Art. 4.3.3.4.

§ 1. De abonnee, respectievelijk de gebruiker van een private waterwinning, vermeld in artikel 4.2.2.2.1, die al het huishoudelijke afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd in een individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater, hetzij in eigen beheer of gemeenschappelijk beheer, hetzij gebouwd of geëxploiteerd door de gemeente, het gemeentebedrijf, de intercommunale of het intergemeentelijk samenwerkingsverband, de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk of een entiteit die de gemeente na publieke marktbevraging heeft aangesteld als vermeld in artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, en die aan de voorwaarden, vermeld in het derde lid, voldoet, wordt door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk vrijgesteld van betaling van de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1 en 4.3.1.2.1 van dit decreet.

§ 2. Elke verbruiker die al het huishoudelijke afvalwater dat afkomstig is van zijn woongelegenheid, heeft gezuiverd op de wijze, vermeld in paragraaf 1, en die de vrijstelling, vermeld in het eerste lid, niet kan krijgen, heeft recht op een compensatie in zijn aandeel in de bovengemeentelijke bijdrage of vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, 4.3.1.2.1 en 4.3.2.1, volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.3.3, en die berekend wordt met de formule C = A + M x 0,75 x Tkvc, waarbij:
1° C: de compensatie;
2° A: het vastrecht, vermeld in artikel 4.3.1.1.3 als dat van toepassing is;
3° M: het aantal gedomicilieerden van het gezin van de compensatiegerechtigde op 1 januari van het kalenderjaar op het domicilieadres van de compensatiegerechtigde;
4° Tkvc:
a) voor de klanten, vermeld in afdeling 1: het tarief Tkv, vermeld in artikel 4.3.1.1.4;
b) voor de klanten, vermeld in afdeling 2: het tarief Tgv, vermeld in artikel 4.3.2.2, verhoogd met het tarief Tgvg, vermeld in artikel 4.3.2.3.

De individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater moeten aan al de volgende voorwaarden voldoen:
1° als het gaat om een hinderlijk ingedeelde inrichting conform bijlage 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gemeld of vergund zijn conform de voorschriften, vermeld in titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
2° gebouwd zijn en geëxploiteerd worden volgens een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.

De vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, kan ook worden toegekend aan de abonnee of de gebruiker van een private waterwinning van wie de woongelegenheid met een gecertificeerde individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is uitgerust en onderhouden wordt volgens de door de Vlaamse Regering vastgestelde regels.

De vrijstelling, respectievelijk de compensatie, geldt niet voor individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater die zijn aangelegd nadat de woongelegenheid al aangesloten kon worden op een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

De vrijstelling geldt maximaal vijf jaar nadat de woning aansluitbaar is op de riolering.

Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk, of de gemeente of een gemeentelijke rioolbeheerder, instaat voor de bouw of exploitatie van de individuele behandelingsinstallaties voor afvalwater, kent de exploitant automatisch de vrijstelling, vermeld in paragraaf 1, of de compensatie, vermeld in het eerste lid, toe als de installatie voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het tweede lid.

§ 3. In alle overige gevallen dient de vrijstellingsgerechtigde respectievelijk de compensatiegerechtigde die de vrijstelling, respectievelijk de compensatie, vermeld in dit artikel wil krijgen, op straffe van verval van het recht op die vrijstelling of die compensatie, binnen twaalf maanden na de aanrekening van de bovengemeentelijke bijdrage of de vergoeding door de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk een schriftelijke aanvraag in bij het college van burgemeester en schepenen van het ambtsgebied waar de installatie ligt.

Als het gaat om een inrichting of activiteit als vermeld op de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt bij de aanvraag, vermeld in het achtste lid, een afschrift gevoegd van de melding of de lopende vergunning voor de exploitatie van de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater. De burgemeester onderzoekt de aanvraag en reikt een attest uit als de individuele behandelingsinstallatie voor afvalwater is gebouwd en wordt geëxploiteerd volgens een code van goede praktijk, overeenkomstig de voorschriften van titel II van het VLAREM. Binnen drie maanden vanaf de dag na de ontvangst van de aanvraag bezorgt de burgemeester de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk van zijn ambtsgebied de aanvraag en het attest of de beslissing waarbij de aflevering van een attest wordt geweigerd. Hij zendt een kopie van de aanvraag en het attest of van de beslissing waarbij het attest wordt geweigerd aan de vrijstellingsgerechtigde of de compensatiegerechtigde.

Als de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk niet bevoegd is voor de beslissing over die aanvraag, worden de stukken onmiddellijk doorgestuurd naar de Vlaamse Milieumaatschappij.

Het attest, vermeld in het tweede lid, heeft in ieder geval een maximale geldigheidsduur van vijf jaar vanaf 1 januari van het jaar waarvoor de burgemeester het attest heeft uitgereikt, tenzij de exploitant van het openbare waterdistributienetwerk beschikt over gegevens waaruit blijkt dat de waterzuiveringsinstallatie tijdens die periode niet wordt uitgebaat conform een code van goede praktijk, conform de voorschriften, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, of substantieel is gewijzigd.

De vrijstelling en de compensatie worden pro rata temporis toegekend op het verbruik vanaf de datum van ingebruikname van de waterzuiveringsinstallatie.

De vrijstelling en de compensatie zijn niet cumuleerbaar met het sociale tarief en de compensatie, vermeld in de artikelen 4.3.3.1 tot en met 4.3.3.3..

§4. Met betrekking tot de gemeentelijke en bovengemeentelijke bijdrage en de vergoeding, vermeld in artikel 4.3.1.1.1, artikel 4.3.1.2.1, artikel 4.3.2.1 en artikel 4.3.2.2, kan de Vlaamse Regering een correctie bepalen, waarmee de exploitant van een openbaar waterdistributienetwerk rekening moet houden om economische of ecologische redenen.

Die correctie kan gaan van een vermindering tot een vrijstelling van de bijdrage van de abonnee of de vergoeding van de gebruiker van de private waterwinning. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor die correcties.

Tot de Vlaamse Regering gebruikmaakt van de bevoegdheden zoals vermeld in het eerste en het tweede lid worden voor het vaststellen van die correcties, de correcties overgenomen zoals vermeld in artikel 4.2.1.1.2 tot en met artikel 4.2.1.1.5, artikel 4.2.2.1.4 tot en met artikel 4.2.2.1.8, artikel 4.2.2.3.5 tot en met artikel 4.2.2.3.7 en artikel 4.2.2.4.1 tot en met artikel 4.2.2.4.3, met dien verstande dat de woorden "de heffing", "het heffingsbiljet", "het heffingsjaar" en "de heffingsplichtige" vervangen worden door respectievelijk de woorden "de bijdrage of vergoeding", "de waterfactuur", "het facturatiejaar", "de abonnee of gebruiker van een private waterwinning".