Titel IV.
Financiële instrumenten ter regulering en financiering van het integraal waterbeleid


Hoofdstuk I.
Inleidende bepalingen en definities


Art. 4.1.1.

In deze titel wordt verstaan onder:
abonnee: elke persoon die een recht heeft ten aanzien van een onroerend goed, dat aangesloten is op een openbaar waterdistributienetwerk en aan wie de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk via dit waterdistributienetwerk water levert;
2° afgesloten watervoerende laag: watervoerende laag die voorkomt onder één van de volgende afsluitende hydrogeologische hoofdeenheden die gekenmerkt worden door de unieke code 0300, 0500, 0700 of 0900 zoals weergegeven in bijlage 6 bij dit decreet. De Vlaamse Regering legt deze gebieden op kaart vast en zorgt er daarbij voor dat elke winning eenduidig is vastgelegd
3° bovengemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake sanering die op het Vlaams Gewest rust;
4° economisch toezichthouder: de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij die als opdracht heeft om de taken van economisch toezicht uit te voeren zoals vermeld in artikel 10.2.3.1, §1, tweede lid, 8° van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk: de gemeente, de gemeentelijke regie, de intercommunale, de Vlaamse openbare instelling en alle andere exploitanten die een openbaar waterdistributienetwerk via leidingen beheren;
6° gebruiker van een private waterwinning: de persoon die een private waterwinning voor water, bestemd voor menselijke aanwending, in gebruik heeft;
7° gemeentelijke saneringsverplichting: elke verplichting inzake collectieve sanering die op de gemeenten rust. Indien de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit eveneens instaat voor de bouw of exploitatie van individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem, maakt ook deze individuele sanering een integraal onderdeel uit van de gemeentelijke saneringsverplichting;
8° grondwaterwinning: alle putten, opvangplaatsen, draineerinrichtingen, bronbemalingen en over het algemeen alle werken en installaties die tot doel of tot gevolg hebben grondwater op te vangen, met inbegrip van het opvangen van bronnen op het uitvloeiingspunt en het tijdelijk of bestendig verlagen van de grondwatertafel ingevolge grondwerken;
9° grondwaterwinningseenheid: de verschillende grondwaterwinningen, uitgezonderd deze die bestemd zijn voor de openbare drinkwatervoorziening, waarvan het gewonnen water is bestemd voor eenzelfde milieutechnische eenheid als gedefinieerd in het artikel 1.1.2. van titel II van het Vlarem. Het feit dat verschillende grondwaterwinningen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat zij een grondwaterwinningseenheid kunnen vormen;
10° heffingsjaar: het kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin water werd verbruikt en/of gefactureerd en/of geloosd en/of een grondwaterwinning werd geëxploiteerd;
11° Omgevingsvergunningsbesluit: besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
12° openbaar hydrografisch net: de wateren van de waterwegen of die als dusdanig zijn gerangschikt, de wateren van de onbevaarbare waterlopen en van de afwateringen met voortdurende of onderbroken afvoer, alsook in 't algemeen, de stromende en stilstaande wateren van het openbaar domein;
13° sanering: het ondernemen van alle acties nodig voor de organisatie en de uitvoering van het opvangen, transporteren, collecteren en zuiveren van het afvalwater;
14° titel II van het Vlarem: besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
15° toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving: Voor de toepassing van dit decreet wordt onder de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving verstaan: de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, vermeld in artikel 12,1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
16° Vlaamse Milieumaatschappij: intern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Milieumaatschappij opgericht bij decreet van 7 mei 2004 tot wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, tot aanvulling ervan met een titel Agentschappen en tot wijziging van diverse andere wetten en decreten;
17° water bestemd voor menselijke consumptie: al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding, vaat of persoonlijke hygiëne, ongeacht de herkomst en ongeacht of het water wordt geleverd via een waterdistributienetwerk of via een private waterwinning, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen, met uitzondering van:
a) natuurlijk mineraalwater dat dusdanig is erkend overeenkomstig het koninklijk besluit van 8 februari 1999 betreffende natuurlijk mineraalwater en bronwater;
b) water dat een geneesmiddel is;
18° watermeter: het toestel dat beantwoordt aan de wetgeving op de metrologie, dat eigendom is van de exploitant en dat geplaatst is bij de klant om het volume van het water, geleverd door de exploitant, te registreren;
19° wooneenheid: elke eenheid in een woongebouw die ontworpen of aangepast is om afzonderlijk te worden gebruikt en die minstens over de volgende woonvoorzieningen beschikt: een woonruimte in combinatie met een toilet, een douche of bad en een keuken of kitchenette.


Hoofdstuk II.
Heffingen waterverontreiniging en grondwater


Afdeling.
1. De heffingsplicht


Onderafdeling 1.
De heffingsplicht waterverontreiniging


Art. 4.2.1.1.1.

Voor de toepassing van de heffingsplicht waterverontreiniging wordt als een aan deze heffing onderworpen heffingsplichtige beschouwd, elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt of op dit grondgebied water heeft geloosd, ongeacht de herkomst van het water.

Voor de toepassing van de heffingsplicht waterverontreiniging wordt de persoon waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest factureert in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige te zijn voor het aan hem gefactureerde waterverbruik afgenomen van een openbare watervoorzieningsmaatschappij, onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker van het water.

Voor de toepassing van de heffing waterverontreiniging worden de personen aangewezen in artikel 4.2.1.2.1 onweerlegbaar vermoed heffingsplichtig te zijn voor het grondwater dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgenomen uit een eigen waterwinning vermeld in het eerste lid, onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van dit water.


Art. 4.2.1.1.2.

Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten, vetvangers of kleinschalige waterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximaal 20 inwonerequivalenten waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Een slibverbrandingsinstallatie waarmee het zuiveringstechnisch werk een milieutechnische eenheid vormt is geen onderdeel van het zuiveringstechnisch werk.


Art. 4.2.1.1.3.

Het lozen van opgepompt grondwater in het kader van bodemsaneringswerken en waarvoor een conformiteitsattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering of het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld.


Art. 4.2.1.1.4.

In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is geen heffing verschuldigd voor:
1° een vergunde grondwaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energie-opslag voor zover het gewonnen, niet-verontreinigde grondwater integraal wordt teruggepompt in dezelfde watervoerende laag, als waaruit het wordt gewonnen;
2° een vergunde oppervlaktewaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energieopslag en terug geloosd in hetzelfde oppervlaktewater als waaruit het wordt gewonnen.

De heffingsplichtige waterverontreiniging, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, dient op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar in het bezit te zijn van een milieu- of omgevingsvergunning respectievelijk voor:
1° het winnen van grondwater voor thermische energieopslag (indelingsrubriek 53.6 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM);
2° gebruik van oppervlaktewater uitsluitend voor thermische energieopslag en teruglozing ervan in hetzelfde oppervlaktewater (indelingsrubriek 3.7 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM).

Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in aanmerking wenst te komen voor de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, dient bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1 een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de bewijsstukken waaruit blijkt dat aan bovenvermelde vrijstellingsvoorwaarden is voldaan. De verleende vrijstelling geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de volgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat de installatie niet meer aan de hierboven vermelde vrijstellingsvoorwaarden voldoet.

Elke verandering van de vergunningssituatie en/of wijziging aan de grond-waterwinning respectievelijk de oppervlaktewaterwinning moet onmiddellijk per aangetekend schrijven aan de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij worden gemeld.


Art. 4.2.1.1.5.

De rechtspersoon die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in een grindwinningsgebied een groeve exploiteert waar overeenkomstig de beste beschikbare techniek grind wordt ontgonnen of verwerkt, is geen heffingsplichtige waterverontreiniging in de zin van artikel 4.2.1.1.1, voor zover het water integraal wordt teruggevoerd naar hetzelfde water als waaruit het is onttrokken en dit zonder gebruik te maken van de openbare riolering.

Deze bepaling is niet van toepassing op sanitair waterverbruik of voor het gebruik van water voor eventuele andere activiteiten die op hetzelfde terrein worden uitgeoefend.


Art. 4.2.1.1.6.

§ 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m® per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m® per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:
1° grondwaterwinningen voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik zijn;
2° bronbemalingen die ofwel:
a) technisch nodig zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of voor de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
b) noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
c) noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat:
1) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
3° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.

§ 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.


Art. 4.2.1.1.7.

Het lozen van afvalwater via een noodaansluiting als vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld, op voorwaarde dat de volgende voorwaarden cumulatief vervuld worden:
1° de noodlozing werd voorafgaand het aanvatten ervan schriftelijk gemeld aan de bevoegde instanties, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, en daarvan werd een ontvangstmelding ontvangen als vermeld in dat zelfde artikel;
2° uiterlijk binnen negentig dagen na het beëindigen van de noodlozing beschikt de lozer over een schriftelijk saneringscontract, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, voor de betrokken noodlozing;
3° de vergoeding met inbegrip van de specifieke kosten, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, werd integraal aan de in artikel 2.6.1.1.1, §1, bedoelde vennootschap vergoed binnen de contractueel vastgelegde betalingstermijn of uiterlijk 3 maand vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de heffing op de noodlozing ingekohierd moet zijn.

Elke heffingsplichtige die in aanmerking wenst te komen voor deze vrijstelling dient bij de aangifte, vermeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat aan al de bovenvermelde voorwaarden is voldaan.


Art. 4.2.1.1.8.

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met de vestiging, inning en de invordering van de heffing waterverontreiniging.

De ambtenaren die daartoe bevoegd zijn, worden voorzien van een legitimatiebewijs dat ondertekend is door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.


Onderafdeling.
2. De heffingsplicht grondwater


Art. 4.2.1.2.1.

Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd:
1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar;
3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30. 000 m3 per jaar.

Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie:
a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend;

b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning melding heeft gedaan van een grondwaterwinning als vermeld in lid 1;
2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning.

Voor wat de heffing op het winnen van grondwater betreft wordt ook als grondwater beschouwd elk water dat zonder exploitatie in open verbinding staat met de waterverzadigde zone onder het bodemoppervlak en ermee in statisch evenwicht is. Water dat op natuurlijke wijze opborrelt of welwater wordt niet meer als grondwater beschouwd vanaf het ogenblik dat het langs natuurlijke weg in het openbaar hydrografisch net stroomt.


Art. 4.2.1.2.2.

In afwijking van artikel 4.2.1.2.1. is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen :
1° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
2° een grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik is;
3° bronbemalingen die technisch nodig zijn voor :
a) ofwel, de verwezenlijking van bouwkundige verwerkingen;
b) ofwel, de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
4° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden;
5° bronbemalingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
6° bronbemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat :
a) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-  deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
b) het hydrologisch attest, bepaald in a) , vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappijof de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
7° grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmtepomp integraal terug in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
8° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering of het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
9° het deel van het belucht grondwater van grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.


