Onroerenderfgoeddecreet
12 JULI 2013. - Decreet betreffende het onroerend erfgoed

HOOFDSTUK 1.
Inleidende bepalingen


Art. 1.1. Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid.

Art. 1.2. Dit decreet wordt aangehaald als : het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

HOOFDSTUK 2.
Definities


Art. 2.1. In dit decreet wordt verstaan onder :
administratieve overheid : de federale overheidsbedrijven, het Vlaamse Gewest, de openbare instellingen die ervan afhangen, de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut en de andere besturen die onderworpen zijn aan het administratief toezicht van het Vlaamse Gewest;
agentschap : de entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de beleidsvoorbereiding, de beleidsuitvoering, de beleidsmonitoring en de beleidsevaluatie inzake onroerend erfgoed;
algemene landschapszorg : het stimuleren van het behoud, het herstel en de ontwikkeling van cultuurhistorische, fysisch-geografische en esthetische landschapswaarden en van typische landschapskenmerken waaronder kleine landschapselementen;
archeologie : het bestuderen van overblijfselen en voorwerpen of een ander spoor van menselijk bestaan in het verleden, alsook de bestaansomgeving van de mens, waarvan het behoud en de bestudering bijdragen tot het reconstrueren van de bestaansgeschiedenis van de mensheid en haar relatie tot de natuurlijke omgeving en ten aanzien waarvan opgravingen, ontdekkingen en andere methoden van onderzoek betreffende de mensheid en haar omgeving betekenisvolle bronnen van informatie zijn;
archeologisch artefact : een roerend goed dat van algemeen belang is wegens de archeologische erfgoedwaarde;
archeologisch ensemble : het geheel van archeologische artefacten en onderzoeksdocumenten afkomstig van een archeologisch onderzoek;
archeologisch onderzoek : het gebruik van technieken en methoden waarmee archeologische sites, archeologische zones of delen ervan worden opgespoord en onderzocht met inbegrip van archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen;
archeologisch vooronderzoek : het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord en gewaardeerd zonder de erfgoedwaarden in situ wezenlijk aan te tasten, te onderscheiden in archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem met mogelijks enig effect op de erfgoedwaarden in situ zoals de aanleg van proefsleuven, proefputten, vlakken of andere intrusieve methoden met grondverzet en archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem zonder aanwending van grondwerkzaamheden of activiteiten die enig effect hebben op de erfgoedwaarden in situ. Voorbeelden van archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem zijn veldprospectie, luchtfotografische prospectie, geofysische prospectie en archivalisch onderzoek;
archeologische opgraving : het gebruik van wetenschappelijke methoden en technieken waarmee doelbewust de ondergrondse, aan de oppervlakte of onder water aanwezige archeologische artefacten en archeologische sites worden opgespoord, vrijgelegd en door opgraving worden onderzocht en waarbij de archeologische artefacten en onderzoeksdocumenten archeologische ensembles vormen;
10° archeologische site : een onroerend goed dat ondergronds, aan de oppervlakte of onder water aanwezig is, met inbegrip van de archeologische artefacten die er integrerend deel van uitmaken, van algemeen belang wegens de archeologische erfgoedwaarde;
11° archeologische zone : zone waar op basis van waarnemingen en wetenschappelijke argumenten onderbouwd kan worden dat ze met hoge waarschijnlijkheid archeologische waarde heeft;
12° archeoloog : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die archeologisch vooronderzoek of archeologische opgravingen uitvoert;
13° beheer : het geheel van maatregelen, werkzaamheden en handelingen die erop gericht zijn de erfgoedwaarden van een onroerend goed in stand te houden of te herstellen;
14° beschermd cultuurhistorisch landschap : een cultuurhistorisch landschap dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;
15° beschermd goed : een beschermde archeologische site, een beschermd monument, een beschermd cultuurhistorisch landschap of een beschermd stads- of dorpsgezicht;
16° beschermd monument : een monument dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;
17° beschermd stads- of dorpsgezicht : een stads- of dorpsgezicht dat voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;
18° beschermde archeologische site : een archeologische site die voorlopig of definitief beschermd is overeenkomstig hoofdstuk 6;
19° bestuursdwang : het handelen vanwege de inspecteur Onroerend Erfgoed tegen wat in strijd is met de bij of krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan gestelde verplichtingen;
20° beveiligde zending : een van de volgende betekeningswijzen :
a) een aangetekende brief;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze, waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
21° code van goede praktijk : geschreven en publiek toegankelijke regels met betrekking tot de uitvoering van en de rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en met betrekking tot het gebruik van detectoren en de bij de betrokken beroepscategorieën algemeen aanvaarde regels van goed vakmanschap;
21° /1 cultuurgoederen: roerende goederen die omwille van hun erfgoedwaarde van algemeen belang zijn, waarvan het samen voorkomen met het gebouw een bijzondere waarde heeft en die ofwel ontworpen zijn voor of vervaardigd met het beschermd goed ofwel gerelateerd zijn aan de functie van het beschermd goed en waarvoor historische verbondenheid met het beschermd goed aangetoond kan worden. Voor beschermde onroerende goederen in eigendom van privépersonen of -rechtspersonen moeten de cultuurgoederen opgenomen zijn in een beschermingsbesluit of een goedgekeurd beheersplan, of er moet voorheen voor het beheer ervan een premie verleend zijn, opdat ze als cultuurgoederen beschouwd kunnen worden;
22° cultuurhistorisch landschap : een begrensde grondoppervlakte met een geringe dichtheid van bebouwing en een onderlinge samenhang waarvan de verschijningsvorm en de samenhang het resultaat zijn van natuurlijke processen en van maatschappelijke ontwikkelingen van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde;
22° /1 datum van kennisgeving: tenzij een kennisgeving is gedaan met een beveiligde zending, worden ten aanzien van de geadresseerde de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving berekend:
a) als de kennisgeving is gedaan met een gewone brief: vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
b) als de kennisgeving is gebeurd per e-mail: vanaf de datum van de verzending, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst;
23° erfgoedelementen : de structurele en visuele componenten die de eigenheid van het onroerend erfgoed bepalen en die de waarden vormen die aan de grondslag liggen van een bescherming;
24° erfgoedkenmerk : typologie, stijl, cultuur, datering, materiaal, biologische soort, thema of ander kenmerk;
25° erfgoedlandschap : een gebied dat wegens de erfgoedwaarde overeenkomstig de geldende regelgeving opgenomen is in een ruimtelijk uitvoeringsplan op basis van een onroerenderfgoedrichtplan of vastgestelde inventaris;
26° erfgoedwaarde : de archeologische, architecturale, artistieke, culturele, esthetische, historische, industrieel-archeologische, technische waarde, ruimtelijk-structurerende, sociale, stedenbouwkundige, volkskundige of wetenschappelijke waarde waaraan onroerende goederen en de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken hun huidige of toekomstige maatschappelijke betekenis ontlenen;
27° gebruiker : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die houder is van een zakelijk of persoonlijk recht, met uitsluiting van de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever;
28° handelingen : werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met gevolgen voor erfgoedwaarden;
28° /1 ingreep in de bodem: elke wijziging van de eigenschappen van de ondergrond door de verwijdering of toevoeging van materie, de verhoging of verlaging van de grondwatertafel, of het samendrukken van de materialen waaruit de ondergrond bestaat. Voor de berekening van de totale oppervlakte van de ingreep in de bodem wordt rekening gehouden met de oppervlakte van de vergunningsplichtige werken of handelingen zoals opgenomen in de vergunningsaanvraag;
29° inspecteur Onroerend Erfgoed : de ambtenaar die belast is met de hem door dit decreet toegewezen handhavingstaken, aangesteld door de leidend ambtenaar van de entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de handhaving van de regelgeving inzake onroerend erfgoed op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of een gedeelte ervan;
30° intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst : een intergemeentelijke dienst die ter uitvoering van dit decreet met betrekking tot het onroerend erfgoed beleidsuitvoerende taken opneemt;
31° inventaris : een oplijsting van onroerende goederen en gehelen van onroerende goederen met erfgoedwaarde;
31° /1 kerkenbeleidsplan: een schriftelijk document dat eerst door het representatief orgaan van de betrokken eredienst en vervolgens door de gemeente- of de provincieraad werd goedgekeurd en dat een lokaal gedragen langetermijnvisie biedt voor alle gebouwen die bestemd zijn voor de betrokken eredienst op het grondgebied van de gemeente of provincie. De langetermijnvisie moet minimaal volgende basisgegevens bevatten: a) een beschrijving van de betrokken gebouwen bestemd voor de eredienst, met onder meer hun cultuurhistorische waarde, hun architecturale mogelijkheden, hun bouwfysische toestand; b) de situering van elk gebouw bestemd voor de eredienst in zijn ruimtelijke omgeving; c) een beschrijving van het actueel gebruik en de actuele functie van de betrokken gebouwen bestemd voor de eredienst en d) een onderbouwde visie op het toekomstig gebruik en de toekomstige functie van de betrokken gebouwen, inclusief een plan van aanpak hoe de toekomstige invulling met nevenfuncties of herbestemming ervan zal worden onderzocht;
32° kleine landschapselementen : lijn- of puntvormige elementen, met inbegrip van de bijbehorende vegetaties, waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet het resultaat zijn van menselijk handelen en die deel uitmaken van het landschap zoals bermen, bomen, bronnen, dijken, grachten, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiingen, sloten, struwelen, poelen, veedrinkputten en waterlopen;
33° landschap : een deel van het grondgebied, zoals dat door de menselijke bevolking wordt waargenomen en waarvan het karakter bepaald wordt door natuurlijke of menselijke factoren en de wisselwerking daartussen;
34° landschapsatlas : de inventaris van de relicten van de traditionele landschappen waarin de landschapskenmerken weergegeven worden als ze een erfgoedwaarde hebben;
35° last onder dwangsom : de door de inspecteur Onroerend Erfgoed opgelegde last die ertoe strekt de overtreder onder dreiging van aantasting van zijn vermogen aan te zetten de gevolgen van de inbreuk ongedaan te maken of verdere inbreuk of herhaling van de inbreuk te voorkomen;
36° lijninfrastructuur en haar aanhorigheden : het geheel van infrastructuur en haar omgeving bedoeld voor verkeer en vervoer van mensen, zaken en goederen en berichten. De lijninfrastructuur omvat autowegen, waterwegen en waterlopen, spoorwegen, luchthavens, havens, pijpleidingen, elektriciteitsleidingen, infrastructuur ten behoeve van telecommunicatie, leidingen voor het vervoer en de verdeling van aardgas, drinkwater en brandstoffen en leidingen voor het verzamelen en vervoeren van afval- en hemelwater. Onder aanhorigheden worden alle uitrusting, voorzieningen en infrastructuur verstaan die nodig of nuttig zijn voor het beheer en de exploitatie van de lijninfrastructuur;
37° metaaldetectorist : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die met behulp van een metaaldetector archeologische artefacten of archeologische sites opspoort;
38° monument : een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide samen, met inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde(n);
38° /1 monument, bestemd voor een erkende eredienst: de gebouwen vermeld in artikel 4, 81, 117, 153, 189 en 232 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten, voor zover ze bestemd zijn voor de eredienst en ook als dusdanig worden gebruikt;
39° onroerend erfgoed : het geheel van archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten;
40° onroerenderfgoeddepot : een bewaarplaats met een onderzoeksruimte waar in gecontroleerde omstandigheden archeologische ensembles, archeologische artefacten of onderdelen van beschermd erfgoed, afkomstig uit het Vlaamse Gewest, worden bewaard en beheerd;
41° onroerenderfgoedgemeente : een gemeente die ter uitvoering van dit decreet met betrekking tot het onroerend erfgoed beleidsuitvoerende taken opneemt;
42° onroerenderfgoedondernemer : een natuurlijke persoon of rechtspersoon die een of meer disciplines uitoefent in of diensten levert aan de onroerenderfgoedsector;
43° overgangszone : een begrensde grondoppervlakte die de erfgoedwaarde van een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht ondersteunt;
44° SARO : de strategische adviesraad opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed;
45° stads- of dorpsgezicht : een geheel van een of meer monumenten of onroerende goederen met omgevende bestanddelen zoals beplantingen, omheiningen, waterlopen, bruggen, wegen, straten en pleinen, van algemeen belang wegens de erfgoedwaarde;
46° VCRO : Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
47° zakelijkrechthouder : de eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouder, opstalhouder of leasinggever.

