Titel II.
Beheer van de waterketen


Hoofdstuk I.
Doelstellingen en definities


Art. 2.1.1.

§1. Deze titel beoogt een duurzame watervoorziening en een duurzaam watergebruik.

§2. Een duurzame watervoorziening, met inbegrip van de winning, opvang, behandeling en distributie van water bestemd voor menselijke aanwending, en een duurzaam watergebruik hebben als doel de bescherming van het milieu, waarbij de bescherming van de volksgezondheid door het verzekeren van de levering van een optimale hoeveelheid water bestemd voor menselijke aanwending van een geschikte kwaliteit prioritair is en waarbij rekening gehouden wordt met sociale en economische aspecten.

§3. Van het toepassingsgebied van deze titel wordt uitgesloten, met uitzondering van de bepalingen in artikel 2.3.5, artikel 2.6.1.3.3, artikel 4.3.1.1.1 tot en met artikel 4.3.1.1.5., en artikel 4.3.3.1- tot en met 4.3.3.4:
1° al het water bestemd voor menselijke consumptie dat in een levensmiddelenbedrijf wordt aangewend voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen en dat niet geleverd wordt via een waterdistributienetwerk of dat een verwerking of behandeling in het bedrijf ondergaat;
2° al het water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt in flessen of verpakkingen in het kader van een commerciėle activiteit;
3° al het water bestemd voor menselijke consumptie dat in een levensmiddelenbedrijf via een tankschip of tankauto voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen wordt geleverd.


Art. 2.1.2.

In deze titel wordt verstaan onder:
aansluiting: de koppeling met het openbaar waterdistributienetwerk waardoor water, bestemd voor menselijke consumptie, kan worden afgenomen;
abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;
aftakking: het geheel van leidingen en apparatuur, gebruikt voor de watervoorziening van een onroerend goed, inclusief de watermeter, dat door de exploitant wordt aangelegd vanaf de distributieleiding tot aan een binneninstallatie;
bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
collectieve sanering: de sanering op gemeentelijk vlak uitgezonderd de individuele sanering;
distributiegebied: gebied waarin door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen van het openbaar waterdistributienetwerk, aan abonnees water bestemd voor menselijke consumptie of tweedecircuitwater wordt geleverd;
ecologisch toezichthouder: de instantie van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van ecologisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
economische toezichthouder: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van economisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren;
10° fraude: het oneigenlijke gebruik van het openbaar waterdistributienetwerk, waardoor water, bestemd voor menselijke consumptie onrechtmatig kan worden afgenomen dat niet geregistreerd wordt door de watermeter of waarvan de correcte registratie van het verbruik door kunstgrepen verhinderd wordt;
11° gebruiker van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft;
12° gemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake collectieve sanering die op de gemeenten rust. Indien de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit eveneens instaat voor de bouw of exploitatie van individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne, maakt ook deze individuele sanering een integraal onderdeel uit van de gemeentelijke saneringsverplichting;
13° grens tussen het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en het huishoudelijk leidingnet: de grens tussen het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en het huishoudelijk leidingnet bevindt zich stroomafwaarts onmiddellijk na de watermeter of, indien een gedeelte van het leidingnet voor de watermeter eigendom is van de abonnee, op het punt waar het eigendomsrecht van de abonnee op het leidingnet aanvangt;
14° grondwater: al het water dat zich onder het bodemoppervlak in de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met de bodem of de ondergrond staat;
15° grondwaterwinning: alle putten, opvangplaatsen, draineerinrichtingen, bronbemalingen en over het algemeen alle werken en installaties die tot doel of tot gevolg hebben grondwater op te vangen, met inbegrip van het opvangen van bronnen op het uitvloeiingspunt en het tijdelijk of bestendig verlagen van de grondwatertafel ingevolge grondwerken;
16° huishoudelijke abonnee: een abonnee die het door de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk geleverde water uitsluitend gebruikt om te voorzien in de huishoudelijke behoeften van gedomicilieerde personen in het desbetreffende onroerend goed waarop hij een recht heeft. Het betreft een van de volgende personen:
a)
een natuurlijk persoon, behalve in het geval van een onderneming als vermeld in artikel I.4, 1°, van het Wetboek van Economisch Recht;
b)
een vereniging van mede-eigenaars;
17° huishoudelijk leidingnet: de kranen en de leidingen, fittingen en toestellen die geļnstalleerd worden tussen de kranen die gewoonlijk aangewend worden voor menselijke consumptie en het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en die niet vallen onder de overeenkomstig artikel 6 vastgestelde verantwoordelijkheid van de waterleverancier;
18° individuele sanering: alle installaties, met inbegrip van de leidingen die hiermee rechtstreeks in verbinding staan en die de verbinding maken tussen de installatie en het eigendom van de abonnee of gebruiker van een private waterwinning, waar uitsluitend huishoudelijk afvalwater afkomstig van een of meerdere woongelegenheden gezuiverd wordt en die de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit heeft gebouwd of exploiteert;
19° inrichting: de plaatsen waar oppervlaktewater, grondwater of ander water onttrokken, opgestuwd, opgeslagen of behandeld wordt tot water bestemd voor menselijke consumptie, ongeacht de herkomst van het water, en de plaatsen waar water bestemd voor menselijke consumptie in het openbaar of privaat waterdistributienetwerk verdeeld wordt;
20°
leveringsgebied: een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het water bestemd voor menselijke consumptie afkomstig is uit een of enkele bronnen waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn;
21°
openbare dienstverplichting: verplichting die betrekking heeft op sociaal-    economische, ecologische en technische aspecten van de voorziening van water bestemd voor menselijke aanwending en voor de sanering ervan;
22°
publieke gebouwen: plaatsen die toegankelijk zijn voor het publiek, waar het publiek van water bestemd voor menselijke consumptie wordt voorzien, onder andere waar:
a) al dan niet tegen betaling, aan het publiek diensten worden verstrekt, met inbegrip van plaatsen waar voedingsmiddelen of dranken ter consumptie aangeboden worden;
b) zieken of bejaarden worden opgevangen en verzorgd;
c) preventieve of curatieve gezondheidszorgen worden verstrekt;
d) kinderen of jongeren tot en met schoolgaande leeftijd worden opgevangen, gehuisvest of verzorgde
e) onderwijs en/of beroepsopleiding worden verstrekt;
f) vertoningen plaatsvinden;
g) tentoonstellingen worden georganiseerd;
h) sport wordt beoefend;
23° sanering: het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;
24° technische hulpmiddelen: chemische producten of fysische hulpmiddelen of alle materialen die deels of geheel aangewend worden bij de bereiding van water bestemd voor menselijke consumptie;
25°
Titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne.
26°
titularis van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water bestemd voor menselijke aanwending in eigendom heeft;
27°
toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vermeld in artikel 12, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
28°
tweedecircuitwater: hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en gerecupereerd afvalwater dat niet bestemd is voor menselijke consumptie en apparatuur bevoorraadt voor bijvoorbeeld besproeien van tuinen, WC, wasmachine of reinigen van vloeren of voor industriėle of agrarische toepassingen;
29°
Vennootschap: de vennootschap zoals bedoeld in artikel 2.6.1.1.1.
30°
Vlaamse Milieumaatschappij: het intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Milieumaatschappij opgericht bij decreet van 7 mei 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, tot aanvulling ervan met een titel Agentschappen en tot wijziging van diverse andere wetten en decreten;
31°
verbruiker: de persoon die over het water bestemd voor menselijke aanwending beschikt in een onroerend goed of in een publiek gebouw
32°
water bestemd voor menselijke aanwending: het water bestemd voor menselijke consumptie, tweedecircuitwater en al het water dat aangewend wordt voor huishoudelijke, agrarische of industriėle toepassingen, ongeacht de herkomst van dat water;
33°
water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiėne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van:
a)
natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
b)
water dat een geneesmiddel is;
34°
waterleverancier: hetzij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, hetzij de titularis van een private waterwinning die verbruikers of anderen die water bestemd voor menselijke aanwending gebruiken, bevoorraadt zonder een openbaar waterdistributienetwerk te gebruiken;
35°
watermeter: het toestel dat beantwoordt aan de wetgeving op de metrologie, dat eigendom is van de exploitant en dat geplaatst is bij de klant om het volume van het water, geleverd door de exploitant, te registreren;
36°
wooneenheid: elke eenheid in een woongebouw die ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en die minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette.


