Hoofdstuk VII.
Bijzondere verplichtingen met betrekking tot de stroomgebiedsdistricten


Afdeling I.
Algemene bepalingen


Art. 1.7.1.1. Dit hoofdstuk voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid tot wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en van richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van richtlijn 2000/60/EG en richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid.

Afdeling II.
Milieudoelstellingen


Onderafdeling I.
Vaststellen en bereiken van de milieudoelstellingen


Art. 1.7.2.1.1.

§1. De Vlaamse Regering stelt milieudoelstellingen voor oppervlaktewater, grondwater en waterbodems vast door middel van milieukwaliteitsnormen of milieukwantiteitsdoelstellingen. De milieukwaliteitsnormen worden vast gesteld overeenkomstig het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De milieukwaliteitsnormen voor waterbodems en de milieukwantiteitsdoelstellingen worden vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 2.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Ze houdt bij het vaststellen en bereiken van de milieudoelstellingen rekening met de strengere normen die vastgesteld zijn overeenkomstig andere specifieke regelgeving.

§2. De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2015 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:
1° voor oppervlaktewater:
a) de goede chemische toestand;
b) de goede of zeer goede ecologische toestand;
2° voor grondwater:
a) de goede chemische toestand;
b) de goede kwantitatieve toestand;
3° voor kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen:
a) de goede chemische toestand;
b) het goed of maximaal ecologisch potentieel.

De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2021 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:

1° voor oppervlaktewater:
a) minstens een goede kwantitatieve toestand;
b) de goede chemische toestand ten aanzien van de vanaf 22 december 2015 herziene normen voor antraceen, gebromeerde difenylethers, fluorantheen, lood en loodverbindingen, naftaleen, nikkel en nikkelverbindingen en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
c) de goede ecologische toestand ten aanzien van de bestaande normen die herzien zullen worden ter uitvoering van artikel 2.3.1.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

De milieudoelstellingen die uiterlijk tegen 22 december 2027 moeten worden bereikt, hebben betrekking op:
1° voor oppervlaktewater:
a) de goede chemische toestand ten aanzien van de nieuwe normen, van kracht vanaf 22 december 2018, voor dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroomcyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM;
b) de goede ecologische toestand ten aanzien van de nieuwe stoffen die ingevoegd zullen worden ter uitvoering van artikel 2.3.1.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

§3. Behoudens de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 1.7.2.5.5 bedoelde gevallen, dient bij het realiseren van de milieudoelstellingen minstens de goede toestand van het oppervlaktewater en het grondwater of het goede ecologisch potentieel van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, en indien mogelijk, de zeer goede ecologische toestand of het maximale ecologisch potentieel van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen, te worden bereikt.

§4. Behoudens de in artikel 1.7.2.5.3 en artikel 1.7.2.5.4, §§2 en 3, bedoelde gevallen, mag de bestaande toestand van het oppervlaktewater en het grondwater in geen geval achteruitgaan.

§5. De milieukwantiteitsdoelstellingen voor oppervlaktewater omvatten onder meer de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen. Bij het vaststellen van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen wordt aandacht besteed aan:
1° de vermindering van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen buiten de afgebakende overstromingsgebieden voor:
a) de gezondheid van de mens;
b) het milieu;
c) het cultureel erfgoed;
d) de economische bedrijvigheid;
e) de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur;
2° indien noodzakelijk, de niet-structurele initiatieven of maatregelen ter vermindering van de kans op overstromingen.


Onderafdeling II.
Vaststellen en beheer van de zwemwaterkwaliteit


Art. 1.7.2.2.1.

Met het oog op het behoud, de bescherming en de verbetering van een bijzondere milieukwaliteit voor zwemwater en de bescherming van de gezondheid van de mens worden, overeenkomstig de Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG, door de Vlaamse Regering de volgende bepalingen vastgesteld:
1° de afbakening van zwemwateren en het bepalen van het badseizoen;
2° de controle en de indeling van de zwemwaterkwaliteit;
3° het beheer van de zwemwaterkwaliteit;
4° het verstrekken van informatie aan het publiek, alsook de organisatie van de inspraak voor het publiek, over de zwemwaterkwaliteit.


Onderafdeling III.
Aanduiding van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen


Art. 1.7.2.3.1.

