Art. 4.2.3.1.

1. Het bedrag van de heffing grondwater, vermeld in artikel 4.2.1.2.1. en 4.2.1.2.2., wordt vastgesteld als volgt :
H = Z * Q,
waarbij
1 voor de exploitatie van grondwaterwinningen bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
Z =7,5 eurocent per m * index;
Q =het volume grondwater (in m3) dat in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen en dat tot drinkbaar water voor de openbare drinkwatervoorziening verwerkt kan worden, ongeacht de wijze van winning of het gebruik. De hoeveelheid die voorafgaand aan de winning via kunstmatige infiltratie aan het grondwaterreservoir werd toegevoegd kan in mindering worden gebracht van de gewonnen hoeveelheid, op voorwaarde dat voor die activiteit de nodige vergunningen en toestemmingen zijn verleend en op voorwaarde dat het infiltratiewater minstens voldoet aan de milieukwaliteitsnormen voor grondwater;
2 voor de exploitatie van grondwaterwinningen niet bestemd voor de openbare drinkwatervoorziening:
a) indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid aangelegd in een freatische watervoerende laag aanleiding geeft tot een gewonnen hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar van 500 tot en met 30.000 m:
Z= 6 eurocent per m * index;
Q= Σ (Qgwp - 0.5 * Qb)
grondwaterputten
Met:
Qgwp = gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m) ;
Qb = gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m3) bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;
Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb;
b) indien de exploitatie voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid aanleiding geeft tot een gewonnen hoeveelheid grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar van meer dan 30.000 m3 of tot een gewonnen volume grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar uit een afgesloten watervoerende laag:
Z =een lineaire tarieffunctie (in eurocent per m) die voor het geheel van de grondwaterwinningeenheid van toepassing is en als volgt bepaald wordt:
(6,2 + 0.75 * Σ (Qgwp - 0.5 * Qb) / 100.000) * index
grondwaterputten
Met:
Qgwp = gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m) ;
Qb = gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m) onttrokken uit een freatische watervoerende laag bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;
Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb;
Q= Σ (λ * Qgwp - λ * 0,5 * Qb )
grondwaterputten
Met
λ= een grondwaterputspecifieke multiplicator zijnde het product van twee termen: laagfactor en gebiedsfactor. Daarbij nemen de laagfactor en gebiedsfactor de waarde aan die is aangegeven in de bijlage 6;
Qgwp = gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m) ;
Qb = gemeten gewonnen volume grondwater per grondwaterput (in m) onttrokken uit een freatische watervoerende laag bestemd voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit, waarbij Qb niet groter kan zijn dan Qgwp;
Indien Qgwp of Qb niet gemeten is, wordt Qb gelijkgesteld aan nul. Dit geldt ook indien er vaststellingen werden gedaan met betrekking tot niet correct meten of registreren van Qgwp of Qb.

De index is de verhouding van twee indexcijfers van de consumptieprijzen met in de teller het indexcijfer van de maand november van het jaar dat voorafgaat aan het heffingsjaar en in de noemer het indexcijfer van de maand november 2001, basis 1988, namelijk 134,75.

De indexering gebeurt elk jaar ambtshalve op 1 januari. Het aangepast bedrag wordt afgerond op de hogere eurocent.

2. De hoeveelheid grondwater die in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar werd gewonnen wordt als volgt bepaald:
1 op basis van een continue debietmeting met registratie volgens de door de Regering vastgestelde regels;
2 als de opgenomen hoeveelheid grondwater niet gemeten is aan de hand van een continue debietmeting als vermeld in punt 1 wordt onweerlegbaar vermoed dat deze hoeveelheid gelijk is aan:
a)
als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund:
1) als in de vergunning een hoeveelheid op jaarbasis is vermeld: deze hoeveelheid;
2) als in de vergunning alleen een hoeveelheid op dagbasis is vermeldd
i. deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met het rele aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik is geweest in geval van seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur;
ii. deze hoeveelheid op dagbasis vermenigvuldigd met 225 in de andere gevallen;
b)
als de grondwaterwinning op het ogenblik waarop het grondwater in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar wordt gewonnen niet met toepassing van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer of conform de bepalingen van het VLAREM of van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning is vergund of als er in de vergunning geen toegelaten hoeveelheid is vermeld: de som van de maximale nominale capaciteit van de pompen, uitgedrukt in m per uur en vermenigvuldigd met T. Daarbij is:
1) voor seizoensgebonden irrigatie in open lucht voor land- en tuinbouw in hoofdactiviteit: T = 200;
2) voor andere seizoensgebonden activiteiten of activiteiten van beperkte duur: T = 10 x het rele aantal dagen dat de grondwaterwinning in gebruik geweest is;
3) in de overige gevallen: T = 2.000;
3 als de debietmeting met registratie geen betrekking heeft op het volledige jaar voorafgaand aan het heffingsjaar:
a) voor de periode dat de opgenomen hoeveelheid grondwater werd gemeten: op basis van de tellerstanden van deze periode;
b) voor de periode waarvoor geen tellerstanden beschikbaar zijn wordt de overeenstemmende hoeveelheid grondwater vastgesteld volgens de bepalingen van punt 2 en op dagbasis berekend.

Bij toepassing van de punten 2 en 3 uit het eerste lid behouden de daartoe bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij bedoeld in artikel 5.4.2.1. de mogelijkheid over te gaan tot het opleggen van een boete bedoeld in artikel 5.4.2.2.

In geval van het resetten van het debietmeetsysteem met registratie, vermeld in deze paragraaf, in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar worden de tellerstanden voor dat jaar voor de berekening van de heffing uitgesloten.