HOOFDSTUK 3.
Instanties en actoren van het onroerenderfgoedbeleid


Afdeling 1.
Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed


Art. 3.1.1.

Er wordt een onafhankelijke Vlaamse adviescommissie voor het onroerend erfgoed opgericht, hierna Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed te noemen.

De Vlaamse Regering kan de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed onderverdelen in afdelingen.

De Vlaamse Regering :
1° bepaalt de samenstelling, de kennis die over de verschillende disciplines aanwezig moet zijn, de organisatie en de werking;
2° benoemt de leden en de plaatsvervangers;
3° stelt de nodige middelen ter beschikking.

De voorzitter, de leden en de plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Hun mandaat kan twee maal verlengd worden met een nieuwe termijn van vier jaar.


Art. 3.1.2. Het secretariaat van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed wordt uitgeoefend door het secretariaat van de SARO. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 3.1.3. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring aan de Vlaamse Regering voor.

Art. 3.1.4.

De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed verstrekt adviezen :
1° in de gevallen en rekening houdend met de termijnen, vermeld in dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
2° op verzoek van de Vlaamse Regering of haar gemachtigde of de SARO over een aangelegenheid die binnen het toepassingsgebied van dit decreet valt binnen de door de aanvrager vermelde termijn;
3° uit eigen beweging aan de Vlaamse Regering of aan de SARO over een aangelegenheid die binnen het toepassingsgebied van dit decreet valt of over de afstemming van de onroerenderfgoedzorg met andere beleidsvelden.

De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bezorgt de adviezen aan de SARO tegelijk aan de Vlaamse Regering.


Afdeling 2.
Erkenning als onroerenderfgoedgemeente


Art. 3.2.1.

De Vlaamse Regering kan een gemeente erkennen als onroerenderfgoedgemeente.

De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de erkenningsvoorwaarden;
2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan;
3° de nadere regels voor de toekenning van de bevoegdheden die in het kader van dit decreet aan de onroerenderfgoedgemeente kunnen worden toegekend.


Afdeling 3.
Erkenning als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst


Art. 3.3.1.

De Vlaamse Regering kan een intergemeentelijke dienst opgericht overeenkomstig het decreet van 6 juli 2001 houdende intergemeentelijke samenwerking erkennen als intergemeentelijke onroerenderfgoeddienst.

De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de erkenningsvoorwaarden;
2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan.


Afdeling 4.
Erkenning als onroerenderfgoeddepot


Art. 3.4.1.

De Vlaamse Regering kan een depot erkennen als onroerenderfgoeddepot.

De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de erkenningsvoorwaarden;
2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan.


Art. 3.4.2. Het depot van het agentschap is van rechtswege erkend als onroerenderfgoeddepot.

Art. 3.4.3. ...

Afdeling 5.
Aanduiding als erkende archeoloog


Art. 3.5.1.

De Vlaamse Regering kan een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als erkende archeoloog.

De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de erkenningstypes;
2° de erkenningsvoorwaarden;
3° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan en de administratieve beroepsprocedure.


Art. 3.5.2. Het agentschap is van rechtswege aangeduid als een erkend archeoloog.

De Vlaamse Regering bepaalt het erkenningstype van het agentschap.

Art. 3.5.3. ...

Afdeling 6.
Aanduiding als erkende metaaldetectorist


Art. 3.6.1.

De Vlaamse Regering kan een natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als erkende metaaldetectorist.

De Vlaamse Regering bepaalt :
1° de erkenningsvoorwaarden;
2° de nadere regels voor de erkenning en de duur, de schorsing en de intrekking ervan en de administratieve beroepsprocedure.


Art. 3.6.2. Elke archeoloog die erkend is overeenkomstig artikel 3.5.1 of 3.5.2 is van rechtswege een erkende metaaldetectorist.

Art. 3.6.3. ...

Afdeling 7.
Kwaliteitslabel onroerenderfgoedondernemers


Art. 3.7.1.

De Vlaamse Regering kan een kwaliteitslabel toekennen aan onroerenderfgoedondernemers.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


HOOFDSTUK 4.
Inventarissen


Art. 4.1.1. De Vlaamse Regering stelt minstens de volgende inventarissen geheel of gedeeltelijk vast :
1° de landschapsatlas;
2° de inventaris van archeologische zones;
3° de inventaris van bouwkundig erfgoed;
4° de inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde;
5° de inventaris van historische tuinen en parken.

Art. 4.1.2. De Vlaamse Regering bepaalt de criteria voor het opnemen en schrappen van een onroerend goed in een in artikel 4.1.1 vermelde inventaris.

Art. 4.1.3.

De Vlaamse Regering onderwerpt de vast te stellen inventaris aan een openbaar onderzoek van zestig dagen dat minstens wordt aangekondigd door :
1° een bericht op te hangen in elke gemeente waar een onroerend goed gelegen is, dat opgenomen is in de vast te stellen inventaris;
2° een bericht op de website van elke gemeente waar een onroerend goed gelegen is, dat opgenomen is in de vast te stellen inventaris;
3° een bericht in het Belgisch Staatsblad;
4° een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid;
5° een bericht op de website van het agentschap.

De berichten, vermeld in het eerste lid, vermelden minstens :
1° het voorwerp van het openbaar onderzoek;
2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
3° de plaats waar de inventaris ter inzage ligt of geraadpleegd kan worden;
4° de website waarop de inventaris te raadplegen is;
5° het adres waar opmerkingen en bezwaren over feitelijkheden dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven.

Tijdens het openbaar onderzoek :
1° ligt de inventaris, vermeld in het eerste lid, ter inzage of is raadpleegbaar bij het agentschap;
2° is de inventaris te raadplegen op de website van het agentschap;
3° kunnen opmerkingen en bezwaren over feitelijkheden worden ingediend en afgegeven bij het agentschap.

De opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn, vermeld in het bericht, aan het agentschap schrifttelijk bezorgd.

Met opmerkingen en bezwaren die laattijdig aan het agentschap worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden.

De Vlaamse Regering wint over de inventaris en de opmerkingen en bezwaren afkomstig van het openbaar onderzoek advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. De termijn van dertig dagen kan door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd met dertig dagen op vraag van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de adviesprocedure.

De Vlaamse Regering stelt na het advies van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed de inventaris vast. De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de vaststelling van de inventarissen en het openbaar onderzoek bepalen.


Art. 4.1.4. De Vlaamse Regering kan een vastgestelde inventaris actualiseren of er onroerende goederen aan toevoegen of uit verwijderen. Voor de betrokken onroerende goederen wordt een openbaar onderzoek georganiseerd onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in artikel 4.1.3. Er wordt geen openbaar onderzoek georganiseerd om een onroerend goed te verwijderen dat volledig gesloopt of verdwenen is.

Art. 4.1.5. De ambtenaren die daarvoor aangewezen zijn door de Vlaamse Regering hebben voor het onderzoek naar de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken toegang tot de onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1, en tot de onroerende goederen die in aanmerking komen voor opname in een inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 met uitzondering van particuliere woningen en bedrijfslokalen.

Art. 4.1.6.

De vastgestelde inventarissen bevatten over elk onroerend goed dat erin opgenomen is minstens de volgende gegevens :
1° een plan waarop het onroerend goed nauwkeurig wordt aangeduid;
2° de benaming van het geïnventariseerde onroerend goed;
3° een beschrijving op basis van de erfgoedkenmerken.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die voor elk onroerend goed in een vastgestelde inventaris moeten worden opgenomen nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 4.1.7. Alle onroerende goederen die opgenomen zijn in een vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 en alle beschermde onroerende goederen worden op een publiek te raadplegen GIS-laag. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 4.1.8. De opname van een onroerend goed in een vastgestelde inventaris vormt, uitgezonderd als het een eigen werk, daad of activiteit van een administratieve overheid betreft, geen weigeringsgrond voor eender welke vergunning of machtiging.

Art. 4.1.9.

Elke administratieve overheid neemt zo veel mogelijk zorg in acht voor de erfgoedkenmerken van onroerende goederen die opgenomen zijn in een aan een openbaar onderzoek onderworpen vastgestelde inventaris als vermeld in artikel 4.1.3.

De administratieve overheid geeft in al haar beslissingen over een eigen werk of activiteit met directe impact op geïnventariseerd erfgoed aan hoe ze rekening heeft gehouden met de verplichting vermeld in het eerste lid.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die motiveringsplicht en zorgplicht.

Dit artikel doet geen afbreuk aan strengere voorschriften voor beschermde goederen.


Art. 4.1.10. Als voor de sloop van een onroerend goed opgenomen in de vastgestelde inventaris van het bouwkundig erfgoed of voor de kap van een onroerend goed, opgenomen in de vastgestelde inventaris van houtige beplantingen met erfgoedwaarde een vergunning vereist is, motiveert de vergunningverlenende overheid haar beslissing en geeft ze in haar beslissing aan hoe ze de erfgoedwaarden in acht heeft genomen.

Art. 4.1.11.

Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een geïnventariseerd goed, overeenkomstig artikel 4.1.1, verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht vestigt of overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de onderhandse of authentieke akte dat het onroerend goed opgenomen is in een van de vastgestelde inventarissen, vermeld in artikel 4.1.1, en de rechtsgevolgen die aan de opname verbonden zijn door een verwijzing naar hoofdstuk 4 van dit decreet in de akte op te nemen.

Als de instrumenterend ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van het eerste lid, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op het eerste lid.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de informatieplicht bepalen.


HOOFDSTUK 5.
Archeologie


Afdeling 1.
Algemene beginselen


Onderafdeling 1.
Passiefbehoudsbeginsel


Art. 5.1.1. Het is verboden archeologische artefacten, archeologische sites en archeologische ensembles te ontsieren, te beschadigen of te vernielen.

Onderafdeling 2.
Metaaldetectie


Art. 5.1.2. Het is verboden zonder erkenning als metaaldetectorist of in afwijking van de code van goede praktijk met metaaldetectoren archeologische artefacten en archeologische sites op te sporen.

Onderafdeling 3.
Archeologisch onderzoek


Art. 5.1.3. Het is verboden zonder toelating van het agentschap of in voorkomend geval van de erkende onroerenderfgoedgemeente een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of graafwerken uit te voeren met de bedoeling archeologische sites op te sporen en vrij te leggen of archeologische artefacten uit hun originele context te verwijderen.

Onderafdeling 4.
Toevalsvondsten


Art. 5.1.4.

Iedereen die, op een ander moment dan bij het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek, een archeologische opgraving of het gebruik van een metaaldetector, een roerend of onroerend goed vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het archeologische erfgoedwaarde heeft, is verplicht daarvan binnen drie dagen aangifte te doen bij het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

In voorkomend geval brengt het agentschap de zakelijkrechthouder en de gebruiker van de betrokken percelen, als ze niet de vinder zijn, en de gemeenten waar de vondsten worden gedaan ervan op de hoogte dat er vondsten zijn gedaan die vermoedelijk archeologische erfgoedwaarde hebben en wat de rechtsgevolgen daarvan zijn.

De zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder moeten tot de tiende dag na de aangifte de gevonden goederen, vermeld in het eerste lid, en hun context:
1° in onveranderde toestand bewaren;
2° tegen beschadiging of vernieling beschermen;
3° toegankelijk maken voor archeologisch onderzoek door het agentschap..

De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

In functie van het onderzoek, vermeld in het derde lid, 3°, kan het agentschap de termijn van tien dagen inkorten of verlengen. Het agentschap brengt de zakelijkrechthouder en de gebruiker daarvan per beveiligde zending op de hoogte. Na het verstrijken van de termijn zijn de zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder niet langer onderworpen aan het passief-behoudsbeginsel voor archeologisch erfgoed voor wat betreft de gemelde vondst.


Afdeling 2.
Verplichtingen zakelijkrechthouders en gebruikers van archeologische artefacten en archeologische ensembles


Art. 5.2.1.

De zakelijkrechthouders en de gebruikers van een archeologisch ensemble moeten het :
1° als een geheel bewaren;
2° in goede staat behouden;
3° beschikbaar houden voor wetenschappelijk onderzoek.

In afwijking van het eerste lid, 1°, mogen onderdelen van een archeologisch ensemble gedurende een periode van maximaal vijf jaar uit het archeologisch ensemble worden gelicht voor educatieve, wetenschappelijke of conservatiedoeleinden als daarvoor een schriftelijke overeenkomst is gesloten. De schriftelijke overeenkomst kan meermaals voor een periode van maximaal vijf jaar hernieuwd worden.

De zakelijkrechthouder die het beheer van een archeologisch ensemble toevertrouwt aan een erkend onroerenderfgoeddepot voldoet aan de verplichtingen, vermeld in het eerste lid.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.


Art. 5.2.2. De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of van een archeologisch ensemble, dat afkomstig is uit het Vlaamse Gewest, meldt binnen dertig dagen elke wijziging van bewaarplaats of zakelijkrechthouder aan het agentschap. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble wordt vrijgesteld van de melding van de wijziging van bewaarplaats, vermeld in het eerste lid, als de wijziging van bewaarplaats maximaal vijf jaar duurt en gebeurt wegens educatieve, wetenschappelijke of conservatiedoeleinden en als daarvoor een schriftelijke overeenkomst wordt gesloten. De schriftelijke overeenkomst kan meermaals voor een periode van maximaal vijf jaar worden hernieuwd. Bij hernieuwing van de overeenkomst is evenmin een melding nodig.

Art. 5.2.3. De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of van een archeologisch ensemble, dat afkomstig is uit het Vlaamse Gewest, meldt minstens dertig dagen voorafgaand aan het buiten het Vlaamse Gewest brengen ervan zijn voornemen daartoe aan het agentschap. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een archeologisch artefact of een archeologisch ensemble wordt vrijgesteld van de melding van zijn voornemen om het buiten het Vlaamse Gewest te brengen, vermeld in het eerste lid, als het buiten het Vlaamse Gewest brengen maximaal vijf jaar duurt en gebeurt wegens educatieve, wetenschappelijke of conservatiedoeleinden en als daarvoor een schriftelijke overeenkomst wordt gesloten. De schriftelijke overeenkomst kan meermaals voor een periode van maximaal vijf jaar worden hernieuwd. Bij hernieuwing van de overeenkomst is evenmin een melding nodig.

Afdeling 3.
Code van goede praktijk


Art. 5.3.1. De Vlaamse Regering stelt een code van goede praktijk vast voor de uitvoering van en rapportering over archeologisch vooronderzoek en archeologische opgravingen en voor het gebruik van metaaldetectoren.

