Onderafdeling 2.
Berekening van de vuilvracht op basis van waterverbruik


Art. 4.2.2.2.1. Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging met een waterverbruik van minder dan 500 mŪ per jaar wordt de vuilvracht als volgt berekend:
1° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die uitsluitend water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar en waarbij het waterverbruik in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, op basis van de facturatie door de drinkwatermaatschappij, minder dan 500 mŪ bedraagt:
N = 0,025 x Qw
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in mŪ;
2° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die gedurende het gehele jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uitsluitend beschikte over een eigen waterwinning van minder dan 500 mŪ per jaar:
N = 0,025 x Qp
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qp = a) voor natuurlijke personen: 30 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;
3° voor elke heffingsplichtige waterverontreiniging die op enig tijdstip gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar water heeft afgenomen van een openbaar waterdistributienetwerk en die tevens op enig tijdstip gedurende dat jaar beschikte over een eigen waterwinning waarbij het totale waterverbruik kleiner is dan 500 mŪ per jaar:
N = 0,025 x (Qw + Qg)
waarin:
N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden;
Qw = het door de drinkwatermaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar totaal gefactureerd waterverbruik uitgedrukt in mŪ;
Qg = a) voor natuurlijke personen: 10 x M, waarin M het aantal personen is dat op 1 januari van het heffingsjaar deel uitmaakt van eenzelfde gezin of gemeenschap;
b) voor rechtspersonen: het overeenkomstig 4.2.2.5.2 bepaalde verbruik;

Art. 4.2.2.2.2.

Elke in artikel 4.2.2.2.1 en in categorie 56 van de bijla­ge 5 bedoelde heffingsplichtige heeft het recht om de toepassing te vragen van één van de berekeningsmethoden bedoeld in de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9. en de artikelen 4.2.2.5.1.en 4.2.2.5.2. voorzover hij beschikt over de gegevens vereist voor de toepassing van de berekeningsmethoden.

Om van dit recht gebruik te kunnen maken dient de hef­fingsplichtige een aangifte in binnen de door arti­kel 4.2.4.1., §1, gestelde termijn.


Art. 4.2.2.2.3. De met toezicht belaste ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschap­pij kan, mits de hiervoor nodige gegevens voorhanden zijn, zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige, voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft, beslissen tot toepas­sing van de in artikel 4.2.2.3.1. of artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2. aangegeven berekeningsmethode voor zover dit resulteert in een grotere vuilvracht voor de in artikel 4.2.2.2.1 of in categorie 56 van de bijlage 5 bedoelde heffingsplichtige.