Met het oog op het vaststellen van de milieudoelstellingen kan de Vlaamse Regering oppervlaktewaterlichamen als kunstmatig of sterk veranderd aanduiden als:
1° de voor het bereiken van de goede ecologische toestand noodzakelijke wijzigingen van de hydromorfologische kenmerken een betekenisvol nadelig effect zouden hebben op:
a) het milieu;
b) activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water bestemd voor menselijke consumptie of hernieuwbare energieopwekking;
c) overstromingsrisicobeheerdoelstellingen irrigatie, waterhuishouding of afwatering.
2° het doel dat door de kunstmatige of veranderde aard van het oppervlaktewaterlichaam wordt gediend, niet kan worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.

De aanduiding wordt overeenkomstig artikel 1.7.3.2 om de zes jaar getoetst en zonodig herzien.


Onderafdeling IV.
Aanwijzen van mengzones


Art. 1.7.2.4.1.

De Vlaamse Regering kan aan lozingspunten grenzende mengzones aanwijzen. In die mengzones mogen de concentraties van prioritaire stoffen en de door de Vlaamse Regering aangewezen verontreinigende stoffen de desbetreffende milieudoelstellingen overschrijden, mits dat geen gevolgen heeft voor de naleving van deze normen in de rest van het oppervlaktewaterlichaam in kwestie.

Bij de aanwijzing van lozingspunten waarborgt de Vlaamse Regering dat de omvang van elke mengzone:
1° beperkt is tot de nabijheid van het lozingspunt;
2° proportioneel is, rekening houdend met de concentraties van de verontreinigende stoffen op het lozingspunt en de geldende voorwaarden voor de emissies van verontreinigende stoffen.


Onderafdeling V.
Omstandigheden waarin van het bereiken van de milieudoelstellingen kan worden afgeweken


Art. 1.7.2.5.1.

De Vlaamse Regering kan de in artikel 1.7.2.1.1, §2, bedoelde termijn verlengen als alle noodzakelijke verbeteringen in de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet binnen die termijn kunnen worden bereikt omdat dit technisch niet haalbaar is, of onevenredig hoge kosten zou meebrengen, of niet mogelijk is omwille van natuurlijke omstandigheden.

In dat geval zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
a) alle maatregelen worden genomen die noodzakelijk worden geacht om de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen voor het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen;
b) de redenen voor de betekenisvolle vertraging bij de uitvoering van deze maatregelen worden onderzocht;
c) het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van deze maatregelen wordt aangeduid;
d) er geen verdere achteruitgang optreedt in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De verlengingen zijn beperkt tot maximaal twee herzieningen van het stroomgebiedbeheerplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden zodanig zijn dat de milieudoelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt.


Art. 1.7.2.5.2.

De Vlaamse Regering kan minder strenge milieudoelstellingen vaststellen voor oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen wanneer het bereiken van de milieudoelstellingen technisch niet haalbaar zou zijn of onevenredig hoge kosten met zich zou meebrengen als gevolg van:
1° de aantasting van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen door menselijke activiteiten, zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §1, uitgevoerde analyses en beoordelingen;
2° de natuurlijke gesteldheid van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen.

Bij het vaststellen van de minder strenge milieudoelstellingen neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door die menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere voor het milieu gunstiger middelen, die geen onevenredig hoge kosten met zich meebrengen;
2° er wordt zorg voor gedragen dat:
a) voor oppervlaktewaterlichamen de best mogelijke ecologische en chemische toestand wordt bereikt die haalbaar is gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
b) voor grondwaterlichamen zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand optreden, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
3° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.3.

Een tijdelijke achteruitgang van de toestand van oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als die het gevolg is van een van de volgende omstandigheden:
1° omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak voordoen en die uitzonderlijk zijn of redelijkerwijs niet waren te voorzien, met name extreme overstromingen of lange droogteperioden;
2° omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen.

Hierbij neemt de Vlaamse Regering al de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare maatregelen worden getroffen om de verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen zodat het bereiken van de milieudoelstellingen bij andere, niet door de omstandigheden getroffen oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen, niet in het gedrang wordt gebracht. Deze maatregelen mogen het herstel van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet in de weg staan wanneer de omstandigheden van het eerste lid niet meer bestaan;
2° het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam moet zo snel als redelijkerwijs haalbaar worden hersteld in de toestand waarin het zich bevond voordat de gevolgen van die omstandigheden intraden, behalve indien dit niet mogelijk is omwille van het feit dat:
a) de vereiste verbeteringen technisch niet haalbaar zijn;
b) de kostprijs van die maatregelen onevenredig hoog is;
c) de natuurlijke omstandigheden een tijdige verbetering van de toestand van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam beletten.

