Art. 4.2.1.2.1.

Aan een heffing op de winning van grondwater, hierna genoemd de heffing grondwater, is elke natuurlijke of rechtspersoon onderworpen die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest één of meer van de volgende grondwaterwinningen heeft geëxploiteerd:
1° grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening;
2° grondwaterwinningen van ten minste 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2;
3° grondwaterwinningen van 500 tot minder dan 30.000 m3 per jaar bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, § 2.

Onverminderd hun verhaal op de werkelijke verbruiker van het grondwater wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk onweerlegbaar vermoed de heffingsplichtige grondwater te zijn inzake de in vorig lid vermelde exploitatie:
a) de vergunninghouder aan wie overeenkomstig het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning de vergunning is verleend;

b) de natuurlijke of rechtspersoon die conform het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning melding heeft gedaan van een grondwaterwinning als vermeld in lid 1;
2° elke andere natuurlijke of rechtspersoon die op enig ogenblik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op het grondgebied van het Vlaamse Gewest heeft beschikt over de grondwaterwinning.

Voor wat de heffing op het winnen van grondwater betreft wordt ook als grondwater beschouwd elk water dat zonder exploitatie in open verbinding staat met de waterverzadigde zone onder het bodemoppervlak en ermee in statisch evenwicht is. Water dat op natuurlijke wijze opborrelt of welwater wordt niet meer als grondwater beschouwd vanaf het ogenblik dat het langs natuurlijke weg in het openbaar hydrografisch net stroomt.