Hoofdstuk II.
Bepalingen inzake kwaliteit en levering van water bestemd voor menselijke aanwending


Art. 2.2.1.

§1. De Vlaamse Regering kan met betrekking tot de waterproductie en watervoorziening een technische reglementering inzake de kwaliteit en de levering van het water bestemd voor menselijke consumptie en een technische reglementering met betrekking tot het gebruik en de levering van tweedecircuitwater vaststellen.

De kwaliteitseisen van het water bestemd voor menselijke consumptie kunnen onder meer worden uitgedrukt in parameterwaarden. Tweedecircuitwater moet stromen in een afzonderlijk circuit, afgescheiden van het huishoudelijk leidingnet van water bestemd voor menselijke consumptie. Op plaatsen binnenshuis waar water bestemd voor menselijke consumptie kan worden aangewend, mag er geen afname mogelijk zijn van tweedecircuitwater dat zou kunnen worden aangewend als water bestemd voor menselijke consumptie, tenzij de nodige voorzorgen genomen werden.

§2. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot:
1° het huishoudelijk leidingnet, de systemen voor winning, opvang, behandeling en afvoer van tweedecircuitwater en het leidingnet voor tweedecircuitwater en de inspectie van deze leidingnetten en systemen, met inbegrip van een verplichte keuring voorafgaand aan de ingebruikname ervan en bij belangrijke wijzigingen;
2° de waterwinningen en de kwaliteit van het water dat gebruikt wordt als water bestemd voor menselijke consumptie, ongeacht de herkomst en ongeacht de behandeling ervan.

§3. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over de te nemen herstelmaatregelen en beperkingen van het gebruik voor het geval het water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt, niet voldoet aan de kwaliteitseisen.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast over de tijdelijke beperkingen van het gebruik in het geval de levering van water bestemd voor menselijke consumptie vanuit kwantitatief oogpunt in het gedrang komt.

§4. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot:
1° de inlichtingen die aan het publiek moeten worden verstrekt;
2° de gevallen waarvan de waterleverancier de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering op de hoogte moet houden en van informatie moet voorzien;
3° de gevallen waarin de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering advies verstrekken of inwinnen.

De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering kunnen met het oog op het opmaken van hun verslagen alle informatie en gegevens die beschikbaar zijn bij de waterleveranciers, opvragen.

Art. 2.2.2.

§1. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de aansluiting van woningen op het openbaar waterdistributienetwerk door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk in zijn distributiegebied of met betrekking tot mogelijke alternatieven voor de aansluiting van een woning.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot het aansluitrecht, de uitzonderingen hierop en de tariefstructuren voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk.

§2. Bij afwezigheid van een watermeter plaatst de waterleverancier een watermeter bij nieuwe aftakkingen of bij herstellingen aan het waterdistributienetwerk ter hoogte van de bestaande aftakkingen.

Bij afwezigheid van een watermeter wordt de grens tussen het openbaar of privaat waterdistributienetwerk en het huishoudelijk leidingnet contractueel of reglementair bepaald tot op het moment dat een watermeter geplaatst wordt.

Onverminderd het eerste lid, plaatst de waterleverancier, bij afwezigheid van een watermeter, uiterlijk op 31 december 2007 een watermeter ter hoogte van de bestaande aftakkingen.

§3. Behalve in de gevallen waarbij tot afsluiting wordt overgegaan, vermeld in paragraaf 6, heeft elke huishoudelijke abonnee recht op een minimale en ononderbroken levering van water voor menselijke consumptie om, volgens de geldende levensstandaard, menswaardig te kunnen leven.

De Vlaamse Regering kan, na advies van de desbetreffende sector, de minimaal te leveren hoeveelheid water vaststellen en nadere regels bepalen om die minimale levering aan te passen aan de geldende levensstandaard.

§4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot het leveren van een gratis hoeveelheid water bestemd voor menselijke consumptie door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk in zijn distributiegebied.

§5. De Vlaamse Regering bepaalt, na advies van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de procedure die de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk moet volgen bij wanbetaling van zijn abonnee.

De procedure voor huishoudelijke abonnees omvat minstens de volgende elementen:
1° de versturing van een herinneringsbrief en een aangetekende ingebrekestelling;
2° een voorstel tot afbetalingsplan door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk;
3° de regeling voor een sociale begeleiding door het O.C.M.W. of de door de huishoudelijke abonnee gekozen erkende schuldbemiddelaar.

§ 6. De exploitant mag op zijn initiatief de waterlevering bij een huishoudelijke abonnee alleen in de onderstaande gevallen en volgens de onderstaande voorwaarden begrenzen in debiet of afsluiten:
1° afsluiten bij werkzaamheden voor herstelling, vernieuwing, wijziging, verplaatsing, onderhoud of exploitatie van het openbaar waterdistributienetwerk;
2° afsluiten bij een onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de volksgezondheid, zolang die toestand duurt;
3° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar bij een bedreiging voor de volksgezondheid en de veiligheid van de watervoorziening als vermeld in artikel 2.3.2, § 4, en artikel 2.3.4, tweede lid, weigert gevolg te geven aan de geadviseerde herstelmaatregelen voor het huishoudelijk leidingnet;
4° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar niet toestemt in of zich verzet tegen de keuring van het huishoudelijk leidingnet, vermeld in artikel 2.2.1, § 2, 1°, en de inventarisatie, controle- en onderhoudstaken, vermeld in artikel 2.4.1, § 1 en § 2;
5° begrenzen in debiet of afsluiten als uit de keuring van het huishoudelijk leidingnet, vermeld in artikel 2.2.1, § 2, 1°, blijkt dat die niet conform is;
6° afsluiten bij fraude van de huishoudelijke abonnee of de eigenaar;
7° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar weigert om aan de exploitant of zijn aangestelde toegang te geven tot de ruimte waarin de watermeter is opgesteld voor de controle van de watermeter en van de aansluiting;
8° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee weigert om met de exploitant een regeling uit te werken voor de betaling van openstaande facturen of de regeling niet nakomt;
9° begrenzen in debiet of afsluiten als de verbruiker weigert om de procedures na te komen die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor de tegensprekelijke overname van de waterlevering of een vernieuwde indienststelling van de waterlevering;
10° afsluiten bij een vermoeden dat een onroerend goed onbewoond of in onbruik is;
11° begrenzen in debiet of afsluiten als de huishoudelijke abonnee of de eigenaar de verplichtingen op het vlak van bemetering die zijn bepaald ter uitvoering van paragraaf 2, weigert na te komen;
12° afsluiten als de huishoudelijke abonnee niet toestemt in of zich verzet tegen de plaatsing van een debietsbegrenzing naar aanleiding van een overeenkomstig gemotiveerd advies van een lokale adviescommissie;
13° afsluiten als de exploitant vaststelt dat de huishoudelijke abonnee op een onrechtmatige wijze de begrenzing van het debiet, geplaatst naar aanleiding van een overeenkomstig gemotiveerd advies van een lokale adviescommissie, heeft gemanipuleerd of heeft weggenomen.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 5° en 11°, is de begrenzing van het debiet of de afsluiting pas mogelijk na de ontvangst van een overeenkomstig bevel van de toezichthoudende ambtenaar.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 7° tot en met 9°, 12° en 13°, is de begrenzing van het debiet of de afsluiting pas mogelijk na een overeenkomstig gemotiveerd advies van de lokale adviescommissie en conform de procedure en de voorwaarden, vermeld in het decreet van 20 december 1996 tot regeling van de rol van de lokale adviescommissie in het kader van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water.

In het derde lid wordt verstaan onder lokale adviescommissie: een lokale adviescommissie als vermeld in artikel 7 van het voormelde decreet.

De Vlaamse Regering kan nadere procedures over de begrenzing van het debiet en de afsluiting van de waterlevering bij een huishoudelijke abonnee bepalen.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 1°, komen de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, niet ten laste van de huishoudelijke abonnee of de eigenaar.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 2°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de veroorzaker van de situatie van onmiddellijke en ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Als die veroorzaker niet bekend is, zijn die kosten ten laste van de exploitant.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 3° tot en met 7° en 11°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet en de wegneming van de begrenzing van het debiet of de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de huishoudelijke abonnee of de eigenaar wanneer kan worden vastgesteld dat deze laatste verantwoordelijk is voor het niet in regel zijn.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 8°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de huishoudelijke abonnee. De kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet of de wegneming ervan, zijn ten laste van de exploitant.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 9°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de verbruiker. De kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet of de wegneming ervan, zijn ten laste van de exploitant.

In het geval, vermeld in het eerste lid, 10°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de eigenaar.

In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 12° en 13°, zijn de kosten die verbonden zijn aan de afsluiting en de heraansluiting, ten laste van de huishoudelijke abonnee.

In afwijking van het zesde tot en met het twaalfde lid zijn de kosten die verbonden zijn aan de begrenzing van het debiet en de wegneming van de begrenzing van het debiet of de afsluiting en de heraansluiting, altijd ten laste van de exploitant als blijkt dat de huishoudelijke abonnee ten onrechte is afgesloten of ten onrechte een begrenzing van het debiet kreeg opgelegd.

§7. De Vlaamse Regering kan, na advies van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, de gevallen bepalen waarin de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk de levering bij abonnees, andere dan huishoudelijke, kan begrenzen in debiet of afsluiten.

§8. De Vlaamse Regering kan, na advies van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, nadere regels bepalen met betrekking tot de effectieve begrenzing van het debiet of afsluiting van de waterlevering bij de abonnee en de informatieverstrekking daarover aan de vermoedelijke verbruikers.


Hoofdstuk III.
Bepalingen met betrekking tot de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan en met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de waterleverancier


Art. 2.3.1. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de waterleverancier voor de kwaliteit van het water bestemd voor menselijke consumptie.

Art. 2.3.2.

§1.Voor water, bestemd voor menselijke consumptie, moet de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldoen op het punt binnen een perceel of gebouw waar het water uit de kranen komt die gewoonlijk worden aangewend voor water, bestemd voor menselijke consumptie.

§2. Als in het kader van de controles, vermeld in artikel 2.4.1, §1, vastgesteld wordt dat het water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen ten gevolge van het huishoudelijk leidingnet of het onderhoud daarvan, maar dat de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk daardoor niet in het gedrang komt, wordt de waterleverancier, behalve in publieke gebouwen en voor zover de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geļnformeerd over de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, en over de mogelijke herstelmaatregelen, geacht te hebben voldaan aan de verplichtingen die daarvoor worden vastgesteld door de Vlaamse Regering.

De eigenaar of de abonnee voert in dat geval de herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet zodat het water, bestemd voor menselijke consumptie, voldoet aan de kwaliteitseisen.

Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geļnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over het feit dat niet is voldaan aan de kwaliteitseisen, de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

§3. Als in een publiek gebouw het water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen, moet de waterleverancier de eigenaar, de abonnee en de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering inlichten.

De eigenaar of de abonnee voert in dat geval de herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet zodat het water, bestemd voor menselijke consumptie, voldoet aan de kwaliteitseisen.

Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geļnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

§4. Als in het kader van de controles, vermeld in artikel 2.4.1, §1, vastgesteld wordt dat het water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen ten gevolge van het huishoudelijk leidingnet of het onderhoud daarvan, en als daardoor de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk wordt beļnvloed, informeert de waterleverancier de eigenaar of de abonnee over de situatie.

De waterleverancier:
adviseert de eigenaar of abonnee over de te nemen herstelmaatregelen aan het huishoudelijk leidingnet, vermeld in paragraaf 2;
legt herstelmaatregelen op aan het huishoudelijk leidingnet om de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk opnieuw op peil te brengen;
legt termijnen voor de uitvoering ervan op;
brengt de toezichthoudende ambtenaar, vermeld in artikel 5.2.1.1, op de hoogte van de situatie.

Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geļnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over de situatie, de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

De eigenaar of de abonnee voert binnen de opgelegde termijnen de opgelegde herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet om de kwaliteit van het water, bestemd voor menselijke consumptie, in het openbaar waterdistributienetwerk opnieuw op peil te brengen.


Art. 2.3.3.

Voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt uit een tankschip of tankauto, wordt door de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldaan op het punt waar het uit het tankschip of de tankauto komt.

