Art. 4.2.2.1.4.

1. Elke heffingsplichtige die door investeringen in het productieproces en/of in zuiveringstechnische werken komt tot een totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces en dit op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, is vrijgesteld van de heffing waterverontreiniging voor zover geen sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt.

Indien sanitair afvalwater en/of koelwater geloosd wordt, wordt enkel op het sanitair waterverbruik en/of koelwater een heffing gevestigd.

De heffingsplichtige mag bovendien op 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar niet beschikken over een omgevings- of lozingsvergunning die hem toelaat ander afvalwater dan huishoudelijk afvalwater en/of koelwater te lozen.

2. Elke heffingsplichtige die van de regeling in de vorige paragraaf gebruik wenst te maken, moet bij de aangifte bedoeld in artikel 4.2.4.1,1, een dossier voegen dat opgesteld is door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater, die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake het milieubeleid. Elk ander bewijs van niet lozing zal niet worden aanvaard door de Vlaamse Milieumaatschappij.

Het bedoelde dossier bevat minstens de volgende gegevens:
1 een beschrijving van het productieproces met aanduiding van de verschillende waterstromen;
2 een gedetailleerde waterbalans met vermelding van de verschillende waterbronnen, de aanwending en de afvoer van dit water;
3 indien van toepassing een beschrijving van de toegepaste technische maatregelen om tot de niet-lozing te komen;
4 een beschrijving van noodplannen en noodvoorzieningen.
5 een overzicht van de omgevings- of lozingsvergunningen van de laatste tien jaar met afzonderlijke vermelding van de nog geldende vergunningen waarover de heffingsplichtige beschikt
6 de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit rapport.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen inzake het bedoelde dossier.

3. De uiterste datum voor de vaststellingen van de niet-lozing is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Uiterlijk n maand voordat de vaststellingen ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek.

Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

4. Het bedoelde dossier geldt voor het heffingsjaar waarvoor de aanvraag is ingediend en voor de negen daaropvolgende heffingsjaren behoudens in geval van wijzigingen die tot gevolg hebben dat niet meer aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan.

Iedere wijziging betreffende de lozingssituatie moet onmiddellijk per aangetekend schrijven worden gemeld aan het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar.

5. Het statuut van nullozer kan worden verlengd voor opeenvolgende periodes van tien jaar.

Hiertoe moet de heffingsplichtige waterverontreiniging, vr het verstrijken van de geldigheidsduur van het bedoelde dossier, een hernieuwingsaanvraag indienen bij de ambtenaar die conform artikel 4.2.1.1.8 aangewezen is voor de vestiging van de heffing, samen met een attest afgeleverd door een milieu-deskundige bedoeld in paragraaf 2, waarin de conclusie van het aanvankelijk ingediende dossier wordt herbevestigd."

Het attest vermeldt tevens de datum waarop de milieudeskundige zijn vaststellingen ter plaatse heeft gedaan die hebben geleid tot de opmaak van dit attest. De uiterste datum voor deze vaststellingen is 1 januari van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar waarvoor de hernieuwingsaanvraag wordt ingediend.

Als het ingediende dossier op de datum van de eerste aanvraag nog niet hoefde te voldoen aan de inhoudelijke voorwaarden, vermeld in paragraaf 2, wordt het dosser aangevuld met de gegevens, vermeld in die paragraaf.

Uiterlijk n maand voordat de vaststellingen voor het voormeld attest met het oog op de hernieuwing van het nullozerstatuut ter plaatse zullen worden gedaan door de milieudeskundige, brengt de heffingsplichtige het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar schriftelijk, per e-mail of per fax op de hoogte van het geplande plaatsbezoek. Indien de milieudeskundige erom wordt verzocht, stelt hij de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, alle relevante informatie ter beschikking en geeft hij hen de mogelijkheid deel te nemen aan het plaatsbezoek.

6. Als de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens over enige onvergunde lozing uit dat productieproces, wordt de heffing op de vuilvracht, veroorzaakt door die lozing, bepaald conform artikel 4.2.2.1.10, 1.

Voor de daaropvolgende jaren van de nog resterende looptijd van het dossier of het attest, vermeld in paragraaf 4 of 5, wordt het statuut van nullozer alleen behouden als voor die jaren de onregelmatige lozingssituatie is geremedieerd en de heffingsplichtige daarvan het bewijs levert.

7. Als de totale niet-lozing van afvalwater uit het productieproces in afwijking van paragraaf 1 en 2 pas in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, wordt verwezenlijkt en/of vastgesteld, wordt de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1 evenwel toegekend vanaf de maand die volgt op de maand waarin de Vlaamse Milieumaatschappij vaststelt dat aan alle overige bepalingen van paragraaf 1 en 2 is voldaan.

8. Alle vermeldingen en bepalingen opgenomen in paragrafen 2, 3, 4 en 5 zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.