Art. 4.2.2.3.5.

1. Indien de heffingsplichtige voor n of meer componenten N1, N2, N3 of Nvniet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3., eerste lid, kan hij bij de aangifte, bedoeld in artikel 4.2.4.1., een schriftelijke aanvraag tot afwijking van de toepassing van artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.,en van artikel 4.2.2.3.1. voegen.

Indien de Vlaamse Milieumaatschappij dit verzoek aanvaardt, zal de vuilvracht van de componenten waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, vastgesteld worden op 1,5 maal het rekenkundig gemiddelde van respectievelijk de N1-, N2-, N3- of Nv-componenten vastgesteld voor de drie opeenvolgende voorgaande heffingsjaren.

2. Voor de heffingsplichtige waarvan de heffingsplicht ontstaan is maximum drie kalenderjaren vr het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor n of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsgegevens, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, kunnen tevens maximum drie heffingsjaren, volgend op het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor n of meer van de componenten niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, aanvullend worden gebruikt voor de berekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid.

Samen met het heffingsjaar waarvoor de heffingsplichtige voor n of meer componenten N1, N2, N3 of Nv niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, zoals bedoeld in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid, moeten de heffingsjaren waarvan de vuilvracht in rekening gebracht wordt vier opeenvolgende heffingsjaren vormen.

De betrokken heffingsplichtige moet een schriftelijke aanvraag tot herberekening van de vuilvracht van de componenten overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid indienen ten laatste op 1 april van het jaar volgend op het laatste betrokken heffingsjaar dat gebruikt wordt voor de herberekening.

3. Dit artikel is van toepassing op voorwaarde dat:

1 de vuilvracht van de componenten N1, N2, N3 of Nv waarvoor de heffingsplichtige niet beschikt over meet- en bemonsteringsresultaten, voor drie opeenvolgende heffingsjaren gebaseerd is op meet- en bemonsteringsgegevens die voldoen aan de vereisten bepaald in artikel 4.2.2.3.2., tweede lid en in artikel 4.2.2.3.3, eerste lid;

2 in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar de productieprocessen dezelfde zijn als deze in drie opeenvolgende jaren en het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar gelijkaardig is aan het waterverbruik Q, het geloosd jaarafvalwatervolume Qj en de geloosde vuilvracht N, gebruikt voor het vaststellen van de heffing voor drie opeenvolgende jaren;

3 in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen vaststellingen zijn gedaan m.b.t. het niet of onvoldoende functioneren van de aanwezige zuiveringsapparatuur;

4 in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar geen inbreuken werden vastgesteld inzake de lozing van afvalwater door middel van een proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag bedoeld in artikel 5.4.1.3., waaruit blijkt dat de heffingsplichtige handelt met opzet om de heffing geheel of gedeeltelijk te ontwijken;

5 uit de bij de aangifte gevoegde verantwoordingsstukken blijkt dat aan de voorwaarden bepaald onder 1 tot 4 is voldaan.

Indien bovenvermelde regeling toegepast wordt op n of meer van de componenten N1, N2, N3 of Nv, kan artikel 4.2.2.5.1 en 4.2.2.5.2.niet meer toegepast worden op n of meer van de overige componenten N1, N2, N3 of Nv, en dit zonder verhaal van de betrokken heffingsplichtige voor wat de keuze van de berekeningsmethode betreft.