Art. 4.2.2.1.8.

§1. Worden eveneens vrijgesteld van de verplichting tot betaling van de in artikel 4.2.2.1.1. bedoelde heffing, de sociale instellingen, buiten het medische kader, met een verzorgende finaliteit en zonder productieactiviteit, waar overwegend personen worden opgevangen die omwille van hun handicap of lichamelijke toestand, zorgenbehoevend zijn.

De vrijstelling geldt slechts indien de bedoelde rechtspersonen gedurende het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend huishoudelijke afvalwaters hebben geloosd en ze hebben gezuiverd of hebben laten zuiveren in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater in eigen beheer of in gemeenschappelijk beheer zoals bedoeld in artikel 1.1.2 van titel II van het Vlarem:
1° waarvan, in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de exploitatie is gemeld en/of vergund overeenkomstig de voorschriften van het Omgevingsvergunningsbesluit;
2° die gebouwd is en geëxploiteerd wordt volgens een code van goede praktijk.

De vrijstelling geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die werden aangelegd nadat de instelling reeds aansluitbaar was op een RWZI.

§2. De heffingsplichtige die van de vrijstelling uit paragraaf 1 wenst te genieten, dient daarvoor, op straffe van verval van het recht van vrijstelling, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden te rekenen van de derde werkdag volgend op de dag waarop het heffingsbiljet aan de postdiensten overhandigd werd, of ingeval de heffingsplichtige een aangifte indient samen met de aangifte, een schriftelijke aanvraag in bij de Vlaamse Milieumaatschappij met de volgende bijlagen:
1° in zoverre het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel van 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, een afschrift van de melding of lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater;
2° een attest afgeleverd door de burgemeester, waaruit blijkt dat de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het Vlarem.

Het vermelde attest heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de zuiveringsinfrastructuur tijdens deze periode niet wordt uitgebaat volgens de code van goede praktijk of gewijzigd werd.

Indien aan de Vlaamse Milieumaatschappij een attest werd bezorgd als bedoeld in het eerste lid, 2°, kan deze de heffingsplichtige ambtshalve vrijstellen van heffing zonder dat de heffingsplichtige een schriftelijke aanvraag indient. In voorkomend geval ontvangt de heffingsplichtige geen heffingsbiljet. Voor heffingsplichtigen die gedurende de geldigheidstermijn van het attest een heffingsbiljet hebben gekregen, wordt de vrijstelling enkel op schriftelijke aanvraag verleend. Daarin mag worden verwezen naar het eerder ingediende attest.

In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kan een vrijstelling van de heffing worden toegekend aan de heffingsplichtigen waarvan de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden volgens de door de regering vastgestelde regels.