Afdeling V.
Programma's voor de monitoring


Art. 1.7.5.1.

De Vlaamse Regering stelt voor elk stroomgebiedsdistrict programma's op voor de monitoring van de watertoestand.

De programma's dienen uiterlijk op 22 december 2006 in uitvoering te zijn.

De Vlaamse Regering stelt ten aanzien van de stoffen dicofol, perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten, quinoxyfen, dioxinen en dioxineachtige verbindingen, aclonifen, bifenox, cybutryne, cypermethrin, dichloorvos, hexabroom-cyclododecaan, heptachloor en heptachloor-epoxide en terbutryn, vermeld in artikel 3 van bijlage 2.3.1 bij titel II van VLAREM, een aanvullend monitoringprogramma op tegen 22 december 2018.


Art. 1.7.5.2.

De programma's bevatten:
1° voor oppervlaktewater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand;
c) de mate waarin het oppervlaktewater aan erosie onderhevig is;
d) de aanvoer en afzetting van sedimenten;
e) de ecologische toestand en het ecologisch potentieel;
2° voor grondwater:
a) de chemische toestand;
b) de kwantitatieve toestand van het grondwater.

Voor de beschermde gebieden worden de programma's aangevuld met de bijzondere voorschriften van de communautaire wetgeving op grond waarvan de beschermde gebieden zijn ingesteld.

Art. 1.7.5.3. De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de inhoud en de uitvoering van de programma's, met inbegrip van de uitbouw en het beheer van waterkwantiteits- en waterkwaliteitsmeetnetten.

Art. 1.7.5.4.

Personen die ingevolge hun ambt of in opdracht van de overheid werken aan de uitvoering van de in artikel 1.7.5.1bedoelde programma's, mogen voor de uitoefening van hun opdracht onroerende goederen betreden, met uitzondering van woningen en gebouwen, bestemd voor privé- of bedrijfsactiviteiten, om er de noodzakelijke opmetingen en onderzoekingen te verrichten. Zij dienen zich daarbij steeds te legitimeren en moeten in staat zijn bewijs te leveren van hun opdracht.

Voor de uitvoering van deze programma's kunnen de noodzakelijke meetinstallaties en de eventueel bijbehorende nutsleidingen bij wijze van erfdienstbaarheid van openbaar nut worden aangebracht.

De in het eerste lid bedoelde personen mogen bij de uitoefening van hun opdracht de bijstand van de politie vorderen.