Afdeling 4.
Archeologisch onderzoek bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem


Onderafdeling 1.
Verplichtingen vergunningsaanvrager


Art. 5.4.1. Voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet een archeologienota zoals vermeld in artikel 5.4.8 en artikel 5.4.12 opgesteld en gemeld worden in volgende situaties:
1° aanvragen met betrekking tot percelen die gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site;
2° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem 100 m² of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 300 m² of meer bedraagt en waarbij de betrokken percelen geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones;
3° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem 1000 m² of meer beslaat en de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000 m² of meer bedraagt en waarbij de percelen volledig gelegen zijn buiten archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones.

Voor de toepassing van dit artikel op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de hele werf van het te vergunnen werk.

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt van die verplichting vrijgesteld:
1° indien de aanvraag volledig betrekking heeft op een gebied waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering;
2° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden aan bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden binnen een archeologische zone, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones, waarbij de oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem buiten het gabarit van de bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden minder dan 100 m² beslaat;
3° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden aan bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden buiten een archeologische zone, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones en buiten een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, waarbij de oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem buiten het gabarit van de bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden minder dan 1000 m² beslaat, wanneer de lijninfrastructuur waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd meer dan 1000 meter bedraagt;
4° indien de aanvrager een natuurlijke persoon of privaatrechtelijke rechtspersoon is, de totale oppervlakte van de vergunningsplichtige ingreep in de bodem minder dan 5000 m² beslaat, en de betrokken percelen volledig gelegen zijn buiten woongebied of recreatiegebied en buiten archeologische zones opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones en buiten beschermde archeologische sites;
5° indien de handelingen louter betrekking hebben op verbouwingswerken of vernieuwbouw, zonder bijkomende vergunningsplichtige ingreep in de bodem;
6° indien de handelingen louter betrekking hebben op de regularisatie van vergunningsplichtige projecten, overeenkomstig artikel 81 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en alle vergunningsplichtige ingrepen in de bodem al zijn uitgevoerd;
7° indien de stedenbouwkundige aanvraag kadert in verbeterd bodembeheer en uitsluitend betrekking heeft op een reliëfwijziging in agrarisch gebied, niet gelegen in een archeologische zone zoals opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones of een voorlopig of definitief beschermde archeologische site, als gevolg van een afgraving van teelaarde tot 40 cm en de latere toevoeging met dezelfde teelaarde.
8° indien de aanvraag betrekking heeft op werkzaamheden binnen het gabarit van bestaande lijninfrastructuur en haar aanhorigheden;
9° indien de aanvraag geheel betrekking heeft op percelen binnen het grondgebied van een erkende onroerenderfgoedgemeente waarvoor de gemeenteraad in een gemeentelijk reglement een vrijstelling heeft voorzien en de aanvraag geen betrekking heeft op beschermde goederen of op percelen die geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in een archeologische zone, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones. De vrijstellingen in het gemeentelijk reglement zijn gebaseerd op onderzoek naar de archeologische situatie in de betrokken gemeente door een erkende archeoloog in dienst van de erkende onroerenderfgoedgemeente en hebben betrekking op percelen met een oppervlakte van 5000 m² of minder.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor deze vrijstellingen bepalen.

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen kan een archeologienota waarvan al akte is genomen indienen als de aanvraag betrekking heeft op hetzelfde perceel of dezelfde percelen en als de ingreep in de bodem van de te vergunnen werken overeenkomt met de ingreep in de bodem van de vergunningsplichtige werkzaamheden die in de archeologienota waarvan akte is genomen zijn omschreven. Als er in de archeologienota een archeologische opgraving werd opgelegd, moet deze zijn uitgevoerd en moet daarover een archeologierapport aan het agentschap zijn bezorgd. In het geval dat er gebruik is gemaakt van onderafdeling 7 van deze afdeling, moet de nota waarvan akte is genomen zijn uitgevoerd. Als er in de nota een archeologische opgraving wordt opgelegd, moet daarover een archeologierapport aan het agentschap zijn bezorgd.

Art. 5.4.2. Voorafgaand aan het aanvragen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden moet een archeologienota als vermeld in artikel 5.4.8 en artikel 5.4.12 opgesteld en gemeld worden in volgende situaties:
1° aanvragen met betrekking tot percelen die gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermde archeologische site;
2° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 300 m² of meer bedraagt en waarbij de betrokken kadastrale percelen geheel of gedeeltelijk gelegen zijn in archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones;
3° aanvragen waarbij de totale oppervlakte van de kadastrale percelen waarop de vergunning betrekking heeft 3000 m² of meer bedraagt en waarbij de betrokken kadastrale percelen helemaal buiten de archeologische zones, opgenomen in de vastgestelde inventaris van archeologische zones, liggen.

Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, op terreinen zonder kadastraal nummer geldt de totale oppervlakte van de werf van de te vergunnen verkaveling.

Voor de toepassing van het eerste lid, 2° en 3°, dient enkel rekening gehouden te worden met de terreinen waarop werken uitgevoerd worden met het oog op het bouwrijp maken van de verkaveling en met de oppervlakte van de kavels die verkocht en verhuurd zullen worden voor meer dan negen jaar, waarop een recht van erfpacht of opstal gevestigd zal worden of waarvoor een van die overdrachtsvormen aangeboden zal worden, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies.

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden wordt van die verplichting vrijgesteld indien de aanvraag betrekking heeft op een gebied waar geen archeologisch erfgoed te verwachten valt, zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering.

Bij de aanvraag voor het bijstellen van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden overeenkomstig artikel 85 en 86 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning moet geen gemelde archeologienota worden toegevoegd, voor zover dit niet gepaard gaat met bijkomende ingrepen in de bodem.

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan een archeologienota waarvan al akte is genomen indienen, als de aanvraag betrekking heeft op dezelfde percelen en als de ingreep in de bodem van de te vergunnen werken overeenkomt met de ingreep in de bodem van de werken omschreven in de archeologienota waarvan akte is genomen. Als er in de archeologienota een archeologische opgraving werd opgelegd, moet deze zijn uitgevoerd en moet hierover een archeologierapport aan het agentschap zijn bezorgd. In het geval dat er gebruik is gemaakt van onderafdeling 7 van deze afdeling moet de nota waarvan akte is genomen zijn uitgevoerd. Als er in de nota een archeologische opgraving wordt opgelegd, moet daarover een archeologierapport aan het agentschap zijn bezorgd.

Art. 5.4.3. De aanvrager van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen met ingreep in de bodem of van een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden stelt een erkend archeoloog aan in de gevallen, vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 om een archeologienota waarvan akte is genomen te verkrijgen.

De archeologienota waarvan akte is genomen of de gemelde archeologienota wordt toegevoegd bij de aanvraag van omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.

Als bij de aanvraag een gemelde archeologienota is toegevoegd, bezorgt de aanvrager de archeologienota waarvan akte is genomen aan de vergunningverlenende overheid voor het verstrijken van de vervaltermijnen, vermeld in artikel 32, § 1, § 2 en § 3, artikel 46, § 1, en artikel 66, § 1, § 2, § 2/1 en § 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Onderafdeling 2.
Verplichting vergunningsverlener


Art. 5.4.4. De verlener van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden neemt, behoudens in de gevallen omschreven in artikel 5.4.1, derde lid, en artikel 5.4.2, vierde en vijfde lid, het naleven van de  archeologienota waarvan akte is genomen en van dit decreet op als voorwaarde in de vergunning. De werken in de archeologienota waarvan akte is genomen overeenkomstig artikel 5.4.9 en in de nota waarvan akte is genomen overeenkomstig artikel 5.4.17 worden geacht te zijn vergund.

Een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning of van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden waarin het naleven van de archeologienota waarvan akte is genomen als voorwaarde wordt opgenomen, wordt door de vergunningverlener binnen een ordetermijn van tien dagen en schriftelijk bezorgd aan het agentschap.

De verlener in eerste of laatste administratieve aanleg van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van dit decreet, waarbij een gemelde archeologienota toegevoegd is, alleen maar een beslissing nemen binnen de vervaltermijnen, vermeld in artikel 32, § 1, § 2 en § 3, artikel 46, § 1, en artikel 66, § 1, § 2, § 2/1 en § 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, als de aktename van de gemelde archeologienota bezorgd is door de vergunningsaanvrager voorafgaand aan het verlenen van de vergunning.

Onderafdeling 3.
Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem


Art. 5.4.5. Als het onmogelijk of juridisch, economisch of maatschappelijk onwenselijk is om voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren, meldt de erkende archeoloog de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem bij het agentschap of in voorkomend geval bij de erkende onroerenderfgoedgemeente in de vorm van een archeologienota overeenkomstig onderafdeling 7 en volgt verder de procedure omschreven in die onderafdeling.

Als de archeologienota betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van meerdere gemeenten liggen, meldt de erkende archeoloog de archeologienota aan het agentschap.

Art. 5.4.6. § 1. De door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog vraagt via het digitale platform dat het agentschap daarvoor beschikbaar stelt, aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente een toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren.

Als het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van meerdere gemeenten liggen, vraagt de erkende archeoloog een toelating tot het uitvoeren ervan aan het agentschap.

De aanvraag tot toelating bevat minstens de volgende gegevens:
1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
4° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;
5° de aanleiding voor het archeologisch vooronderzoek;
6° de voorgestelde uitvoeringswijze.