Art. 4.2.1.2.3.

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met de vestiging, inning en invordering van de heffing.

De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.


Afdeling 2.
Het vaststellen van de heffing waterverontreiniging


Onderafdeling 1.
Algemeen


Art. 4.2.2.1.1.

§1. Het bedrag van de heffing waterverontreiniging wordt als volgt vastgesteld:

H = N x T

waarin:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor water­verontreiniging;
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, berekend volgens één van de in onderafafdelingen 2, 3, 4 en 5 bepaalde berekeningsmethoden, veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
T = het in §2 hierna vermelde bedrag van het eenheids­tarief van de heffing.

§2. Het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor waterverontreiniging wordt vastgesteld op 22,64 euro voor:
1° de heffingsplichtigen waterverontreiniging, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en artikel 4.2.2.5.1, die zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, en bovendien:
a) ofwel op basis van de bepalingen van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alle uitvoeringsbepalingen van deze wet, evenals de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en in oppervlaktewater te lozen;
b) ofwel moeten voldoen aan de voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m®/jaar bedraagt, zoals bedoeld in indelingsrubriek 3 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM;
2° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. en artikel 4.2.2.5.1., die beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:
a) de openbare riolering die niet aangesloten is op een operationele openbare afvalwater-zuiveringsinstallatie;
b) een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
c) een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.
3° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, waarvan de inrichting niet gelegen is in de zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:
a) is aangesloten op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie; of
b) wordt aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis van het zoneringsplan zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie.

Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 33,38 euro.

De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77.

De indexering wordt ieder jaar ambtshalve toegepast op 1 januari. Het aangepaste bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.


Art. 4.2.2.1.2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1 en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering.

Art. 4.2.2.1.3.

§ 1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt het bedrag van de heffing verminderd met B
waarbij:
B = de som van de bijdrage en de vergoeding, vermeld in de artikelen 4.3.2.1 tot 4.3.2.4, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden.

Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald."

§2.Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1. §2 en 3, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering.


Art. 4.2.2.1.4.

§1. Elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, is vrijgesteld van de heffing waterverontreiniging voor zover geen sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt.

Indien sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik en/of koelwater een heffing gevestigd.

De heffingsplichtige mag bovendien op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater en/of koelwater te lozen.

§2. Elke heffingsplichtige die van de regeling in de vorige paragraaf gebruik wenst te  maken, moet bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1,§1, een dossier voegen dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid. Elk ander bewijs van niet lozing zal niet worden aanvaard door de Vlaamse Milieumaatschappij.

Het bedoelde dossier bevat minstens de volgende gegevens:
1° een beschrijving van het productieproces met aanduiding van de verschillende waterstromen;
2° een gedetailleerde waterbalans met vermelding van de verschillende waterbronnen, de aanwending en de afvoer van dit water;
3° indien van toepassing een beschrijving van de toegepaste technische maatregelen om tot de niet-lozing te komen;
4° een beschrijving van noodplannen en noodvoorzieningen.
5° een overzicht van de omgevings- of lozingsvergunningen van de laatste tien jaar met afzonderlijke vermelding van de nog geldende vergunningen waarover de heffingsplichtige beschikt
6° de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit rapport.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het bedoelde dossier.

§3. De uiterste datum voor de vaststellingen van de niet-lozing is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek.

Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

§4. Het bedoelde dossier geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de negen daaropvolgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Iedere wijziging betreffende de lozingssituatie moet onmiddellijk per aangetekend schrijven worden gemeld aan het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar.

§5. Het statuut van nullozer kan worden verlengd voor opeenvolgende periodes van tien jaar.

Hiertoe moet de heffingsplichtige waterverontreiniging, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier, een hernieuwingsaanvraag indienen bij de ambtenaar die conform artikel 4.2.1.1.8 aangewezen is voor de vestiging van de heffing, samen met een attest afgeleverd door een milieu-deskundige bedoeld in paragraaf 2, waarin de conclusie van het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd."

Het attest vermeldt tevens de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit attest. De uiterste datum voor deze vaststellingen is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar waarvoor de hernieuwingsaanvraag wordt ingediend.

Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.

Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

§6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, §1.

Voor de daaropvolgende jaren van de nog resterende looptijd van het dossier of het attest, vermeld in paragraaf 4 of 5, wordt het statuut van nullozer alleen behouden als voor die jaren de onregelmatige lozingssituatie is geremedieerd en de heffingsplichtige daarvan het bewijs levert.

§7. Als de totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces in afwijking van paragraaf 1 en 2 pas in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, wordt verwezenlijkt en/of vastgesteld, wordt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 evenwel toegekend vanaf de maand die volgt op de maand waarin de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle overige bepalingen van paragraaf 1 en 2 is voldaan.

 § 8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.


Art. 4.2.2.1.5.

§ 1. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, geniet van de toepassing van een sociaal tarief waarbij die heffingsplichtige voor 80% vrijgesteld wordt van de verplichting tot betaling van de heffing voor waterverontreiniging vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als hij zelf op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden één van de volgende tegemoetkomingen geniet:
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het tenlastenemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Het sociaal tarief, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de heffingsplichtige vermeld in artikel 4.2.2.2.1., met een gezinslid dat gedomicilieerd is op hetzelfde adres en dat op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden onder een van de categorieën vermeld in het eerste lid, valt. Voor de toepassing van dat sociaal tarief worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

De vrijstelling vermeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend voor de plaats van het watergebruik die tevens het wettelijke domicilie is van de heffingsplichtige.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan automatisch het sociaal tarief toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in paragraaf 1 toekennen. De heffingsplichtige ontvangt dan een heffingsbiljet waarop het sociaal tarief al is toegepast.

Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen voor het volledige heffingsbedrag, wordt de vrijstelling vermeld in paragraaf 1 enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De aanvraag om in aanmerking te komen voor de toepassing van het sociaal tarief moet uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, bij de Vlaamse Milieumaatschappij worden ingediend.

Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft;
5° de afscheurstrook van het overeenkomstige heffingsbiljet.

Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is het vermeld sociaal tarief van rechtswege verworven.

§3. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van paragraaf 1 de volgende regeling: de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in paragraaf 1, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in paragraaf 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in artikel 4.2.2.1.6.


Art. 4.2.2.1.6.

§1. Elke fysieke persoon die het sociaal tarief, vermeld in artikel 4.2.2.1.5,§1, niet kan genieten maar wel de werkelijke verbruiker van het water is, en die op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden zelf één van de volgende tegemoetkomingen geniet, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in artikel 4.2.2.1.5.,§1:
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming ’hulp aan bejaarden’ volgens het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

De compensatie wordt uitsluitend verleend voor de plaats van waterverbruik die tevens op 1 januari van het heffingsjaar het wettelijke domicilie is van de verbruiker.

Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust- verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de compensatie automatisch toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in paragraaf 1 toekennen.

Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de voormelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, bij de Vlaamse Milieumaatschappij worden ingediend.

Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald:

P= M x T x Q x 0,025 x 0,80;

waarbij:
1° P= de compensatie;
2° M= het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het heffingsjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3° T= het eenheidstarief van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1.;
4° Q = 10 m³ voor elke verbruiker die op een tijdstip gedurende het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet, en waarbij het waterverbruik in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de openbare watervoorzieningsmaatschappij, minder dan 500 m³ bedraagt, en die tevens op een tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning met een getotaliseerd nominaal pompvermogen van minder dan 5 m³ per uur;
Q = 30 m³ voor alle andere verbruikers.

De compensatie is niet van toepassing op de fysieke personen die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komen voor een compensatie, als vermeld in artikel 4.3.3.2. in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.


Art. 4.2.2.1.7.

§1. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater hetzij in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, hetzij gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem.

Deze individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater moeten voldoen aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 3.

Deze vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het afvalwater dat gezuiverd wordt in de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater;

§2. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater vermeld in paragraaf 1.

Deze vrijstelling heeft enkel betrekking op het huishoudelijk afvalwater ressorterend onder sector 56 uit de bijlage 5 bij dit decreet. Deze vrijstelling kan maximaal 30 m³ per persoon, op 1 januari van het heffingsjaar gedomicilieerd in de bedoelde woongelegenheid, bedragen.

De vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid ressorterend onder sector 56 uit de bijlage 5 bij dit decreet dat gezuiverd wordt in de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater vermeld in paragraaf 1.

De vrijstelling is niet van toepassing indien de heffingsplichtige of de werkelijke verbruiker van het water in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komt voor een compensatie, als vermeld in artikel 4.3.3.2. in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.

§3. De individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater vermeld in paragraaf 1 en 2 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van het Omgevingsvergunningsbesluit;
2° gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem;

De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) . De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.

§4. De heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater vermeld in paragraaf 1 tot 3 en die bovenstaande vrijstelling wil genieten, moet, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient, samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag indienen bij de Vlaamse Milieumaatschappij met de volgende bijlagen:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater;
2° een attest uitgereikt door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.

Het attest uit lid 1, 2°, van deze paragraaf heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem, of gewijzigd werd.

Indien aan de Vlaamse Milieumaatschappij een attest wordt bezorgd als vermeld in het eerste lid, 2°, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de heffingsplichtige automatisch vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet.

Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.

§5. De Vlaamse Milieumaatschappij kan een heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater vermeld in paragraaf 1 of 2, automatisch vrijstellen op basis van de inlichtingen ingewonnen bij de gemeenten of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, op basis van inlichtingen ingewonnen bij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk. In geval de vrijstelling automatisch wordt toegekend ontvangt de rechthebbende geen heffingsbiljet.

Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de bovenvermelde vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De heffingsplichtigen vermeld in artikelen 4.2.2.3.1.en 4.2.2.5.1., met uitzondering van deze uitsluitend ressorterend onder de sector 56 van de bijlage 5 bij dit decreet, moeten hun aanvraag bij hun aangifte voegen. Alle andere heffingsplichtigen moeten hun aanvraag uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd bij de Vlaamse Milieumaatschappij indienen.

Bij de aanvraag moet een attest uitgereikt door de burgemeester worden gevoegd, of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, een attest uitgereikt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk waaruit de regelmatige aansluiting van de heffingsplichtige op de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater blijkt.

§6. In afwijking van paragraaf 5 kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.


Art. 4.2.2.1.8.

