Art. 5.2.1.1.

1. Onverminderd de bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, houden de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren toezicht op de toepassing van titel II, hoofdstukken 2 tot 5 en de uitvoeringsbesluiten.

2. De in paragraaf 1 bedoelde toezichthoudende ambtenaren kunnen bij de uitoefening van hun ambt:
1
elk onderzoek instellen, elke controle uitoefenen en alle inlichtingen inwinnen die nodig zijn voor de uitoefening van het toezicht;
2
alle personen ondervragen over feiten die voor de uitoefening van het toezicht relevant zijn;
3
de bijstand van de federale politie vorderen;
4
De toezichthoudende ambtenaren hebben voor de uitoefening van hun ambt, te allen tijde, zonder voorafgaande verwittiging, toegang tot de inrichtingen.

De toezichthoudende ambtenaren dienen zich steeds te legitimeren.

3. Binnen de bevoegdheden die hun overeenkomstig paragraaf 1 zijn toegewezen, kunnen de toezichthoudende ambtenaren mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen geven. Ze kunnen ook de termijn vastleggen waarbinnen de voorschriften moeten worden nagekomen.

Wanneer de toezichthoudende ambtenaren mondelinge raadgevingen, aanmaningen of bevelen hebben gegeven, dan dienen die binnen vijf werkdagen, bij ter post aangetekende brief, door hen te worden bevestigd.

4. Zij stellen de inbreuken vermeld in paragraaf 1 vast door middel van processen-verbaal die bewijswaarde hebben tot het tegendeel bewezen is en die onmiddellijk worden bezorgd aan de procureur des Konings.

Een afschrift van het proces-verbaal wordt bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de overtreder binnen vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding.