Onderafdeling V.
Omstandigheden waarin van het bereiken van de milieudoelstellingen kan worden afgeweken


Art. 1.7.2.5.1.

De Vlaamse Regering kan de in artikel 1.7.2.1.1, §2, bedoelde termijn verlengen als alle noodzakelijke verbeteringen in de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet binnen die termijn kunnen worden bereikt omdat dit technisch niet haalbaar is, of onevenredig hoge kosten zou meebrengen, of niet mogelijk is omwille van natuurlijke omstandigheden.

In dat geval zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
a) alle maatregelen worden genomen die noodzakelijk worden geacht om de oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen voor het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen;
b) de redenen voor de betekenisvolle vertraging bij de uitvoering van deze maatregelen worden onderzocht;
c) het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering van deze maatregelen wordt aangeduid;
d) er geen verdere achteruitgang optreedt in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De verlengingen zijn beperkt tot maximaal twee herzieningen van het stroomgebiedbeheerplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden zodanig zijn dat de milieudoelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt.


Art. 1.7.2.5.2.

De Vlaamse Regering kan minder strenge milieudoelstellingen vaststellen voor oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen wanneer het bereiken van de milieudoelstellingen technisch niet haalbaar zou zijn of onevenredig hoge kosten met zich zou meebrengen als gevolg van:
1° de aantasting van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen door menselijke activiteiten, zoals vastgesteld in de overeenkomstig artikel 1.7.3.1, §1, uitgevoerde analyses en beoordelingen;
2° de natuurlijke gesteldheid van die oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen.

Bij het vaststellen van de minder strenge milieudoelstellingen neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door die menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere voor het milieu gunstiger middelen, die geen onevenredig hoge kosten met zich meebrengen;
2° er wordt zorg voor gedragen dat:
a) voor oppervlaktewaterlichamen de best mogelijke ecologische en chemische toestand wordt bereikt die haalbaar is gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
b) voor grondwaterlichamen zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand optreden, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;
3° er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.3.

Een tijdelijke achteruitgang van de toestand van oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als die het gevolg is van een van de volgende omstandigheden:
1° omstandigheden die zich door een natuurlijke oorzaak voordoen en die uitzonderlijk zijn of redelijkerwijs niet waren te voorzien, met name extreme overstromingen of lange droogteperioden;
2° omstandigheden die zijn veroorzaakt door redelijkerwijs niet te voorziene ongevallen.

Hierbij neemt de Vlaamse Regering al de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare maatregelen worden getroffen om de verdere achteruitgang van de toestand te voorkomen zodat het bereiken van de milieudoelstellingen bij andere, niet door de omstandigheden getroffen oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen, niet in het gedrang wordt gebracht. Deze maatregelen mogen het herstel van de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam niet in de weg staan wanneer de omstandigheden van het eerste lid niet meer bestaan;
2° het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam moet zo snel als redelijkerwijs haalbaar worden hersteld in de toestand waarin het zich bevond voordat de gevolgen van die omstandigheden intraden, behalve indien dit niet mogelijk is omwille van het feit dat:
a) de vereiste verbeteringen technisch niet haalbaar zijn;
b) de kostprijs van die maatregelen onevenredig hoog is;
c) de natuurlijke omstandigheden een tijdige verbetering van de toestand van het desbetreffende oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam beletten.

De effecten van die omstandigheden worden jaarlijks geëvalueerd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels van die evaluatie bepalen.


Art. 1.7.2.5.4.

§1. Het niet bereiken van de goede toestand van een grondwaterlichaam, de goede ecologische toestand van een oppervlaktewaterlichaam, het goede ecologisch potentieel van een kunstmatig of sterk veranderd oppervlaktewaterlichaam of het niet voorkomen van achteruitgang van de toestand van een grondwaterlichaam of oppervlaktewaterlichaam houdt geen schending in van de vastgestelde milieudoelstellingen als dat het gevolg is van nieuwe veranderingen in de fysische kenmerken van een oppervlaktewaterlichaam of indirecte wijzigingen in de grondwaterstand, wegens:
1° activiteiten van groot maatschappelijk belang met betrekking tot de scheepvaart, havenfaciliteiten, openbare voorzieningen voor water, bestemd voor menselijke consumptie, of hernieuwbare energieopwekking;
2° de bescherming tegen overstroming van vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden;
3° relevante activiteiten voor het bereiken van de overstromingsrisicobeheerdoelstellingen.