De Vlaamse Regering kan de in de aanvraag tot toelating op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden.

§ 2. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente neemt een beslissing over de aanvraag tot toelating binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de aanvraag is ingediend. Als die termijn wordt overschreden, wordt de toelating geacht goedgekeurd te zijn. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt de beslissing per beveiligde zending aan de erkende archeoloog of stelt die digitaal ter beschikking via het daarvoor voorziene digitale platform. De beslissing vermeldt de voorwaarden die van toepassing zijn.

§ 3. Als het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer, de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

Art. 5.4.7. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorgestelde uitvoeringswijze in de aanvraag tot toelating, de eventuele voorwaarden van het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente en de code van goede praktijk.

Onderafdeling 4.
[Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Melding archeologienota (verv. Decr. 13 juli 2018, art. 17, I: 1 april 2019)]


Art. 5.4.8. Na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek meldt de door de initiatiefnemer gemachtigde archeoloog een archeologienota aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente via het digitale platform dat het agentschap daarvoor beschikbaar stelt. Als de archeologienota betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van meerdere gemeenten liggen, meldt de erkende archeoloog de archeologienota aan het agentschap.

Die archeologienota bevat minstens de volgende gegevens:
1° een plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeurig worden afgelijnd;
2° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek;
3° een gemotiveerd advies over het al dan niet moeten nemen van maatregelen met in voorkomend geval een programma hierover;
4° in voorkomend geval de noodzakelijke competenties die de uitvoerders van de voorgestelde maatregelen moeten bezitten;
5° in voorkomend geval een kostenraming en de geschatte duur van de voorgestelde maatregelen;
6° in voorkomend geval een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek en de archeologische opgraving.

De archeologienota kan:
1° voorzien in een fasering van de in voorkomend geval uit te voeren archeologische opgravingen;
2° voorzien dat delen van de kadastrale percelen waar de ingreep in de bodem is gepland van archeologische opgraving worden vrijgesteld.

De Vlaamse Regering kan de in de archeologienota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden.

Onderafdeling 5.
[Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Aktename archeologienota (verv. Decr. 13 juli 2018, art. 19, I: 1 april 2019)]


Art. 5.4.9. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of de gemelde archeologienota in overeenstemming is met de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1. In bevestigend geval neemt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente akte van de melding. Als het voorgestelde programma van maatregelen in de gemelde archeologienota geen adequate omgang met het archeologisch erfgoed garandeert of geen nuttige kenniswinst oplevert, neemt het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente geen akte van de melding.

Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de melding is ingediend, de meldingsakte per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog of stelt die digitaal ter beschikking via het daarvoor voorziene digitale platform. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente kan in de meldingsakte voorwaarden opleggen. Als de termijn van vijftien dagen wordt overschreden, wordt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente geacht akte te hebben genomen van de archeologienota. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente van de archeologienota akte neemt, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer, de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

In voorkomend geval geldt de aktename als toelating voor de in de archeologienota omschreven archeologische opgraving in de mate dat de vergunde werken, vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2, overeenstemmen met de werken zoals omschreven in de archeologienota waarvan akte is genomen. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het verspreiden van de informatie uit de archeologienota waarvan akte is genomen ten aanzien van alle belanghebbenden.

Onderafdeling 6.
[Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Uitvoering archeologienota waarvan akte is genomen (verv. Decr. 13 juli 2018, art. 21, I: 1 april 2019)]


Art. 5.4.10. De erkende archeoloog meldt in voorkomend geval de aanvang van de archeologische opgraving aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerend-erfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 5.4.11. De archeologische opgraving, die beperkt is tot de zone die daadwerkelijk verstoord wordt door de geplande ingreep in de bodem, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van de aktename en de code van goede praktijk. Bij verkavelingsdossiers heeft de opgraving in voorkomend geval betrekking op de volledige zone die voor ontwikkeling in aanmerking komt en op het volledige projectgebied.

Onderafdeling 7.
Procedure bij de onmogelijkheid of de onwenselijkheid om voorafgaand aan het aanvragen van de vergunning een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren


Art. 5.4.12. In het geval dat er alleen een archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem plaatsvond omdat een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem onmogelijk of juridisch, economisch of maatschappelijk onwenselijk was voorafgaand aan het aanvragen van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden, meldt de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog een archeologienota aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente via het digitale platform dat het agentschap daarvoor beschikbaar stelt. Als de archeologienota betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van meerdere gemeenten liggen, meldt de erkende archeoloog de archeologienota bij het agentschap.

Die archeologienota bevat minstens de volgende gegevens:
1° de naam en het adres van de initiatiefnemer;
2° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
3° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
4° de locatie van het archeologisch vooronderzoek met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;
5° de redenen en motivering waarom het vooronderzoek voor het indienen van de vergunning beperkt wordt tot een vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
6° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek zonder ingreep in de bodem;
7° een plan waarop de betrokken percelen, de precieze plaats van het archeologisch vooronderzoek en de geplande werken nauwkeuring worden afgelijnd;
8° de voorgestelde uitvoeringswijze van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem.

De Vlaamse Regering kan de in de archeologienota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden.

Art. 5.4.13. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of de gemelde archeologienota in overeenstemming is met de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1. In bevestigend geval neemt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente akte van de melding. Als het voorgestelde programma van maatregelen in de gemelde archeologienota geen adequate omgang met het archeologisch erfgoed garandeert of geen nuttige kenniswinst oplevert, neemt het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente geen akte van de melding.

Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de melding is ingediend, de meldingsakte per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog of stelt die digitaal ter beschikking via het daarvoor voorziene digitale platform. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente kan in de meldingsakte voorwaarden opleggen. Als de termijn van vijftien dagen wordt overschreden, wordt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente geacht akte te hebben genomen van de archeologienota. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente van de archeologienota akte neemt, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer, de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

In voorkomend geval geldt de aktename als toelating voor het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 5.4.14. De erkende archeoloog aangesteld door de initiatiefnemer, meldt de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, opgenomen in de archeologienota waarvan akte is genomen, aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 5.4.15. Het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem moet worden uitgevoerd overeenkomstig de uitvoeringswijze in de archeologienota waarvan akte is genomen, de eventuele voorwaarden van het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente in de aktename en de code van goede praktijk.

Art. 5.4.16. Na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem meldt de erkende archeoloog een nota aan het agentschap of in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. Als de nota betrekking heeft op percelen die op het grondgebied van meerdere gemeenten liggen, meldt de erkende archeoloog de nota aan het agentschap.

Die nota bevat minstens de volgende gegevens:
1° de resultaten van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem;
2° een gemotiveerd advies over het al dan niet moeten nemen van maatregelen met in voorkomend geval een programma hierover;
3° in voorkomend geval de noodzakelijke competenties die de uitvoerders van de voorgestelde maatregelen moeten bezitten;
4° in voorkomend geval een kostenraming en de geschatte duur van de voorgestelde maatregelen;
5° in voorkomend geval een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble dat het resultaat is van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving.

De nota kan:
1° voorzien in een fasering van de in voorkomend geval uit te voeren archeologische opgravingen;
2° voorzien dat delen van de kadastrale percelen waar de ingreep in de bodem is gepland van archeologische opgraving worden vrijgesteld.

De Vlaamse Regering kan de in de nota op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden.

Art. 5.4.17. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente gaat na of de gemelde nota in overeenstemming is met de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1. In bevestigend geval neemt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente akte van de melding. Als het voorgestelde programma van maatregelen in de gemelde nota geen adequate omgang met het archeologisch erfgoed garandeert of geen nuttige kenniswinst oplevert, neemt het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente geen akte van de melding.

Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente bezorgt binnen een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de dag na de dag waarop de melding is ingediend, de meldingsakte per beveiligde zending aan de initiatiefnemer en de erkende archeoloog of stelt die digitaal ter beschikking via het daarvoor voorziene digitale platform. Het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente kan in de meldingsakte voorwaarden opleggen. Als de termijn van vijftien dagen wordt overschreden, wordt het agentschap of in voorkomend geval de erkende onroerenderfgoedgemeente geacht akte te hebben genomen van de archeologienota. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente van de nota akte neemt, er geen akte van neemt of er voorwaarden aan koppelt, kan de initiatiefnemer, de door de initiatiefnemer aangestelde erkende archeoloog of het agentschap een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

In voorkomend geval geldt de aktename als toelating voor de in de nota omschreven archeologische opgraving in de mate dat de vergunde werken, vermeld in artikel 5.4.3, overeenstemmen met de werken zoals omschreven in de nota waarvan akte is genomen. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels over het verspreiden van de informatie uit de nota waarvan akte is genomen ten aanzien van alle belanghebbenden.

Art. 5.4.18. De erkende archeoloog meldt de aanvang van de archeologische opgraving aan het agentschap en in voorkomend geval aan de erkende onroerenderfgoedgemeente. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 5.4.19. De archeologische opgraving, beperkt tot de zone die daadwerkelijk verstoord wordt door de geplande ingreep in de bodem, moet worden uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden van de aktename en de code van goede praktijk.

