Onderafdeling 3.
Berekening van de vuilvracht op basis van meet- en bemonsteringsresultaten


Art. 4.2.2.3.1.

Voor de heffingsplichtigen waterverontreiniging die niet onder artikel 4.2.2.2.1 tot 4.2.2.2.3.vallen wordt de vuilvracht als volgt berekend:

N = N1 + N2 + N3 + Nk + Nv

waarin:

N = de vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, de vuilvracht kan in geen geval negatief worden;

N1 = Qd x [a + 0,35 x ZS + 0,45 (2 x BZV + CZV) ] x (0,40 + 0,60 x d)

180 500 1350

waarin:

N1: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de zuurstofbindende stoffen en de zwevende stoffen uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qd: het volume, uitgedrukt in liter, van het afvalwater geloosd in een etmaal tijdens de maand van grootste bedrijvigheid van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;

a:

1 deze term is gelijk aan nul voor de heffingsplichtigen waterverontreining:

a) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar zijn aangesloten op het openbaar hydrografisch net, zoals bedoeld in artikel 4.1.1, en op dezelfde datum bovendien beschikken over een omgevings- respectievelijk lozingsvergunning voor lozing op het openbaar hydrografisch net;

b) die op 1 januari van het jaar dat voorafgaat aan het beschouwde heffingsjaar beschikken over een omgevings-, respectievelijk lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone oppervlaktewateren en die lozen in ofwel:

- de openbare riolering die niet aangesloten is op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie;

- een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;

- een openbare of privaatrechterlijke effluentleiding die uitmondt in oppervlaktewater.

2 indien in de loop van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar de lozingssituatie en/of vergunningstoestand bedoeld onder 1 verandert in deze bedoeld onder 3 of omgekeerd, wordt de berekening van de N1-component evenredig opgesplitst voor zover de vuilvracht berekend zonder de a- factor niet gevoelig wijzigt. De wijziging van de a- factor gaat in vanaf de maand volgend op deze waarin de lozingssituatie en/of vergunningstoestand volgens de vergunning van kracht wordt. Als de feitelijke lozingssituatie niet overeenstemt met de vergunningstoestand wordt de a- factor gewijzigd vanaf de maand die volgt op die waarin de feitelijke situatie aan de vergunning is aangepast. De heffingsplichtige dient minstens n maand voor de wijziging per aangetekend schrijven het Afdelingshoofd van de Vlaamse Milieumaatschappij bevoegd voor de vestiging, inning en invordering van de heffing of de door hem gedelegeerde ambtenaar hiervan op de hoogte te brengen. Bij gevoelige wijziging van de vuilvracht is overeenkomstig artikel 4.2.2.3.7 de situatie op het ogenblik van de monstername van toepassing.

3 deze term is in de overige gevallen gelijk aan 0,20.

ZS: het gehalte aan stoffen in suspensie, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;

BZV: de biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;

CZV: de chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg/l, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft;

d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotint van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar gedurende verschillende etmalen metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als N1 het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-componenten genomen.

Indien er in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar in verschillende maanden metingen zijn gebeurd van het dagdebiet en de samenstelling van het geloosde afvalwater, dan wordt als maand van de grootste bedrijvigheid die maand in aanmerking genomen waarvan het rekenkundig gemiddelde van de op dagbasis berekende N1-component het grootst is.

N2 = Qjx [40 x (Hg) + 10 x (Ag + Cd) + 5 x (Zn + Cu) + 2 x (Ni) + 1 x (Pb + AS + Cr) ]

1000

waarin:

N2 = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde zware metalen uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qj = het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar;

Hg, Ag, Cd, Zn, Cu, Ni, Pb, As, Cr: de in het geloosde afvalwater gemeten gehaltes, van het afvalwater waarop Qd betrekking heeft, uitgedrukt in mg/l, van de respectievelijke stoffen: kwik, zilver, cadmium, zink, koper, nikkel, lood, arseen en chroom.