§1. Worden eveneens vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de in artikel 4.2.2.1.1. bedoelde heffing, de sociale instellingen, buiten het medische kader, met een verzorgende finaliteit en zonder productieactiviteit, waar overwegend personen worden opgevangen die omwille van hun handicap of lichamelijke toestand, zorgenbehoevend zijn.

De vrijstelling geldt slechts indien de bedoelde rechtspersonen gedurende het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend huishoudelijke afvalwaters hebben geloosd en ze hebben gezuiverd of hebben laten zuiveren in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem:
1° waarvan, in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de exploitatie is gemeld en/of vergund overeenkomstig de voorschriften van het Omgevingsvergunningsbesluit;
2° die gebouwd is en geëxploiteerd wordt volgens een code van goede praktijk.

De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI.

§2. De heffingsplichtige die van de vrijstelling uit paragraaf 1 wenst te genieten, dient daarvoor, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in bij de Vlaamse Milieumaatschappij met de volgende bijlagen:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater;
2° een attest afgeleverd door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.

Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd.

Indien aan de Vlaamse Milieumaatschappij een attest werd bezorgd als bedoeld in het eerste lid, 2°, kan deze de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.

In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels.


Art. 4.2.2.1.9. De persoon vermeld in artikel 4.2.2.1.5 en 4.2.2.1.6 kan de compensatie aldaar vermeld niet verkrijgen voor zijn aandeel van het waterverbruik waarvan de heffingsplichtige vermeld in artikel 4.2.2.1.5.en 4.2.2.1.7, of de instelling vermeld in artikel 4.2.2.1.8, werd vrijgesteld of van het sociaal tarief geniet.

Art. 4.2.2.1.10.

§1. In afwijking van artikel 4.2.2.1.1., wordt in geval van:
1° een onvergunde lozing;
2° een lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of omgevingsvergunning om een contract, vermeld in artikel 2.6.2.1., af te sluiten; of
3° een lozing via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.1.1.7.;
het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld:

H = T x Qx x Cx + T x Nkx

waarbij:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 4.2.2.1.1, §2, 2e lid.;
Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.5.2., verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt:
Σ [(deind - dbegin) + F]
waarbij:
dbegin =
1° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 5.3.3., tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;
deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;
F =
1° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;

2° 30 in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;
Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
Nkx = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.

In alle andere gevallen wordt de vuilvracht vermeld in artikel 4.2.2.1.1., vermenigvuldigd met (365-dx) /365.

§2.Onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden is paragraaf 1 niet van toepassing op lozingen zonder voorafgaande melding of meldingsakte of voorafgaande of tijdige verlenging van de lozings-, milieu- of omgevingsvergunning, zoals respectievelijk vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en voor zover:
1° de heffingsplichtige beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens als vermeld in artikel 4.2.2.3.3., die betrekking hebben op de volledige afvalwaterstroom; ofwel
2° aan de voorwaarden voor de toepassing van
artikel 4.2.2.3.4., is voldaan en de meet- en bemonsteringsgegevens van de Vlaamse Milieumaatschappij op de volledige afvalwaterstroom slaan.

Er mag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen enkele vaststelling zijn gedaan van een lozing van een gedeelte van de afvalwaterstroom via een ander niet bemonsterd lozingspunt.

In geval van een in het eerste lid vermelde onvergunde lozing wordt de vuilvracht uitsluitend overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., berekend.


Art. 4.2.2.1.11.

Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., wordt voor de sectoren 45, 51.a en 51.b, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,850.

Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., wordt voor de sectoren 57, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,686.


Onderafdeling 2.
Berekening van de vuilvracht op basis van waterverbruik


Art. 4.2.2.2.1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging met een waterverbruik van minder dan 500 m® per jaar wordt de vuilvracht als volgt berekend:
1° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die uitsluitend water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar en waarbij het waterverbruik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de drinkwatermaatschappij, minder dan 500 m® bedraagt:
N = 0,025 x Qw
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in m®;
2° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die gedurende het gehele jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend beschikte over een eigen waterwinning van minder dan 500 m® per jaar:
N = 0,025 x Qp
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qp = a) voor natuurlijke personen: 30 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;
3° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk en die tevens op enig tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning waarbij het totale waterverbruik kleiner is dan 500 m® per jaar:
N = 0,025 x (Qw + Qg)
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in m®;
Qg = a) voor natuurlijke personen: 10 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;

Art. 4.2.2.2.2.

Elke in artikel 4.2.2.2.1 en in categorie 56 van de bijla­ge 5 bedoelde heffingsplichtige heeft het recht om de toepassing te vragen van één van de berekeningsmethoden bedoeld in de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9. en de artikelen 4.2.2.5.1.en 4.2.2.5.2. voorzover hij beschikt over de gegevens vereist voor de toepassing van de berekeningsmethoden.


Om van dit recht gebruik te kunnen maken dient de hef­fingsplichtige een aangifte in binnen de door arti­kel 4.2.4.1., §1, gestelde termijn.


Art. 4.2.2.2.3. De met toezicht belaste ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschap­pij kan, mits de hiervoor nodige gegevens voorhanden zijn, zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige, voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft, beslissen tot toepas­sing van de in artikel 4.2.2.3.1. of artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2. aangegeven berekeningsmethode voor zover dit resulteert in een grotere vuilvracht voor de in artikel 4.2.2.2.1 of in categorie 56 van de bijlage 5 bedoelde heffingsplichtige.

Onderafdeling 3.
Berekening van de vuilvracht op basis van meet- en bemonsteringsresultaten


Art. 4.2.2.3.1.

Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging die niet onder artikel 4.2.2.2.1 tot 4.2.2.2.3.vallen wordt de vuilvracht als volgt berekend:

N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv

waarin:

N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, de vuilvracht kan in geen geval negatief worden;

N1 = Qd x [a + 0,35 x ZS + 0,45 (2 x BZV + CZV) ] x (0,40 + 0,60 x d)

180              500                                 1350

waarin:

N1: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qd: het volume, uitgedrukt in liter, van het afvalwater geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;

a:

1° deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen waterverontreining:

a)   die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, en op dezelfde datum bovendien beschikken over een omgevings- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch net;

b)   die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar beschikken over een omgevings-, respectievelijk lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:

-   de openbare riolering die niet aangesloten is op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie;

-   een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;

-   een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.

indien in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar de lozingssituatie en/of vergunningstoestand bedoeld onder 1° verandert in deze bedoeld onder 3° of omgekeerd, wordt de berekening van de N1-component evenredig opgesplitst voor zover de vuilvracht berekend zonder de a- factor niet gevoelig wijzigt. De wijziging van de a- factor gaat in vanaf de maand volgend op deze waarin de lozingssituatie en/of vergunningstoestand volgens de vergunning van kracht wordt. Als de feitelijke lozingssituatie niet overeenstemt met de vergunningstoestand wordt de a- factor gewijzigd vanaf de maand die volgt op die waarin de feitelijke situatie aan de vergunning is aangepast. De heffingsplichtige dient minstens één maand voor de wijziging per aangetekend schrijven het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar hiervan op de hoogte te brengen. Bij gevoelige wijziging van de vuilvracht is overeenkomstig artikel 4.2.2.3.7 de situatie op het ogenblik van de monstername van toepassing.

3° deze term is in de overige gevallen gelijk aan 0,20.

ZS: het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;

BZV: de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;

CZV: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;

d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar gedurende verschillende etmalen metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als N1 het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-componenten genomen.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar in verschillende maanden metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als maand van de grootste bedrijvigheid die maand in aanmerking genomen waarvan het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-component het grootst is.

N2 = Qjx [40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni) + 1 x (Pb + AS + Cr) ]

1000

waarin:

N2 = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde zware metalen uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qj = het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;

Hg, Ag, Cd, Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr: de in het geloosde afvalwater gemeten gehaltes, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft, uitgedrukt in mg/l, van de respectievelijke stoffen: kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.

N3 = Qj x (N + P)

       10000

waarin:

N3: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde nutriënten uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qj: het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar;

N:   het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P:   het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Nk = ak (K x 0,0004)

waarin:

Nk: de vuilvracht veroorzaakt door het lozen van koelwater;

K:   het thermisch belast koelwater, uitgedrukt in kubieke meter per jaar, dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd geloosd. Met ingang van het heffingsjaar 1992 wordt de hoeveelheid geloosd koelwater geacht overeen te stemmen met:

1° hetzij, de in de lozings- of omgevingsvergunning toegelaten hoeveelheid;

2° hetzij, de hoeveelheid aangegeven in de vóór 1 september 1991 ingediende
lozingsvergunningsaanvraag zolang over deze laatste nog geen uitspraak is gedaan;

3° tenzij het bewijs geleverd wordt dat de reëel geloosde hoeveelheid kleiner is.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels hiervan vast.

akdeze term is gelijk aan 0,550.

Nv= Ev - Kv

waarin:

Nv : de vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden;

Onder goed verwerkbaar afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

CZV/BZV kleiner dan of gelijk aan 4;

BZV/N groter of gelijk aan 4;

BZV/P groter of gelijk aan 25;

BZV concentratie hoger dan of gelijk aan 100 mg/l.

waarbij:

BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;

CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;

N:    het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P:     het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Onder complementair afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

1°       CZV/BZV kleiner dan 2;

2°       BZV/N groter dan 8;

3°       BZV/P groter dan 40;

4°       BZV concentratie hoger dan 500 mg/l.

waarbij:

BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;

CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;

N:    het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P:     het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

De gemiddelde samenstelling is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.

Ev: de extra verwerkingskosten voor de sanering van afvalwater dat niet goed verwerkbaar is;

De term Ev is:

1° nul wanneer het afvalwater goed verwerkbaar of complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;

2° in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x [0,45 x (4 x (BZVc – BZV) ) + 0,35 x ZSp] x (0,40 + 0,60 x d)

180                   1.350                           500

waarbij:

Qdv:   het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:

                     Qdv = Qj x 1000

                      225*d

BZVc: de gecorrigeerde BZV concentratie, uitgedrukt in mg BZV/l, zodat het afvalwater voldoet aan de voorwaarden voor goed verwerkbaar afvalwater met uitzondering van de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. BZVc is gelijk aan de maximale waarde uit de volgende reeks : 100, CZV/4, N × 4, BZV;

BZV:   de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;

CZV:   de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;

N:      de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P:       de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l;

Hierbij is de gemiddelde concentratie het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.