Voor water bestemd voor menselijke consumptie dat in het kader van een niet-commerciėle activiteit wordt geleverd in flessen of verpakkingen, wordt door de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldaan op het punt waarop de flessen of verpakkingen worden gevuld.

Voor water bestemd voor menselijke consumptie dat aangewend wordt in een levensmiddelenbedrijf voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen en dat geleverd wordt via een waterdistributienetwerk en geen verwerking of behandeling in het bedrijf ondergaat, wordt door de waterleverancier aan de kwaliteitseisen voldaan op het punt waar het in het bedrijf wordt aangewend.


Art. 2.3.4.

Als uit de inventarisatie, controle- en onderhoudstaken, vermeld in artikel 2.4.1, §1 en §2, blijkt dat er een reėel risico is dat het water aan de kranen die in het desbetreffende perceel of gebouw gewoonlijk worden aangewend voor water, bestemd voor menselijke consumptie, niet voldoet aan de kwaliteitseisen, wordt de waterleverancier, voor zover hij de eigenaar of de abonnee heeft geļnformeerd over de situatie en over de mogelijke herstelmaatregelen, geacht te hebben voldaan aan de verplichtingen die daarvoor worden vastgesteld door de Vlaamse Regering. Als de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geļnformeerd, moeten in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar informeren over het reėle risico dat niet aan de kwaliteitseisen is voldaan, en over de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen.

Als uit de inventarisatie, controle- en onderhoudstaken, vermeld in artikel 2.4.1, §1 en §2, blijkt dat er een reėel risico is voor de kwaliteit van het water in het openbaar waterdistributienetwerk of voor de goede werking ervan door een gebrek in het huishoudelijk leidingnet, informeert de waterleverancier de eigenaar of de abonnee over de situatie, legt herstelmaatregelen op om het reėle risico weg te nemen en legt termijnen op voor de uitvoering ervan. Indien de waterleverancier de eigenaar of de abonnee heeft geļnformeerd, dient in voorkomend geval de eigenaar de abonnee en de abonnee de eigenaar te informeren over de situatie, de mogelijke herstelmaatregelen en de uitgevoerde herstelmaatregelen. De eigenaar of de abonnee voert binnen de opgelegde termijnen de opgelegde herstelmaatregelen uit aan het huishoudelijk leidingnet om het vastgestelde reėle risico voor de kwaliteit van het water in het openbaar waterdistributienetwerk of de goede werking ervan weg te nemen.


Art. 2.3.5.

§1. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wordt belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water met het oog op het behoud van de kwaliteit van het geleverde water.

§2. Om aan zijn saneringsverplichting te voldoen, kan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk deze sanering hetzij zelf organiseren, hetzij hiervoor beroep doen op een derde, zoals voorzien in artikel 2.6.1.3.3.

§3. De Vlaamse Regering kan aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk openbare dienstverplichtingen opleggen inzake de sanering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de saneringsverplichting en de openbare dienstverplichtingen.

Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van hemelwater.


Hoofdstuk IV.
Bepalingen met betrekking tot de controle van water bestemd voor menselijke aanwending


Art. 2.4.1.

§1. De controle van het water aan de kranen die gewoonlijk worden aangewend voor water bestemd voor menselijke consumptie door de verbruiker, van het huishoudelijk leidingnet, de aftakking, de watermeter en van de aansluiting, wordt toevertrouwd aan de waterleverancier.

§2. De waterleverancier of zijn aangestelde en de controleambtenaren, vermeld in paragraaf 3, hebben het recht de woning, private en publieke gebouwen te bezoeken tussen acht en twintig uur met het oog op:
1° de controles, vermeld in paragraaf 1;
2° de inventarisatie-, controle- en onderhoudstaken bij de gebruikers van de diensten van de exploitanten met betrekking tot de opvang, het gebruik, de afvoer en de zuivering van het aan de abonnees verstrekte water, bestemd voor menselijke consumptie, hemelwater, grondwater, oppervlaktewater en gerecupereerd afvalwater, inclusief de daarvoor aangewende infrastructuur;
3° de verplichte keuring, vermeld in artikel 2.2.1, §2, 1° .

Als de toegang tot de woning, het private of het publieke gebouw wordt geweigerd of de beoogde controle of keuring wordt geweigerd, brengt de waterleverancier de controleambtenaren, vermeld in paragraaf 3, en de toezichthoudende ambtenaren, vermeld in artikel 5.2.1.1, §1, daarvan op de hoogte.

§3. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering kunnen te allen tijde de controles, vermeld in paragraaf 1, en de controles en inventarisatietaken, vermeld in paragraaf 2, uitvoeren. De Vlaamse Regering wijst de daarvoor bevoegde controleambtenaren aan. De controleambtenaren moeten zich steeds legitimeren.

Het ambt van controleambtenaar is onverenigbaar met het in artikel 5.2.1.1, §1, bedoelde ambt van toezichthoudende ambtenaar.

De controles kunnen door de waterleverancier of de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering toevertrouwd worden aan door de Vlaamse Regering erkende organen.

Indien de controleambtenaren, de waterleverancier en de door de Vlaamse Regering erkende organen inbreuken vaststellen op dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, brengen zij de in artikel 5.2.1.1, §1, bedoelde toezichthoudende ambtenaren hiervan op de hoogte. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de inbreuken waarvan de toezichthoudende ambtenaren op de hoogte moeten worden gebracht.

§4. De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot:
de controle, waaronder de te analyseren parameters, de plaatsen van monsterneming, de minimumfrequentie van monsterneming en analyse, de specificaties voor de analyse van parameters, en de controleprogramma's;
het opstellen van controleprogramma's voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt in publieke gebouwen.


Hoofdstuk V.
Beheers- en beleidsinstrumenten


Afdeling 1.
Openbare dienstverplichtingen


Art. 2.5.1.1.

§1. De Vlaamse Regering legt aan de waterleverancier openbare dienstverplichtingen op, die betrekking kunnen hebben op:
de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het openbaar waterdistributienetwerk en van de inrichtingen;
het bevorderen van duurzaam watergebruik bij de abonnee en de verbruikers, waarbij actieprogramma's en sensibilisatiecampagnes naar de diverse doelgroepen gevoerd worden;
het nemen van maatregelen van sociale aard, waarbij rekening gehouden wordt met het decreet van 20 december 1996 tot regeling van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water;
de dienstverlening aan de abonnee verzekeren, waarbij servicegaranties geboden worden;
het in acht nemen van milieuzorg bij de winning, de behandeling en de distributie van water bestemd voor menselijke consumptie en van tweedecircuitwater, gebaseerd op de beste beschikbare technieken;
het instellen van een aansluitrecht en het toepassen van de tariefstructuren voor water bestemd voor menselijke consumptie dat geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, waarbij:
a) rekening gehouden wordt met de in 3° bedoelde maatregelen van sociale aard;
b) duurzaam watergebruik bevorderd wordt;
het bezorgen van het overeenkomstig artikel 2.5.3.1. vastgestelde algemeen en bijzonder waterverkoopreglement aan elke abonnee;
het streven naar zo laag mogelijke kostprijzen, onder afweging van de kosten en baten, die voortvloeien uit de realisering van de overige openbare dienstverplichtingen;

§2. De Vlaamse Regering kan, na consultatie van de WaterRegulator:
andere openbare dienstverplichtingen opleggen dan die bepaald in §1;
nadere regels bepalen met betrekking tot de in §1 en §2, 1°, bedoelde openbare dienstverplichtingen;
specifieke maatregelen of programma's opleggen aan de waterleverancier met betrekking tot de uitvoering van de in §1 en §2, 1°, bedoelde openbare dienstverplichtingen;
nadere regels bepalen met betrekking tot de vergoeding voor de waterleveranciers voor de uitvoering van opgelegde taken die niet tot de kerntaken van de waterleverancier behoren.


