Art. 4.2.4.8.

1. In zoverre dit hoofdstuk en hoofdstuk III van titel V en de besluiten genomen ter uitvoering ervan er niet van afwijken, zijn de regels betreffende de vestiging, de invordering, de geschillen, de subsidiaire aanslag, de verwijl- en moratoire intresten, de vervolgingen, de voorrechten, de wettelijke hypotheek en de verjaring inzake rijksinkomstenbelastingen, mutatis mutandis van toepassing op de in dit hoofdstuk bedoelde heffingen, en de in hoofdstuk III van titel V bedoelde geldboeten en heffingsverhogingen.

2. Een bezwaarschrift indienen of een vordering in rechte instellen, verhindert niet dat de aanslag en de eventueel volgens hoofdstuk III van titel V verschuldigde geldboete of heffingsverhoging worden ingevorderd als ze als een zekere en vaststaande schuld kunnen worden beschouwd onder de voorwaarden vermeld in artikel 410 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992.

Onverminderd de toepassing van artikel 414, 2, van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 schort de indiening van een bezwaarschrift evenmin het lopen van de nalatigheidsintresten op.

3. De wettelijke hypotheek kan gevestigd worden op al de in het Vlaamse Gewest gelegen en daarvoor vatbare goederen die toebehoren aan de persoon op wiens naam de aanslag is ingekohierd.

De wettelijke hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of de door hem gedelegeerde ambtenaar.