ZSp:   de slibproductie, uitgedrukt in mg/l, ontstaan door de chemische precipitatie van het toe te voegen ijzertrichloride wanneer de samenstelling van afvalwater niet voldoet aan de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. ZSp kan niet negatief zijn en wordt berekend als :

6,6 x (P – BZV)

25

d:       correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten wanneer minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d dan gelijk is aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225;

Kv:     de korting voor de sanering van complementair afvalwater

De term Kv:

1° is nul wanneer het afvalwater niet complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;

2° is in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x 0,45 x BZV x (0,40 + 0,60 x d)

180        1350

waarbij:

Qdv:   het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:

Qdv = Qj x 1000

225*d

BZV:   de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l. De gemiddelde concentratie is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid;

d:       correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

In afwijking van de voorgaande bepalingen wordt de component Nv bij toepassing van de 30 %-regel, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., tweede lid, uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dat resulteert in een hogere vuilvracht.


Art. 4.2.2.3.2.

De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

De Regering kan de nadere regels vaststellen aan­gaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in artikel 4.2.2.3.1. aangegeven berekeningsmethode.


Art. 4.2.2.3.3.

Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een laboratorium vermeld in artikel 4.2.2.3.2.

Indien de heffingsplichtige en de Vlaamse Milieumaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen hebben laten uitvoeren en de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N1-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij 30 % hoger ligt dan de N1-waarde bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, worden de componenten N1, N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht.

In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij, en de N-waarde, bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, kleiner is dan 50 VE.


Art. 4.2.2.3.4.

Indien de heffingsplichtige niet beschikt over geldige meet- en bemonsteringsgegevens, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., én indien artikel 4.2.2.3.5. of 4.2.2.3.6. niet van toepassing is, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode toepassen voor zover de nodige gegevens beschikbaar zijn en voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht dan de vuilvracht berekend volgens artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2., en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.5.

§1. Indien de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nvniet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., eerste lid, kan hij bij de aangifte, bedoeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag tot afwijking van de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.,en van artikel 4.2.2.3.1. voegen.

Indien de Vlaamse Milieumaatschappij dit verzoek aanvaardt, zal de vuilvracht van de componenten waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, vastgesteld worden op 1,5 maal het rekenkundig gemiddelde van respectievelijk de N1-, N2-, N3- of Nv-componenten vastgesteld voor de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren.

§2. Voor de heffingsplichtige waarvan de heffingsplicht ontstaan is maximum drie kalenderjaren vóór het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, kunnen tevens maximum drie heffingsjaren, volgend op het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer van de componenten niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, aanvullend worden gebruikt voor de berekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid.

Samen met het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, moeten de heffingsjaren waarvan de vuilvracht in rekening gebracht wordt vier opeenvolgende heffingsjaren vormen.

De betrokken heffingsplichtige moet een schriftelijke aanvraag tot herberekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid indienen ten laatste op 1 april van het jaar volgend op het laatste betrokken heffingsjaar dat gebruikt wordt voor de herberekening.

§3. Dit artikel is van toepassing op voorwaarde dat:

1° de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 of Nv waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, voor drie opeenvolgende heffingsjaren gebaseerd is op meet- en bemonsteringsgegevens die voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 4.2.2.3.2., tweede lid en in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid;

2° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar de productieprocessen dezelfde zijn als deze in drie opeenvolgende jaren en het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gelijkaardig is aan het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N, gebruikt voor het vaststellen van de heffing voor drie opeenvolgende jaren;

3° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen vaststellingen zijn gedaan m.b.t. het niet of onvoldoende functioneren van de aanwezige zuiveringsapparatuur;

4° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen inbreuken werden vastgesteld inzake de lozing van afvalwater door middel van een proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag bedoeld in artikel 5.4.1.3., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige handelt met opzet om de heffing geheel of gedeeltelijk te ontwijken;

5° uit de bij de aangifte gevoegde verantwoordingsstukken blijkt dat aan de voorwaarden bepaald onder 1° tot 4° is voldaan.

Indien bovenvermelde regeling toegepast wordt op één of meer van de componenten N1, N2, N3 of Nv, kan artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2.niet meer toegepast worden op één of meer van de overige componenten N1, N2, N3 of Nv, en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft.


Art. 4.2.2.3.6.

Indien de bepalingen van artikel 4.2.2.3.5. op één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv van toepassing zijn, én de Vlaamse Milieumaatschappij heeft in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen laten uitvoeren conform artikel 4.2.2.3.2., tweede lid, dan worden deze meet- en bemonsteringsresultaten voor alle componenten gebruikt bij de berekening van de vuilvracht voor zover de som van de componenten N1, N2, N3 en Nv berekend op basis van deze metingen hoger is dan de som van de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 en Nv, hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.1., hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.5. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.7.

§1.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar zorgt voor een sterke en blijvende daling van de vuilvracht veroorzaakt door het geloosde afvalwater, hetzij door investeringen in het productieproces of zuiveringstechnische werken, hetzij door het stopzetten van bepaalde verontreinigende activiteiten, en hiervan het bewijs kan leveren, kan voor de berekening van de heffing een evenredige opsplitsing bekomen op voorwaarde dat voor elke periode geldige meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, beschikbaar zijn. Deze regeling geldt niet voor seizoensgebonden activiteiten.

Indien voor de periode vóór het realiseren van de bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht geen meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9, beschikbaar zijn, dan wordt voor deze periode de heffing berekend overeenkomstig artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.

Ingeval meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot de periode na de aanpassing of stopzetting ontbreken, wordt de heffing voor het volledige jaar berekend overeenkomstig de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode op basis van de gegevens van de periode vóór de wijziging of stopzetting.

Indien in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar overeenkomstig het eerste lid twee perioden worden onderscheiden, dan neemt de tweede periode slechts een aanvang op de eerste dag van de maand waarin de meting en bemonstering van het afvalwater overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9 uitgevoerd werd en waaruit de in het eerste lid bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht blijkt.

§2.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die acties onderneemt om te komen tot een in paragraaf 1 bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht, stelt de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij minstens 1 maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk op de hoogte van:

1° ofwel de ingebruikname van een nieuw productieproces;
2° ofwel de ingebruikname van een zuiveringstechnische installatie;
3° ofwel het stopzetten van de verontreinigende activiteit.


Art. 4.2.2.3.8.

Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. wordt als volgt bepaald:
1° op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels;
2° als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met debietmeetapparatuur bedoeld in 1° wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m³, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voor zo ver dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt;
a) de af te trekken hoeveelheid koelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeet-apparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid koelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
b) de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, §2, 2° en 3° ;
c) de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) wanneer de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
3) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in 1) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in 2) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
i. voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T=200;
ii. voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T=10x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
iii. in de overige gevallen: T = 2000;
4) als de debietmeting bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van 2) of 3) en op dagbasis berekend;
d) voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m²;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
3° als de debietmeting met registratie bedoeld in punt 1° geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:

  1. voor de periode dat de geloosde hoeveelheid afvalwater werd gemeten: op basis

van de tellerstanden van deze periode;

  1. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.

De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing en gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

In geval van het resetten van de debietmeetsystemen vermeld in deze paragraaf in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Art. 4.2.2.3.9. Wanneer geldige tegenanalyses zijn uitgevoerd conform de bepalingen van deze onderafdeling en de in uitvoering hiervan genomen besluiten, wordt voor de bepaling van de componenten N1 ,N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1., op dagbasis per parameter het gemiddelde genomen van de resultaten van de analyses en tegenanalyses.

Onderafdeling 4.
Berekening van de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater die in mindering mag gebracht worden in geval het geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater


Art. 4.2.2.4.1.

§1. In geval het in een bepaald oppervlaktewater geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater, dat uit hetzelfde oppervlaktewater is opgenomen als dit waarin het afvalwater geloosd wordt, mag de vuilvracht N, bepaald volgens artikel 4.2.2.3.1. verminderd worden met de vuilvracht N0 van het gebruikte oppervlaktewater berekend als volgt:

No = N1,0 + N2,0 + N3,0

met:

No: de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden van het opgenomen oppervlaktewater;

N1,0 = Qd,ox [0,35 xZS0 + 0,45 (2 x BZV0 + CZV0) ] x (0,40 + 0,60 x d)

180        500                     1350

waarin:

N1,0:  de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater veroorzaakt door de opname van de beschouwde stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qd,o:  het volume uitgedrukt in liter, van het op de geloosde afvalwaters betrekking hebbende gebruikte oppervlaktewater, in het etmaal waarop Qd betrekking heeft. Indien Qd,o niet werd gemeten, kan Qd,0 maximaal gelijk gesteld worden aan Qd;

ZS0:   het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft;

BZV0: de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte

oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft;

CZV0: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,o betrekking heeft;

d:       correctiefactor bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.

N2,0 = Qj,o x (40 x (Hg,o) + 10 x (Ag,o + Cd,o) + 5 x (Zn,o + Cu,o) + 2 x (Ni,o) + 1 x

(Pb,o + As,o + Cr,o) ) /1000

waarin:

N2,0: de vuilvracht van de beschouwde zware metalen van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qj,o: het volume oppervlaktewater, uitgedrukt in kubieke meter, gebruikt in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar en dat betrekking heeft op Qj zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;         

Hg,o, Ag,o, Cd,o, Zn,o, Cu,o, Ni,o, Pb,o, As,o, Cr,o: de in het gebruikte oppervlaktewater Qj,0 gemeten gehaltes van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft uitgedrukt in mg/l, van de respectieve stoffen kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.

N3,0 = Qj,o x (No + Po) /10000

waarin:

N3,o:  de vuilvracht van de beschouwde nutriënten van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qj,o:   het volume oppervlaktewater, uitgedrukt in kubieke meter, gebruikt in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar en dat betrekking heeft op Qj zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;

No:     het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale stikstof, uitgedrukt in mg N/l;

Po:     het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

§2. De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater en oppervlaktewater als vermeld in  artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

§3. De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in §1 aangegeven berekeningsmethode.


Art. 4.2.2.4.2.

De overeenkomstig de bepalingen van de in artikel 4.2.2.4.1 berekende vuilvrachten van het gebruikte oppervlaktewater N1,o, N2,o en N3,o kunnen als mindering slechts in aanmerking genomen worden voor maximum het aantal vervuilingseenheden van de overeenstemmende vuilvrachten van het geloosde afvalwater N1, N2 en N3.

Indien de heffingsplichtige het afvalwater loost langs meerdere lozingspunten dan wordt het hierboven vermelde in mindering brengen uitgevoerd per lozingspunt.


Art. 4.2.2.4.3.