Afdeling 2.
Waterregulator


Onderafdeling 1.
Oprichting


Art. 2.5.2.1.1. De WaterRegulator wordt opgericht als subentiteit binnen de Vlaamse Milieumaatschappij. Deze instantie brengt jaarlijks een schriftelijk verslag uit over haar activiteiten en brengt dit ter kennis van het Vlaams Parlement, de Sociaal-Economische Raad voor Vlaanderen en de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen.

Onderafdeling 2.
Bestuur en werking


Art. 2.5.2.2.1. De personeelsleden van de WaterRegulator zijn gebonden door het beroepsgeheim. Zij mogen de vertrouwelijke gegevens die hen ter kennis zijn gekomen op grond van hun functie bij de WaterRegulator aan niemand bekendmaken, behalve wanneer zij worden opgeroepen om in rechte te getuigen en onverminderd de uitwisseling van informatie met de bevoegde instanties van de andere gewesten en lidstaten van de Europese Unie, die uitdrukkelijk bepaald of toegestaan zijn door verordeningen of richtlijnen, vastgesteld door de instellingen van de Europese Unie.

Onderafdeling 3.
Doel en opdrachten


Art. 2.5.2.3.1.

§1. De WaterRegulator heeft als opdracht te inventariseren, te evalueren, te adviseren en te rapporteren over alle aangelegenheden met betrekking tot water bestemd voor menselijke aanwending.

§2. De WaterRegulator geeft, binnen de haar overeenkomstig §1 toegewezen opdracht, advies over en legt voorstellen voor aan de Vlaamse Regering met betrekking tot:
1° passende en doelmatige mechanismen voor de harmonisering, transparantie, functiescheiding en regulering met betrekking tot de productie, de invoer, de doorvoer, de levering, de tarieven en het gebruik van water bestemd voor menselijke aanwending, geleverd door exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
2° de uitwerking en uitvoering van de in artikel 2.5.1.1 bedoelde openbare dienstverplichtingen;
3° de investeringsplanningen in de waterdistributienetwerken, in de productie en in de invoer en doorvoer van water bestemd voor menselijke aanwending door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
4° het in artikel 2.5.3.1, §1, bedoelde algemeen waterverkoopreglement;
5° de kostenstructuur, de boekhouding en de daaraan gekoppelde maatstafconcurrentie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
6° de invoering van een normstelsel voor duurzaam watergebruik.

§3. De WaterRegulator vergelijkt door middel van onder meer de kostenstructuur, de boekhouding en de daaraan gekoppelde maatstafconcurrentie, zoals vastgesteld in §7, eerste lid, de prestaties en de efficiėntie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk.

§4. De WaterRegulator voert op eigen initiatief of op verzoek van de Vlaamse Regering studies uit in verband met de opdrachten zoals bedoeld in §1 en §2.

§5. De WaterRegulator inventariseert, evalueert en rapporteert jaarlijks vanaf het jaar na haar oprichting aan de Vlaamse Regering over onder meer:
1° de toepassing van de in artikel 2.5.1.1 bedoelde openbare dienstverplichtingen;
2° het in artikel 2.5.3.1, §1, bedoelde algemeen waterverkoopreglement;
3° de in paragraaf 2, 5°, en paragraaf 3 bedoelde maatstafconcurrentie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk.

§6. De WaterRegulator voert alle andere taken uit die haar door decreten, besluiten, reglementen en beslissingen van de Vlaamse Regering betreffende de organisatie van de levering van het water bestemd voor menselijke aanwending worden toevertrouwd.

§7. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de kostenstructuur, de boekhouding en de daaraan gekoppelde maatstafconcurrentie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk.

De Vlaamse Regering kan de opdrachten van de WaterRegulator nader omschrijven.


Art. 2.5.2.3.2.

§1. In afwijking van artikel V.2 van het Wetboek van Economisch Recht van 28 februari 2013 bepaalt de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de WaterRegulator, de tarieven die gebruikt worden voor het doorrekenen van de kosten voor productie en levering van water bestemd voor menselijke consumptie aan de abonnees.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen geen tariefverhoging toepassen of nieuwe tarieven invoeren zonder voorafgaandelijke aanvraag bij de WaterRegulator en zonder diens akkoord.

De Vlaamse Regering stelt de regels vast met betrekking tot de methode voor tariefbepaling, de inhoud en de modaliteiten van de aanvraag en de bekendmaking van tariefwijzigingen aan de abonnees. Het toezicht door de WaterRegulator, vermeld in het eerste lid, bestaat uit de controle op de correcte naleving van deze regels.

Totdat het besluit van de Vlaamse Regering, vermeld in het derde lid, in werking treedt, kunnen de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk de toegepaste tarieven elk jaar (= jaar x) op 1 januari aanpassen aan de evolutie van het indexcijfer van de consumptieprijzen, basis 1988, tussen november van het aan het vorige jaar voorafgaande jaar (= x-2) en november van het vorige jaar (= x-1) .

§2. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan beroep indienen bij de Vlaamse minister, bevoegd voor leefmilieu en het waterbeleid, als hij niet akkoord gaat met de beslissing van de WaterRegulator. De Vlaamse Regering bepaalt de modaliteiten van dit beroep.


Art. 2.5.2.3.3.

§1. De diensten van de Vlaamse Regering, de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest die onderworpen zijn aan het bestuurlijk toezicht van het Vlaamse Gewest, en de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen en personen die belast zijn met taken van openbaar nut, zijn ertoe gehouden de gevraagde gegevens en inlichtingen met betrekking tot de in artikel 2.5.2.3.1 beschreven opdrachten aan de WaterRegulator te verschaffen in de vorm die, na consultatie, door de WaterRegulator wordt vastgesteld.

Alle gegevens, verworven in het kader van opdrachten uitgaande van overheidsinstellingen, moeten gratis ter beschikking worden gesteld. Voor de overige gegevens kan, indien dat zo overeengekomen wordt, een vergoeding worden betaald.

