Afdeling 2.
Het vaststellen van de heffing waterverontreiniging


Onderafdeling 1.
Algemeen


Art. 4.2.2.1.1.

§1. Het bedrag van de heffing waterverontreiniging wordt als volgt vastgesteld:

H = N x T

waarin:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor water­verontreiniging;
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, berekend volgens één van de in onderafafdelingen 2, 3, 4 en 5 bepaalde berekeningsmethoden, veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
T = het in §2 hierna vermelde bedrag van het eenheids­tarief van de heffing.

§2. Het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor waterverontreiniging wordt vastgesteld op 22,64 euro voor:
1° de heffingsplichtigen waterverontreiniging, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en artikel 4.2.2.5.1, die zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, en bovendien:
a) ofwel op basis van de bepalingen van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alle uitvoeringsbepalingen van deze wet, evenals de bepalingen uit de betreffende omgevingsvergunning verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en in oppervlaktewater te lozen;
b) ofwel moeten voldoen aan de voorwaarden voor de lozing van huishoudelijk afvalwater, ander dan afkomstig van woongelegenheden, waarvan het debiet maximaal 600 m®/jaar bedraagt, zoals bedoeld in indelingsrubriek 3 van bijlage 1 bij titel II van het VLAREM;
2° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. en artikel 4.2.2.5.1., die beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:
a) de openbare riolering die niet aangesloten is op een operationele openbare afvalwater-zuiveringsinstallatie;
b) een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
c) een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.
3° de heffingsplichtigen, bedoeld in artikel 4.2.2.2.1, waarvan de inrichting niet gelegen is in de zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:
a) is aangesloten op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie; of
b) wordt aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis van het zoneringsplan zoals bedoeld in artikel 10.2.3, §1, 20°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie.

Voor alle andere heffingsplichtigen wordt het eenheidstarief van de heffing vastgesteld op 33,38 euro.

De eenheidstarieven van de heffing worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen voor de maand november van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan het jaar waarnaar het heffingsjaar wordt genoemd met als basisindex het indexcijfer der consumptieprijzen van november 1992, basis 1988, met name 113,77.

De indexering wordt ieder jaar ambtshalve toegepast op 1 januari. Het aangepaste bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.


Art. 4.2.2.1.2. Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel artikel 4.2.2.2.1 §1 en §3, wordt geen heffing gevestigd op het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de openbare drinkwatervoorzieningsmaatschappij gefactureerd waterverbruik voor zover op dit waterverbruik een bijdrage, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.1.1., aangerekend werd voor de bovengemeentelijke sanering.

Art. 4.2.2.1.3.

§ 1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt het bedrag van de heffing verminderd met B
waarbij:
B = de som van de bovengemeentelijke bijdrage en vergoeding, vermeld in artikel 4.3.2.1 en 4.3.2.2, exclusief btw. De Vlaamse Milieumaatschappij kan vermelde som voorafgaand aan de aanrekening door de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk in mindering brengen. De heffing kan in geen geval negatief worden.

Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging bedoeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1 wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik waarop de Vennootschap vermeld in artikel 2.6.1.1.1, de vergoeding, vermeld in artikel 2.6.2.1, aanrekent voor de bovengemeentelijke sanering van het afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, exclusief btw, op voorwaarde dat de heffingsplichtige waterverontreiniging deze vergoeding heeft betaald."

§2.Voor de heffingsplichtigen bedoeld in artikel 4.2.2.2.1. §2 en 3, wordt geen heffing gevestigd op het waterverbruik QP respectievelijk Qg voor zover door de openbare watervoorzieningsmaatschappij op dit waterverbruik een vergoeding, zoals bedoeld in artikel 4.3.1.2.1, werd aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering.


Art. 4.2.2.1.4.

§1. Elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, is vrijgesteld van de heffing waterverontreiniging voor zover geen sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt.

Indien sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik en/of koelwater een heffing gevestigd.

De heffingsplichtige mag bovendien op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater en/of koelwater te lozen.

§2. Elke heffingsplichtige die van de regeling in de vorige paragraaf gebruik wenst te  maken, moet bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1,§1, een dossier voegen dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid. Elk ander bewijs van niet lozing zal niet worden aanvaard door de Vlaamse Milieumaatschappij.

Het bedoelde dossier bevat minstens de volgende gegevens:
1° een beschrijving van het productieproces met aanduiding van de verschillende waterstromen;
2° een gedetailleerde waterbalans met vermelding van de verschillende waterbronnen, de aanwending en de afvoer van dit water;
3° indien van toepassing een beschrijving van de toegepaste technische maatregelen om tot de niet-lozing te komen;
4° een beschrijving van noodplannen en noodvoorzieningen.
5° een overzicht van de omgevings- of lozingsvergunningen van de laatste tien jaar met afzonderlijke vermelding van de nog geldende vergunningen waarover de heffingsplichtige beschikt
6° de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit rapport.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het bedoelde dossier.