Op straffe van verval van het in artikel 4.2.2.4.1. bedoelde recht van vermindering van de vuilvracht voor het gebruikte oppervlaktewater, dienen de bedoelde heffingsplichtigen waterverontreiniging binnen de termijn en volgens de regels bepaald door de Regering:

1° aan de Vlaamse Milieumaatschappij de gegevens te bezorgen met betrekking tot het geloosde afvalwater alsmede met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater, nodig voor de toepassing van de artikel 4.2.2.3.1., en artikel 4.2.2.5.1., vermelde berekeningsmethode, samen met de benodigde stavingsstukken;
2° de Vlaamse Milieumaatschappij kennis te geven van de eis tot het in mindering brengen van de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater No.

Onderafdeling 5.
Berekening van de vuilvracht op basis van omzet¬tingscoëfficiënten


Art. 4.2.2.5.1.

Onverminderd de toepassing van artikel 4.2.2.3.4.tot 4.2.2.3.6., wordt bij het niet of onvolledig voorhanden zijn van de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., de vuilvracht voor één of meer van de termen N1 ,N2, N3 en Nv als volgt berekend;

N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv

met:

N:    de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;

N1 = A x C1

B

waarin:

N1:   de vuilvracht veroorzaakt door de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenhe­den;

A:     de bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitgedrukt over­eenkomstig de  grondslag vermeld in kolom 3 van de tabel opgenomen in bijlage 5;

B:     de grondslag vermeld in kolom 3 van de tabel opgeno­men in bijlage 5;

C1:   de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 4 van de tabel opgenomen in bijlage 5;

N2 = (Q - K) x C2

waarin:

N2:   de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van zware metalen, uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Q:    het waterverbruik berekend als de som van het door de openbare watervoorzie­ningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende dezelfde periode op een andere wijze gewonnen hoeveelheid water, uitgedrukt in m³;

K:     de hoeveelheid koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;

C2:   de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 5 van de tabel opgenomen in bijlage 5;

N3 = (Q - K) x C3

waarin:

N3:   de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de nutriënten stikstof en fosfor, uitgedrukt in vervuilingseenhe­den;

Q:    het waterverbruik berekend als de som van het door de openbare watervoorzie­ningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende dezelfde periode op een andere wijze gewonnen hoe­veelheid water, uitgedrukt in m³;

C3:   de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 6 van de tabel opgenomen in bijlage 5;

K:     de hoeveelheid koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;

Nk = ak (K x 0,0004)

waarin:

Nk:   de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwa­ter;

k:     het thermisch belast koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;

ak:    deze term is gelijk aan 0,550.

Nv = (Q - K) x Cv

waarin:

Nv:   de vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden;

Q:    het waterverbruik zoals hierboven bepaald;

K:     de hoeveelheid koelwater, vermeld in artikel 4.2.2.3.1.;

Cv:   deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen vermeld in artikel 4.2.2.1.1. §2, 1° en 2°, en is in alle andere gevallen gelijk aan de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 7 van de tabel opgenomen in bijlage 5.


Art. 4.2.2.5.2.

Voor de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. wordt onder Q verstaan:
het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m³.

Q wordt als volgt berekend:
1° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.2.2.5.1.;
2° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
a)het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b)indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1., §2, 2° en 3° ;
3° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) wanneer het opgenomen volume oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
1) voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
2) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
3) in de overige gevallen: T = 2000;
d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
1) voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
4° voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren en/of vervuild wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m²;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
1) voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend.

De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

In geval van het resetten van de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Afdeling 3.
Het vaststellen van de heffing grondwater


Art. 4.2.3.1.

§1. Het bedrag van de heffing grondwater, vermeld in artikel 4.2.1.2.1. en 4.2.1.2.2., wordt vastgesteld als volgt :


H = Z * Q,

waarbij

1° voor de exploitatie van grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:


Z  =  7,5 eurocent per m³ * index;


Q  =  het volume grondwater (in m3) dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen en dat tot drinkbaar water voor de openbare drinkwatervoorziening verwerkt kan worden, ongeacht de wijze van winning of het gebruik. De hoeveelheid die voorafgaand aan de winning via kunstmatige infiltratie aan het grondwaterreservoir werd toegevoegd kan in mindering worden gebracht van de gewonnen hoeveelheid, op voorwaarde dat voor die activiteit de nodige vergunningen en toestemmingen zijn verleend en op voorwaarde dat het infiltratiewater minstens voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater;

2°       voor de exploitatie van grondwaterwinningen niet bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:

a) indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid aangelegd in een freatische watervoerende laag aanleiding geeft tot een gewonnen hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar van 500 tot en met 30.000 m³:

Z          =  6 eurocent per m³ * index;

Q          =  Σ (Qgwp - 0.5 * Qb)

grondwaterputten

Met:

Qgwp         = gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) ;

Qb             =  gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m3) bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij          Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;


Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb;

b) indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid aanleiding geeft tot een gewonnen hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar van meer dan 30.000 m3 of tot een gewonnen volume grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uit een afgesloten watervoerende laag:


Z =       een lineaire tarieffunctie (in eurocent per m³) die voor het geheel van de
            grondwaterwinningeenheid van toepassing is en als volgt bepaald wordt:


(6,2 + 0.75 * Σ (Qgwp - 0.5 * Qb) / 100.000) * index

grondwaterputten


Met:

Qgwp         =  gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) ;

Qb =  gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) onttrokken uit een freatische watervoerende laag bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;


Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb;


Q          =  Σ (λ * Qgwp - λ * 0,5 * Qb )

grondwaterputten


Met :

λ=  een grondwaterputspecifieke multiplicator zijnde het product van twee termen: laagfactor en gebiedsfactor. Daarbij nemen de laagfactor en gebiedsfactor de waarde aan die is aangegeven in de bijlage 6;

Qgwp         =  gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) ;

Qb             =  gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m³) onttrokken uit een freatische watervoerende laag bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;


Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb.

De index is de verhouding van twee indexcijfers van de consumptieprijzen met in de teller het indexcijfer van de maand november van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar en in de noemer het indexcijfer van de maand november 2001, basis 1988, namelijk 134,75.

De indexering gebeurt elk jaar ambtshalve op 1 januari. Het aangepast bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.

§2. De hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen wordt als volgt bepaald:

1° op basis van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;

2° als de opgenomen hoeveelheid grondwater niet gemeten is aan de hand van een continue debietmeting als vermeld in punt 1° wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan:

  1. als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar

voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund:

1) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld: deze hoeveelheid;

2) als in de vergunning alleen een hoeveelheid op dagbasis is vermeld:

i. deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met het reële aantal dagen dat de

grondwaterwinning in gebruik is geweest in geval van seizoensgebonden activiteiten of

activiteiten van beperkte duur;

ii. deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met 225 in de andere gevallen;

  1. als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar

voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen niet met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund of als er in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid is vermeld: de som van de maximale nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:

1) voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;

2) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is;

3) in de overige gevallen: T = 2.000;

3° als de debietmeting met registratie geen betrekking heeft op het volledige jaar vooraf-

gaand aan het heffingsjaar:

a) voor de periode dat de opgenomen hoeveelheid grondwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;

b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld volgens de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.

Bij toepassing van de punten 2° en 3° uit het eerste lid behouden de daartoe bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij bedoeld in artikel 5.4.2.1. de mogelijkheid over te gaan tot het opleggen van een boete bedoeld in artikel 5.4.2.2.

In geval van het resetten van het debietmeetsysteem met registratie, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Art. 4.2.3.2.

§1. Elke grondwaterwinning en/of grondwaterwinningseenheid waarvan de exploitatie overeenkomstig het artikel 4.2.1.2.1 en 4.2.1.2.2. aan de heffing is onderworpen en elke conform titel V vanhet decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vergunningsplichtige of meldingsplichtige grondwaterwinning moet uitgerust zijn met een debietmeting en registratie van de opgepompte hoeveelheid grondwater.

Deze debietmeting en registratie dienen te gebeuren overeenkomstig een code van goede praktijk.

De Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaraan bedoelde debietmeting en registratie moeten voldoen.

§2. Wanneer de in paragraaf 1 bedoelde registratie technisch niet uitvoerbaar is, kan de Regering de heffingsplichtige vrijstellen van voormelde registratieverplichting. In dat geval bepaalt zij de alternatieve wijze waarop de hoeveelheden worden bepaald.

§3. De in paragraaf 1 opgelegde verplichtingen tot het voorzien van een debietsmeting en registratie gelden niet voor draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.


Afdeling 4.
Vestiging en inning van de heffingen waterverontreiniging en grondwater


Art. 4.2.4.1.

§1. De in artikel 4.2.1.2.1, 4.2.1.2.2. en artikel 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9 (onderafdeling 3) bedoelde heffingsplichtige, met uitzondering van de in categorie 56 van de bijlage 5 bedoelde heffingsplichtige, is verplicht voor 15 maart van elk heffingsjaar een aangifte bij de Vlaamse Milieumaatschappij in te dienen. In voorkomend geval bevat de aangifte de nodige gegevens voor de berekening van de vuilvracht en/of voor de vaststelling van de heffing op de winning van grondwater.

Wanneer de heffingsplichtige overleden is of failliet verklaard, rust de verplichting tot aangifte in het eerste geval op zijn erfgenamen of legatarissen en in het tweede geval op zijn curator.

§2. De aangifte wordt gedaan volgens de modaliteiten vastgesteld door de Vlaamse Regering.

§3. De stukken, opgaven en inlichtingen die samen met de aangifte of de melding worden ingediend, vormen een integrerend deel ervan.

De bij de aangifte gevoegde stukken moeten worden genummerd, gedagtekend en ondertekend. Afschriften moeten éénsluidend met het oorspronkelijk stuk worden verklaard.

§4. De gemeentelijke regies, intercommunales en alle andere maatschappijen die instaan voor een openbare watervoorziening en, voor wat de heffing grondwater betreft, de vergunningverlenende overheid verlenen hun medewerking en verstrekken aan de Vlaamse Milieumaatschappij, op eenvoudig verzoek, alle gegevens en inlichtingen die nodig zijn voor de vestiging en de inning van de heffing.


Art. 4.2.4.2.

§1.De heffingsplichtige die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar een eigen waterwinning in gebruik neemt, is verplicht dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij te melden binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop hij van die waterwinning gebruik maakt.

De heffingsplichtige die het gebruik van een eigen waterwinning stopzet, is verplicht dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij te melden binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop die waterwinning niet meer wordt gebruikt.