§2. De waterleverancier moet de gevraagde gegevens en inlichtingen met betrekking tot de in artikel 2.5.2.3.1 beschreven opdrachten gratis aan de WaterRegulator verschaffen. De vorm en het tijdstip van die gegevensoverdracht worden, na consultatie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk, door de WaterRegulator vastgesteld onder de vorm van een protocol.


Onderafdeling 4.
Financiėle middelen


Art. 2.5.2.4.1.

De WaterRegulator beschikt over een dotatie die jaarlijks wordt ingeschreven op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de financiėle middelen ten behoeve van de WaterRegulator.


Afdeling 3.
Waterverkoopreglement


Art. 2.5.3.1.

§1. De Vlaamse Regering stelt na consultatie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk het algemeen waterverkoopreglement vast, regelt er de verspreiding van alsook de rapportering over de toepassing ervan.

Het algemeen waterverkoopreglement regelt de relatie tussen de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en de verbruiker die gebruik maakt van zijn diensten.

Het algemeen waterverkoopreglement bevat ten minste de volgende bepalingen:
de herstelmaatregelen die overeenkomstig artikel 2.2.1 , §3, door de Vlaamse Regering worden bepaald en de herstelmaatregelen die betrekking hebben op de overschrijding van de parameterwaarden die te wijten is aan het huishoudelijk leidingnet of het onderhoud daarvan;
de regeling inzake de verantwoordelijkheid van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, de eigenaar en de abonnee zoals bedoeld in artikel 2.3.2;
de regeling inzake de saneringsverplichting en de openbare dienstverplichtingen van de exploitant zoals bedoeld in artikel 2.3.5, die betrekking hebben op de relatie met de verbruiker die gebruikmaakt van zijn diensten;
de regeling inzake de controle door de waterleverancier, de bevoegde diensten van de Vlaamse Regering of door de Vlaamse Regering erkende organen van het water aan de kranen die gewoonlijk worden aangewend voor water bestemd voor menselijke consumptie, van het huishoudelijk leidingnet en van de watermeter zoals bedoeld in artikel 2.4.1, §1 tot en met §3, en de regeling met betrekking tot de in artikel 2.4.1, §2, eerste lid, bedoelde inventarisatietaken;
de openbare dienstverplichtingen van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk ten aanzien van verbruiker die gebruikmaakt van zijn diensten, zoals bedoeld in artikel 2.5.1;
de regeling inzake de toegang tot de diensten van de exploitant van het openbaar waterdistributienetwerk;
de regeling inzake de opname van de watermeterstand, de opmaak en de betalingsmodaliteiten van de factuur;
de regeling inzake het recht op minimumlevering, de regeling bij betalingsproblemen en eventuele afsluiting zoals bedoeld in het decreet van 20 december 1996 tot regeling van het recht op minimumlevering van elektriciteit, gas en water;
de regeling inzake de tegensprekelijke overname van de waterlevering of vernieuwde indienststelling van de waterlevering.

De Vlaamse Regering kan deze lijst aanvullen.

De Vlaamse Regering kan na consultatie van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk het algemeen waterverkoopreglement aanvullen of geheel of gedeeltelijk vervangen.

Deze paragraaf is overeenkomstig van toepassing op de derde waarop de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk een beroep doet voor het voldoen van zijn saneringsverplichting zoals bedoeld in artikel 2.3.5.

§2. Het door de Vlaamse Regering vastgestelde algemeen waterverkoopreglement kan door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk worden aangevuld met een bijzonder waterverkoopreglement, voorzover dat niet strijdig is met het algemeen waterverkoopreglement en met de bepalingen van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het opstellen en de goedkeuring van het bijzonder waterverkoopreglement.

§3. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de communicatie van het algemeen en bijzonder waterverkoopreglement aan de abonnee.


Hoofdstuk VI.
Sanering van afvalwater


Afdeling 1.
De organisatie van de sanering van afvalwater


Onderafdeling 1.
De Vennootschap


Art. 2.6.1.1.1.

§1.De uitvoering van de in paragraaf 2 vermelde taken wordt vanaf 1 januari 1991 voor het hele Vlaamse Gewest uitsluitend toevertrouwd aan een vennootschap die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap en opgericht is door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen of een dochtermaatschappij hiervan, hierna “de Vennootschap” genoemd.

Het Vlaamse Gewest dient steeds direct of indirect te beschikken over ten minste de helft plus één van de aandelen in het kapitaal van de Vennootschap.

§2.Aan de Vennootschap worden volgens de regels vast te stellen door de Vlaamse Regering en op te nemen in een met de Vennootschap te sluiten overeenkomst voor het hele Vlaamse Gewest de volgende taken toevertrouwd:
1° het opmaken of laten opmaken van de technische plannen voor nieuwe rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, inzonderheid rioolwaterzuiveringsinstallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen, alsmede het uitvoeren of laten uitvoeren ervan conform het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma;
2° het exploiteren of laten exploiteren van de in punt 1° bedoelde installaties;
3° het financieren van de investeringen nodig voor de in punt 1° bedoelde installaties;
4° het overnemen, aanpassen en verbeteren van de bestaande rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, met uitzondering van niet prioritaire gemeentelijke riolen;
5° het exploiteren of laten exploiteren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij, het financieren van de investeringen nodig voor het in bedrijf houden, het aanpassen en verbeteren van deze installaties voor zover deze aanpassingen en verbeteringen zijn opgenomen in een technisch plan zoals bedoeld onder 1° ;
6° het financieren van de aankoop van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij;
7° het sluiten van contracten voor de sanering van afvalwater dat niet afkomstig is uit huishoudelijke activiteiten.

In taken, vermeld in het eerste lid, is tevens begrepen de technische kwaliteitsbewaking over de conceptie en de uitvoering van de projecten, die voorkomen op het in artikel 2.6.1.3.1, §2 bedoelde subsidiėringsprogramma. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels omtrent voormelde kwaliteitsbewaking vast.

§3. De Vlaamse Regering draagt binnen de door haar te bepalen termijn en volgens de door haar vast te stellen regels elk jaar een door haar goedgekeurd rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vennootschap voor uitvoering op.

De Vennootschap voert het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma uit binnen de gestelde planning en conform de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

De rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de Vennootschap bij het vervullen van de taken die haar in toepassing van dit hoofdstuk worden toevertrouwd.

§4. De Vlaamse Regering stelt de vergoeding vast die de Vennootschap ontvangt voor het vervullen van de in dit artikel bedoelde taken en stelt de nadere regels ter zake vast.


Onderafdeling 2.
De ecologisch en economisch toezichthouder


Art. 2.6.1.2.1.

§1. De economische en ecologische toezichthouder is overeenkomstig de in artikel 2.6.1.1.1., §2, eerste lid vastgestelde regels belast met de controle op de naleving door de Vennootschap van de bepalingen van de beheersovereenkomst die op 10 november 1993 werd gesloten tussen het Vlaamse Gewest en de Vennootschap. De economische en ecologische toezichthouder neemt de plaats in van de bijzondere gevolmachtigde waarvan sprake in deze beheersovereenkomst.