§3. De uiterste datum voor de vaststellingen van de niet-lozing is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek.

Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

§4. Het bedoelde dossier geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de negen daaropvolgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Iedere wijziging betreffende de lozingssituatie moet onmiddellijk per aangetekend schrijven worden gemeld aan het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar.

§5. Het statuut van nullozer kan worden verlengd voor opeenvolgende periodes van tien jaar.

Hiertoe moet de heffingsplichtige waterverontreiniging, vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier, een hernieuwingsaanvraag indienen bij de ambtenaar die conform artikel 4.2.1.1.8 aangewezen is voor de vestiging van de heffing, samen met een attest afgeleverd door een milieu-deskundige bedoeld in paragraaf 2, waarin de conclusie van het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd."

Het attest vermeldt tevens de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit attest. De uiterste datum voor deze vaststellingen is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar waarvoor de hernieuwingsaanvraag wordt ingediend.

Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.

Uiterlijk één maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

§6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, §1.

Voor de daaropvolgende jaren van de nog resterende looptijd van het dossier of het attest, vermeld in paragraaf 4 of 5, wordt het statuut van nullozer alleen behouden als voor die jaren de onregelmatige lozingssituatie is geremedieerd en de heffingsplichtige daarvan het bewijs levert.

§7. Als de totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces in afwijking van paragraaf 1 en 2 pas in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, wordt verwezenlijkt en/of vastgesteld, wordt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 evenwel toegekend vanaf de maand die volgt op de maand waarin de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle overige bepalingen van paragraaf 1 en 2 is voldaan.

 § 8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.


Art. 4.2.2.1.5.

§ 1. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, geniet van de toepassing van een sociaal tarief waarbij die heffingsplichtige voor 80% vrijgesteld wordt van de verplichting tot betaling van de heffing voor waterverontreiniging vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als hij zelf op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden één van de volgende tegemoetkomingen geniet:
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het tenlastenemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming hulp aan bejaarden volgens het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

Het sociaal tarief, vermeld in het eerste lid, geldt ook voor de heffingsplichtige vermeld in artikel 4.2.2.2.1., met een gezinslid dat gedomicilieerd is op hetzelfde adres en dat op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden onder een van de categorieën vermeld in het eerste lid, valt. Voor de toepassing van dat sociaal tarief worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust-, verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

De vrijstelling vermeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend voor de plaats van het watergebruik die tevens het wettelijke domicilie is van de heffingsplichtige.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan automatisch het sociaal tarief toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in paragraaf 1 toekennen. De heffingsplichtige ontvangt dan een heffingsbiljet waarop het sociaal tarief al is toegepast.

Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen voor het volledige heffingsbedrag, wordt de vrijstelling vermeld in paragraaf 1 enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De aanvraag om in aanmerking te komen voor de toepassing van het sociaal tarief moet uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, bij de Vlaamse Milieumaatschappij worden ingediend.

Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige vermeld op het heffingsbiljet of een gezinslid de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft;
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de heffingsplichtige, vermeld op het heffingsbiljet, of een gezinslid de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft;
5° de afscheurstrook van het overeenkomstige heffingsbiljet.

Mits op 1 januari van het heffingsjaar of op datum van overlijden voldaan is aan de bovenvermelde voorwaarden, is het vermeld sociaal tarief van rechtswege verworven.

§3. Als de heffing betrekking heeft op het waterverbruik van een of meer gezinnen die gedomicilieerd zijn op het adres van de heffingsplichtige en waarvan de heffingsplichtige geen deel uitmaakt, geldt in afwijking van paragraaf 1 de volgende regeling: de in dat gebouw gedomicilieerde gezinnen, waarvan een gezinslid op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden tot een van de categorieën vermeld in paragraaf 1, eerste lid, behoort, komen in aanmerking voor een compensatie in hun aandeel in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in paragraaf 1, overeenkomstig de voorwaarden en de procedure/regeling vermeld in artikel 4.2.2.1.6.


Art. 4.2.2.1.6.

§1. Elke fysieke persoon die het sociaal tarief, vermeld in artikel 4.2.2.1.5,§1, niet kan genieten maar wel de werkelijke verbruiker van het water is, en die op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden zelf één van de volgende tegemoetkomingen geniet, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in artikel 4.2.2.1.5.,§1:
1° het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2° het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3° de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4° de tegemoetkoming ’hulp aan bejaarden’ volgens het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5° de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

De compensatie wordt uitsluitend verleend voor de plaats van waterverbruik die tevens op 1 januari van het heffingsjaar het wettelijke domicilie is van de verbruiker.

Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust- verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

Per gezin kan jaarlijks slechts één compensatie worden verleend die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.

§2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de compensatie automatisch toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in paragraaf 1 toekennen.

Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de voormelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, bij de Vlaamse Milieumaatschappij worden ingediend.