Bij verkavelingsdossiers heeft de opgraving in voorkomend geval betrekking op de volledige zone die voor ontwikkeling in aanmerking komt en op het volledige projectgebied.

Onderafdeling 8.
Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Archeologierapport


Art. 5.4.20. De erkende archeoloog bezorgt binnen zestig dagen na het beëindigen van de opgraving een archeologierapport aan het agentschap via het digitale platform dat het agentschap daarvoor beschikbaar stelt. Het agentschap stelt het archeologierapport in voorkomend geval ter beschikking van de erkende onroerenderfgoedgemeente. Dat archeologierapport omvat minstens de volgende gegevens :
1° een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken en de resultaten;
2° een beschrijving van de verdere aanpak;
3° een gemotiveerd voorstel over het bewaren of deponeren van het archeologisch ensemble als dat de voorstellen die erover geformuleerd zijn in de archeologienota, wijzigt of aanvult.

Onderafdeling 9.
Verplichtingen aangestelde erkende archeoloog - Eindverslag


Art. 5.4.21.

De erkende archeoloog bezorgt binnen twee jaar na het beëindigen van de archeologische opgraving via het digitale platform dat het agentschap daarvoor beschikbaar stelt, een eindverslag aan het agentschap overeenkomstig de code van goede praktijk, vermeld in artikel 5.3.1.

De erkende archeoloog publiceert het eindverslag. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

De eindverslagen van de archeologische opgravingen worden digitaal ontsloten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


[Onderafdeling 10.
(ing. Decr. 15 juli 2016, art. 24, I: 1 januari 2017)] [Databank van toelatingen en meldingen voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, archeologienota's en nota's (verv. Decr. 13 juli 2018, art. 32, I: 1 april 2019)]


Art. 5.4.22. Het agentschap stelt een databank van toelatingen en meldingen van vooronderzoek met ingreep in de bodem, archeologienota's en nota's digitaal beschikbaar. Die databank bevat:
1° de aanvragen tot toelating van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem als vermeld in artikel 5.4.6, § 1, en de beslissing die daarover is genomen in eerste administratieve aanleg, vermeld in artikel 5.4.6, § 2;
2° de archeologienota's, vermeld in artikel 5.4.8, eerste lid, en artikel 5.4.12, eerste lid, en de beslissingen die daarover zijn genomen in eerste administratieve aanleg, vermeld in artikel 5.4.9, eerste lid, en artikel 5.4.13, eerste lid;
3° de nota's, vermeld in artikel 5.4.16, eerste lid, en de beslissingen die daarover zijn genomen in eerste administratieve aanleg, vermeld in artikel 5.4.17, eerste lid;
4° de in beroep genomen beslissingen over de aanvragen tot toelating van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, vermeld in artikel 5.4.6, § 3;
5° de in beroep genomen beslissingen over de archeologienota's, vermeld in artikel 5.4.9, derde lid, en artikel 5.4.13, derde lid;
6° de in beroep genomen beslissingen over de nota's, vermeld in artikel 5.4.17, derde lid;
7° de adviezen van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed over de in beroep genomen beslissingen over de aanvragen tot toelating van archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, de archeologienota's en de nota's, vermeld in artikel 5.4.6, § 3, artikel 5.4.9, derde lid, artikel 5.4.13, derde lid, en artikel 5.4.17, derde lid.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels over de vorm van de databank en de toegang ertoe bepalen.

[Onderafdeling 11.
Digitaal platform voor archeologie (ing. Decr. 13 juli 2008, art. 34, I: 1 april 2019)]


Afdeling 5.
Archeologisch onderzoek met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen


Art. 5.5.1. Erkende archeologen kunnen archeologisch vooronderzoek of archeologische opgravingen uitvoeren met het oog op weloverwogen en gedocumenteerde wetenschappelijke vraagstellingen.

Art. 5.5.2. De erkende archeoloog sluit met de zakelijkrechthouders van de betrokken onroerende goederen een overeenkomst die de vergoeding voor eventuele schade, de bestemming van het archeologisch ensemble en de verwachte duur van het onderzoek regelt behalve als het onderzoek in het kader van een toevalsvondst gebeurt.

Art. 5.5.3.

§ 1. De erkende archeoloog vraagt aan het agentschap een toelating om een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of een archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen uit te voeren.

De aanvraag tot toelating bevat minstens de volgende gegevens :
1° het erkenningsnummer van de erkende archeoloog;
2° de woonplaats of maatschappelijke zetel van de erkende archeoloog;
3° de locatie van het archeologisch vooronderzoek of de archeologische opgraving met in voorkomend geval de kadastrale gegevens van de betrokken percelen;
4° de wetenschappelijke vraagstellingen en het belang van het wetenschappelijk onderzoek;
5° de voorgestelde uitvoeringswijze;
6° de overeenkomst, vermeld in artikel 5.5.2;
7° de motivatie waarom onderzoek primeert op behoud.

De Vlaamse Regering :
1° kan de in de aanvraag op te nemen gegevens nader omschrijven of uitbreiden;
2° bepaalt de nadere regels voor het aanvragen en het afleveren van de toelating.

§ 2. Als het agentschap de toelating voor het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of voor de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de erkende archeoloog een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


Art. 5.5.4.

De erkende archeoloog meldt aan het agentschap de aanvang van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgraving met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

De erkende archeoloog bezorgt binnen zestig dagen na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving een archeologierapport aan het agentschap via het digitale platform dat het agentschap daarvoor ter beschikking stelt. Dit archeologierapport omvat minstens :
1° een beknopte beschrijving van de uitgevoerde werken en de resultaten;
2° een beschrijving van de verdere aanpak.

De erkende archeoloog bezorgt binnen twee jaar na het beëindigen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem of de archeologische opgraving een eindverslag aan het agentschap via het digitale platform dat het agentschap daarvoor ter beschikking stelt overeenkomstig de vastgestelde code van goede praktijk.

De erkende archeoloog publiceert het eindverslag. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

De eindverslagen van het archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem en de archeologische opgravingen met het oog op wetenschappelijke vraagstellingen worden digitaal ontsloten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


Afdeling 6.
Evaluatie


Art. 5.6.1.

§ 1. De Vlaamse Regering evalueert jaarlijks de effectiviteit van dit hoofdstuk. Het evaluatierapport wordt ter informatie voorgelegd aan het Vlaams Parlement.

In het rapport, vermeld in het eerste lid, komen ten minste een beschrijving en beoordeling van de sterktes en te verbeteren punten, de kansen en de moeilijkheden bij archeologisch onderzoek en de financiering ervan.

§ 2. Het agentschap legt jaarlijks een rapport aan de Vlaamse Regering voor. Voor de opmaak van het rapport kan het agentschap het advies inwinnen van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. In dit rapport komen ten minste de volgende elementen aan bod :
1° een overzicht van het aantal vooronderzoeken en opgravingen, alsook de duur ervan;
2° een overzicht van de resultaten van die onderzoeken;
3° een overzicht van de voorgestelde en goedgekeurde maatregelen uit de archeologienota;
4° de financiële implicaties van het archeologisch onderzoek en de werking van het archeologisch solidariteitsfonds.


HOOFDSTUK 6.
Beschermingen en erfgoedlandschappen


Afdeling 1.
Beschermingsprocedure


Onderafdeling 1.
Voorlopige bescherming


Art. 6.1.1. De Vlaamse Regering kan een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap, stadsgezicht of dorpsgezicht, desgevallend met inbegrip van een overgangszone, beschermen.

Art. 6.1.1/1. De beschermingsvoorschriften kunnen geen beperkingen opleggen die werken of handelingen absoluut verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen.

Art. 6.1.2. De door de Vlaamse Regering daartoe aangewezen ambtenaren hebben voor het onderzoek naar de erfgoedwaarden toegang tot de archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten die in aanmerking komen voor bescherming. Tot particuliere woningen en bedrijfslokalen hebben ze evenwel alleen toegang tussen negen uur en eenentwintig uur en met machtiging van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

Art. 6.1.3.

De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de colleges van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeentebesturen en de departementen of agentschappen van de Vlaamse overheid bevoegd voor omgeving, mobiliteit en openbare werken en landbouw en visserij. Deze adviezen worden uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De Vlaamse Regering brengt voorafgaand aan de voorlopige bescherming de zakelijkrechthouders van een monument of een onroerend goed in een archeologische site of stads- of dorpsgezicht op de hoogte. De zakelijkrechthouders kunnen binnen een vervaltermijn van zestig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving, schriftelijk opmerkingen bezorgen aan het agentschap over de voorlopige bescherming.

Aan de verplichtingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, kan worden voorbijgegaan in geval van dringende noodzakelijkheid.


Art. 6.1.4.

§ 1. De Vlaamse Regering stelt het besluit tot voorlopige bescherming vast.

§ 2. Het besluit tot voorlopige bescherming bevat minstens de volgende gegevens :
1° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop de onroerende goederen zich bevinden;
2° de vermelding of het een bescherming van een archeologische site, monument, cultuurhistorisch landschap of stads- of dorpsgezicht betreft met, in voorkomend geval, een overgangszone;
3° de benaming van het beschermde onroerend goed;
4° een beknopte wetenschappelijke beschrijving;
5° de erfgoedwaarden;
6° de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken;
7° de toekomstige beheersdoelstellingen die de optimale verwezenlijking van de erfgoedwaarden omschrijven die aanleiding gegeven hebben tot de bescherming;
8° de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud;
9° in voorkomend geval de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone.

