Afdeling I.
Berekening van de bijdrage en vergoeding voor kleinverbruikers


Onderafdeling I.
Aanrekenen van een bijdrage voor het water dat geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk


Art. 4.3.1.1.1.

1. In deze onderafdeling wordt verstaan onder abonnee: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., 1 en 3.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk kunnen een bijdrage in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting aanrekenen aan hun abonnees.

2. De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak worden als onderdeel van de integrale prijs voor het leveren van water via het openbare waterdistributienetwerk opgenomen in de waterfactuur.

De bijdragen in de kostprijs van de opgelegde saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak bestaan uit een vastrecht en een variabele prijs.

De bijdrage voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.

De bijdrage voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.


Art. 4.3.1.1.2.

1. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk bepaalt onder toezicht van de economische toezichthouder het tarief voor de berekening van de variabele prijs op basis van de kosten die hij moet dragen om zijn saneringsverplichting op gemeentelijk en bovengemeentelijk vlak na te komen.

Het tarief is een prijs per vervuilingseenheid. Bij het bepalen van het bovengemeentelijke en gemeentelijke tarief wordt minstens rekening gehouden met de volgende elementen:

  1. de vervuiling die de abonnee veroorzaakt, conform het “de vervuiler betaalt”- beginsel;
  2. de collectieve respectievelijk individuele saneringskosten per m water;
  3. een aandeel van de niet-inbare bijdragen;
  4. een aandeel voor de opgelegde vrijstellingen of sociale correcties en de openbare dienstverplichtingen;
  5. de door de gemeente of het Vlaamse Gewest toegekende tegemoetkoming in de financiering;
  6. het aandeel van de kosten, veroorzaakt door het lozen van water dat niet afkomstig is van een openbaar waterdistributienetwerk;
  7. het aandeel van de inkomsten van het vastrecht voor de gemeentelijke of de bovengemeentelijke bijdrage.

2. In het kader van het algemeen belang kan door het Vlaamse Gewest aan de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk een tussenkomst in de financiering van de bovengemeentelijke collectieve sanering toegekend worden in de vorm van een algemene werkingstoelage. De uitgekeerde werkingstoelage moet worden aangewend voor de invulling van de bovengemeentelijke saneringsverplichting. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de toekenning en de uitbetaling van de algemene werkingstoelage aan de exploitanten.

3. De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, onder toezicht van de economische toezichthouder, of de economische toezichthouder kan om economische, ecologische en sociale redenen beperkingen opleggen aan de bijdrage die aan de abonnees wordt aangerekend.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen en regels vaststellen met betrekking tot de methode voor tariefbepaling en de tariefstructuur van de variabele prijs.

De exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk stellen op eenvoudig verzoek van de economische toezichthouder kosteloos alle gegevens en inlichtingen ter beschikking die de economische toezichthouder nodig heeft om zijn taken uit te voeren.

De Vlaamse Regering kan de voorwaarden bepalen waaronder de informatie, vermeld in het derde lid, ter beschikking wordt gesteld.


Art. 4.3.1.1.3.

1. Jaarlijks wordt een vastrecht aangerekend aan de abonnee.

Het bovengemeentelijke tarief van het vastrecht bedraagt 20 euro per wooneenheid, verminderd met 4 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

Het gemeentelijke tarief van het vastrecht voor de collectieve sanering bedraagt 30 euro per wooneenheid, verminderd met 6 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

Het gemeentelijke tarief van het vastrecht voor de individuele sanering bedraagt 50 euro per wooneenheid, verminderd met 10 euro per gedomicilieerde. Het vastrecht kan niet negatief worden.

In geval de watermeter water meet dat niet geleverd wordt ten behoeve van n of meerdere wooneenheden kan het vastrecht daarnaast per watermeter aangerekend worden.

Het bovengemeentelijk tarief van het vastrecht bedraagt 20 euro per watermeter. Het gemeentelijk tarief van het vastrecht bedraagt 30 euro per watermeter.


Art. 4.3.1.1.4.