In geval van overschrijding van de termijn, vermeld in het eerste en tweede lid, wordt ongeacht de datum van de stopzetting, vermeld in de melding, aangenomen dat de heffingsplichtige pas vanaf de tweede maand vóór de datum van ontvangst van de melding de waterwinning niet meer gebruikt. Tenzij de stopzetting reeds op een eerdere datum werd vastgesteld door de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, of tenzij een eerdere datum van stopzetting werd vastgelegd in de vergunning waarvoor er geen verdere exploitatie werd vastgesteld.

De melding vermeld in het eerste en tweede lid wordt gedaan met het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij bezorgt de gegevens van de melding van ingebruikname van een grondwaterwinning aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar de grondwaterwinning zich bevindt.

§3. De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.§1, 2°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, gedeeltelijk overschakelt op water, afgenomen van een openbaar waterdistributienet, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij over een aansluiting bij de openbare watervoorzieningsmaatschappij beschikt.

De heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, §1, 3°, die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, volledig overschakelt op water opgenomen uit een eigen waterwinning, meldt dat aan de Vlaamse Milieumaatschappij binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum dat hij uitsluitend gebruik maakt van een eigen waterwinning.


Art. 4.2.4.3.

§1. Wanneer de Vlaamse Milieumaatschappij meent de aangifte of de melding, vermeld in artikel 4.2.4.2., te moeten rechtzetten die door de heffingsplichtige is ingediend binnen de in 4.2.4.1., §1 bepaalde termijn en die voldoet aan de vormvereisten, brengt zij hem de rechtzetting die zij voorstelt per aangetekend schrijven ter kennis.

Het bericht van rechtzetting vermeldt de redenen die de rechtzetting naar het oordeel van de Vlaamse Milieumaatschappij rechtvaardigen. Het vermeldt ook de modaliteiten die de heffingsplichtige moet eerbiedigen om het te beantwoorden.

§2. De heffingsplichtige kan zijn eventuele opmerkingen schriftelijk inbrengen binnen een termijn van één maand te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van rechtzetting. Deze termijn kan wegens wettige redenen worden verlengd.

De heffing mag niet voor het verstrijken van die, eventueel verlengde, termijn worden gevestigd, behalve indien de rechten van de gewestelijke thesaurie wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn in gevaar verkeren of indien de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van de rechtzetting.


Art. 4.2.4.4.

§1. De Vlaamse Milieumaatschappij kan overgaan tot een heffing van ambtswege op grond van de gegevens waarover zij beschikt, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft:

  1. ofwel een aangifte in te dienen binnen de in artikel 4.2.4.1., §1 bepaalde termijn;
  2. ofwel de vormgebreken waarmee de aangifte is aangetast, te verhelpen binnen de termijn die de Vlaamse Milieumaatschappij hem hiervoor toekent;
  3. ofwel in overeenstemming met artikel 5.4.1.2. de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn;
  4. ofwel zich te schikken naar de wettelijk voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het ter inzage voorleggen van boeken, stukken of registers. Zo kan de Vlaamse Milieumaatschappij inzonderheid tot een heffing van ambtswege overgaan wanneer de berekeningselementen van de heffing niet of onjuist werden ingeschreven in de boeken, stukken of registers.

Bij de toepassing van artikel 4.2.2.2.3. kan de Vlaamse Milieumaatschappij eveneens tot een heffing van ambtswege overgaan.

§2. Voor de heffing van ambtswege wordt gevestigd, brengt de Vlaamse Milieumaatschappij een bericht van heffing van ambtswege per aangetekend schrijven ter kennis aan de heffingsplichtige.

Dit bericht vermeldt de redenen waarom de Vlaamse Milieumaatschappij van die procedure gebruik maakt, de periode waarop de heffing van ambtswege zal slaan, de gegevens waarop de heffing van ambtswege zal steunen, en de wijze waarop deze gegevens zijn vastgesteld. Het bericht van heffing van ambtswege vermeldt de modaliteiten die de heffingsplichtige moet eerbiedigen om het te beantwoorden.

§3. Aan de heffingsplichtige wordt een termijn van één maand toegestaan, te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht van heffing van ambtswege om zijn eventuele opmerkingen schriftelijk in te brengen.

De heffing van ambtswege mag niet voor het verstrijken van de in het eerste lid bedoelde termijn worden gevestigd, behalve indien de rechten van de gewestelijke thesaurie in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de heffingstermijn of indien de heffingsplichtige schriftelijk zijn akkoord heeft gegeven met het bericht van heffing van ambtswege.

§4. De Vlaamse Milieumaatschappij voegt bij elk bericht van heffing van ambtswege een vaststellingsverslag, bedoeld bij artikel 5.4.1.3. Het vaststellingsverslag kan door de ambtenaar die het bericht van aanslag van ambtswege ondertekent, worden medegedeeld door middel van een voor éénsluidend verklaard afschrift van het origineel.

§5. Indien een heffing van ambtswege is gevestigd, behoort het aan de heffingsplichtige het bewijs te leveren van het juiste bedrag van de verschuldigde heffing.


Art. 4.2.4.5.

§1. De heffing, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.2.2.1.1. tot 4.2.2.1.10, en artikel 4.2.3.1., wordt gevestigd uiterlijk op 31 december van het jaar dat volgt op het heffingsjaar.

§2. In afwijking van paragraaf 1, kan een heffing of een aanvullende heffing worden gevestigd gedurende vijf jaar vanaf 1 januari van het heffingsjaar, in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft tijdig een geldige aangifte in te dienen waartoe hij verplicht is overeenkomstig artikel 4.2.4.1., of als de verschuldigde heffing hoger is dan de heffing die gesteund is op de gegevens vermeld in de aangifte.

Indien in een proces-verbaal van overtreding onvergunde lozingen zijn vastgesteld, als vermeld in artikel 4.2.2.1.10, §1, wordt voor de jaren waarin de onregelmatigheden zich hebben voorgedaan, de in vorige lid bedoelde termijn verlengd vanaf de datum van het proces-verbaal tot zes maanden na de datum waarop de Vlaamse Milieumaatschappij kennis krijgt van de definitieve gerechtelijke beslissing.

In afwijking van de eerste paragraaf kan een heffing of een aanvullende heffing waterverontreiniging worden gevestigd binnen twaalf maanden na de datum waarop:

  1. het geschil over de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1., definitief is beslecht;
  2. de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk aan de betrokken abonnee of persoon bevestigt dat hem ten onrechte een bovengemeentelijke bijdrageof vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.

§3. Meerdere heffingen betreffende eenzelfde heffingsjaar kunnen lastens een zelfde heffingsplichtige worden gevestigd.

§4. De heffingen, evenals de administratieve geldboeten en de heffingsverhogingen die ermee verband houden, verschuldigd overeenkomstig dit hoofdstuk en titel V worden opgenomen in kohieren die worden medegedeeld aan de met de inning en invordering belaste ambtenaren.

§5. De kohieren worden uitvoerbaar verklaard door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar. Ze worden, op straffe van verval, binnen de in §1 en §2 bepaalde termijn uitvoerbaar verklaard.

§6 De kohieren vermelden:

de gegevens van de heffingplichtigen:

a) voor de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.:

i) waaraan een openbare water­voorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest heeft gefactureerd betreffende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar: de naam en het adres van facturatie;

ii) die geen water hebben afge­no­men van een openbare watervoorzieningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar: de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de rechtsperso­nen;

b) voor de overige heffingsplichtige: de naam, de voornaam en het adres van de natuurlijke personen; de naam en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtsperso­nen;

c) indien voor de heffing waterverontreiniging de natuurlijke persoon, vermeld in punt a) of b) , is overleden, wordt de aanslag ingekohierd op de naam van de overleden persoon voor­afgegaan van het woord "Nalatenschap" en eventueel gevolgd door de aanduiding van de persoon of personen die zich aan de Vlaamse Milieumaatschappij hebben bekend gemaakt als erfgenaam of legataris;

2° de verwijzing naar dit hoofdstuk uit deze titel;

3° het bedrag van de heffing en het heffingsjaar waarop ze betrekking heeft;

4° het artikelnummer;

5° de datum van uitvoerbaarverklaring;

6° de handtekening van de in §5 bedoelde ambtenaar.

§7. De heffingsplichtige op wiens naam de heffing is ingekohierd ontvangt zonder kosten een heffingsbiljet.

De verzending van het heffingsbiljet geschiedt op straffe van verval per post binnen zes maanden te rekenen van de datum van de uitvoerbaarverklaring van het kohier.

Het heffingsbiljet bevat:

1° de datum van verzending van het heffingsbiljet;

2° de gegevens bedoeld in §6, 1° tot 5° ;

3° de betalingstermijn;

4° de termijn waarin een bezwaarschrift kan worden ingediend, de benaming en het juiste adres van de instantie die bevoegd is om ze te ontvangen.

§8. Op schriftelijk verzoek van een persoon die niet is opgenomen in het kohier, vermeld in paragraaf 6, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de naam op het heffingsbiljet, vermeld in paragraaf 7, wijzigen. Die persoon ontvangt dan een heffingsbiljet op zijn naam, met de vermelding dat dit nieuw exemplaar met toepassing van die paragraaf wordt uitgereikt. In voorkomend geval is het oorspronkelijke kohier uitvoerbaar tegen de persoon die er niet in opgenomen is en die de naamswijziging heeft aangevraagd.


Art. 4.2.4.6.

§1. De persoon op wiens naam de heffing is ingekohierd alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen het heffingsbiljet wordt ingevorderd, kan tegen de gevestigde heffing, verhogingen en boeten, vermeld in hoofdstuk III van titel V, een bezwaarschrift indienen bij de leidend ambtenaar of de door hem gedelegeerde ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

In dit bezwaarschrift kan tevens om uitstel of spreiding van betaling van de heffing en vrijstelling of vermindering van de eventueel opgelegde administratieve geldboete of heffingsverhoging, vermeld in hoofdstuk III van titel V, worden verzocht.

Het bezwaarschrift moet schriftelijk worden gedaan, gemotiveerd zijn, en moet op straffe van verval worden verzonden naar of overhandigd aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaar of zijn gedelegeerde, binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd of vanaf de datum van kennisgeving van het heffingsbiljet.

§2. De leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet als administratieve overheid uitspraak over het bezwaarschrift.

De ambtenaar kan de betwiste heffing noch de opgelegde administratieve geldboete noch de opgelegde heffingsverhoging vermeerderen.

De beslissing van de ambtenaar wordt met redenen omkleed en aan de indiener van het bezwaarschrift ter kennis gegeven per aangetekend schrijven. De beslissing vermeldt de wijze waarop tegen deze beslissing in rechte kan worden opgekomen.

