Hoofdstuk VI.
Sanering van afvalwater


Afdeling 1.
De organisatie van de sanering van afvalwater


Onderafdeling 1.
De Vennootschap


Art. 2.6.1.1.1.

§1.De uitvoering van de in paragraaf 2 vermelde taken wordt vanaf 1 januari 1991 voor het hele Vlaamse Gewest uitsluitend toevertrouwd aan een vennootschap die de rechtsvorm heeft van een naamloze vennootschap en opgericht is door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Vlaanderen of een dochtermaatschappij hiervan, hierna “de Vennootschap” genoemd.

Het Vlaamse Gewest dient steeds direct of indirect te beschikken over ten minste de helft plus één van de aandelen in het kapitaal van de Vennootschap.

§2.Aan de Vennootschap worden volgens de regels vast te stellen door de Vlaamse Regering en op te nemen in een met de Vennootschap te sluiten overeenkomst voor het hele Vlaamse Gewest de volgende taken toevertrouwd:
1° het opmaken of laten opmaken van de technische plannen voor nieuwe rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, inzonderheid rioolwaterzuiveringsinstallaties, collectoren, pompstations en prioritaire rioleringen, alsmede het uitvoeren of laten uitvoeren ervan conform het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma;
2° het exploiteren of laten exploiteren van de in punt 1° bedoelde installaties;
3° het financieren van de investeringen nodig voor de in punt 1° bedoelde installaties;
4° het overnemen, aanpassen en verbeteren van de bestaande rioolwaterzuiveringsinfrastructuur, met uitzondering van niet prioritaire gemeentelijke riolen;
5° het exploiteren of laten exploiteren van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij, het financieren van de investeringen nodig voor het in bedrijf houden, het aanpassen en verbeteren van deze installaties voor zover deze aanpassingen en verbeteringen zijn opgenomen in een technisch plan zoals bedoeld onder 1° ;
6° het financieren van de aankoop van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die aangekocht werden van de Vlaamse Milieumaatschappij;
7° het sluiten van contracten voor de sanering van afvalwater dat niet afkomstig is uit huishoudelijke activiteiten.

In taken, vermeld in het eerste lid, is tevens begrepen de technische kwaliteitsbewaking over de conceptie en de uitvoering van de projecten, die voorkomen op het in artikel 2.6.1.3.1, §2 bedoelde subsidiėringsprogramma. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels omtrent voormelde kwaliteitsbewaking vast.

§3. De Vlaamse Regering draagt binnen de door haar te bepalen termijn en volgens de door haar vast te stellen regels elk jaar een door haar goedgekeurd rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vennootschap voor uitvoering op.

De Vennootschap voert het door de Vlaamse Regering vastgestelde investeringsprogramma uit binnen de gestelde planning en conform de wetgeving betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten.

De rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot en met 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, zijn van toepassing op de Vennootschap bij het vervullen van de taken die haar in toepassing van dit hoofdstuk worden toevertrouwd.

§4. De Vlaamse Regering stelt de vergoeding vast die de Vennootschap ontvangt voor het vervullen van de in dit artikel bedoelde taken en stelt de nadere regels ter zake vast.


Onderafdeling 2.
De ecologisch en economisch toezichthouder


Art. 2.6.1.2.1.

§1. De economische en ecologische toezichthouder is overeenkomstig de in artikel 2.6.1.1.1., §2, eerste lid vastgestelde regels belast met de controle op de naleving door de Vennootschap van de bepalingen van de beheersovereenkomst die op 10 november 1993 werd gesloten tussen het Vlaamse Gewest en de Vennootschap. De economische en ecologische toezichthouder neemt de plaats in van de bijzondere gevolmachtigde waarvan sprake in deze beheersovereenkomst.

Met het oog op de uitvoering van het door de Vlaamse Regering goedgekeurde investeringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.1.1, §2, 1°, legt de Vlaamse Milieumaatschappij binnen de door de Vlaamse Regering te bepalen termijn elk jaar een ontwerp van rollend investeringsprogramma voor de vijf volgende kalenderjaren aan de Vlaamse Regering voor.