1. De variabele prijs wordt berekend op de volgende wijze:

B = Tkv N en N = 0,025 Q,

waarbij:

1 B = de variabele prijs, aangerekend aan de abonnee;

2 Tkv = het tarief om de variabele prijs te berekenen, uitgedrukt in euro per vervuilingseenheid;

3 N = de vervuiling;

4 Q = het te factureren waterverbruik, uitgedrukt in m.

Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed geen wooneenheden heeft, past de exploitant een vlakke tariefstructuur toe om de variabele prijs te bepalen. Voor klanten waarvan het betreffende onroerend goed n of meerdere wooneenheden heeft, past de exploitant een progressieve tariefstructuur met twee schijven om de variabele prijs te bepalen. De schijfgrens ligt op een verbruik van 30 m per wooneenheid per jaar, vermeerderd met 30 m per gedomicilieerde per wooneenheid per jaar. Van deze indeling kan afgeweken worden.

De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen. Criteria die meegenomen moeten worden in deze nadere regels zijn het stimuleren van duurzaam watergebruik bij de abonnee en een eenduidige en transparante aanrekening door de exploitant.

2. Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de collectieve sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 1,4 keer hoger zijn.

Het gemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs voor de individuele sanering mag ten opzichte van het bovengemeentelijke tarief voor de berekening van de variabele prijs maximaal 2,4 keer hoger zijn.

De Vlaamse Regering kan hiertoe de verdere modaliteiten bepalen.

De economische toezichthouder legt de verdere voorwaarden met betrekking tot de aanrekening van de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage vast in een protocol met de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk. Deze voorwaarden hebben onder andere betrekking op een uniforme omzetting van de aanrekeningregels in Vlaanderen, de data-uitwisseling tussen de exploitant en de Vlaamse Milieumaatschappij en de toe te passen afrondingsregels.


Art. 4.3.1.1.5.

De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, 3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel art. 2.6.1.3.3.


Onderafdeling II.
Aanrekenen van een vergoeding voor water dat niet geleverd wordt door de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk


Art. 4.3.1.2.1.

1. In dit artikel wordt verstaan onder gebruiker van een private waterwinning: onder voorbehoud van de toepassing van artikel 4.2.2.2.2 en 4.2.2.2.3. een klant is een heffingsplichtige als vermeld in artikel 4.2.2.2.1., 1 en 3.

De exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk kan een vergoeding aanrekenen aan de gebruiker van een private waterwinning als bijdrage in de kosten voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning.

De vergoedingen in de kostprijs voor de sanering van het afvalwater dat afkomstig is uit de private waterwinning, bestaan op gemeentelijk vlak uit een vastrecht en een variabele prijs. Het vastrecht van de vergoeding mag niet aangerekend worden voor de gebruiker van een private waterwinning die ook abonnee is.

De vergoeding voor de sanering op gemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de gemeentelijke saneringsverplichting.

De vergoeding voor de sanering op bovengemeentelijk vlak is bestemd voor de financiering van de bovengemeentelijke saneringsverplichting.

De bepalingen van artikel 4.3.1.1.2, 3 en 4, artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4 zijn van overeenkomstige toepassing op de vergoeding, vermeld in het tweede lid.

2. Als een vergoeding als vermeld in paragraaf 1, wordt aangerekend voor de bovengemeentelijke sanering, wordt het bedrag ervan bepaald conform artikel 4.3.1.1.3 en artikel 4.3.1.1.4, met dien verstande dat Q in dat geval gelijk is aan het aantal m water, opgenomen via de private waterwinning. Het water, opgenomen via de private waterwinning, wordt bepaald conform artikel 4.2.2.2.1, 2 en 3.

3. De gemeentelijke tarieven voor de berekening van de variabele prijs en de economische, ecologische en sociale beperkingen, vermeld in artikel 4.3.1.1.2, 3, maken deel uit van de overeenkomsten, vermeld in artikel 2.6.1.3.3.

4. Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de bovengemeentelijke saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren dat:

1 is aangesloten op een operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie;
2 wordt aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis van het zoneringsplan, vermeld in artikel 10.2.3, 1, tweede lid, 20, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, geldig op 1 januari van het jaar in kwestie.

Wooninrichtingen worden onweerlegbaar vermoed te zijn aangesloten op de gemeentelijke collectieve saneringsinfrastructuur als ze gelegen zijn in een zone van vijftig meter rond het stelsel van de openbare riolering en collectoren.

Voor inrichtingen die onder de toepassing van artikel 4.2.2.2.1 vallen en die uitsluitend beschikken over een vergunning voor het lozen van huishoudelijk afvalwater, is onderhavige paragraaf ook van toepassing.