§2. In het geval, vermeld in paragraaf 1, neemt de Vlaamse Regering de volgende voorwaarden in acht:
1° alle haalbare stappen en maatregelen worden genomen om de negatieve effecten op de toestand van het oppervlaktewaterlichaam of het grondwaterlichaam tegen te gaan;
2° het doel dat met die veranderingen of wijzigingen van het oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam wordt gediend, kan niet worden bereikt met andere voor het milieu aanmerkelijk gunstiger middelen, omdat dit technisch niet haalbaar is of onevenredig hoge kosten zou meebrengen.

De Vlaamse Regering herziet om de zes jaar de gevallen waarin ze van de milieudoelstellingen afwijkt.


Art. 1.7.2.5.5.

Bij het aanduiden van kunstmatige of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen en bij de overeenkomstig de in de artikelen 1.7.2.5.1 tot 561.7.2.5.4 bedoelde afwijkingen van de milieudoelstellingen zorgt de Vlaamse Regering ervoor:
1° dat het bereiken van de milieudoelstellingen in andere oppervlaktewaterlichamen of grondwaterlichamen in hetzelfde stroomgebiedsdistrict niet in het gedrang worden gebracht of niet blijvend worden verhinderd;
2° dat alle maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de toepassing van de nieuwe bepalingen ten minste hetzelfde beschermingsniveau waarborgt als datgene dat wordt gewaarborgd door de bestaande wetgeving.


Art. 1.7.2.5.6.

Wanneer uit monitoringgegevens of andere gegevens blijkt dat de milieudoelstellingen voor waterlichamen vermoedelijk niet worden bereikt, zorgt de Vlaamse Regering ervoor dat:
1° de oorzaken van het eventuele falen worden onderzocht;
2° de betrokken vergunningen en toestemmingen worden onderzocht en zo nodig worden herzien;
3° de monitoringprogramma's worden getoetst en zo nodig herzien;
4° de noodzakelijke aanvullende maatregelen worden genomen teneinde de milieudoelstellingen te bereiken, met inbegrip van de vaststelling van strengere milieudoelstellingen.

Indien de in het eerste lid, 1°, bedoelde oorzaken het resultaat zijn van redelijkerwijs niet te voorziene of uitzonderlijke omstandigheden die het gevolg zijn van natuurlijke oorzaken of overmacht, in het bijzonder extreme overstromingen of lange droogteperioden, kan de Vlaamse Regering afwijken van hetgeen is bepaald in het eerste lid, 4°, onder voorbehoud van de in artikel 1.7.2.5.3 bedoelde tijdelijke achteruitgang.

Van het vereiste om noodzakelijke aanvullende maatregelen te nemen, vermeld in het eerste lid, 4°, kan door de Vlaamse Regering worden afgeweken als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de oorzaken, vermeld in het eerste lid, 1°, zijn het resultaat van een overschrijding die te wijten is aan een buiten het Vlaamse Gewest gelegen verontreinigingsbron;
2° de Vlaamse Regering was ten gevolge van die grensoverschrijdende verontreiniging niet in staat om effectieve maatregelen te nemen om de milieudoelstellingen in kwestie na te leven;
3° de Vlaamse Regering paste de coördinatiemechanismen, vermeld in artikel 1.4.1.2, toe;
4° de Vlaamse Regering maakte in voorkomend geval gebruik van de bepalingen van artikelen 1.7.2.5.1 tot en met 1.7.2.5.3 voor de door de grensoverschrijdende verontreiniging getroffen waterlichamen.