Bij die aanvraag moet één van de volgende documenten gevoegd zijn:
1° een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2° een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3° een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
4° een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19°, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald:

P= M x T x Q x 0,025 x 0,80;

waarbij:
1° P= de compensatie;
2° M= het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het heffingsjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3° T= het eenheidstarief van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1.;
4° Q = 10 m³ voor elke verbruiker die op een tijdstip gedurende het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet, en waarbij het waterverbruik in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de openbare watervoorzieningsmaatschappij, minder dan 500 m³ bedraagt, en die tevens op een tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning met een getotaliseerd nominaal pompvermogen van minder dan 5 m³ per uur;
Q = 30 m³ voor alle andere verbruikers.

De compensatie is niet van toepassing op de fysieke personen die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komen voor een compensatie, als vermeld in artikel 4.3.3.2. in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.


Art. 4.2.2.1.7.

§1. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.2.1.wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater hetzij in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, hetzij gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, gemeentebedrijf, intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband, exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een door de gemeente na publieke marktbevraging aangestelde entiteit, zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem.

Deze individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater moeten voldoen aan de voorwaarden vermeld in paragraaf 3.

Deze vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het afvalwater dat gezuiverd wordt in de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater;

§2. Elke heffingsplichtige, vermeld in artikel 4.2.2.3.1 en 4.2.2.5.1wordt vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1., als het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid gezuiverd werd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater vermeld in paragraaf 1.

Deze vrijstelling heeft enkel betrekking op het huishoudelijk afvalwater ressorterend onder sector 56 uit de bijlage 5 bij dit decreet. Deze vrijstelling kan maximaal 30 m³ per persoon, op 1 januari van het heffingsjaar gedomicilieerd in de bedoelde woongelegenheid, bedragen.

De vrijstelling wordt pro rato temporis berekend en wordt enkel verleend voor het deel van de heffing dat betrekking heeft op het huishoudelijk afvalwater afkomstig van zijn woongelegenheid ressorterend onder sector 56 uit de bijlage 5 bij dit decreet dat gezuiverd wordt in de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater vermeld in paragraaf 1.

De vrijstelling is niet van toepassing indien de heffingsplichtige of de werkelijke verbruiker van het water in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komt voor een compensatie, als vermeld in artikel 4.3.3.2. in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.

§3. De individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater vermeld in paragraaf 1 en 2 moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, moet de exploitatie gemeld en/of vergund zijn overeenkomstig de voorschriften van het Omgevingsvergunningsbesluit;
2° gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem;

De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de woongelegenheid reeds aansluitbaar was op een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) . De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.

§ 4. De heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater als vermeld in paragraaf 1 en 2, en die de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 en 2 wil krijgen, moet, op straffe van verval van het recht op vrijstelling, uiterlijk binnen drie maanden vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd is, een schriftelijke aanvraag indienen bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt.

Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij die aanvraag een afschrift gevoegd van de melding of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater.

De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd conform een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM.

Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij stuurt een kopie van de aanvraag en het attest of de weigeringsbeslissing naar de heffingsplichtige.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk stuurt die stukken onmiddellijk door naar de Vlaamse Milieumaatschappij als die ervoor bevoegd is de vrijstelling te verlenen.

Het voormelde attest heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinfrastructuur tijdens die periode niet wordt uitgebaat conform een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM, of gewijzigd is.

Als aan de Vlaamse Milieumaatschappij een voormeld attest wordt bezorgd, kan deze de heffingsplichtige automatisch vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling alleen op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.

§ 5. De Vlaamse Milieumaatschappij kan een heffingsplichtige die het huishoudelijk afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater als vermeld in paragraaf 1 en 2, automatisch vrijstellen op basis van de inlichtingen die ze heeft ingewonnen bij de gemeenten of, als de installatie gebouwd of beheerd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, op basis van de inlichtingen die ze ingewonnen heeft bij de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk.

Als de vrijstelling automatisch wordt toegekend, ontvangt de rechthebbende geen heffingsbiljet.

Voor heffingsplichtigen die een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de voormelde vrijstelling alleen op schriftelijke aanvraag verleend. De heffingsplichtigen moeten hun aanvraag uiterlijk binnen drie maanden vanaf de derde werkdag nadat het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd is, bij de Vlaamse Milieumaatschappij indienen.

§6. In afwijking van paragraaf 5 kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.


Art. 4.2.2.1.8.

§1. Worden eveneens vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de in artikel 4.2.2.1.1. bedoelde heffing, de sociale instellingen, buiten het medische kader, met een verzorgende finaliteit en zonder productieactiviteit, waar overwegend personen worden opgevangen die omwille van hun handicap of lichamelijke toestand, zorgenbehoevend zijn.

De vrijstelling geldt slechts indien de bedoelde rechtspersonen gedurende het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend huishoudelijke afvalwaters hebben geloosd en ze hebben gezuiverd of hebben laten zuiveren in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem:
1° waarvan, in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de exploitatie is gemeld en/of vergund overeenkomstig de voorschriften van het Omgevingsvergunningsbesluit;
2° die gebouwd is en geëxploiteerd wordt volgens een code van goede praktijk.

