Art. 4.2.1.1.7.

Het lozen van afvalwater via een noodaansluiting als vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, is van de heffing waterverontreiniging vrijgesteld, op voorwaarde dat de volgende voorwaarden cumulatief vervuld worden:
1° de noodlozing werd voorafgaand het aanvatten ervan schriftelijk gemeld aan de bevoegde instanties, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, en daarvan werd een ontvangstmelding ontvangen als vermeld in dat zelfde artikel;
2° uiterlijk binnen negentig dagen na het beëindigen van de noodlozing beschikt de lozer over een schriftelijk saneringscontract, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, voor de betrokken noodlozing;
3° de vergoeding met inbegrip van de specifieke kosten, vermeld in artikel 2.6.2.2, §2, werd integraal aan de in artikel 2.6.1.1.1, §1, bedoelde vennootschap vergoed binnen de contractueel vastgelegde betalingstermijn of uiterlijk 3 maand vóór het verstrijken van de termijn waarbinnen de heffing op de noodlozing ingekohierd moet zijn.

Elke heffingsplichtige die in aanmerking wenst te komen voor deze vrijstelling dient bij de aangifte, vermeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag te voegen vergezeld van de nodige bewijsstukken waaruit blijkt dat aan al de bovenvermelde voorwaarden is voldaan.