Bij elk besluit tot voorlopige bescherming worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed en, in voorkomend geval, de overgangszone nauwkeurig worden afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot voorlopige bescherming of in de bijlage moeten worden opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 6.1.5. Het besluit tot voorlopige bescherming wordt na de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Art. 6.1.6.

Het besluit tot voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt met bijlagen per beveiligde zending aan de zakelij krechthouders ter kennis gebracht.

Het agentschap hoort, op hun verzoek, de zakelijkrechthouders. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving, vermeld in het eerste lid.

De zakelijkrechthouders die, overeenkomstig het eerste lid, van het besluit tot voorlopige bescherming op de hoogte gebracht zijn:
1° brengen de gebruikers van het onroerend goed per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot voorlopige bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld;
2° brengen de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot voorlopige bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld;
3° brengen het agentschap schriftelijk op de hoogte van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, waarbij de nodige stavingsdocumenten gevoegd zijn, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving vermeld. De nieuwe zakelijkrechthouders worden op hun beurt, overeenkomstig het eerste lid, op de hoogte gebracht van het besluit tot voorlopige bescherming.


Art. 6.1.7.

Het besluit tot voorlopige bescherming wordt per beveiligde zending aan de betrokken gemeenten bezorgd voor een openbaar onderzoek van dertig dagen.

De betrokken gemeenten openen het openbaar onderzoek binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de kennisgeving van het besluit tot voorlopige bescherming door :
1° een bericht over het openbaar onderzoek op te hangen op de plaats die aangeduid is op het plan dat als bijlage bij het besluit tot voorlopige bescherming is gevoegd;
2° een bericht te publiceren op de website van de betrokken gemeenten.

De besluiten tot voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap worden ook aangekondigd door een bericht in ten minste drie dagbladen die in de betrokken gemeenten worden verspreid.

De gemeenten melden aan het agentschap de datum waarop zij het openbaar onderzoek openen. Het agentschap publiceert een bericht over het openbaar onderzoek op zijn website.

De berichten, vermeld in het tweede en derde lid, vermelden minstens het volgende :
1° het voorwerp van het openbaar onderzoek;
2° de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
3° de plaats waar het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage liggen;
4° het adres waarop opmerkingen en bezwaren schriftelijk kunnen worden ter kennis gebracht.

Tijdens het openbaar onderzoek :
1° liggen het besluit tot voorlopige bescherming en het beschermingsdossier ter inzage bij de betrokken gemeenten en het agentschap;
2° kunnen opmerkingen en bezwaren schriftelijk aan de betrokken gemeenten ter kennis worden gebracht;
3° kunnen de betrokken gemeenten een hoorzitting organiseren.

De betrokken gemeenten stellen een proces-verbaal op waarin de opmerkingen, de bezwaren en in voorkomend geval een advies en het verslag van de hoorzitting worden opgenomen en sluiten het openbaar onderzoek af. Binnen een ordetermijn van vijftien dagen die ingaat op de dag na het afsluiten van het openbaar onderzoek bezorgen ze het proces-verbaal schriftelijk aan het agentschap.

Als de gemeente het openbaar onderzoek niet opent binnen de vooropgestelde termijn van dertig dagen, is het aan het agentschap dit openbaar onderzoek op te starten en af te ronden binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9.


Art. 6.1.8. De Vlaamse Regering wint over de voorlopige bescherming het advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als er overeenkomstig artikel 6.1.3, vierde lid, omwille van dringende noodzakelijkheid geen voorafgaand advies werd gevraagd. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van zestig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Art. 6.1.9.

§ 1. Vanaf de dag van de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6, zijn op de onroerende goederen, vermeld in het besluit tot voorlopige bescherming, gedurende een termijn van maximaal 270 dagen de rechtsgevolgen van een bescherming voorlopig van toepassing.

Vanaf de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.5, zijn op de onroerende goederen, vermeld in het besluit tot voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap, gedurende een termijn van maximaal 270 dagen de rechtsgevolgen van een bescherming voorlopig van toepassing.

§ 2. De Vlaamse Regering kan die termijn eenmalig met maximaal negentig dagen verlengen.

Het besluit tot verlenging van de voorlopige bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt aan de zakelijkrechthouders per beveiligde zending ter kennis gebracht overeenkomstig artikel 6.1.6.

Het besluit tot verlenging van de voorlopige bescherming van een cultuurhistorisch landschap wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.


Art. 6.1.10. De rechtsgevolgen van een besluit tot voorlopige bescherming zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.6;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelijkrechthouders, vermeld in artikel 6.1.6;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.5.

Art. 6.1.11. Het besluit tot voorlopige bescherming vervalt van rechtswege als de Vlaamse Regering binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9, geen besluit tot definitieve bescherming genomen heeft.

Onderafdeling 2.
Definitieve bescherming


Art. 6.1.12. De Vlaamse Regering kan over de definitieve bescherming advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Art. 6.1.13. De Vlaamse Regering stelt het besluit tot definitieve bescherming vast.

Art. 6.1.14.

Het besluit tot definitieve bescherming bevat minstens de volgende gegevens :
1° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop de onroerende goederen zich bevinden;
2° de vermelding of het een bescherming van een archeologische site, cultuurhistorisch landschap, monument of stads- of dorpsgezicht betreft met, in voorkomend geval, een overgangszone;
3° de benaming van het beschermde onroerend goed;
4° een beknopte wetenschappelijke beschrijving;
5° de erfgoedwaarden;
6° de erfgoedelementen en de erfgoedkenmerken;
7° de beheersdoelstellingen die de optimale verwezenlijking omschrijven van de waarden die aanleiding gegeven hebben tot de bescherming;
8° bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud;
9° in voorkomend geval bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone.

Bij elk besluit tot definitieve bescherming worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het onroerend goed en in voorkomend geval de overgangszone nauwkeurig wordt afgelijnd;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het onroerend goed;
4° een document waarin het agentschap zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen en in voorkomend geval over de uitgebrachte adviezen en het verslag van de hoorzitting.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve bescherming of in de bijlagen zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 6.1.15. Het besluit tot definitieve bescherming wordt na de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Art. 6.1.16.

Het besluit tot definitieve bescherming van een archeologische site, monument of stads- of dorpsgezicht wordt met bijlagen per beveiligde zending aan de zakelijkrechthouders ter kennis gebracht.

De zakelijkrechthouders die, overeenkomstig het eerste lid, van het besluit tot definitieve bescherming op de hoogte gebracht zijn:
1° brengen de gebruikers van het onroerend goed per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot definitieve bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. De beveiligde zending vermeldt die verplichting;
2° brengen de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het besluit tot definitieve bescherming binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld;
3° brengen het agentschap schriftelijk op de hoogte van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, waarbij de nodige stavingsdocumenten gevoegd zijn, binnen een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving. Die verplichting wordt in de kennisgeving vermeld. De nieuwe zakelijkrechthouders worden op hun beurt, overeenkomstig het eerste lid, op de hoogte gebracht van het besluit.


Art. 6.1.17. Het besluit tot definitieve bescherming wordt per beveiligde zending ter kennis gebracht van de gemeenten op het grondgebied waarvan het beschermde goed ligt.

Art. 6.1.18. De rechtsgevolgen van een besluit tot definitieve bescherming zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelij krechthouders, vermeld in artikel 6.1.16;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15.

Afdeling 2.
Wijzigen en opheffen van een besluit tot definitieve bescherming


Onderafdeling 1.
Wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming


Art. 6.2.1. De Vlaamse Regering kan een besluit tot definitieve bescherming in de volgende gevallen geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen :
1° de erfgoedwaarden van het beschermde goed zijn onherstelbaar aangetast of verloren gegaan;
2° een verplaatsing van het beschermde goed is noodzakelijk voor het behoud van de erfgoedwaarden ervan of is vereist omwille van het algemeen belang;
3° de gehele of gedeeltelijke wijziging of opheffing is vereist omwille van het algemeen belang;
4° het goed beheer vereist de toevoeging van gegevens zoals vermeld in artikel 6.1.14, 7° tot en met 9°.
5° de toevoeging als bijlage van een lijst van cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van een beschermd goed als vermeld in artikel 6.1.4, § 2, tweede lid, 3°, of de aanpassing van een lijst van cultuurgoederen is noodzakelijk.

Art. 6.2.2. De Vlaamse Regering kan in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een bescherming geheel of gedeeltelijk wijzigen of opheffen als dit vereist is omwille van het algemeen belang.

