Afdeling.
1. De heffingsplicht


Onderafdeling 1.
De heffingsplicht waterverontreiniging


Art. 4.2.1.1.1.

Voor de toepassing van de heffingsplicht waterverontreiniging wordt als een aan deze heffing onderworpen heffingsplichtige beschouwd, elke natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet of op dit grondgebied over een eigen waterwinning heeft beschikt of op dit grondgebied water heeft geloosd, ongeacht de herkomst van het water.

Voor de toepassing van de heffingsplicht waterverontreiniging wordt de persoon waaraan een openbare watervoorzieningsmaatschappij waterverbruik in het Vlaamse Gewest factureert in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige te zijn voor het aan hem gefactureerde waterverbruik afgenomen van een openbare watervoorzieningsmaatschappij, onverminderd diens verhaal op de werkelijke verbruiker van het water.

Voor de toepassing van de heffing waterverontreiniging worden de personen aangewezen in artikel 4.2.1.2.1 onweerlegbaar vermoed heffingsplichtig te zijn voor het grondwater dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd opgenomen uit een eigen waterwinning vermeld in het eerste lid, onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van dit water.


Art. 4.2.1.1.2.

Elke rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest een zuiveringstechnisch werk exploiteert waarin uitsluitend afvalwater van de openbare riolering (met inbegrip van afvalstoffen afkomstig van septische putten, vetvangers of kleinschalige waterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van maximaal 20 inwonerequivalenten waarin uitsluitend huishoudelijk afvalwater wordt geleid, per as aangevoerde afvalwaters, slibs afkomstig van openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties en/of slibs afkomstig van het onderhoud van collectoren en pompstations) wordt behandeld en dat aangesloten is op het openbaar hydrografisch net, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld voor wat betreft de lozing van de effluentwaters van voornoemde openbare rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Een slibverbrandingsinstallatie waarmee het zuiveringstechnisch werk een milieutechnische eenheid vormt is geen onderdeel van het zuiveringstechnisch werk.


Art. 4.2.1.1.3.

Het lozen van opgepompt grondwater in het kader van bodemsaneringswerken en waarvoor een conformiteitsattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering of het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld.


Art. 4.2.1.1.4.

In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is geen heffing verschuldigd voor:
1° een vergunde grondwaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energie-opslag voor zover het gewonnen, niet-verontreinigde grondwater integraal wordt teruggepompt in dezelfde watervoerende laag, als waaruit het wordt gewonnen;
2° een vergunde oppervlaktewaterwinning uitsluitend gebruikt voor thermische energieopslag en terug geloosd in hetzelfde oppervlaktewater als waaruit het wordt gewonnen.

De heffingsplichtige waterverontreiniging, vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, dient op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar in het bezit te zijn van een milieu- of omgevingsvergunning respectievelijk voor:
1° het winnen van grondwater voor thermische energieopslag (indelingsrubriek 53.6 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM);
2° gebruik van oppervlaktewater uitsluitend voor thermische energieopslag en teruglozing ervan in hetzelfde oppervlaktewater (indelingsrubriek 3.7 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM).

Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in aanmerking wenst te komen voor de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, dient bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1 een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de bewijsstukken waaruit blijkt dat aan bovenvermelde vrijstellingsvoorwaarden is voldaan. De verleende vrijstelling geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de volgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat de installatie niet meer aan de hierboven vermelde vrijstellingsvoorwaarden voldoet.

Elke verandering van de vergunningssituatie en/of wijziging aan de grond-waterwinning respectievelijk de oppervlaktewaterwinning moet onmiddellijk per aangetekend schrijven aan de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij worden gemeld.


Art. 4.2.1.1.5.

De rechtspersoon die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest in een grindwinningsgebied een groeve exploiteert waar overeenkomstig de beste beschikbare techniek grind wordt ontgonnen of verwerkt, is geen heffingsplichtige waterverontreiniging in de zin van artikel 4.2.1.1.1, voor zover het water integraal wordt teruggevoerd naar hetzelfde water als waaruit het is onttrokken en dit zonder gebruik te maken van de openbare riolering.

Deze bepaling is niet van toepassing op sanitair waterverbruik of voor het gebruik van water voor eventuele andere activiteiten die op hetzelfde terrein worden uitgeoefend.


Art. 4.2.1.1.6.

§ 1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m® per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m® per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:
1° grondwaterwinningen voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik zijn;
2° bronbemalingen die ofwel:
a) technisch nodig zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of voor de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
b) noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
c) noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat:
1) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
3° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.

§ 2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.


Art. 4.2.1.1.7.

Het lozen van afvalwater via een noodaansluiting als vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld, op voorwaarde dat de volgende voorwaarden cumulatief vervuld worden:
1° de noodlozing werd voorafgaand het aanvatten ervan schriftelijk gemeld aan de bevoegde instanties, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, en daarvan werd een ontvangstmelding ontvangen als vermeld in dat zelfde artikel;
2° uiterlijk binnen negentig dagen na het beëindigen van de noodlozing beschikt de lozer over een schriftelijk saneringscontract, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, voor de betrokken noodlozing;
3° de vergoeding met inbegrip van de specifieke kosten, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, werd integraal aan de in artikel 2.6.1.1.1, §1, bedoelde vennootschap vergoed binnen de contractueel vastgelegde betalingstermijn of uiterlijk 3 maand vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de heffing op de noodlozing ingekohierd moet zijn.

Elke heffingsplichtige die in aanmerking wenst te komen voor deze vrijstelling dient bij de aangifte, vermeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat aan al de bovenvermelde voorwaarden is voldaan.


Art. 4.2.1.1.8.

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met de vestiging, inning en de invordering van de heffing waterverontreiniging.

De ambtenaren die daartoe bevoegd zijn, worden voorzien van een legitimatiebewijs dat ondertekend is door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.


Onderafdeling.
2. De heffingsplicht grondwater


Art. 4.2.1.2.1.

Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd:
1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2;
3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2.

Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie:
a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend;

b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning melding heeft gedaan van een grondwaterwinning als vermeld in lid 1;
2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning.

Voor wat de heffing op het winnen van grondwater betreft wordt ook als grondwater beschouwd elk water dat zonder exploitatie in open verbinding staat met de waterverzadigde zone onder het bodemoppervlak en ermee in statisch evenwicht is. Water dat op natuurlijke wijze opborrelt of welwater wordt niet meer als grondwater beschouwd vanaf het ogenblik dat het langs natuurlijke weg in het openbaar hydrografisch net stroomt.


Art. 4.2.1.2.2.

In afwijking van artikel 4.2.1.2.1. is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen :
1° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
2° een grondwaterwinning voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik is;
3° bronbemalingen die technisch nodig zijn voor :
a) ofwel, de verwezenlijking van bouwkundige verwerkingen;
b) ofwel, de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
4° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden;
5° bronbemalingen die noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
6° bronbemalingen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat :
a) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-  deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
b) het hydrologisch attest, bepaald in a) , vóór 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappijof de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
7° grondwaterwinningen die gebruikt worden voor koude-warmtepompen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmtepomp integraal terug in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
8° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest werd afgeleverd conform het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering of het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
9° het deel van het belucht grondwater van grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.


Art. 4.2.1.2.3.

De Vlaamse Milieumaatschappij is belast met de vestiging, inning en invordering van de heffing.

De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.