De effecten van die omstandigheden worden jaarlijks geëvalueerd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels van die evaluatie bepalen.


Art. 1.7.2.5.4.

§1. Het niet bereiken van de goede toestand van een grondwaterlichaam, de goede ecologische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, het goede ecologisch potentieel van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als dat het gevolg is van nieuwe veranderingen in de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of indirecte wijzigingen in de grondwaterstand, wegens:
1° activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water, bestemd voor menselijke consumptie, of hernieuwbare energieopwekking;
2° de bescherming tegen overstroming van vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden;
3° relevante activiteiten voor het bereiken van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen.

§2. In het geval, vermeld in paragraaf 1, neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare stappen en maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwaterlichaam tegen te gaan;
2° het doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt gediend, kan niet worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.5.

Bij het aanduiden van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen en bij de overeenkomstig de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 561.7.2.5.4 bedoelde afwijkingen van de milieudoelstellingen zorgt de Vlaamse Regering ervoor:
1° dat het bereiken van de milieudoelstellingen in andere oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen in hetzelfde stroomgebiedsdistrict niet in het gedrang worden gebracht of niet blijvend worden verhinderd;
2° dat alle maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de toepassing van de nieuwe bepalingen ten minste hetzelfde beschermingsniveau waarborgt als datgene dat wordt gewaarborgd door de bestaande wetgeving.


Art. 1.7.2.5.6.

Wanneer uit monitoringgegevens of andere gegevens blijkt dat de milieudoelstellingen voor waterlichamen vermoedelijk niet worden bereikt, zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
1° de oorzaken van het eventuele falen worden onderzocht;
2° de betrokken vergunningen en toestemmingen worden onderzocht en zo nodig worden herzien;
3° de monitoringprogramma's worden getoetst en zo nodig herzien;
4° de noodzakelijke aanvullende maatregelen worden genomen teneinde de milieudoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de vaststelling van strengere milieudoelstellingen.

Indien de in het eerste lid, 1°, bedoelde oorzaken het resultaat zijn van redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, in het bijzonder extreme overstromingen of lange droogteperioden, kan de Vlaamse Regering afwijken van hetgeen is bepaald in het eerste lid, 4°, onder voorbehoud van de in artikel 1.7.2.5.3 bedoelde tijdelijke achteruitgang.

Van het vereiste om noodzakelijke aanvullende maatregelen te nemen, vermeld in het eerste lid, 4°, kan door de Vlaamse Regering worden afgeweken als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de oorzaken, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn het resultaat van een overschrijding die te wijten is aan een buiten het Vlaamse Gewest gelegen verontreinigingsbron;
2° de Vlaamse Regering was ten gevolge van die grensoverschrijdende verontreiniging niet in staat om effectieve maatregelen te nemen om de milieudoelstellingen in kwestie na te leven;
3° de Vlaamse Regering paste de coördinatiemechanismen, vermeld in artikel 1.4.1.2, toe;
4° de Vlaamse Regering maakte in voorkomend geval gebruik van de bepalingen van artikelen 1.7.2.5.1 tot en met 1.7.2.5.3 voor de door de grensoverschrijdende verontreiniging getroffen waterlichamen.


Onderafdeling VI.
Kostenterugwinning van waterdiensten


Art. 1.7.2.6.1. De Vlaamse Regering doet de gepaste voorstellen van maatregelen om het in artikel 1.2.3, 6°, bedoelde kostenterugwinningsbeginsel tegen het jaar 2010 toe te passen.

Afdeling III.
Analyses en beoordelingen


Art. 1.7.3.1.