N3 = Qj x (N + P)

10000

waarin:

N3: de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van de beschouwde nutrinten uitgedrukt in vervuilingseenheden;

Qj: het volume afvalwater, uitgedrukt in kubieke meter, geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar;

N: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Nk = ak (K x 0,0004)

waarin:

Nk: de vuilvracht veroorzaakt door het lozen van koelwater;

K: het thermisch belast koelwater, uitgedrukt in kubieke meter per jaar, dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd geloosd. Met ingang van het heffingsjaar 1992 wordt de hoeveelheid geloosd koelwater geacht overeen te stemmen met:

1 hetzij, de in de lozings- of omgevingsvergunning toegelaten hoeveelheid;

2 hetzij, de hoeveelheid aangegeven in de vr 1 september 1991 ingediende
lozingsvergunningsaanvraag zolang over deze laatste nog geen uitspraak is gedaan;

3 tenzij het bewijs geleverd wordt dat de reel geloosde hoeveelheid kleiner is.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels hiervan vast.

ak: deze term is gelijk aan 0,550.

Nv= Ev - Kv

waarin:

Nv : de vuilvracht die gerelateerd is aan de verwerkbaarheid van het geloosde afvalwater uitgedrukt in negatieve of positieve vervuilingseenheden;

Onder goed verwerkbaar afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

1 CZV/BZV kleiner dan of gelijk aan 4;

2 BZV/N groter of gelijk aan 4;

3 BZV/P groter of gelijk aan 25;

4 BZV concentratie hoger dan of gelijk aan 100 mg/l.

waarbij:

BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;

CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;

N: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

Onder complementair afvalwater wordt verstaan afvalwater waarbij de gemiddelde samenstelling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

1 CZV/BZV kleiner dan 2;

2 BZV/N groter dan 8;

3 BZV/P groter dan 40;

4 BZV concentratie hoger dan 500 mg/l.

waarbij:

BZV: de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;

CZV: de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;

N: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P: het in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l.

De gemiddelde samenstelling is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.

Ev: de extra verwerkingskosten voor de sanering van afvalwater dat niet goed verwerkbaar is;

De term Ev is:

1 nul wanneer het afvalwater goed verwerkbaar of complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;

2 in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x [0,45 x (4 x (BZVc – BZV) ) + 0,35 x ZSp] x (0,40 + 0,60 x d)

180 1.350 500

waarbij:

Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:

Qdv = Qj x 1000

225*d

BZVc: de gecorrigeerde BZV concentratie, uitgedrukt in mg BZV/l, zodat het afvalwater voldoet aan de voorwaarden voor goed verwerkbaar afvalwater met uitzondering van de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. BZVc is gelijk aan de maximale waarde uit de volgende reeks : 100, CZV/4, N 4, BZV;

BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l;

CZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten chemische zuurstofbehoefte, uitgedrukt in mg CZV/l;

N: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale stikstof uitgedrukt in mg N/l;

P: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten gehalte aan totale fosfor, uitgedrukt in mg P/l;

Hierbij is de gemiddelde concentratie het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid.

ZSp: de slibproductie, uitgedrukt in mg/l, ontstaan door de chemische precipitatie van het toe te voegen ijzertrichloride wanneer de samenstelling van afvalwater niet voldoet aan de voorwaarde BZV/P groter of gelijk aan 25. ZSp kan niet negatief zijn en wordt berekend als :

6,6 x (P – BZV)

25

d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten wanneer minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d dan gelijk is aan het quotint van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225;

Kv: de korting voor de sanering van complementair afvalwater

De term Kv:

1 is nul wanneer het afvalwater niet complementair is of voor de heffingsplichtigen waarvoor a = 0;

2 is in alle andere gevallen gelijk aan:

Qdv x 0,45 x BZV x (0,40 + 0,60 x d)

180 1350

waarbij:

Qdv: het gemiddelde volume afvalwater, uitgedrukt in liter, geloosd in een etmaal in het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar. Het gemiddelde volume is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid. Indien enkel het volume afvalwater geloosd in het jaar voorafgaand aan het beschouwde heffingsjaar (Qj) beschikbaar is, wordt Qdv als volgt berekend:

Qdv = Qj x 1000

225*d

BZV: de gemiddelde concentratie van de in het geloosde afvalwater gemeten biochemische zuurstofbehoefte gedurende 5 dagen, uitgedrukt in mg BZV/l. De gemiddelde concentratie is het rekenkundig gemiddelde van alle meet- en bemonsteringsresultaten van de verschillende monsternemingen bekomen volgens de regels vastgesteld door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 4.2.2.3.2., tweede lid;

d: correctiefactor wanneer het gaat om seizoensgebonden of niet-continue activiteiten waarbij minder dan 225 kalenderdagen per jaar afvalwater wordt geloosd en hiervan het bewijs geleverd wordt; d is dan gelijk aan het quotint van het aantal dagen waarin afvalwater werd geloosd en 225.

