aspecten van het waterbeheer van regionaal belang.

§2. Het bekkenbestuur heeft tot taak:
1° het bekkensecretariaat te organiseren en aan te sturen;
2° het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het stroomgebiedbeheerplan goed te keuren, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad daarover heeft uitgebracht en met de resultaten van het openbaar onderzoek, vermeld in artikel 1.6.2.5, binnen een termijn van 90 dagen na het afsluiten van het openbaar onderzoek en uiterlijk vier maanden voor het begin van de periode waarop het stroomgebiedbeheerplan betrekking heeft;
3° het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van een wateruitvoeringsprogramma goed te keuren, rekening houdend met het advies dat de bekkenraad daarover heeft uitgebracht;
4° advies te verlenen over de waterbeleidsnota en de documenten vermeld in artikel 1.6.2.5, §1;
5° advies te verlenen over het ontwerp van zoneringsplan, vermeld in artikel 9, §3, van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 maart 2006 houdende de vaststelling van de regels voor de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en de vaststelling van de zoneringsplannen;
6° advies te verlenen over:
a) ontwerpen van investeringsprogramma's met een rechtstreekse invloed op de watersystemen;
b) ontwerpen van investeringsprogramma's over openbare rioleringen en groot- en kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties;
7° het voorstellen van een adequate bevoegdheidsverdeling van de waterwegen en de onbevaarbare waterlopen om een meer geďntegreerd, logisch samenhangend en efficiënter beheer te realiseren;
8° indien gewenst, de toelichting en/of bespreking van belangrijke projecten of intenties binnen het bekken te agenderen.

De Vlaamse Regering kan de programma's, vermeld in punt 6°, a), nader omschrijven.