De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI.

§2. De heffingsplichtige die van de vrijstelling uit paragraaf 1 wenst te genieten, dient daarvoor, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in bij de Vlaamse Milieumaatschappij met de volgende bijlagen:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater;
2° een attest afgeleverd door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.

Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd.

Indien aan de Vlaamse Milieumaatschappij een attest werd bezorgd als bedoeld in het eerste lid, 2°, kan deze de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.

In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels.


Art. 4.2.2.1.9. De persoon vermeld in artikel 4.2.2.1.5 en 4.2.2.1.6 kan de compensatie aldaar vermeld niet verkrijgen voor zijn aandeel van het waterverbruik waarvan de heffingsplichtige vermeld in artikel 4.2.2.1.5.en 4.2.2.1.7, of de instelling vermeld in artikel 4.2.2.1.8, werd vrijgesteld of van het sociaal tarief geniet.

Art. 4.2.2.1.10.

§1. In afwijking van artikel 4.2.2.1.1., wordt in geval van:
1° een onvergunde lozing;
2° een lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of omgevingsvergunning om een contract, vermeld in artikel 2.6.2.1., af te sluiten; of
3° een lozing via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.1.1.7.;
het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld:

H = T x Qx x Cx + T x Nkx

waarbij:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 4.2.2.1.1, §2, 2e lid.;
Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.5.2., verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt:
Σ [(deind - dbegin) + F]
waarbij:
dbegin =
1° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 5.3.3., tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;
deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;
F =
1° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;

2° 30 in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;
Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
Nkx = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.

In alle andere gevallen wordt de vuilvracht vermeld in artikel 4.2.2.1.1., vermenigvuldigd met (365-dx) /365.

§2.Onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden is paragraaf 1 niet van toepassing op lozingen zonder voorafgaande melding of meldingsakte of voorafgaande of tijdige verlenging van de lozings-, milieu- of omgevingsvergunning, zoals respectievelijk vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en voor zover:
1° de heffingsplichtige beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens als vermeld in artikel 4.2.2.3.3., die betrekking hebben op de volledige afvalwaterstroom; ofwel
2° aan de voorwaarden voor de toepassing van
artikel 4.2.2.3.4., is voldaan en de meet- en bemonsteringsgegevens van de Vlaamse Milieumaatschappij op de volledige afvalwaterstroom slaan.

Er mag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen enkele vaststelling zijn gedaan van een lozing van een gedeelte van de afvalwaterstroom via een ander niet bemonsterd lozingspunt.

In geval van een in het eerste lid vermelde onvergunde lozing wordt de vuilvracht uitsluitend overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., berekend.


Art. 4.2.2.1.11.

Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1, wordt voor de sectoren 45 en 51, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,850.

Het bedrag van de heffing, vermeld in artikel 4.2.2.1.1., wordt voor de sectoren 57, vermeld in bijlage 5, vermenigvuldigd met de coëfficiënt 0,686.


Onderafdeling 2.
Berekening van de vuilvracht op basis van waterverbruik


Art. 4.2.2.2.1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging met een waterverbruik van minder dan 500 m® per jaar wordt de vuilvracht als volgt berekend:
1° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die uitsluitend water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar en waarbij het waterverbruik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de drinkwatermaatschappij, minder dan 500 m® bedraagt:
N = 0,025 x Qw
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in m®;
2° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die gedurende het gehele jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend beschikte over een eigen waterwinning van minder dan 500 m® per jaar:
N = 0,025 x Qp
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qp = a) voor natuurlijke personen: 30 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;
3° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk en die tevens op enig tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning waarbij het totale waterverbruik kleiner is dan 500 m® per jaar:
N = 0,025 x (Qw + Qg)
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in m®;
Qg = a) voor natuurlijke personen: 10 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;

Art. 4.2.2.2.2.

Elke in artikel 4.2.2.2.1 en in categorie 56 van de bijla­ge 5 bedoelde heffingsplichtige heeft het recht om de toepassing te vragen van één van de berekeningsmethoden bedoeld in de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9. en de artikelen 4.2.2.5.1.en 4.2.2.5.2. voorzover hij beschikt over de gegevens vereist voor de toepassing van de berekeningsmethoden.

Om van dit recht gebruik te kunnen maken dient de hef­fingsplichtige een aangifte in binnen de door arti­kel 4.2.4.1., §1, gestelde termijn.


Art. 4.2.2.2.3. De met toezicht belaste ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschap­pij kan, mits de hiervoor nodige gegevens voorhanden zijn, zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige, voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft, beslissen tot toepas­sing van de in artikel 4.2.2.3.1. of artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2. aangegeven berekeningsmethode voor zover dit resulteert in een grotere vuilvracht voor de in artikel 4.2.2.2.1 of in categorie 56 van de bijlage 5 bedoelde heffingsplichtige.

Onderafdeling 3.
Berekening van de vuilvracht op basis van meet- en bemonsteringsresultaten


Art. 4.2.2.3.1.

Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging die niet onder artikel 4.2.2.2.1 tot 4.2.2.2.3.vallen wordt de vuilvracht als volgt berekend:

                            N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv

waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, de vuilvracht kan in geen geval negatief worden;



waarin:
N1: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qd: het volume, uitgedrukt in liter, van het afvalwater geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
a:
1° deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen waterverontreining:

a) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, en op dezelfde datum bovendien beschikken over een omgevings- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch net;
b) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar beschikken over een omgevings-, respectievelijk lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:
-   de openbare riolering die niet aangesloten is op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie;
-   een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
-   een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.
indien in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar de lozingssituatie en/of vergunningstoestand bedoeld onder 1° verandert in deze bedoeld onder 3° of omgekeerd, wordt de berekening van de N1-component evenredig opgesplitst voor zover de vuilvracht berekend zonder de a- factor niet gevoelig wijzigt. De wijziging van de a- factor gaat in vanaf de maand volgend op deze waarin de lozingssituatie en/of vergunningstoestand volgens de vergunning van kracht wordt. Als de feitelijke lozingssituatie niet overeenstemt met de vergunningstoestand wordt de a- factor gewijzigd vanaf de maand die volgt op die waarin de feitelijke situatie aan de vergunning is aangepast. De heffingsplichtige dient minstens één maand voor de wijziging per aangetekend schrijven het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar hiervan op de hoogte te brengen. Bij gevoelige wijziging van de vuilvracht is overeenkomstig artikel 4.2.2.3.7 de situatie op het ogenblik van de monstername van toepassing.
3° deze term is in de overige gevallen gelijk aan 0,20.
ZS: het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
BZV: de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
CZV: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;
d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar gedurende verschillende etmalen metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als N1 het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-componenten genomen.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar in verschillende maanden metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als maand van de grootste bedrijvigheid die maand in aanmerking genomen waarvan het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-component het grootst is.

N2 = Qjx [40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni) + 1 x (Pb + AS + Cr) ]
                                                                  1000

waarin:
N2 = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde zware metalen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj = het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;
Hg, Ag, Cd, Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr: de in het geloosde afvalwater gemeten gehaltes, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft, uitgedrukt in mg/l, van de respectievelijke stoffen: kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.

N3 = Qj x (N + P)
       10000
waarin:
N3: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde nutriënten uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj: het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar;
N:   het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P:   het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Nk = ak (K x 0,0004)

waarin:
Nk: de vuilvracht veroorzaakt door het lozen van koelwater;
K:   het thermisch belast koelwater, uitgedrukt in kubieke meter per jaar, dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd geloosd. Met ingang van het heffingsjaar 1992 wordt de hoeveelheid geloosd koelwater geacht overeen te stemmen met:
1° hetzij, de in de lozings- of omgevingsvergunning toegelaten hoeveelheid;
2° hetzij, de hoeveelheid aangegeven in de vóór 1 september 1991 ingediende lozingsvergunningsaanvraag zolang over deze laatste nog geen uitspraak is gedaan;
3° tenzij het bewijs geleverd wordt dat de reëel geloosde hoeveelheid kleiner is.
De Vlaamse Regering stelt de nadere regels hiervan vast.
akdeze term is gelijk aan 0,550.

Nv= Ev - Kv
waarin:
Nv : de vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden;

Onder goed verwerkbaar afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
1° CZV/BZV kleiner dan of gelijk aan 4;
2° BZV/N groter of gelijk aan 4;
3° BZV/P groter of gelijk aan 25;
4° BZV concentratie hoger dan of gelijk aan 100 mg/l.
waarbij:
BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;
CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;
N: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Onder complementair afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:
1° CZV/BZV kleiner dan 2;
2° BZV/N groter dan 8;
3° BZV/P groter dan 40;
4° BZV concentratie hoger dan 500 mg/l.
waarbij:
BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;
CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;
N: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

De gemiddelde samenstelling is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.

Ev: de extra verwerkingskosten voor de sanering van afvalwater dat niet goed verwerkbaar is;
De term Ev is:
1° nul wanneer het afvalwater goed verwerkbaar of complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;
2° in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x [0,45 x (4 x (BZVc – BZV) ) + 0,35 x ZSp] x (0,40 + 0,60 x d)
180                   1.350                           500
waarbij:
Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:

                                       Qdv = Qj x 1000
                      225*d
BZVc: de gecorrigeerde BZV concentratie, uitgedrukt in mg BZV/l, zodat het afvalwater voldoet aan de voorwaarden voor goed verwerkbaar afvalwater met uitzondering van de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. BZVc is gelijk aan de maximale waarde uit de volgende reeks : 100, CZV/4, N × 4, BZV;
BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;
CZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;
N: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;
P: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l;
Hierbij is de gemiddelde concentratie het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.
ZSp: de slibproductie, uitgedrukt in mg/l, ontstaan door de chemische precipitatie van het toe te voegen ijzertrichloride wanneer de samenstelling van afvalwater niet voldoet aan de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. ZSp kan niet negatief zijn en wordt berekend als :

6,6 x (P – BZV)
25
d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten wanneer minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d dan gelijk is aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225;
Kv: de korting voor de sanering van complementair afvalwater
De term Kv:
1° is nul wanneer het afvalwater niet complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;
2° is in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x 0,45 x BZV x (0,40 + 0,60 x d)
          180        1350

waarbij:
Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:
Qdv = Qj x 1000
225*d
BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l. De gemiddelde concentratie is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid;
d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotiënt van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

In afwijking van de voorgaande bepalingen wordt de component Nv bij toepassing van de 30 %-regel, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., tweede lid, uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dat resulteert in een hogere vuilvracht.