In afwijking van de voorgaande bepalingen wordt de component Nv bij toepassing van de 30 %-regel, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., tweede lid, uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dat resulteert in een hogere vuilvracht.


Art. 4.2.2.3.2.

De bemonstering en de analyses van de parameters, vermeld in artikel 4.2.2.3.1., worden uitgevoerd door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5, a) , van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.

De Regering kan de nadere regels vaststellen aangaande de wijze waarop de gegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater kunnen worden bepaald voor de toepassing van de in artikel 4.2.2.3.1. aangegeven berekeningsmethode.


Art. 4.2.2.3.3.

Heffingsplichtigen die de toepassing wensen van de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode moeten zelf zorgen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen initiatief uitgevoerde meetcampagne door een laboratorium vermeld in artikel 4.2.2.3.2.

Indien de heffingsplichtige en de Vlaamse Milieumaatschappij in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen hebben laten uitvoeren en de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N1-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij 30 % hoger ligt dan de N1-waarde bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, worden de componenten N1, N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. uitsluitend berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht.

In dit geval worden de kosten voor monsterneming en analyses die als basis dienen voor bedoelde heffing ten laste gelegd van de heffingsplichtige, tenzij het verschil tussen de overeenkomstig artikel 4.2.2.3.1. vastgestelde N-waarde, berekend op basis van de resultaten van de Vlaamse Milieumaatschappij, en de N-waarde, bepaald op grond van de resultaten van de heffingsplichtige, kleiner is dan 50 VE.


Art. 4.2.2.3.4.

Indien de heffingsplichtige niet beschikt over geldige meet- en bemonsteringsgegevens, vermeld in artikel 4.2.2.3.3., n indien artikel 4.2.2.3.5. of 4.2.2.3.6. niet van toepassing is, kan de Vlaamse Milieumaatschappij de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode toepassen voor zover de nodige gegevens beschikbaar zijn en voor zover dit resulteert in een hogere vuilvracht dan de vuilvracht berekend volgens artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2., en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.5.

1. Indien de heffingsplichtige voor n of meer componenten N1, N2, N3 of Nvniet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., eerste lid, kan hij bij de aangifte, bedoeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag tot afwijking van de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.,en van artikel 4.2.2.3.1. voegen.

Indien de Vlaamse Milieumaatschappij dit verzoek aanvaardt, zal de vuilvracht van de componenten waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, vastgesteld worden op 1,5 maal het rekenkundig gemiddelde van respectievelijk de N1-, N2-, N3- of Nv-componenten vastgesteld voor de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren.

2. Voor de heffingsplichtige waarvan de heffingsplicht ontstaan is maximum drie kalenderjaren vr het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor n of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, kunnen tevens maximum drie heffingsjaren, volgend op het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor n of meer van de componenten niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, aanvullend worden gebruikt voor de berekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid.

Samen met het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor n of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, moeten de heffingsjaren waarvan de vuilvracht in rekening gebracht wordt vier opeenvolgende heffingsjaren vormen.

De betrokken heffingsplichtige moet een schriftelijke aanvraag tot herberekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid indienen ten laatste op 1 april van het jaar volgend op het laatste betrokken heffingsjaar dat gebruikt wordt voor de herberekening.

