Art. 4.2.2.1.10.

§1. In afwijking van artikel 4.2.2.1.1., wordt in geval van:
1° een onvergunde lozing;
2° een lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of omgevingsvergunning om een contract, vermeld in artikel 2.6.2.1., af te sluiten; of
3° een lozing via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.2.1.1.7.;
het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld:

H = T x Qx x Cx + T x Nkx

waarbij:
H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;
T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 4.2.2.1.1, §2, 2e lid.;
Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.5.2., verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt:
Σ [(deind - dbegin) + F]
waarbij:
dbegin =
1° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;
2° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 5.3.3., tenzij de Vlaamse Milieumaatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige;
deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;
F =
1° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;

2° 30 in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen. In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;
Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage 5;
Nkx = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater bepaald overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.

In alle andere gevallen wordt de vuilvracht vermeld in artikel 4.2.2.1.1., vermenigvuldigd met (365-dx) /365.

§2.Onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden is paragraaf 1 niet van toepassing op lozingen zonder voorafgaande melding of meldingsakte of voorafgaande of tijdige verlenging van de lozings-, milieu- of omgevingsvergunning, zoals respectievelijk vermeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en voor zover:
1° de heffingsplichtige beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens als vermeld in artikel 4.2.2.3.3., die betrekking hebben op de volledige afvalwaterstroom; ofwel
2° aan de voorwaarden voor de toepassing van
artikel 4.2.2.3.4., is voldaan en de meet- en bemonsteringsgegevens van de Vlaamse Milieumaatschappij op de volledige afvalwaterstroom slaan.

Er mag in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen enkele vaststelling zijn gedaan van een lozing van een gedeelte van de afvalwaterstroom via een ander niet bemonsterd lozingspunt.

In geval van een in het eerste lid vermelde onvergunde lozing wordt de vuilvracht uitsluitend overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1., berekend.