Art. 4.2.2.3.2.

De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

De Regering kan de nadere regels vaststellen aan­gaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in artikel 4.2.2.3.1. aangegeven berekeningsmethode.


Art. 4.2.2.3.3.

Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een laboratorium vermeld in artikel 4.2.2.3.2.

Indien de heffingsplichtige en de Vlaamse Milieumaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen hebben laten uitvoeren en de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N1-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij 30 % hoger ligt dan de N1-waarde bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, worden de componenten N1, N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht.

In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij, en de N-waarde, bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, kleiner is dan 50 VE.


Art. 4.2.2.3.4.

Indien de heffingsplichtige niet beschikt over geldige meet- en bemonsteringsgegevens, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., én indien artikel 4.2.2.3.5. of 4.2.2.3.6. niet van toepassing is, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode toepassen voor zover de nodige gegevens beschikbaar zijn en voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht dan de vuilvracht berekend volgens artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2., en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.5.

§1. Indien de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., eerste lid, kan hij bij de aangifte, bedoeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag tot afwijking van de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.,en van artikel 4.2.2.3.1. voegen.

Indien de Vlaamse Milieumaatschappij dit verzoek aanvaardt, zal de vuilvracht van de componenten waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, vastgesteld worden op 1,5 maal het rekenkundig gemiddelde van respectievelijk de N1-, N2-, N3- of Nv-componenten vastgesteld voor de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren.

§2. Voor de heffingsplichtige waarvan de heffingsplicht ontstaan is maximum drie kalenderjaren vóór het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, kunnen tevens maximum drie heffingsjaren, volgend op het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer van de componenten niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, aanvullend worden gebruikt voor de berekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid.

Samen met het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, moeten de heffingsjaren waarvan de vuilvracht in rekening gebracht wordt vier opeenvolgende heffingsjaren vormen.

De betrokken heffingsplichtige moet een schriftelijke aanvraag tot herberekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid indienen ten laatste op 1 april van het jaar volgend op het laatste betrokken heffingsjaar dat gebruikt wordt voor de herberekening.

§3. Dit artikel is van toepassing op voorwaarde dat:
1° de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 of Nv waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, voor drie opeenvolgende heffingsjaren gebaseerd is op meet- en bemonsteringsgegevens die voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 4.2.2.3.2., tweede lid en in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid;
2° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar de productieprocessen dezelfde zijn als deze in drie opeenvolgende jaren en het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gelijkaardig is aan het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N, gebruikt voor het vaststellen van de heffing voor drie opeenvolgende jaren;

3° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen vaststellingen zijn gedaan m.b.t. het niet of onvoldoende functioneren van de aanwezige zuiveringsapparatuur;
4° in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen inbreuken werden vastgesteld inzake de lozing van afvalwater door middel van een proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag bedoeld in artikel 5.4.1.3., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige handelt met opzet om de heffing geheel of gedeeltelijk te ontwijken;
5° uit de bij de aangifte gevoegde verantwoordingsstukken blijkt dat aan de voorwaarden bepaald onder 1° tot 4° is voldaan.

Indien bovenvermelde regeling toegepast wordt op één of meer van de componenten N1, N2, N3 of Nv, kan artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2.niet meer toegepast worden op één of meer van de overige componenten N1, N2, N3 of Nv, en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft.


Art. 4.2.2.3.6.

Indien de bepalingen van artikel 4.2.2.3.5. op één of meer componenten N1, N2, N3 of Nv van toepassing zijn, én de Vlaamse Milieumaatschappij heeft in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen laten uitvoeren conform artikel 4.2.2.3.2., tweede lid, dan worden deze meet- en bemonsteringsresultaten voor alle componenten gebruikt bij de berekening van de vuilvracht voor zover de som van de componenten N1, N2, N3 en Nv berekend op basis van deze metingen hoger is dan de som van de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 en Nv, hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.1., hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.5. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.7.

§1.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar zorgt voor een sterke en blijvende daling van de vuilvracht veroorzaakt door het geloosde afvalwater, hetzij door investeringen in het productieproces of zuiveringstechnische werken, hetzij door het stopzetten van bepaalde verontreinigende activiteiten, en hiervan het bewijs kan leveren, kan voor de berekening van de heffing een evenredige opsplitsing bekomen op voorwaarde dat voor elke periode geldige meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, beschikbaar zijn. Deze regeling geldt niet voor seizoensgebonden activiteiten.