§1. De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat voor elk stroomgebiedsdistrict de volgende analyses en beoordelingen worden uitgevoerd:
1° de kenmerken van het stroomgebiedsdistrict:
a) voor oppervlaktewateren:
1) het vaststellen van de ligging en de grenzen van de oppervlaktewaterlichamen;
2) het indelen van de oppervlaktewaterlichamen in de categorieën rivieren, meren en overgangswateren;
3) het aanduiden van oppervlaktewaterlichamen als kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen en het indelen van deze in de categorieën rivieren, meren en overgangswateren;
4) het voor elke categorie onderscheiden van de oppervlaktewaterlichamen in typen;
5) het bepalen van de referentieomstandigheden voor de typen oppervlaktewaterlichamen;
b) voor grondwater:
1) de ligging en de grenzen van de grondwaterlichamen;
2) de karakterisering van de grondwaterlichamen;
2° een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en het grondwater;
3° een economische analyse van het watergebruik, die voldoende gedetailleerde informatie bevat voor:
a)
de relevante berekeningen die nodig zijn om rekening te houden met het kostenterugwinningsbeginsel.
Dit impliceert:
1) langetermijnvoorspellingen van vraag en aanbod naar water in het stroomgebiedsdistrict;
2) waar nodig ramingen van volume, prijzen en kosten voor waterdiensten, en ramingen van relevante investeringen, inclusief voorspellingen van dergelijke investeringen;
b) een oordeel over de meest kosteneffectieve combinatie van maatregelen op het gebied van watergebruik, gebaseerd op ramingen van de potentiële kosten van dergelijke maatregelen.

Bij het maken van de in het eerste lid, 3°, bedoelde economische analyse van het watergebruik wordt rekening gehouden met de kosten voor het verzamelen van de relevante gegevens.

§2. De Vlaamse Regering zorgt er voor dat er een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling opgemaakt wordt die gebaseerd wordt op beschikbare of gemakkelijk af te leiden informatie, zoals registraties en onderzoeken naar ontwikkelingen op de lange termijn, in het bijzonder de gevolgen van klimaatverandering voor het optreden van overstromingen. De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt opgesteld ter beoordeling van mogelijke risico's. De beoordeling bevat de in bijlage 1, onder punt 1.2.1 vermelde elementen. De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt uiterlijk op 22 december 2011 voltooid.

Op basis van een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling wordt voor ieder stroomgebiedsdistrict, stroomgebied, of voor het deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict zoals bepaald in artikelen 1.4.1.1 en 1.4.1.2 van dit decreet, de gebieden vastgesteld waarvoor geconcludeerd wordt dat een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht.

De vaststelling van de gebieden waarvoor een potentieel significant overstromingsrisico bestaat in een internationaal stroomgebiedsdistrict wordt tussen de betrokken lidstaten gecoördineerd.

De Vlaamse Regering kan beslissen om geen voorlopige overstromingsrisicobeoordeling te verrichten voor stroomgebieden, deelstroomgebieden of kustgebieden wanneer zij met betrekking tot die gebieden:
a) ofwel al vóór 22 december 2010 middels een risicobeoordeling hebben vastgesteld dat daar een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht, en zij deze bijgevolg hebben ingedeeld bij de gebieden waarvoor zij concluderen dat een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht;
b) ofwel al vóór 22 december 2010 hebben besloten overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten op te stellen en overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van dit decreet overstromingsrisicobeheerplannen op te stellen.

De voorlopige overstromingsrisicobeoordeling of de in §2, lid 4, bedoelde beoordeling en beslissingen wordt uiterlijk op 22 december 2018 en daarna om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgesteld.

Bij deze toetsing en bijstelling wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen. De voorlopige risicobeoordeling wordt ter beschikking van het publiek gesteld.