Met het oog op de uitvoering van het door de Vlaamse Regering goedgekeurde investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, 1°, legt de Vlaamse Milieumaatschappij binnen de door de Vlaamse Regering te bepalen termijn elk jaar een ontwerp van rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vlaamse Regering voor.

§2. Met het oog op het vaststellen van het in artikel 2.6.1.3.1., §2 bedoelde subsidiėringsprogramma legt de Vlaamse Milieumaatschappij een ontwerp van subsidiėringsprogramma voor aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Leefmilieu, volgens de modaliteiten te bepalen door de Vlaamse Regering.


Art. 2.6.1.2.2.

§1.Voor het uitvoeren van de opdrachten, vermeld in artikel 2.6.1.2.1., §1, hebben de personeelsleden van de ecologische toezichthouder toegang met het noodzakelijke materiaal en materieel tot alle rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen.

Met het oog op de opmaak van het door de Vlaamse Regering vast te stellen subsidiėringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.3.1., §2, en de opvolging van de uitvoering ervan, beschikken de personeelsleden van de ecologische toezichthouder eveneens over de rechten vermeld in het eerste lid.

De personeelsleden van de ecologische toezichthouder hebben met het noodzakelijke materiaal en materieel toegang tot alle rioolwaterzuiveringsinstallaties, rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, beheerd door een gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen, zodat ze de uitvoering van de aanleg en de verbetering van de installaties in kwestie kunnen opvolgen.

§2. Bij het uitvoeren van de taken vermeld in paragraaf 1 moeten de betrokken personeelsleden beschikken over een legitimatiebewijs ondertekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Zij hebben bij de uitvoering van die taken recht op bijstand van de politie.


Art. 2.6.1.2.3.

De gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de Vennootschap stellen op eenvoudig verzoek van de ecologische toezichthouder alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opvolgen van de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.2.1. en 2.6.1.2.2, ter beschikking van de ecologische toezichthouder.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld.


Onderafdeling 3.
Instanties op het lokale niveau


Art. 2.6.1.3.1.

§1. Het Vlaamse Gewest kan onder de voorwaarden en in de verhouding die de Vlaamse Regering vaststelt, bijdragen in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering door de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, van openbare riolen, andere dan prioritaire rioleringen als bedoeld in artikel 2.6.1.1.1., §2.

In afwijking van de bepalingen van artikel 2.6.1.1.1., §1 kunnen de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening onder de voorwaarden vastgesteld door de Vlaamse Regering, de taken vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, op zich nemen wat betreft rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximum 2.000 inwonersequivalenten.

Het Vlaamse Gewest kan onder de voorwaarden en in de verhouding die de Vlaamse Regering vaststelt eveneens bijdragen in de kosten verbonden aan de bouw en de verbetering door de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening van dergelijke kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties.

§2. Enkel projecten die voorkomen op een subsidiėringsprogramma vastgesteld door de Vlaamse Regering komen in aanmerking voor de in paragraaf 1 bedoelde gewestbijdrage.

De criteria voor de opname van projecten op het in het eerste lid bedoelde subsidiėringsprogramma zijn inzonderheid:
1° het in overeenstemming zijn met het gemeentelijk en bovengemeentelijk waterbeleid, gericht op het duurzaam beheren van het oppervlaktewater en het grondwater;
2° het aansluiten van vuilvracht via de riolering op de waterzuiveringsinfrastructuur of het afkoppelen van hemel- en oppervlaktewater.

§3. De gewestbijdrage, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van de milieutechnische ondersteuning, wordt berekend aan de hand van de door de Vlaamse Regering vastgestelde percentages van de totale kosten die voortvloeien uit:
1° de aanleg van een afvoersysteem voor de afvoer van afvalwater, waarbij het hemelwater langs hetzelfde traject wordt afgevoerd, bij voorkeur door middel van een geherwaardeerd grachtenstelsel dat op een milieuverantwoorde wijze in stand wordt gehouden, of door middel van een gelijkwaardige oplossing;
2° de aanleg van aan dat afvoersysteem gerelateerde buffer-, retentie- of infiltratievoorzieningen voor hemelwater;
3° de bouw en de verbetering van de kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties, vermeld in paragraaf 1.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot het op een milieuverantwoorde wijze in stand houden van een geherwaardeerd grachtenstelsel.

§4. Het Vlaamse Gewest kan bijdragen in de kosten voor het exploiteren van de in paragraaf 1 bedoelde kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties volgens de regels vast te stellen door de Vlaamse Regering.


Art. 2.6.1.3.2.

De Vlaamse Regering stelt het in artikel 2.6.1.3.1, §2 bedoelde subsidiėringsprogramma vast binnen de perken van de daartoe in de begroting ingeschreven kredieten. De Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met de zoneringsplannen en de gebiedsdekkende uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in het eerste lid vermelde procedure.


Art. 2.6.1.3.3.

§1. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wordt overeenkomstig artikel 2.3.5. belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water en voldoet aan deze saneringsverplichting door hetzij de sanering zelf te organiseren, hetzij hiervoor een beroep te doen op een derde.

§2. Aan de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst te sluiten met de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband of een door de gemeente na een publieke marktbevraging aangestelde entiteit.

Aan de uitvoering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst te sluiten met de Vennootschap.

§3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de saneringsverplichting.

Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van hemelwater.

§4. Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en dit op basis van de zoneringsplannen en uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

§5. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de door de gemeente na marktbevraging aangestelde entiteit die een overeenkomst als vermeld in paragraaf 2, eerste lid heeft gesloten en die instaat voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting, is verplicht om op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos de gegevens mee te delen die verband houden met de uitvoering van de saneringsverplichting en die de economische toezichthouder nodig heeft ter uitvoering van zijn taken.

De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels uitvaardigen.


Afdeling 2.
Contractuele sanering


Art. 2.6.2.1.

§1. De Vennootschap sluit in het kader van de aan haar toevertrouwde taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant op vraag van de exploitant zelf of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten.

Het saneringscontract heeft betrekking op de sanering van het geloosde afvalwater dat afkomstig is uit de normale bedrijfsactiviteiten, vermeld in de omgevings- of lozingsvergunning of dat afkomstig is uit een bronbemaling waarvoor een schriftelijke toelating van de Vennootschap verkregen werd overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem.

De lozing kan permanent of tijdelijk van aard zijn, maar vindt steeds plaats gedurende een op voorhand vastgelegde periode en is niet het gevolg van een calamiteit als vermeld in artikel 2.6.2.2., §1, tweede lid.

Het afvalwater kan afkomstig zijn van het water geleverd door een openbare watervoorzieningsmaatschappij of van een eigen waterwinning.

