Hoofdstuk IV.
Toezicht en handhaving met betrekking tot de financiėle instrumenten ter regulering en financiering van het integraal waterbeleid


Afdeling 1.
Toezicht


Art. 5.4.1.1.

Voor hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan geldt het volgende:
1° onverminderd de bevoegdheden van andere toezichthoudende ambtenaren die zijn aangewezen krachtens andere regelgeving, oefenen de ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor de controle of het onderzoek, vermeld in artikel 5.4.1.2. van deze wet, voor de toepassing van de heffing, hun toezichtsopdrachten uit volgens de regels, vermeld in dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° de bepalingen van titel XVI, hoofdstuk IV, afdeling IV, en hoofdstuk VI, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid zijn niet van toepassing op de overtredingen van hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan. Die overtredingen worden bestraft conform artikel 5.4.2.1 tot 5.4.2.2.


Art. 5.4.1.2.

§1. De ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing, zijn voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

De Vlaamse Milieumaatschappij is eveneens bevoegd voor de controle op de bepalingen opgenomen in artikel 4.2.3.2 betreffende de debietsmeting en registratie. De daartoe bevoegde ambtenaren worden voorzien van een legitimatiebewijs getekend door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij.

§2. Ze zijn van rechtswege gemachtigd om zowel bij de heffingsplichtige als bij derden:
1° alle inlichtingen in te winnen, op te zoeken en in te zamelen die kunnen leiden tot de juiste heffing ten laste van de heffingsplichtige; de heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde inlichtingen beschikt, is verplicht deze inlichtingen te verstrekken op ieder verzoek van deze ambtenaren;
2° alle boeken, stukken en registers op te vragen die kunnen leiden tot de juiste heffing van de heffingsplichtige; de heffingsplichtige alsmede elke derde die over de gevraagde boeken, stukken of registers beschikt is verplicht deze voor te leggen op ieder verzoek van deze ambtenaren.

De ambtenaren kunnen de boeken, stukken en registers vermeld in het eerste lid meenemen tegen afgifte van een ontvangstbewijs.

Heffingsplichtigen zijn gehouden om aan de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1 tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te verlenen tot hun bedrijfslokalen, zoals fabrieken, werkhuizen en magazijnen, bergplaatsen, garages en grondwaterwinningen alsmede de als fabriek, werkplaats of opslagplaats gebruikte terreinen en ruimtes, om aan die ambtenaren de mogelijkheid te verschaffen inlichtingen en bescheiden te verzamelen en vaststellingen te doen die kunnen leiden tot een juiste heffing.

§3. Elke inlichting, elk stuk, proces-verbaal of akte, ontdekt of verkregen door de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaar in het uitoefenen van zijn functie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een bestuursdienst van de Staat, met inbegrip van de parketten en griffies van de hoven en rechtbanken, de administraties van de Gemeenschappen en Gewesten, de provincies en de gemeenten, alsmede de organismen en de openbare instellingen, kan door het Vlaamse Gewest worden ingeroepen voor het opsporen van elke ingevolge hoofdstuk II van titel IV verschuldigde heffing.

§ 4. De aangiften die de heffingsplichtigen hebben ingediend, vermeld in artikel 4.2.4.1, en de documenten en bewijsstukken die daarbij worden gevoegd, die de ambtenaren, bevoegd voor de vestiging van de heffingen, fotografisch, optisch, elektronisch of met een andere informatica- of telegeleidingstechniek registreren, bewaren of weergeven, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, hebben bewijskracht voor de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk II van titel IV en de uitvoeringsbesluiten ervan.

§ 5. Onverminderd de toepassing van paragraaf 4 hebben de gegevens en de documenten die de ambtenaren, bevoegd voor de vestiging, inning of invordering van de heffingen, hebben ontvangen, opgesteld of verzonden in het kader van de toepassing van hoofdstuk II van titel IV, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en die ze fotografisch, optisch, elektronisch of met een andere informatica- of telegeleidingstechniek registreren, bewaren of weergeven, alsook de weergave ervan op een leesbare drager, bewijskracht.


Art. 5.4.1.3.

Overtredingen van de bepalingen van hoofdstuk II van titel IV of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de heffing, heffingsverhoging of van een administratieve boete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de ambtenaren van de Maatschappij bewezen worden volgens alle gemeenrechtelijk toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

De vaststellingsverslagen opgesteld door de ambtenaren van de Maatschappij leveren het bewijs op van de gedane vaststellingen zolang het tegendeel niet is bewezen.


Afdeling 2.
Sancties


Art. 5.4.2.1.

§1. Bij niet-aangifte of bij niet tijdige aangifte, of in geval van onvolledige of onjuiste aangifte, bedoeld in artikel 4.2.4.1., wordt de heffing vermeerderd met een heffingsverhoging.

Deze heffingsverhoging wordt procentueel berekend op het verschil tussen de heffing zoals berekend op basis van de elementen van de aangifte en de door de Vlaamse Milieumaatschappij of rechtbank aangehouden heffing.

Bij ontstentenis van aangifte wordt de heffingsverhoging procentueel berekend op de door de Vlaamse Milieumaatschappij of rechtbank aangehouden heffing.

De ambtenaren die bevoegd zijn voor heffingsverhogingen worden aangewezen door het afdelingshoofd van de afdeling van de Maatschappij die bevoegd is voor de heffingen of, voor wat de heffingen grondwater betreft, de door hem gedelegeerde ambtenaar.

§2. Het percentage van de heffingsverhoging bij niet-aangifte of bij niet tijdige aangifte, bedoeld in paragraaf 1, wordt als volgt vastgelegd:
1° als de niet-aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de aangifte niet binnen de termijn wordt ingediend, maar de heffingsplichtige wel tijdig antwoordt op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 10 %;
3° als de heffingsplichtige niet of niet tijdig antwoordt op het bericht van ambtshalve heffing: verhoging van 50 %;
4° als de heffingsplichtige die niet valt onder de toepassing van artikel 4.2.4.1. ambtshalve wordt belast overeenkomstig artikel 4.2.2.2.3., geen verhoging.

§3. Het percentage van de heffingsverhoging bij onvolledige of onjuiste aangifte, vermeld in paragraaf 1, wordt als volgt bepaald:
1° als de onvolledige of onjuiste aangifte te wijten is aan omstandigheden onafhankelijk van de wil van de heffingsplichtige: geen verhoging;
2° als de heffingsplichtige tijdig reageert op het bericht van rechtzetting: verhoging van 10 % op het gedeelte bepaald in paragraaf 1;
3° als de heffingsplichtige niet of niet tijdig reageert op het bericht van rechtzetting: verhoging van 50 % op het gedeelte bepaald in paragraaf 1;
4° als uit de reactie van de heffingsplichtige blijkt dat de in de aangifte of melding opgegeven gegevens juist zijn: geen verhoging.


Art. 5.4.2.2.

De ambtenaren van de Maatschappij, bedoeld in artikel 5.4.1.2.,§1, kunnen een geldboete van 50 tot 1250 euro opleggen voor elke overtreding van hoofdstuk II van titel IV evenals van de ter uitvoering ervan genomen besluiten.