§3. De Vlaamse Regering zorgt ervoor dat voor elk stroomgebiedsdistrict, voor die gebieden waarvoor zij concludeert dat er een potentieel significant overstromingsrisico bestaat of kan worden verwacht, op de meest geschikte schaal, de volgende kaarten worden opgemaakt:
1° overstromingsgevaarkaarten:
a) overstromingsgevaarkaarten hebben betrekking op de geografische gebieden die volgens de volgende scenario's kunnen worden overstroomd:
1) kleine kans op overstromingen of scenario's van buitengewone gebeurtenissen;
2) middelgrote kans op overstromingen, met een kans op herhaling => 100 jaar;
3) grote kans op overstromingen, indien van toepassing;
b) voor elk van de scenario's, vermeld in punt a) , worden de volgende gegevens vermeld:
1) de omvang van de overstroming;
2) de waterdiepte of, indien van toepassing, het waterniveau;
3) de stroomsnelheid of het betrokken waterdebiet, indien van toepassing;
c) voor gebieden waar overstroming door grondwater wordt veroorzaakt, kan de Vlaamse Regering besluiten om de overstromingsgevaarkaarten uitsluitend op te stellen met betrekking tot het scenario, vermeld in punt a) , 1) ;
d) voor kustgebieden waar een passend beschermingsniveau wordt geboden, kan de Vlaamse Regering besluiten om de overstromingsgevaarkaarten uitsluitend op te stellen met betrekking tot het scenario, vermeld in punt a) , 1) ;
2° overstromingsrisicokaarten: overstromingsrisicokaarten moeten aan de hand van de volgende gegevens een beeld geven van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen in de scenario's, vermeld in punt 1°, a) ;
a) het indicatieve aantal potentieel getroffen inwoners;
b) het type economische bedrijvigheid van het potentieel getroffen gebied;
c) de GPBV-installaties, aangewezen in de indelingslijst, vermeld in artikel 7.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de overeenkomstig artikel 1.7.6.1, tweede lid, 1°, 3° en 5°, aangeduide beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn;
d) andere informatie die de Vlaamse Regering nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen, alsmede informatie over andere belangrijke bronnen van vervuiling.

§4. De overstromingsgevaarkaarten en overstromingsrisicokaarten die voor 22 december 2010 werden voltooid, kunnen gebruikt worden als met die kaarten het informatieniveau wordt geboden dat in overeenstemming is met de vereisten, vermeld in artikel 1.7.3.1, §3.


Art. 1.7.3.2.

§1. De analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 1.7.3.1, §1, zijn uiterlijk op 22 december 2004 uitgevoerd.

Ze worden voor het eerst uiterlijk op 22 december 2013 en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien.

§2. De kaarten, vermeld in artikel 1.7.3.1, §3, zijn uiterlijk op 22 december 2013 voltooid. Ze worden voor het eerst uiterlijk op 22 december 2019 en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien. De kaarten worden ter beschikking van het publiek gesteld.

§3. Bij de toetsingen en herzieningen, vermeld in §2, wordt rekening gehouden met het vermoedelijke effect van de klimaatverandering op het plaatsvinden van overstromingen.


Art. 1.7.3.3.

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken aan de uitvoering van de in artikel 1.7.3.1 bedoelde analyses en beoordelingen, mogen voor de uitoefening van hun opdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen, bestemd voor privé- of bedrijfsactiviteiten, om er de noodzakelijke opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich daarbij steeds te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht.

Voor de uitvoering van deze analyses en beoordelingen kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en de eventueel bijbehorende nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

De in het eerste lid bedoelde personen mogen bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de politie vorderen.


Art. 1.7.3.4. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de inhoud en de uitvoering van de analyses en beoordelingen.

Afdeling IV.
De maatregelenprogramma's


Art. 1.7.4.1.

De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict afzonderlijk of voor het Vlaamse Gewest in zijn geheel op basis van de resultaten van de analyses en beoordelingen, vermeld in artikel 1.7.3.1 een maatregelenprogramma vast ter verwezenlijking van de doelstellingen vermeld in artikel 1.2.2 en artikel 1.7.2.1.1.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen inzake de afstemming op of de integratie van het maatregelenprogramma in bestaande waterbeheersplannen en bestaande maatregelenprogramma's.


Art. 1.7.4.2. De maatregelenprogramma's bevatten de in bijlage 2 bepaalde gegevens.

Art. 1.7.4.3.

§1. De maatregelenprogramma's worden uiterlijk op 22 december 2009 voor het eerst vastgesteld. De Vlaamse Regering stelt ten aanzien van de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1. bij titel II van VLAREM, een voorlopig maatregelenprogramma vast tegen 22 december 2018. De maatregelenprogramma's worden vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig herzien.

De maatregelen met betrekking tot het beheer van overstromingsrisico's zijn opgenomen in punt 6 van bijlage 2, die bij dit decreet is gevoegd.

§2. De maatregelen dienen uiterlijk op 22 december 2012 in uitvoering te zijn.

Nieuwe of herziene maatregelen dienen binnen drie jaar na de vaststelling ervan in uitvoering te zijn.


Art. 1.7.4.4.

§1. Jaarlijks wordt een wateruitvoeringsprogramma met bekkenspecifieke delen opgemaakt. Het wateruitvoeringsprogramma bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage 4. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de totstandkomingsprocedure en de goedkeuring van het wateruitvoeringsprogramma.

