Art. 4.2.2.1.6.

1. Elke fysieke persoon die het sociaal tarief, vermeld in artikel 4.2.2.1.5,1, niet kan genieten maar wel de werkelijke verbruiker van het water is, en die op 1 januari van het heffingsjaar of op de datum van overlijden zelf n van de volgende tegemoetkomingen geniet, maakt aanspraak op een compensatie voor zijn aandeel of dat van zijn gezin in de heffing van hetzelfde heffingsjaar vermeld in artikel 4.2.2.1.5.,1:
1 het gewaarborgd inkomen voor bejaarden volgens de wet van 1 april 1969 tot instelling van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen volgens de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen;
2 het leefloon of levensminimum, toegekend door het O.C.M.W. met toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, respectievelijk van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn;
3 de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap;
4 de tegemoetkoming ’hulp aan bejaarden’ volgens het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming;
5 de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap volgens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap.

De compensatie wordt uitsluitend verleend voor de plaats van waterverbruik die tevens op 1 januari van het heffingsjaar het wettelijke domicilie is van de verbruiker.

Voor de toepassing van die compensatie worden personen die hun wettelijke domicilie hebben in een rust- verplegings- of andere instelling en personen die in gemeenschappen, gericht op de verwezenlijking van religieuze of filosofische doelstellingen, hun wettelijke domicilie en levensmiddelen delen, niet beschouwd als leden van hetzelfde gezin.

Per gezin kan jaarlijks slechts n compensatie worden verleend die wordt uitbetaald aan de referentiepersoon van het gezin.

2. De Vlaamse Milieumaatschappij kan de compensatie automatisch toekennen op basis van de inlichtingen die worden ingewonnen bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of bij de andere overheidsinstellingen die de rechten vermeld in paragraaf 1 toekennen.

Als de compensatie niet automatisch wordt toegekend op basis van de voormelde inlichtingen, wordt de compensatie enkel op schriftelijke aanvraag verleend. De schriftelijke aanvraag tot compensatie moet uiterlijk binnen een termijn van twaalf maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, bij de Vlaamse Milieumaatschappij worden ingediend.

Bij die aanvraag moet n van de volgende documenten gevoegd zijn:
1 een attest, uitgereikt door de federale dienst bevoegd voor de pensioenen, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon het gewaarborgd inkomen voor bejaarden of de inkomensgarantie voor ouderen genoten heeft;
2 een attest, uitgereikt door het O.C.M.W., waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon een door het O.C.M.W. toegekend leefloon of levensminimum genoten heeft;
3 een attest, uitgereikt door de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de inkomensvervangende tegemoetkoming voor personen met een handicap, of de integratietegemoetkoming voor personen met een handicap genoten heeft.
4 een attest, uitgereikt door een zorgkas als vermeld in artikel 2, 19, van het decreet van 24 juni 2016 houdende de Vlaamse sociale bescherming, waaruit blijkt dat de betrokken fysieke persoon de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden genoten heeft.

Het bedrag van de compensatie wordt als volgt bepaald:

P= M x T x Q x 0,025 x 0,80;

waarbij:
1 P= de compensatie;
2 M= het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het heffingsjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
3 T= het eenheidstarief van de heffing vermeld in artikel 4.2.2.1.1.;
4 Q = 10 m voor elke verbruiker die op een tijdstip gedurende het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienet, en waarbij het waterverbruik in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de openbare watervoorzieningsmaatschappij, minder dan 500 m bedraagt, en die tevens op een tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning met een getotaliseerd nominaal pompvermogen van minder dan 5 m per uur;
Q = 30 m voor alle andere verbruikers.

De compensatie is niet van toepassing op de fysieke personen die in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar, in aanmerking komen voor een compensatie, als vermeld in artikel 4.3.3.2. in de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1., 4.3.1.2.1. en 4.3.2.1.