Indien voor de periode vóór het realiseren van de bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht geen meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9, beschikbaar zijn, dan wordt voor deze periode de heffing berekend overeenkomstig artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.

Ingeval meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot de periode na de aanpassing of stopzetting ontbreken, wordt de heffing voor het volledige jaar berekend overeenkomstig de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode op basis van de gegevens van de periode vóór de wijziging of stopzetting.

Indien in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar overeenkomstig het eerste lid twee perioden worden onderscheiden, dan neemt de tweede periode slechts een aanvang op de eerste dag van de maand waarin de meting en bemonstering van het afvalwater overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9 uitgevoerd werd en waaruit de in het eerste lid bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht blijkt.

§2.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die acties onderneemt om te komen tot een in paragraaf 1 bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht, stelt de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij minstens 1 maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk op de hoogte van:
1° ofwel de ingebruikname van een nieuw productieproces;
2° ofwel de ingebruikname van een zuiveringstechnische installatie;
3° ofwel het stopzetten van de verontreinigende activiteit.


Art. 4.2.2.3.8.

Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. wordt als volgt bepaald:
1° op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels;
2° als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met debietmeetapparatuur bedoeld in 1° wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m³, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voor zo ver dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt;
a) de af te trekken hoeveelheid koelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeet-apparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid koelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
b) de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, §2, 2° en 3° ;
c) de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) wanneer de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
3) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in 1) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in 2) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
i. voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T=200;
ii. voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T=10x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
iii. in de overige gevallen: T = 2000;
4) als de debietmeting bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van 2) of 3) en op dagbasis berekend;
d) voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m²;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
3° als de debietmeting met registratie bedoeld in punt 1° geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
a) voor de periode dat de geloosde hoeveelheid afvalwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 2° en op dagbasis berekend.

De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing en gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

In geval van het resetten van de debietmeetsystemen vermeld in deze paragraaf in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Art. 4.2.2.3.9. Wanneer geldige tegenanalyses zijn uitgevoerd conform de bepalingen van deze onderafdeling en de in uitvoering hiervan genomen besluiten, wordt voor de bepaling van de componenten N1 ,N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1., op dagbasis per parameter het gemiddelde genomen van de resultaten van de analyses en tegenanalyses.

Onderafdeling 4.
Berekening van de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater die in mindering mag gebracht worden in geval het geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater


Art. 4.2.2.4.1.

§1. In geval het in een bepaald oppervlaktewater geloosde afvalwater geheel of gedeeltelijk afkomstig is van het gebruik van oppervlaktewater, dat uit hetzelfde oppervlaktewater is opgenomen als dit waarin het afvalwater geloosd wordt, mag de vuilvracht N, bepaald volgens artikel 4.2.2.3.1. verminderd worden met de vuilvracht N0 van het gebruikte oppervlaktewater berekend als volgt:
No = N1,0 + N2,0 + N3,0
met:
No: de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden van het opgenomen oppervlaktewater;
N1,0 = Qd,ox [0,35 xZS0 + 0,45 (2 x BZV0 + CZV0) ] x (0,40 + 0,60 x d)
180        500                     1350
waarin:
N1,0: de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater veroorzaakt door de opname van de beschouwde stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qd,o: het volume uitgedrukt in liter, van het op de geloosde afvalwaters betrekking hebbende gebruikte oppervlaktewater, in het etmaal waarop Qd betrekking heeft. Indien Qd,o niet werd gemeten, kan Qd,0 maximaal gelijk gesteld worden aan Qd;
ZS0: het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft;
BZV0: de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft;
CZV0: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,o betrekking heeft;
d: correctiefactor bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.
N2,0 = Qj,o x (40 x (Hg,o) + 10 x (Ag,o + Cd,o) + 5 x (Zn,o + Cu,o) + 2 x (Ni,o) + 1 x (Pb,o + As,o + Cr,o) ) /1000
waarin:
N2,0: de vuilvracht van de beschouwde zware metalen van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj,o: het volume oppervlaktewater, uitgedrukt in kubieke meter, gebruikt in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar en dat betrekking heeft op Qj zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
Hg,o, Ag,o, Cd,o, Zn,o, Cu,o, Ni,o, Pb,o, As,o, Cr,o: de in het gebruikte oppervlaktewater Qj,0 gemeten gehaltes van het gebruikte oppervlaktewater waarop Qd,0 betrekking heeft uitgedrukt in mg/l, van de respectieve stoffen kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.
N3,0 = Qj,o x (No + Po) /10000
waarin:
N3,o:  de vuilvracht van de beschouwde nutriënten van het gebruikte oppervlaktewater uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qj,o: het volume oppervlaktewater, uitgedrukt in kubieke meter, gebruikt in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar en dat betrekking heeft op Qj zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;

No: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale stikstof, uitgedrukt in mg N/l;
Po: het in het gebruikte oppervlaktewater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

§2. De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in paragraaf 1, worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater en oppervlaktewater als vermeld in  artikel 6, 5°, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

§3. De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in §1 aangegeven berekeningsmethode.