§2. Het wateruitvoeringsprogramma wordt voorbereid door de CIW.

Het ontwerp van het bekkenspecifieke deel van het wateruitvoeringsprogramma wordt voor advies voorgelegd aan de bekkenraad, die er binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst ervan een advies over uitbrengt. Als geen advies is verleend binnen die termijn, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. De ontwerpen van de bekkenspecifieke delen van het wateruitvoeringsprogramma worden door het bekkenbestuur goedgekeurd en bezorgd aan de CIW.

§3. De diensten en agentschappen die afhangen van het Vlaamse Gewest, de besturen, de bekkensecretariaten, alsook de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtspersonen die in het Vlaamse Gewest belast zijn met taken van openbaar nut, stellen op eenvoudig verzoek van de CIW, alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opstellen van de wateruitvoeringsprogramma's ter beschikking van de CIW De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld. De CIW zorgt voor de verdere doorstroming van de relevante informatie naar de bekkensecretariaten.


Afdeling V.
Programma's voor de monitoring


Art. 1.7.5.1.

De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict programma's op voor de monitoring van de watertoestand.

De programma's dienen uiterlijk op 22 december 2006 in uitvoering te zijn.

De Vlaamse Regering stelt ten aanzien van de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 bij titel II van VLAREM, een aanvullend monitoringprogramma op tegen 22 december 2018.


Art. 1.7.5.2.

De programma's bevatten:
1° voor oppervlaktewater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand;
c) de mate waarin het oppervlaktewater aan erosie onderhevig is;
d) de aanvoer en afzetting van sedimenten;
e) de ecologische toestand en het ecologisch potentieel;
2° voor grondwater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand van het grondwater.

Voor de beschermde gebieden worden de programma's aangevuld met de bijzondere voorschriften van de communautaire wetgeving op grond waarvan de beschermde gebieden zijn ingesteld.

Art. 1.7.5.3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de inhoud en de uitvoering van de programma's, met inbegrip van de uitbouw en het beheer van waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmeetnetten.

Art. 1.7.5.4.

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken aan de uitvoering van de in artikel 1.7.5.1bedoelde programma's, mogen voor de uitoefening van hun opdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen, bestemd voor privé- of bedrijfsactiviteiten, om er de noodzakelijke opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich daarbij steeds te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht.

Voor de uitvoering van deze programma's kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en de eventueel bijbehorende nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

De in het eerste lid bedoelde personen mogen bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de politie vorderen.


Afdeling VI.
Register van beschermde gebieden


Art. 1.7.6.1.

De Vlaamse Regering maakt voor elk stroomgebiedsdistrict een register op van alle daarin gelegen beschermde gebieden.

Het register bevat ten minste de volgende in het kader van de communautaire wetgeving aangeduide beschermde gebieden:
1° oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen binnen elk stroomgebiedsdistrict die dagelijks gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren of meer dan 50 personen bedienen, aangewezen voor de onttrekking van water bestemd voor menselijke consumptie en de voor dat toekomstig gebruik bestemde oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen, met inbegrip van de beschermingszones voor die oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen;
2° gebieden voor de bescherming van economisch betekenisvolle in het water levende planten- en diersoorten;
3° oppervlaktewaterlichamen met als bestemming recreatiewater of zwemwater;
4° de kwetsbare zones water in uitvoering van de richtlijn 91/271 van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater, de kwetsbare zones in uitvoering van richtlijn 91/676/EEG van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnenen de gebieden, vermeld in artikel 41bis en 41ter van het Mestdecreet van 22 december 2006;
5° de definitief vastgestelde speciale beschermingszones in uitvoering van artikel 36bis van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de waterrijke gebieden van internationale betekenis bedoeld in artikel 2, 21°, van hetzelfde decreet.


Art. 1.7.6.2. Het register wordt uiterlijk op 22 december 2004 opgesteld en wordt voortdurend opgevolgd en bijgewerkt.

Art. 1.7.6.3.

Het register omvat minstens kaarten waarop de ligging van elk beschermd gebied is aangegeven, alsmede een beschrijving van de communautaire en Vlaamse wetgeving op grond waarvan zij als beschermde gebieden zijn aangewezen.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud, het opstellen en het bijwerken van het register.