§3. Wanneer een aanslag nietig verklaard is door de in paragraaf 2 bedoelde ambtenaar omdat hij niet gevestigd is overeenkomstig een wettelijke regel, met uitzondering van een regel betreffende de verjaring, kan de Vlaamse Milieumaatschappij, zelfs wanneer de termijnen bedoeld in artikel 4.2.4.5. reeds verstreken zijn, op naam van dezelfde heffingsplichtige, op grond van dezelfde heffingselementen of op een gedeelte ervan, een nieuwe aanslag vestigen binnen drie maanden vanaf de datum waarop de beslissing van deze ambtenaar niet meer voor de rechter kan worden gebracht.


Art. 4.2.4.7.

De leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is tevens bevoegd om in bijzondere gevallen onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling te verlenen voor al de nalatigheidsinteresten of een deel ervan.


Art. 4.2.4.8.

§1. In zoverre dit hoofdstuk en hoofdstuk III van titel V en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken, zijn de regels betreffende de vestiging, de invordering, de geschillen, de subsidiaire aanslag, de verwijl- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek en de verjaring inzake rijksinkomstenbelastingen, mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen, en de in hoofdstuk III van titel V bedoelde geldboeten en heffingsverhogingen.

§2. Een bezwaarschrift indienen of een vordering in rechte instellen, verhindert niet dat de aanslag en de eventueel volgens hoofdstuk III van titel V verschuldigde geldboete of heffingsverhoging worden ingevorderd als ze als een zekere en vaststaande schuld kunnen worden beschouwd onder de voorwaarden vermeld in artikel 410 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992.

Onverminderd de toepassing van artikel 414, §2, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 schort de indiening van een bezwaarschrift evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op.

§3. De wettelijke hypotheek kan gevestigd worden op al de in het Vlaamse Gewest gelegen en daarvoor vatbare goederen die toebehoren aan de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd.

De wettelijke hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.


Hoofdstuk III.
Saneringsbijdrage en saneringsvergoeding


Afdeling I.
Berekening van de bijdrage en vergoeding voor kleinverbruikers


Onderafdeling I.
Aanrekenen van een bijdrage voor het water dat geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk


Art. 4.3.1.1.1.

§1. In deze onderafdeling wordt verstaan onder abonnee: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., §1 en §3.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen een bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting aanrekenen aan hun abonnees.

§2. De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak worden als onderdeel van de integrale prijs voor het leveren van water via het openbare waterdistributienetwerk opgenomen in de waterfactuur.

De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak bestaan uit een vastrecht en een variabele prijs.

De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.

De bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.


Art. 4.3.1.1.2.

§1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder het tarief voor de berekening van de variabele prijs op basis van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen.

Het tarief is een prijs per vervuilingseenheid. Bij het bepalen van het bovengemeentelijke en gemeentelijke tarief wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen:

  1. de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het “de vervuiler betaalt”- beginsel;
  2. de collectieve respectievelijk individuele saneringskosten per m³ water;
  3. een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
  4. een aandeel voor de opgelegde vrijstellingen of sociale correcties en de openbare dienstverplichtingen;
  5. de door de gemeente of het Vlaamse Gewest toegekende tegemoetkoming in de financiering;
  6. het aandeel van de kosten, veroorzaakt door het lozen van water dat niet afkomstig is van een openbaar waterdistributienetwerk;
  7. het aandeel van de inkomsten van het vastrecht voor de gemeentelijke of de bovengemeentelijke bijdrage.

§2. In het kader van het algemeen belang kan door het Vlaamse Gewest aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk een tussenkomst in de financiering van de bovengemeentelijke collectieve sanering toegekend worden in de vorm van een algemene werkingstoelage. De uitgekeerde werkingstoelage moet worden aangewend voor de invulling van de bovengemeentelijke saneringsverplichting. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van de algemene werkingstoelage aan de exploitanten.

§3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de economische toezichthouder, of de economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdrage die aan de abonnees wordt aangerekend.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen en regels vaststellen met betrekking tot de methode voor tariefbepaling en de tariefstructuur van de variabele prijs.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk stellen op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos alle gegevens en inlichtingen ter beschikking die de economische toezichthouder nodig heeft om zijn taken uit te voeren.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de informatie, vermeld in het derde lid, ter beschikking wordt gesteld.


Art. 4.3.1.1.3.

§1. Jaarlijks wordt een vastrecht aangerekend aan de abonnee.

Het bovengemeentelijke tarief van het vastrecht bedraagt 20 euro per wooneenheid, verminderd met 4 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

Het gemeentelijke tarief van het vastrecht voor de collectieve sanering bedraagt 30 euro per wooneenheid, verminderd met 6 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

Het gemeentelijke tarief van het vastrecht voor de individuele sanering bedraagt 50 euro per wooneenheid, verminderd met 10 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

In geval de watermeter water meet dat niet geleverd wordt ten behoeve van één of meerdere wooneenheden kan het vastrecht daarnaast per watermeter aangerekend worden.

Het bovengemeentelijk tarief van het vastrecht bedraagt 20 euro per watermeter. Het gemeentelijk tarief van het vastrecht bedraagt 30 euro per watermeter.


Art. 4.3.1.1.4.

§1. De variabele prijs wordt berekend op de volgende wijze:

B = Tkv × N en N = 0,025 × Q,

waarbij:

1° B = de variabele prijs, aangerekend aan de abonnee;

2° Tkv = het tarief om de variabele prijs te berekenen, uitgedrukt in euro per vervuilingseenheid;

3° N = de vervuiling;

4° Q = het te factureren waterverbruik, uitgedrukt in m³.

Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed één of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen. De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m³ per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m³ per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden.

De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant.

§2. Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de collectieve sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 1,4 keer hoger zijn.

Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,4 keer hoger zijn.

De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen.

De economische toezichthouder legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels.


Art. 4.3.1.1.5.

De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, §3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel art. 2.6.1.3.3.


Onderafdeling II.
Aanrekenen van een vergoeding voor water dat niet geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk


Art. 4.3.1.2.1.

§1. In dit artikel wordt verstaan onder gebruiker van een private waterwinning: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., §1 en §3.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning.

De vergoedingen in de kostprijs voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, bestaan op gemeentelijk vlak uit een vastrecht en een variabele prijs. Het vastrecht van de vergoeding mag niet aangerekend worden voor de gebruiker van een private waterwinning die ook abonnee is.

De vergoeding voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.

De vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.

De bepalingen van artikel 4.3.1.1.2, §3 en §4, artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het tweede lid.

§2. Als een vergoeding als vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald conform artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m³ water, opgenomen via de private waterwinning. Het water, opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikel 4.2.2.2.1, §2 en §3.

§3. De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, §3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3.

§4. Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:

1° is aangesloten op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie;
2° wordt aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis van het zoneringsplan, vermeld in artikel 10.2.3, §1, tweede lid, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie.

Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de gemeentelijke collectieve saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren.

Voor inrichtingen die onder de toepassing van artikel 4.2.2.2.1 vallen en die uitsluitend beschikken over een vergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, is onderhavige paragraaf ook van toepassing.


Afdeling II.
Berekening van de bijdrage en vergoeding voor grootverbruikers


Art. 4.3.2.1.

§1. In dit artikel wordt verstaan onder abonnee en onder gebruiker van een private waterwinning: een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.2, artikel4.2.2.2.3., artikel 4.2.2.3.1, en artikel 4.2.2.5.1.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen een bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting aanrekenen aan hun abonnees en kunnen een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning.

De bijdrage en de vergoeding bestaan uit een variabele prijs.

§2. De bijdragen en de vergoeding op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak worden als onderdeel van de integrale prijs voor het leveren van water via het openbare waterdistributienetwerk opgenomen in de waterfactuur.

De bijdrage en vergoeding voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting respectievelijk de sanering.

De bijdrage en vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting respectievelijk de sanering.


Art. 4.3.2.2.

De bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding voor de kosten van de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, worden op bovengemeentelijk vlak berekend op basis van de heffingsgegevens over de abonnee of gebruiker van een private waterwinning die door de Vlaamse Milieumaatschappij aan exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk bezorgd worden.

De totale bijdrage en vergoeding met betrekking tot een lozingsjaar stemt overeen met het resultaat van de volgende berekeningsmethode:

B = Tgv x VE,

waarbij:

  1. B = de som van de bijdrage respectievelijk de vergoeding, aangerekend aan de abonnee of titularis van een private waterwinning met betrekking tot het lozingsjaar;
  2. VE = de vuilvracht, uitgedrukt in vervuilingseenheden, bepaald conform dit decreet met betrekking tot het lozingsjaar en zoals aangeleverd door de VMM aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk;
  3. Tgv = het eenheidstarief van de heffing met betrekking tot het lozingsjaar voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, tweede lid.

De Vlaamse Regering kan daartoe de verdere modaliteiten bepalen. Deze modaliteiten hebben onder andere betrekking op de wijze waarop de aanrekening gebeurt, de mogelijke aanrekening van voorschotten, de verrekening van de voorschotten en de aanrekeningsbasis van de voorschotten.

De economische toezichthouder legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels.


Art. 4.3.2.3.

De bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, worden op gemeentelijk vlak als volgt berekend:

Bg = Tgvg × Q,

waarbij:

1° Bg = de bijdrage respectievelijk de vergoeding, aangerekend aan de abonnee of titularis van een private waterwinning;
2° Tgvg = het gemeentelijke tarief en is begrensd op 1,4 keer het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., §2, tweede lid, met betrekking tot het lozingsjaar en vermenigvuldigd met 0,025 VE per m3;
3° Q = in geval van:

a) de bijdrage: het te factureren of indien van toepassing, het geloosde waterverbruik, uitgedrukt in m³;

b) de vergoeding: het waterverbruik of indien van toepassing, het geloosde water uit een private waterwinning, bepaald conform artikel 4.2.2.3.8, of artikel 4.2.2.5.2., uitgedrukt in m³.

Art. 4.3.2.4. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de economische toezichthouder, of de economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting en de vergoeding in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, die op gemeentelijk vlak worden aangerekend. De Vlaamse Regering kan daartoe de voorwaarden bepalen.

Art. 4.3.2.5.

De gemeentelijke tarieven van de bijdrage en vergoeding en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.2.4, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3.


Afdeling III.
Het sociale tarief en vrijstellingen om ecologische of economische redenen


Art. 4.3.3.1.

§1. Voor de abonnee respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning als vermeld in artikel 4.2.2.2.1, past de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk voor de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage respectievelijk vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1 en artikel 4.3.1.1.2, respectievelijk 4.3.1.2.1, een sociaal tarief toe als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet:

1° het gewaarborgde inkomen voor bejaarden met toepassing van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen met toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het OCMW met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden met toepassing van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Het sociale tarief, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de abonnee en de gebruiker van een private waterwinning, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, met een gezinslid, gedomicilieerd op hetzelfde adres, dat op 1 januari van het kalenderjaar onder een van de categorieën, vermeld in het eerste lid, valt.

Voor de toepassing van het sociale tarief worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling, en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

§2. Het sociale tarief bedraagt een vijfde van het tarief voor zowel het vastrecht als de variabele prijs, vermeld in artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4.

Het sociale tarief wordt pro rata temporis toegekend op het verbruik van hetzelfde kalenderjaar en wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1.

§3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de gerechtigde, vermeld in paragraaf 1, automatisch het sociale tarief toe op grond van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij andere overheidsinstellingen die de rechten, vermeld in paragraaf 1, toekennen.

Als het sociale tarief niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt het sociale tarief alleen op schriftelijke aanvraag verleend. Bij die schriftelijke aanvraag van het sociale tarief moet een van de volgende documenten gevoegd worden:

1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1, het gewaarborgde inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het OCMW, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1, een door het OCMW toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in paragraaf 1, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de vrijstellingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

De schriftelijke aanvraag van het sociale tarief moet op straffe van verval van het recht op sociaal tarief uiterlijk op 31 december van hetzelfde kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, bij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk worden ingediend.


Art. 4.3.3.2. Als in een gebouw minstens één gezin is gedomicilieerd, waaraan de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., artikel 4.3.1.1.2 en artikel 4.3.1.2.1, niet rechtstreeks door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk wordt aangerekend, geldt in afwijking van artikel 4.3.3.1. dat de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk aan elk gezin dat gedomicilieerd is in dat gebouw, waarvan een gezinslid op 1 januari van het kalenderjaar tot een van de categorieën, vermeld in artikel 4.3.3.1, paragraaf 1, eerste lid, behoort, een compensatie verleent voor hun aandeel in de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding conform de voorwaarden en de regeling, vermeld in artikel 4.3.3.3.

Art. 4.3.3.3.

§1. Elke verbruiker die het sociale tarief, vermeld in artikel 4.3.3.1, paragraaf 1, niet kan genieten, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, artikel 4.3.1.1.2, artikel 4.3.1.2.1, artikel 4.3.2.1 en artikel 4.3.2.2, voor hetzelfde kalenderjaar als hij zelf op 1 januari van een kalenderjaar een van de volgende tegemoetkomingen geniet:

1° het gewaarborgde inkomen voor bejaarden met toepassing van de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen met toepassing van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het OCMW met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden met toepassing van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap met toepassing van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

§2. De compensatie wordt uitsluitend verleend voor het verbruik op het wettelijke domicilie van de verbruiker op 1 januari van hetzelfde kalenderjaar. Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend, die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.

Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

§3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kent aan de compensatiegerechtigde, vermeld in paragraaf 1, automatisch een compensatie toe op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten, vermeld in paragraaf 1, toekennen als de compensatiegerechtigde de nodige inlichtingen aan de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bezorgt uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin die laatste de inlichtingen bij hem heeft opgevraagd.

§4. Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de vermelde inlichtingen, wordt de compensatie alleen op schriftelijke aanvraag verleend.

Bij die schriftelijke aanvraag van compensatie moet een van de volgende documenten gevoegd zijn:

1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, het gewaarborgde inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het OCMW, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, een door het OCMW toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste lid, de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, de tegemoetkoming hulp aan bejaarden of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de tegemoetkomingsgerechtigde, vermeld in het eerste of tweede lid, de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

De schriftelijke aanvraag van compensatie moet op straffe van verval van het recht op compensatie uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarop het bijgevoegde attest betrekking heeft, ingediend worden bij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk van het verzorgingsgebied waar het desbetreffende gebouw ligt.

§5. Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald:

C = A + M × 0,75 × Tkvc,

waarbij:

1° C = de compensatie;

2° A = het vastrecht, vermeld in artikel 4.3.1.1.3, voor zover van toepassing, vermenigvuldigd met 0,80;

3° M = het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het kalenderjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;

4° Tkvc =

a) voor de klanten, vermeld in afdeling 1: het tarief Tkv, vermeld in artikel 4.3.1.1.4, §2, vermenigvuldigd met 0,80;

b) voor de klanten, vermeld in afdeling 2 : het tarief Tgv, vermeld in artikel 4.3.2.2, §3, verhoogd met het tarief Tgvg, vermeld in artikel 4.3.2.3, §4, en vermenigvuldigd met 0,80.

De verbruiker, vermeld in het eerste lid, heeft geen recht op de compensatie, vermeld in het eerste lid, als zijn verbruik aangerekend is of aangerekend kan worden tegen het sociale tarief conform artikel 4.3.3.1.


Art. 4.3.3.4.

§1. De abonnee respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, die al het huishoudelijke afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, hetzij in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, hetzij gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit als vermeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, en die aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, tweede lid, voldoet, wordt door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk vrijgesteld van betaling van de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1 en 4.3.1.2.1.

§2. Elke verbruiker die al het huishoudelijke afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd op de wijze, vermeld in vermeld in paragraaf 1, en die de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, niet kan genieten, heeft recht op een compensatie in zijn aandeel in de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, 4.3.1.2.1 en 4.3.2.1, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.3.3, en die berekend wordt als volgt:

C = A + M × 0, 75 x Tkvc, waarbij:

1° C = de compensatie;

2° A = het vastrecht, vermeld in artikel 4.3.1.1.3 voor zover van toepassing;

3° M = het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het kalenderjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;

4° Tkvc =

a) voor de klanten, vermeld in afdeling 1: het tarief Tkv, vermeld in artikel 4.3.1.1.4;

b) voor de klanten, vermeld in afdeling 2: het tarief Tgv, vermeld in artikel 4.3.2.2, verhoogd met het tarief Tgvg, vermeld in artikel 4.3.2.3.

De individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater moeten cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden:

1° als het gaat om een conform bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het reglement betreffende de milieuvergunning als hinderlijk ingedeelde inrichting, moet de exploitatie gemeld of vergund zijn conform de voorschriften, vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het voormelde besluit;
2° gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, kan ook worden toegekend aan de abonnee of de gebruiker van een private waterwinning waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden wordt volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.

De vrijstelling respectievelijk de compensatie geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die zijn aangelegd nadat de woongelegenheid al aangesloten kon worden op een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.

Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, of de gemeente of een gemeentelijke rioolbeheerder, instaat voor de bouw of exploitatie van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, kent de exploitant automatisch de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, toe als de installatie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.

§3. In alle overige gevallen dient de vrijstellingsgerechtigde respectievelijk de compensatiegerechtigde die de vrijstelling respectievelijk de compensatie, vermeld in dit artikel, wil genieten, een schriftelijke aanvraag in.

Bij die aanvraag moeten de volgende documenten gevoegd zijn:

1° als het gaat om een conform bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het reglement betreffende de milieuvergunning als hinderlijk ingedeelde inrichting, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater;
2° een attest, uitgereikt door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

Het attest, vermeld in punt 2°, heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie tijdens die periode niet wordt uitgebaat volgens een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of substantieel is gewijzigd.

De schriftelijke aanvraag moet op straffe van verval van het recht op vrijstelling respectievelijk compensatie binnen twaalf maanden na de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk bij de exploitant worden ingediend.

De vrijstelling respectievelijk de compensatie wordt pro rata temporis toegekend op het verbruik vanaf de datum van ingebruikname van de waterzuiveringsinstallatie.

De vrijstelling respectievelijk de compensatie is niet cumuleerbaar met het sociale tarief en de compensatie, vermeld in de artikelen 4.3.3.1 tot 4.3.3.3.

§4. Met betrekking tot de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage en de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, artikel 4.3.1.2.1, artikel 4.3.2.1 en artikel 4.3.2.2, kan de Vlaamse Regering een correctie bepalen, waarmee de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekening moet houden om economische of ecologische redenen.

Die correctie kan gaan van een vermindering tot een vrijstelling van de bijdrage van de abonnee of de vergoeding van de gebruiker van de private waterwinning. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor die correcties.


Art. 4.3.3.5.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 1° en 2° .

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke bijdrage als vermeld in artikel 4.3.1.1.1, en een vergoeding als vermeld in artikel 4.3.1.2.1, vragen aan de heffingsplichtigen, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, §2, eerste lid, 3° .

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor het geloosde afvalwatervolume of het verbruikte water dat het voorwerp uitmaakt van een contract als vermeld in artikel 2.6.2.1., waarin de vergoeding vermeld wordt.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk mag geen gemeentelijke vergoeding als vermeld in artikel 4.3.2.1, vragen voor de lozing van grondwater dat onttrokken wordt bij de bronbemalingen die technisch noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken, of de aanleg van openbare nutsvoorzieningen, vermeld in indelingsrubriek 53.2 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM.


Hoofdstuk IV.
Aanrekening van de kosten voor de productie en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie ? drinkwatercomponent


Art. 4.4.1.

§1. De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen de kosten die verbonden zijn aan de productie en levering van het verbruikte water, bestemd voor menselijke consumptie, doorrekenen aan de abonnees met een vastrecht en een variabele prijs.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekent het vastrecht aan per wooneenheid.

Het tarief van het vastrecht bedraagt 50 euro per wooneenheid per jaar, verminderd met 10 euro per gedomicilieerde per jaar. Het vastrecht kan niet negatief zijn.

In geval de watermeter water meet dat niet geleverd wordt ten behoeve van één of meerdere wooneenheden kan het vastrecht daarnaast per watermeter aangerekend worden.

Het tarief van het vastrecht bedraagt 50 euro per watermeter.

De exploitant kan daarnaast een capaciteitsvergoeding aanrekenen. De tarieven van deze capaciteitsvergoeding worden uitgedrukt in euro per watermeter per jaar.

De variabele prijs is afhankelijk van het waterverbruik van de abonnee.

§2. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen.

Deze bepaling is alleen van toepassing voor abonnees waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft met een waterverbruik via het openbare waterdistributienetwerk dat lager is dan 500 m³ per jaar.

Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed één of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen.

De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m³ per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m³ per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden.

De maximumtarieven, uitgedrukt in euro/m³, om de variabele prijs te bepalen, worden vastgelegd zoals bepaald in artikel 2.5.2.3.2.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de berekening en aanrekening van het vastrecht, de capaciteitsvergoeding, de variabele prijs, de tariefstructuur van de variabele prijs, het afwijken van de indeling van de klanten en de vaststelling van het aantal gedomicilieerden. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant.