Art. 4.2.2.3.7.

1.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar zorgt voor een sterke en blijvende daling van de vuilvracht veroorzaakt door het geloosde afvalwater, hetzij door investeringen in het productieproces of zuiveringstechnische werken, hetzij door het stopzetten van bepaalde verontreinigende activiteiten, en hiervan het bewijs kan leveren, kan voor de berekening van de heffing een evenredige opsplitsing bekomen op voorwaarde dat voor elke periode geldige meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van dit artikel, beschikbaar zijn. Deze regeling geldt niet voor seizoensgebonden activiteiten.

Indien voor de periode vr het realiseren van de bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht geen meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot het geloosde afvalwater, overeenkomstig de bepalingen van artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9, beschikbaar zijn, dan wordt voor deze periode de heffing berekend overeenkomstig artikel 4.2.2.5.1. en 4.2.2.5.2.

Ingeval meet- en bemonsteringsgegevens met betrekking tot de periode na de aanpassing of stopzetting ontbreken, wordt de heffing voor het volledige jaar berekend overeenkomstig de in artikel 4.2.2.3.1. bedoelde berekeningsmethode op basis van de gegevens van de periode vr de wijziging of stopzetting.

Indien in de loop van het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar overeenkomstig het eerste lid twee perioden worden onderscheiden, dan neemt de tweede periode slechts een aanvang op de eerste dag van de maand waarin de meting en bemonstering van het afvalwater overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4.2.2.3.1. tot 4.2.2.3.9 uitgevoerd werd en waaruit de in het eerste lid bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht blijkt.

2.Elke heffingsplichtige waterverontreiniging die acties onderneemt om te komen tot een in paragraaf 1 bedoelde sterke en blijvende daling van de vuilvracht, stelt de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij minstens 1 maand voorafgaand aan de wijziging schriftelijk op de hoogte van:
1 ofwel de ingebruikname van een nieuw productieproces;
2 ofwel de ingebruikname van een zuiveringstechnische installatie;
3 ofwel het stopzetten van de verontreinigende activiteit.