HOOFDSTUK V.
HANDHAVING


Art. 13.

...


Art. 13/1. 1. De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van die straffen alleen:
1 het niet naleven door de eigenaar en de gebruiker van het actief behoudsbeginsel, vermeld in artikel 8, 1;
2 het niet naleven van het passief behoudsbeginsel, vermeld in artikel 8/1;
3 het niet naleven van de toelatingsplicht, vermeld in artikel 8, 5;
4 het in stand houden van schade aan erfgoedwaarden, veroorzaakt door de misdrijven, vermeld in punt 1 tot en met 3 ;
5 het toestaan of aanvaarden door de eigenaar dat een van de misdrijven, vermeld in punt 1 tot en met 4, wordt gepleegd of in stand gehouden.

2. De misdrijven, vermeld in paragraaf 1, kunnen bestraft worden met een alternatieve bestuurlijke geldboete volgens de bepalingen van hoofdstuk 11, afdeling 2, onderafdeling 4, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Die alternatieve geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan het misdrijf en bedraagt maximaal 50.000 euro.

Een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. Het bedrag van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het misdrijf en eventuele verkregen vermogensvoordelen.

Art. 13/2. Het niet naleven van de kennisgevings- en meldingsplichten, vermeld in artikel 4, 3, artikel 5, 2 en 3, en artikel 8, 1 en 4, van dit decreet, kan worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete volgens de bepalingen van hoofdstuk 11, afdeling 2, onderafdeling 3, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. Die exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk en bedraagt maximaal 10.000 euro.

Een exclusieve bestuurlijke geldboete wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. Het bedrag van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het misdrijf en eventuele verkregen vermogensvoordelen.

Art. 13/3. 1. De bepalingen van hoofdstuk 11, afdeling 3 tot 7, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 zijn van toepassing op de misdrijven en inbreuken, vermeld in artikel 13/1 en 13/2 van dit decreet. De personen, bedoeld in deze afdelingen, nemen op gelijke wijze hun bevoegdheden waar voor de toepassing van dit decreet, met dien verstande dat de inspecteur Onroerend Erfgoed en de door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 11.3.3, eerste lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, in het kader van dit decreet optreden namens de Vlaamse Gemeenschap.

In afwijking van het eerste lid, zijn artikel 11.4.3, 3, artikel 11.4.4, 2 en 3, tweede lid, artikel 11.5.7, 8 en 9, artikel 11.5.9, 2, artikel 11.5.11, 2, en artikel 11.6.2, derde lid, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 niet van toepassing, en wordt de territoriale bevoegdheid van de aangewezen rechtbanken bepaald volgens het Gerechtelijk Wetboek.

2. Voor de toepassing van dit decreet:
1 kan het feitelijk herstel in een oorspronkelijke, goede staat, vermeld in artikel 11.4.1 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013, het terugbrengen van voorlopig of definitief beschermd varend erfgoed binnen de Vlaamse Gemeenschap omvatten;
2 wordt onder erfgoedwaarden verstaan de historische, wetenschappelijke, industrieel-archeologische, esthetische of andere sociaal-culturele waarde, bedoeld in artikel 2, 1, van dit decreet.