§2. Met het oog op het vaststellen van het in artikel 2.6.1.3.1., §2 bedoelde subsidiėringsprogramma legt de Vlaamse Milieumaatschappij een ontwerp van subsidiėringsprogramma voor aan de Vlaamse Minister bevoegd voor Leefmilieu, volgens de modaliteiten te bepalen door de Vlaamse Regering.


Art. 2.6.1.2.2.

§1.Voor het uitvoeren van de opdrachten, vermeld in artikel 2.6.1.2.1., §1, hebben de personeelsleden van de ecologische toezichthouder toegang met het noodzakelijke materiaal en materieel tot alle rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen.

Met het oog op de opmaak van het door de Vlaamse Regering vast te stellen subsidiėringsprogramma, vermeld in artikel 2.6.1.3.1., §2, en de opvolging van de uitvoering ervan, beschikken de personeelsleden van de ecologische toezichthouder eveneens over de rechten vermeld in het eerste lid.

De personeelsleden van de ecologische toezichthouder hebben met het noodzakelijke materiaal en materieel toegang tot alle rioolwaterzuiveringsinstallaties, rioolwaterzuiveringsinfrastructuur en hemelwater(afvoer) installaties, beheerd door een gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, ongeacht het feit of ze gelegen zijn op gronden van derden of niet, om er metingen te verrichten, stalen te nemen en andere nuttige vaststellingen te doen, zodat ze de uitvoering van de aanleg en de verbetering van de installaties in kwestie kunnen opvolgen.

§2. Bij het uitvoeren van de taken vermeld in paragraaf 1 moeten de betrokken personeelsleden beschikken over een legitimatiebewijs ondertekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

Zij hebben bij de uitvoering van die taken recht op bijstand van de politie.


Art. 2.6.1.2.3.

De gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening en de Vennootschap stellen op eenvoudig verzoek van de ecologische toezichthouder alle informatie waarover ze beschikken en die nodig is voor het opvolgen van de uitvoering van de taken, vermeld in artikel 2.6.1.2.1. en 2.6.1.2.2, ter beschikking van de ecologische toezichthouder.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder die informatie ter beschikking wordt gesteld.


Onderafdeling 3.
Instanties op het lokale niveau


Art. 2.6.1.3.1.

§1. Het Vlaamse Gewest kan onder de voorwaarden en in de verhouding die de Vlaamse Regering vaststelt, bijdragen in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering door de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening, van openbare riolen, andere dan prioritaire rioleringen als bedoeld in artikel 2.6.1.1.1., §2.

In afwijking van de bepalingen van artikel 2.6.1.1.1., §1 kunnen de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening onder de voorwaarden vastgesteld door de Vlaamse Regering, de taken vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, op zich nemen wat betreft rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximum 2.000 inwonersequivalenten.

Het Vlaamse Gewest kan onder de voorwaarden en in de verhouding die de Vlaamse Regering vaststelt eveneens bijdragen in de kosten verbonden aan de bouw en de verbetering door de gemeenten, gemeentebedrijven,intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden of de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening van dergelijke kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties.

§2. Enkel projecten die voorkomen op een subsidiėringsprogramma vastgesteld door de Vlaamse Regering komen in aanmerking voor de in paragraaf 1 bedoelde gewestbijdrage.

De criteria voor de opname van projecten op het in het eerste lid bedoelde subsidiėringsprogramma zijn inzonderheid:
1° het in overeenstemming zijn met het gemeentelijk en bovengemeentelijk waterbeleid, gericht op het duurzaam beheren van het oppervlaktewater en het grondwater;
2° het aansluiten van vuilvracht via de riolering op de waterzuiveringsinfrastructuur of het afkoppelen van hemel- en oppervlaktewater.