Art. 4.2.2.4.2.

De overeenkomstig de bepalingen van de in artikel 4.2.2.4.1 berekende vuilvrachten van het gebruikte oppervlaktewater N1,o, N2,o en N3,o kunnen als mindering slechts in aanmerking genomen worden voor maximum het aantal vervuilingseenheden van de overeenstemmende vuilvrachten van het geloosde afvalwater N1, N2 en N3.
Indien de heffingsplichtige het afvalwater loost langs meerdere lozingspunten dan wordt het hierboven vermelde in mindering brengen uitgevoerd per lozingspunt.


Art. 4.2.2.4.3.

Op straffe van verval van het in artikel 4.2.2.4.1. bedoelde recht van vermindering van de vuilvracht voor het gebruikte oppervlaktewater, dienen de bedoelde heffingsplichtigen waterverontreiniging binnen de termijn en volgens de regels bepaald door de Regering:
1° aan de Vlaamse Milieumaatschappij de gegevens te bezorgen met betrekking tot het geloosde afvalwater alsmede met betrekking tot het gebruikte oppervlaktewater, nodig voor de toepassing van de artikel 4.2.2.3.1., en artikel 4.2.2.5.1., vermelde berekeningsmethode, samen met de benodigde stavingsstukken;
2° de Vlaamse Milieumaatschappij kennis te geven van de eis tot het in mindering brengen van de vuilvracht van het gebruikte oppervlaktewater No.


Onderafdeling 5.
Berekening van de vuilvracht op basis van omzet¬tingscoëfficiënten


Art. 4.2.2.5.1.

Onverminderd de toepassing van artikel 4.2.2.3.4.tot 4.2.2.3.6., wordt bij het niet of onvolledig voorhanden zijn van de gegevens, bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., de vuilvracht voor één of meer van de termen N1 ,N2, N3 en Nv als volgt berekend;
   N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv
met:
N: de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
   N1 = A x C1
              B
waarin:
N1: de vuilvracht veroorzaakt door de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenhe­den;
A: de bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitgedrukt over­eenkomstig de  grondslag vermeld in kolom 3 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
B: de grondslag vermeld in kolom 3 van de tabel opgeno­men in bijlage 5;
C1: de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 4 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
   N2 = (Q - K) x C2
waarin:
N2: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van zware metalen, uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Q: het waterverbruik berekend als de som van het door de openbare watervoorzie­ningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende dezelfde periode op een andere wijze gewonnen hoeveelheid water, uitgedrukt in m³;
K: de hoeveelheid koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
C2: de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 5 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
   N3 = (Q - K) x C3
waarin:
N3: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de nutriënten stikstof en fosfor, uitgedrukt in vervuilingseenhe­den;
Q:  het waterverbruik berekend als de som van het door de openbare watervoorzie­ningsmaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende dezelfde periode op een andere wijze gewonnen hoe­veelheid water, uitgedrukt in m³;
C3: de omzettingscoëfficiënt vermeld in kolom 6 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
K:  de hoeveelheid koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
     Nk = ak (K x 0,0004)
waarin:
Nk: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwa­ter;
k: het thermisch belast koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
ak: deze term is gelijk aan 0,550.

   Nv = (Q - K) x Cv
waarin:
Nv: de vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden;
Q: het waterverbruik zoals hierboven bepaald;
K: de hoeveelheid koelwater, vermeld in artikel 4.2.2.3.1.;
Cv: deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen vermeld in artikel 4.2.2.1.1. §2, 1° en 2°, en is in alle andere gevallen gelijk aan de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 7 van de tabel opgenomen in bijlage 5.


Art. 4.2.2.5.2.

Voor de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. wordt onder Q verstaan:
het waterverbruik berekend als de som van het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gefactureerd waterverbruik en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar op een andere wijze ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water, uitgedrukt in m³.

Q wordt als volgt berekend:
1° het gefactureerde waterverbruik wordt bepaald overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.2.2.5.1.;
2° de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
a)het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b)indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1., §2, 2° en 3° ;
3° de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) wanneer het opgenomen volume oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
c) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in a) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in b) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m³ per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
1) voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
2) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het reële aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
3) in de overige gevallen: T = 2000;
d) als de debietmeting bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
1) voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van b) of c) en op dagbasis berekend;
4° voor de toepassing van deze onderafdeling wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren en/of vervuild wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
a) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
b) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume gebruikt of vervuild hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m² afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m²;
c) als de debietmeting met registratie bedoeld in a) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
1) voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
2) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van b) en op dagbasis berekend.

De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vóór 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing. De heffingsplichtige gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

In geval van het resetten van de debietmeetsystemen, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.