Art. 4.2.1.1.6.

1. Voor zover het niet wordt geloosd in de openbare riolering met een getotaliseerde maximale nominale pompcapaciteit hoger dan 10 m per uur of bij gebrek aan pompcapaciteit met volumes hoger dan 10 m per uur is in afwijking van artikel 4.2.1.1.1 geen heffing verschuldigd voor de lozing van het onttrokken grondwater uit de volgende grondwaterwinningen:
1 grondwaterwinningen voor het uitvoeren van proefpompingen die minder dan drie maanden in gebruik zijn;
2 bronbemalingen die ofwel:
a) technisch nodig zijn voor de verwezenlijking van bouwkundige werken of voor de aanleg van openbare nutsvoorzieningen;
b) noodzakelijk zijn voor de exploitatie van tunnels voor openbare wegen en/of openbaar vervoer of voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
c) noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van gebouwen of bedrijfsterreinen mogelijk te maken of houden, op voorwaarde dat:
1) deze noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vr 15 maart van elk heffingsjaar bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar is ingediend. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen met betrekking tot de minimale inhoud en de vorm van bedoeld hydrologisch attest;
3 draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik en/of de exploitatie van bouw- en weiland mogelijk te maken of te houden.

2. In afwijking van artikel 4.2.1.1.1 is voor grondwaterwinningen gebruikt voor ondergrondse beluchting zoals bedoeld in indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM geen heffing verschuldigd voor het deel van het belucht grondwater dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.