§3. De gewestbijdrage, vermeld in paragraaf 1, met inbegrip van de milieutechnische ondersteuning, wordt berekend aan de hand van de door de Vlaamse Regering vastgestelde percentages van de totale kosten die voortvloeien uit:
1° de aanleg van een afvoersysteem voor de afvoer van afvalwater, waarbij het hemelwater langs hetzelfde traject wordt afgevoerd, bij voorkeur door middel van een geherwaardeerd grachtenstelsel dat op een milieuverantwoorde wijze in stand wordt gehouden, of door middel van een gelijkwaardige oplossing;
2° de aanleg van aan dat afvoersysteem gerelateerde buffer-, retentie- of infiltratievoorzieningen voor hemelwater;
3° de bouw en de verbetering van de kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties, vermeld in paragraaf 1.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot het op een milieuverantwoorde wijze in stand houden van een geherwaardeerd grachtenstelsel.

§4. Het Vlaamse Gewest kan bijdragen in de kosten voor het exploiteren van de in paragraaf 1 bedoelde kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties volgens de regels vast te stellen door de Vlaamse Regering.


Art. 2.6.1.3.2.

De Vlaamse Regering stelt het in artikel 2.6.1.3.1, §2 bedoelde subsidiėringsprogramma vast binnen de perken van de daartoe in de begroting ingeschreven kredieten. De Vlaamse Regering houdt daarbij rekening met de zoneringsplannen en de gebiedsdekkende uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de in het eerste lid vermelde procedure.


Art. 2.6.1.3.3.

§1. Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk wordt overeenkomstig artikel 2.3.5. belast met de sanering van het door de exploitant aan haar abonnees geleverde water en voldoet aan deze saneringsverplichting door hetzij de sanering zelf te organiseren, hetzij hiervoor een beroep te doen op een derde.

§2. Aan de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst te sluiten met de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband of een door de gemeente na een publieke marktbevraging aangestelde entiteit.

Aan de uitvoering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting wordt in hoofde van de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voldaan door een overeenkomst te sluiten met de Vennootschap.

§3. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de saneringsverplichting.

Elke exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk besteedt bij het voldoen aan zijn saneringsverplichting maximaal aandacht aan het rationeel gebruik van drinkwater en aan de afkoppeling, het hergebruik en de infiltratie van hemelwater.

§4. Vlaamse Regering zal nadere regels vastleggen met betrekking tot de scheiding tussen de gemeentelijke en bovengemeentelijke saneringsverplichting en dit op basis van de zoneringsplannen en uitvoeringsplannen zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

§5. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband of de door de gemeente na marktbevraging aangestelde entiteit die een overeenkomst als vermeld in paragraaf 2, eerste lid heeft gesloten en die instaat voor de uitvoering van de gemeentelijke saneringsverplichting, is verplicht om op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos de gegevens mee te delen die verband houden met de uitvoering van de saneringsverplichting en die de economische toezichthouder nodig heeft ter uitvoering van zijn taken.

De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels uitvaardigen.


Afdeling 2.
Contractuele sanering


Art. 2.6.2.1.

§1. De Vennootschap sluit in het kader van de aan haar toevertrouwde taken, vermeld in artikel 2.6.1.1.1., §2, en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant op vraag van de exploitant zelf of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten.

Het saneringscontract heeft betrekking op de sanering van het geloosde afvalwater dat afkomstig is uit de normale bedrijfsactiviteiten, vermeld in de omgevings- of lozingsvergunning of dat afkomstig is uit een bronbemaling waarvoor een schriftelijke toelating van de Vennootschap verkregen werd overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem.

De lozing kan permanent of tijdelijk van aard zijn, maar vindt steeds plaats gedurende een op voorhand vastgelegde periode en is niet het gevolg van een calamiteit als vermeld in artikel 2.6.2.2., §1, tweede lid.

Het afvalwater kan afkomstig zijn van het water geleverd door een openbare watervoorzieningsmaatschappij of van een eigen waterwinning.

§2. Het afvalwater dat het voorwerp uitmaakt van dit saneringscontract:
1° is niet afkomstig uit huishoudelijke activiteiten. Het omvat dus alle afvalwater afkomstig van activiteiten als vermeld in de bijlage 5, met uitzondering van de activiteit 56 « lozingen uit huishoudelijke activiteiten »;
en wordt geloosd in:
a) een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
b) een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie via een bestaande privaatrechtelijke of ten laste van de vergunde exploitant aan de Vennootschap voor uitvoering opgedragen toevoerleiding;
c) een openbare riolering waarvan de aansluiting op een operationele of overeenkomstig artikel 2.6.1.1.1., §2 ter uitvoering aan de Vennootschap opgedragen openbare waterzuiveringsinstallatie is voorzien op basis van het zoneringsplan, vermeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie;
3° en maakt het voorwerp uit van een omgevings- of lozingsvergunning of een schriftelijke toelating van de Vennootschap voor het lozen van water afkomstig van een bronbemaling overeenkomstig artikel 5.53.6.1.1, §2, van titel II van het Vlarem.

§3. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake:
1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder;
2° de voorwaarden voor het sluiten van een contract indien dit niet verplicht is in de lozings- of omgevingsvergunning;
3° de te volgen procedure
voor het sluiten van een saneringscontract;
4° de inhoudelijke vermeldingen van het contract;
5° de verwerkbaarheid van het afvalwater op een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Hierbij zullen de bepalingen van het contract inhoudelijk minstens bevatten:
1° in hoofde van de Vennootschap, een opsomming en de berekeningswijze van de specifieke investeringskosten of exploitatiekosten, noodzakelijk voor de verwerking van het afvalwater;
2° de meldingsprocedure voor de lozing;
3° een tijdschema van de geplande lozing en de vuilvrachten die conform de vergunning verwerkt kunnen worden;
4° voor lozingen ten gevolge van een bronbemaling de wijze waarop de vergoeding V berekend wordt.


Art. 2.6.2.2.

§1.De Vennootschap sluit, in het kader van de in artikel 2.6.1.1.1, §2 aan haar toevertrouwde taken en onder toezicht van de economische toezichthouder, een saneringscontract met de exploitant, betrekking hebbend op de sanering van het afvalwater afkomstig uit een noodlozing, wanneer de exploitant dit vraagt of wanneer dit als bijzondere voorwaarde in haar lozings- of omgevingsvergunning werd opgenomen en de exploitant aldus verplicht is een saneringscontract te sluiten.

Een noodlozing vindt plaats ten gevolge van een calamiteit, zijnde een totaal onvoorzienbare en onvermijdbare gebeurtenis, zich voordoende ten gevolge van overmacht, waardoor het zich van een tijdelijke lozing onderscheidt. De noodlozing omvat het afvalwater dat in principe op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie kan gezuiverd worden en dat wat betreft samenstelling en debiet gelijkaardig is aan het tijdens een normale bedrijfsvoering geproduceerde ongezuiverde afvalwater. Het afvalwater dat tijdens de noodlozing geloosd wordt mag geen stoffen bevatten die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur.

Het afvalwater rechtstreeks voortvloeiend uit de calamiteit, dient door de exploitant opgevangen te worden en vervolgens verwerkt of afgevoerd te worden, tenzij het afvalwater geen stoffen bevat die schadelijk zijn voor de werking van de openbare saneringsinfrastructuur.

§2. Het afvalwater dat het voorwerp uitmaakt van het in dit artikel bedoelde saneringscontract:
1° is niet afkomstig van huishoudelijke activiteiten. Het omvat dus alle afvalwater afkomstig van activiteiten als vermeld in de bijlage 5, met uitzondering van de activiteit 56 «lozingen uit huishoudelijke activiteiten»;
2° en wordt geloosd via een noodaansluiting onder de welke verstaan wordt:
a) een aansluiting op een openbare riolering aangesloten op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie;
b) een aansluiting op een operationele openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie via een bestaande privaatrechtelijke of ten laste van de vergunde exploitant aan de Vennootschap voor uitvoering opgedragen toevoerleiding;

3° en maakt het voorwerp uit van:
a) een bijzondere voorwaarde, betreffende de mogelijkheid tot noodlozing en de daaraan gekoppelde voorwaarden, van een lozings- of omgevingsvergunning;
b) een schriftelijke verklaring van de exploitant waarin gesteld wordt dat:

i) het afvalwater geloosd tijdens de noodlozing geen schadelijke stoffen, zijnde stoffen die de normale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie ernstig verstoort, bevat;
ii) het afvalwater aan de voorwaarden als vermeld in paragraaf 6, punt 5°, voldoet, en
iii) de exploitant de noodlozing zal beėindigen wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen.
Deze schriftelijke verklaring wordt voor de ingebruikname van de noodaansluiting opgesteld. De exploitant kan slechts eenmaal gebruik maken van de mogelijkheid om een noodlozing in gebruik te nemen door middel van een schriftelijke verklaring.

Indien door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, vastgesteld werd dat de exploitant zijn schriftelijke verklaring, vermeld in punt 3°, b) van het eerste lid, niet naleeft, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten.

§3. De exploitant kan de noodaansluiting pas in gebruik nemen na schriftelijke melding aan de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en de Vennootschap.

Bij de melding wordt de schriftelijke verklaring gevoegd, vermeld in paragraaf 2, punt 3°, b) , indien van toepassing.

De toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving bevestigt de melding door middel van een ontvangstmelding aan de exploitant.

Bij stopzetting van de noodlozing brengt de exploitant de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en de Vennootschap, schriftelijk op de hoogte van de einddatum van het gebruik van de noodaansluiting

§4. Voor de verwerking van het afvalwater ten gevolge van de noodlozing waarvoor een contract gesloten werd met de Vennootschap is de exploitant een vergoeding verschuldigd aan de Vennootschap.

Tevens moet de exploitant een verslag opstellen waarin de oorzaak van de noodlozing en de te nemen maatregelen om toekomstige noodlozingen te vermijden, opgesomd zijn.

§5. In het geval de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vaststelt dat de exploitant de noodlozing niet beėindigt wanneer de Vennootschap hiertoe verzoekt in het geval deze het afvalwater afkomstig uit de noodlozing niet kan verwerken zonder een minimale werking van de openbare riolering en de openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties te garanderen, vervalt het bestaande contract van rechtswege of kan geen contract worden gesloten.

§6. De Vlaamse Regering legt nadere regels vast inzake:
1° de vorm van de saneringscontracten, dit op voorstel van de economische toezichthouder;
2° de procedure van melding van een noodlozing en van aanvraag tot het sluiten van een saneringscontract;
3° de inhoudelijke vermeldingen van het contract;
4° de criteria voor het opleggen van een saneringscontract als bijzondere voorwaarde in de lozings- of omgevingsvergunning;
5° de voorwaarden waaraan het afvalwater geloosd tijdens de noodlozing, minstens moet voldoen;
6° de berekeningswijze van de vergoeding via een progressief tarief in functie van de duur en frequentie van de noodlozing, inclusief de specifieke exploitatiekosten die noodzakelijk zijn voor de verwerking van het afvalwater.

Hierbij zullen de bepalingen van het contract inhoudelijk minstens bevatten:
1° een opsomming van de vergoeding en de specifieke exploitatiekosten;
2° de procedure voor de melding van de noodlozing (begin en einde);
3° de criteria waaraan het verslag, dat opgesteld wordt door de exploitant na de noodlozing, dient te voldoen.


Art. 2.6.2.3. Afvalwater niet afkomstig van huishoudelijke activiteiten of niet-verontreinigd hemelwater dat op basis van de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, alle uitvoeringsbesluiten van dit decreet, alsook de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning, door de exploitant van de hinderlijke inrichting of activiteit in een geschikt oppervlaktewater moet geloosd worden, komt in aanmerking voor een contract voor de aanleg en exploitatie van een effluentleiding waarin de betrokken exploitant zijn aandeel inzake aanleg en exploitatie ten laste neemt.