§2. Het afvalwater dat het voorwerp uitmaakt van dit saneringscontract:
1° is niet afkomstig uit huishoudelijke activiteiten. Het omvat dus alle afvalwater afkomstig van activiteiten als vermeld in de bijlage 5, met uitzondering van de activiteit 56 « lozingen uit huishoudelijke activiteiten »;
en wordt geloosd in:
a) een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
b) een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie via een bestaande privaatrechtelijke of ten laste van de vergunde exploitant aan de Vennootschap voor uitvoering opgedragen toevoerleiding;
c) een openbare riolering waarvan de aansluiting op een operationele of overeenkomstig artikel 2.6.1.1.1., §2 ter uitvoering aan de Vennootschap opgedragen openbare waterzuiveringsinstallatie is voorzien op basis van het zoneringsplan, vermeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie;
3° en maakt het voorwerp uit van een omgevings- of lozingsvergunning of een schriftelijke toelating van de Vennootschap voor het lozen van water afkomstig van een bronbemaling overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem.

§3. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake:
1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder;
2° de voorwaarden voor het sluiten van een contract indien dit niet verplicht is in de lozings- of omgevingsvergunning;
3° de te volgen procedure
voor het sluiten van een saneringscontract;
4° de inhoudelijke vermeldingen van het contract;
5° de verwerkbaarheid van het afvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Hierbij zullen de bepalingen van het contract inhoudelijk minstens bevatten:
1° in hoofde van de Vennootschap, een opsomming en de berekeningswijze van de specifieke investeringskosten of exploitatiekosten, noodzakelijk voor de verwerking van het afvalwater;
2° de meldingsprocedure voor de lozing;
3° een tijdschema van de geplande lozing en de vuilvrachten die conform de vergunning verwerkt kunnen worden;
4° voor lozingen ten gevolge van een bronbemaling de wijze waarop de vergoeding V berekend wordt.


Art. 2.6.2.2.

§1.De Vennootschap sluit, in het kader van de in artikel 2.6.1.1.1, §2 aan haar toevertrouwde taken en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant, betrekking hebbend op de sanering van het afvalwater afkomstig uit een noodlozing, wanneer de exploitant dit vraagt of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten.

Een noodlozing vindt plaats ten gevolge van een calamiteit, zijnde een totaal onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis, zich voordoende ten gevolge van overmacht, waardoor het zich van een tijdelijke lozing onderscheidt. De noodlozing omvat het afvalwater dat in principe op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie kan gezuiverd worden en dat wat betreft samenstelling en debiet gelijkaardig is aan het tijdens een normale bedrijfsvoering geproduceerde ongezuiverde afvalwater. Het afvalwater dat tijdens de noodlozing geloosd wordt mag geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur.

Het afvalwater rechtstreeks voortvloeiend uit de calamiteit, dient door de exploitant opgevangen te worden en vervolgens verwerkt of afgevoerd te worden, tenzij het afvalwater geen stoffen bevat die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur.

§2. Het afvalwater dat het voorwerp uitmaakt van het in dit artikel bedoelde saneringscontract:
1° is niet afkomstig van huishoudelijke activiteiten. Het omvat dus alle afvalwater afkomstig van activiteiten als vermeld in de bijlage 5, met uitzondering van de activiteit 56 «lozingen uit huishoudelijke activiteiten»;
2° en wordt geloosd via een noodaansluiting onder de welke verstaan wordt:
a) een aansluiting op een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
b) een aansluiting op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie via een bestaande privaatrechtelijke of ten laste van de vergunde exploitant aan de Vennootschap voor uitvoering opgedragen toevoerleiding;

3° en maakt het voorwerp uit van:
a) een bijzondere voorwaarde, betreffende de mogelijkheid tot noodlozing en de daaraan gekoppelde voorwaarden, van een lozings- of omgevingsvergunning;
b) een schriftelijke verklaring van de exploitant waarin gesteld wordt dat:

i) het afvalwater geloosd tijdens de noodlozing geen schadelijke stoffen, zijnde stoffen die de normale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie ernstig verstoort, bevat;
ii) het afvalwater aan de voorwaarden als vermeld in paragraaf 6, punt 5°, voldoet, en
iii) de exploitant de noodlozing zal beėindigen wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen.
Deze schriftelijke verklaring wordt voor de ingebruikname van de noodaansluiting opgesteld. De exploitant kan slechts eenmaal gebruik maken van de mogelijkheid om een noodlozing in gebruik te nemen door middel van een schriftelijke verklaring.

Indien door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, vastgesteld werd dat de exploitant zijn schriftelijke verklaring, vermeld in punt 3°, b) van het eerste lid, niet naleeft, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten.

§3. De exploitant kan de noodaansluiting pas in gebruik nemen na schriftelijke melding aan de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en de Vennootschap.

Bij de melding wordt de schriftelijke verklaring gevoegd, vermeld in paragraaf 2, punt 3°, b) , indien van toepassing.

De toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving bevestigt de melding door middel van een ontvangstmelding aan de exploitant.

Bij stopzetting van de noodlozing brengt de exploitant de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en de Vennootschap, schriftelijk op de hoogte van de einddatum van het gebruik van de noodaansluiting

§4. Voor de verwerking van het afvalwater ten gevolge van de noodlozing waarvoor een contract gesloten werd met de Vennootschap is de exploitant een vergoeding verschuldigd aan de Vennootschap.

Tevens moet de exploitant een verslag opstellen waarin de oorzaak van de noodlozing en de te nemen maatregelen om toekomstige noodlozingen te vermijden, opgesomd zijn.

§5. In het geval de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vaststelt dat de exploitant de noodlozing niet beėindigt wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten.

§6. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake:
1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder;
2° de procedure van melding van een noodlozing en van aanvraag tot het sluiten van een saneringscontract;
3° de inhoudelijke vermeldingen van het contract;
4° de criteria voor het opleggen van een saneringscontract als bijzondere voorwaarde in de lozings- of omgevingsvergunning;
5° de voorwaarden waaraan het afvalwater geloosd tijdens de noodlozing, minstens moet voldoen;
6° de berekeningswijze van de vergoeding via een progressief tarief in functie van de duur en frequentie van de noodlozing, inclusief de specifieke exploitatiekosten die noodzakelijk zijn voor de verwerking van het afvalwater.

Hierbij zullen de bepalingen van het contract inhoudelijk minstens bevatten:
1° een opsomming van de vergoeding en de specifieke exploitatiekosten;
2° de procedure voor de melding van de noodlozing (begin en einde);
3° de criteria waaraan het verslag, dat opgesteld wordt door de exploitant na de noodlozing, dient te voldoen.


Art. 2.6.2.3. Afvalwater niet afkomstig van huishoudelijke activiteiten of niet-verontreinigd hemelwater dat op basis van de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit in een geschikt oppervlaktewater moet geloosd worden, komt in aanmerking voor een contract voor de aanleg en exploitatie van een effluentleiding waarin de betrokken exploitant zijn aandeel inzake aanleg en exploitatie ten laste neemt.