3. Dit artikel is van toepassing op voorwaarde dat:

1 de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 of Nv waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, voor drie opeenvolgende heffingsjaren gebaseerd is op meet- en bemonsteringsgegevens die voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 4.2.2.3.2., tweede lid en in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid;

2 in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar de productieprocessen dezelfde zijn als deze in drie opeenvolgende jaren en het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gelijkaardig is aan het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N, gebruikt voor het vaststellen van de heffing voor drie opeenvolgende jaren;

3 in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen vaststellingen zijn gedaan m.b.t. het niet of onvoldoende functioneren van de aanwezige zuiveringsapparatuur;

4 in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen inbreuken werden vastgesteld inzake de lozing van afvalwater door middel van een proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag bedoeld in artikel 5.4.1.3., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige handelt met opzet om de heffing geheel of gedeeltelijk te ontwijken;

5 uit de bij de aangifte gevoegde verantwoordingsstukken blijkt dat aan de voorwaarden bepaald onder 1 tot 4 is voldaan.

Indien bovenvermelde regeling toegepast wordt op n of meer van de componenten N1, N2, N3 of Nv, kan artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2.niet meer toegepast worden op n of meer van de overige componenten N1, N2, N3 of Nv, en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft.


Art. 4.2.2.3.6.

Indien de bepalingen van artikel 4.2.2.3.5. op n of meer componenten N1, N2, N3 of Nv van toepassing zijn, n de Vlaamse Milieumaatschappij heeft in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar monsternemingen laten uitvoeren conform artikel 4.2.2.3.2., tweede lid, dan worden deze meet- en bemonsteringsresultaten voor alle componenten gebruikt bij de berekening van de vuilvracht voor zover de som van de componenten N1, N2, N3 en Nv berekend op basis van deze metingen hoger is dan de som van de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 en Nv, hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.1., hetzij berekend volgens artikel 4.2.2.3.5. In dit geval worden de kosten van de campagne van de Vlaamse Milieumaatschappij ten laste gelegd van de heffingsplichtige.


Art. 4.2.2.3.7.

1.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar zorgt voor een sterke en blijvende daling van de vuilvracht veroorzaakt door het geloosde afvalwater, hetzij door investeringen in het productieproces of zuiveringstechnische werken, hetzij door het stopzetten van bepaalde verontreinigende activiteiten, en hiervan het bewijs kan leveren, kan voor de berekening van de heffing een evenredige opsplitsing bekomen op voorwaarde dat voor elke periode geldige meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, beschikbaar zijn. Deze regeling geldt niet voor seizoensgebonden activiteiten.

Indien voor de periode vr het realiseren van de bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht geen meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9, beschikbaar zijn, dan wordt voor deze periode de heffing berekend overeenkomstig artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.

Ingeval meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot de periode na de aanpassing of stopzetting ontbreken, wordt de heffing voor het volledige jaar berekend overeenkomstig de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode op basis van de gegevens van de periode vr de wijziging of stopzetting.

Indien in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar overeenkomstig het eerste lid twee perioden worden onderscheiden, dan neemt de tweede periode slechts een aanvang op de eerste dag van de maand waarin de meting en bemonstering van het afvalwater overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9 uitgevoerd werd en waaruit de in het eerste lid bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht blijkt.

2.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die acties onderneemt om te komen tot een in paragraaf 1 bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht, stelt de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij minstens 1 maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk op de hoogte van:

1 ofwel de ingebruikname van een nieuw productieproces;
2 ofwel de ingebruikname van een zuiveringstechnische installatie;
3 ofwel het stopzetten van de verontreinigende activiteit.


Art. 4.2.2.3.8.

Het jaarvolume geloosd afvalwater Qj, bedoeld in artikel 4.2.2.3.1. wordt als volgt bepaald:
1 op basis van een continu werkend debietmeetsysteem, waarbij doorlopend het geloosde dagdebiet wordt gemeten en dagelijks geregistreerd volgens de door de regering vastgestelde regels;
2 als het jaarvolume geloosd afvalwater Qj niet is gemeten met debietmeetapparatuur bedoeld in 1 wordt Qj vastgesteld als de som van het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar door de drinkwatermaatschappij geleverde drinkwater en van de gedurende het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar ontvangen hoeveelheid grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en ander water uitgedrukt in m, verminderd met de hoeveelheid water gebruikt als koelwater voor zo ver dit koelwater niet samen met het afvalwater geloosd wordt;
a) de af te trekken hoeveelheid koelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de hoeveelheid gebruikt als koelwater niet is vastgesteld door middel van debietmeet-apparatuur wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het geloosde volume vergund koelwater zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.1.;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid koelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid koelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
b) de opgenomen hoeveelheid grondwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het opgenomen grondwater niet kan aantonen met behulp van een verzegelde dagelijkse debietmeting met registratie voor het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar, wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan het grondwatervolume bepaald overeenkomstig artikel 4.2.3.1, 2, 2 en 3 ;
c) de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de regering vastgestelde regels;
2) wanneer de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater niet vastgesteld is door middel van een verzegelde debietmeting met registratie, wordt deze hoeveelheid onweerlegbaar vermoed gelijk te zijn aan het gecapteerde volume water dat de beheerder van de betrokken waterweg het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar in aanmerking heeft genomen voor het bepalen van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang zoals bedoeld in hoofdstuk IV van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen, alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991;
3) bij ontstentenis van debietmeting bedoeld in 1) en van de vergoeding voor de vergunning voor de watervang bedoeld in 2) wordt onweerlegbaar vermoed dat de opgenomen hoeveelheid oppervlaktewater gelijk is aan de som van de nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
i. voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T=200;
ii. voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T=10x het rele aantal dagen dat de oppervlaktewaterwinning in gebruik geweest is;
iii. in de overige gevallen: T = 2000;
4) als de debietmeting bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid oppervlaktewater werd gemeten: op basis van tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid oppervlaktewater naargelang het geval vastgesteld volgens de bepalingen van 2) of 3) en op dagbasis berekend;
d) voor de toepassing van dit artikel wordt onder hemelwater verstaan, het hemelwater dat gebruikt wordt voor de activiteiten van de in bijlage 5 vermelde sectoren, of vervuild wordt, of samen met het afvalwater geloosd wordt. De ontvangen hoeveelheid hemelwater is gelijk aan:
1) het volume gemeten aan de hand van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;
2) indien de heffingsplichtige het in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar volume ontvangen hemelwater niet kan aantonen aan de hand van een verzegelde debietmeting voorzien van registratie, wordt de hoeveelheid hemelwater gelijkgesteld aan 800 l/m afspoelbare of vervuilde oppervlakte, tenzij de heffingsplichtige aan de hand van de gegevens afkomstig van het Koninklijk Meteorologisch Instituut, kan aantonen dat de neerslag kleiner is dan 800 l/m;
3) als de debietmeting met registratie bedoeld in 1) geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
i. voor de periode dat de hoeveelheid hemelwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
ii. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid hemelwater vastgesteld overeenkomstig de bepaling van 2) en op dagbasis berekend;
3 als de debietmeting met registratie bedoeld in punt 1 geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:

  1. voor de periode dat de geloosde hoeveelheid afvalwater werd gemeten: op basis

van de tellerstanden van deze periode;

  1. voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende geloosde hoeveelheid afvalwater vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van punt 2 en op dagbasis berekend.

De systemen voor registratie van het debiet, vermeld in dit artikel, die vr 1 januari 2004 in gebruik zijn genomen, worden verzegeld door de Vlaamse Milieumaatschappij. De overige debietmeetsystemen worden bij de indienstneming verzegeld door de leverancier, de externe installateur of een laboratorium als vermeld in artikel 4.2.2.3.2. Deze verplichting geldt niet voor de meetsystemen waarmee het geloosde debiet wordt gemeten. Als de verzegeling verbroken wordt, verwittigt de heffingsplichtige onmiddellijk de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met de controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing en gebruikt hiervoor het formulier dat de Vlaamse Milieumaatschappij ter beschikking stelt.

In geval van het resetten van de debietmeetsystemen vermeld in deze paragraaf in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.


Art. 4.2.2.3.9. Wanneer geldige tegenanalyses zijn uitgevoerd conform de bepalingen van deze onderafdeling en de in uitvoering hiervan genomen besluiten, wordt voor de bepaling van de componenten N1 ,N2, N3 en Nv bedoeld in artikel 4.2.2.3.1., op dagbasis per parameter het gemiddelde genomen van de resultaten van de analyses en tegenanalyses.