Art. 6.2.3. § 1. In de gevallen, vermeld in artikel 6.2.1, 1° of 3°, kan een besluit tot definitieve bescherming geheel of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven worden onder de voorwaarden en in de vorm die vastgesteld zijn voor een bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

§ 2. Een besluit tot definitieve bescherming kan gewijzigd worden omwille van een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, op gezamenlijk verzoek of na akkoord van de betrokken zakelijkrechthouders van de oorspronkelijke locatie en de locatie waarnaar het beschermd goed wordt verplaatst en onder de voorwaarden en in de vorm die vastgesteld zijn voor een bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.3, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.9, 6.1.10, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

Voorafgaand aan het besluit tot voorlopige wijziging worden volgens artikel 6.1.3 adviezen ingewonnen en worden de zakelijkrechthouders van het beschermd monument of van het onroerend goed dat deel uitmaakt van een beschermde archeologische site of een beschermd stads- of dorpsgezicht en de zakelijkrechthouders van het perceel waar het beschermd goed naar wordt verplaatst op de hoogte gebracht. Aan de verplichtingen, vermeld in artikel 6.1.3, eerste tot en met derde lid, kan niet worden voorbijgegaan volgens artikel 6.1.3, vierde lid.

Het agentschap hoort, in afwijking van artikel 6.1.6, tweede lid, de zakelijkrechthouders op hun verzoek en voorafgaand aan het besluit tot voorlopige wijziging. Het verzoek wordt schriftelijk ingediend bij het agentschap binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging, vermeld in artikel 6.1.3, derde lid.

De zakelijkrechthouders brengen de gebruikers van het onroerend goed en de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen per beveiligde zending op de hoogte van het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging binnen een termijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de kennisgeving van het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging, vermeld in artikel 6.1.3, derde lid.

Voorafgaand aan het besluit tot voorlopige wijziging wordt een openbaar onderzoek georganiseerd onder de voorwaarden en in de vorm, vermeld in artikel 6.1.7. Dat openbaar onderzoek heeft betrekking op de oorspronkelijke locatie en de locatie waarnaar het beschermd goed wordt verplaatst. Als het beschermd goed verplaatst wordt naar een andere gemeente, wordt in beide gemeenten een openbaar onderzoek georganiseerd. De betrokken gemeenten hangen een bericht over het openbaar onderzoek uit op beide plaatsen die aangeduid zijn op het plan dat als bijlage bij het ontwerp van besluit tot voorlopige wijziging is gevoegd en publiceren een bericht op hun website.

In afwijking van artikel 6.1.6 en 6.1.16 worden de zakelijkrechthouders van de oorspronkelijke locatie en de locatie waarnaar het beschermde goed wordt verplaatst, per beveiligde zending op de hoogte gebracht van het besluit tot voorlopige en definitieve wijziging van een besluit tot definitieve bescherming van een archeologische site, een monument of een stads- of dorpsgezicht.

§ 3. In de gevallen, vermeld in artikel 6.2.1, 4° of 5°, kan een besluit tot definitieve bescherming gewijzigd worden als de eigenaar schriftelijk toestemming verleent en als het advies van de Commissie wordt gevraagd. Als de eigenaar geen schriftelijke toestemming verleent, dan gebeurt de wijziging, vermeld in artikel 6.2.1, 4°, onder de voorwaarden en in de vorm die vastgesteld zijn voor de bescherming, vermeld in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18. Als de eigenaar geen schriftelijke toestemming verleent, dan gebeurt de wijziging in het geval, vermeld in artikel 6.2.1, 5°, onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld voor de bescherming, vermeld in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

Onderafdeling 2.
Voorlopige wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming


Art. 6.2.4. De Vlaamse Regering wint over de voorlopige wijziging of opheffing van het besluit tot definitieve bescherming in de gevallen, vermeld onder artikel 6.2.1, 1°, 3°, 4° of 5°, advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies wordt uitgebracht binnen een vervaltermijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de ontvangst van de adviesvraag. Als deze termijn wordt overschreden, wordt het advies geacht gunstig te zijn. De termijn van dertig dagen kan door de Vlaamse Regering eenmalig worden verlengd met dertig dagen op vraag van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Art. 6.2.5.

De Vlaamse Regering stelt het besluit tot voorlopige wijziging of opheffing vast. Het besluit tot voorlopige wijziging of opheffing bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van wijziging of opheffing;
5° in geval van wijziging een beschrijving van de impact op de erfgoedwaarden, een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud en, in voorkomend geval, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone;
6° de aanduiding van de te registeren en te documenteren erfgoedwaarden die verloren gaan;
7° in geval van gedeeltelijke of volledige opheffing de eventuele verplichting om het beschermde goed te verplaatsen of om onderdelen met erfgoedwaarde in een erkend onroerenderfgoeddepot te plaatsen;
8° in geval van wijziging vanwege een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, de maatregelen die nodig zijn voor de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting op een geschikte plaats en de termijnen waarbinnen die maatregelen uitgevoerd moeten zijn.

Bij elk besluit tot voorlopige wijziging of tot gedeeltelijke opheffing worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed en in voorkomend geval de overgangszone na wijziging of gedeeltelijke opheffing nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid; In het geval van een wijziging wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, worden zowel de oorspronkelijke locatie als de locatie waarnaar het beschermd goed wordt verplaatst, nauwkeurig afgelijnd en worden de plaatsen van aanplakking aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed.
4° in geval van een wijziging wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, een document waarin het agentschap zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen en in voorkomend geval over de uitgebrachte adviezen en het verslag van de hoorzitting.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot voorlopige wijziging of opheffing of in de bijlagen zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Onderafdeling 3.
Definitieve wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming


Art. 6.2.6.

Het besluit tot definitieve wijziging of opheffing bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat gewijzigd of opgeheven wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van wijziging of opheffing;
5° in geval van wijziging een beschrijving van de impact op de erfgoedwaarden, een beschrijving van de gevolgen voor de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de gevolgen voor de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud en, in voorkomend geval, de gevolgen voor de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud in de overgangszone;
6° de aanduiding van de te registeren en te documenteren erfgoedwaarden die verloren gaan;
7° in geval van opheffing de eventuele verplichting om het beschermde goed te verplaatsen of om de onderdelen met erfgoedwaarde in een onroerenderfgoeddepot te plaatsen;
8° ...

Bij elk besluit tot definitieve wijziging of tot gedeeltelijke opheffing worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed en in voorkomend geval de overgangszone na wijziging of gedeeltelijke opheffing nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed;
4° een document waarin het agentschap zich uitspreekt over de ingediende bezwaren en opmerkingen en in voorkomend geval over de uitgebrachte adviezen en het verslag van de hoorzitting.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve wijziging of opheffing of in de bijlagen zijn opgenomen nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 6.2.7. Bij een gehele of gedeeltelijke wijziging of opheffing van een besluit tot definitieve bescherming in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.1, 1°, 3°, 4° en 5°, blijven tot de vaststelling van het besluit tot definitieve wijziging of opheffing de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht. De rechtsgevolgen van een besluit tot wijziging of opheffing zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelijkrechthouders, vermeld in artikel 6.1.16;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15.

Art. 6.2.8. § 1. Bij een wijziging van een besluit tot definitieve bescherming wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, blijven, met behoud van de toepassing van de rechtsgevolgen, vermeld in artikel 6.1.9, de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht tot de definitieve wijziging van het beschermingsbesluit wegens een verplaatsing.

In afwijking van artikel 6.1.9, § 2, kan de Vlaamse Regering de termijn, vermeld in artikel 6.1.9, § 1, eenmalig verlengen met maximaal 270 dagen.

Het verkrijgen van een toelating of vergunning voor de ontmanteling en de verplaatsing van het onroerend goed schorst de termijn, vermeld in artikel 6.1.9 en eventueel verlengd overeenkomstig het tweede lid.

§ 2. Het besluit tot voorlopige wijziging vervalt van rechtswege als:
1° er geen toelating of vergunning voor de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting van het onroerend goed verleend is binnen de termijn, vermeld in artikel 6.1.9 en eventueel verlengd overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid;
2° de verwezenlijking van de toegelaten of vergunde handelingen niet wordt gestart binnen de twee jaar na het verlenen van de toelating of vergunning.

De termijn van twee jaar, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt geschorst in de gevallen, vermeld in artikel 101 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Afdeling 3.
Informatie over beschermde goederen


Onderafdeling 1.
Databank van beschermde goederen


Art. 6.3.1.

Het agentschap stelt een databank van beschermd onroerend erfgoed digitaal beschikbaar. Deze databank bevat de voorlopige en definitieve erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten en de wijzigings- en opheffingsbesluiten genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en hoofdstuk 6 van dit decreet.

De entiteit die door de Vlaamse Regering belast is met de handhaving houdt een databank bij van elk proces-verbaal dat wordt opgemaakt voor inbreuken en misdrijven op dit decreet, het verdere gevolg dat aan die processen-verbaal wordt gegeven en de uitvoering van eventuele herstelmaatregelen. Deze databank en de inhoud ervan worden beschouwd als een bestuursdocument, vermeld in artikel I.4, 3°, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018. Onverminderd titel II, hoofdstuk 3, afdeling 4, van het Bestuursdecreet van 7 december 2018 krijgen de personen, vermeld in artikel 6.4.8, eerste lid, op eerste verzoek onmiddellijk toegang tot de benodigde documenten uit deze databank.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de op te nemen informatie in de databanken, vermeld in het eerste en tweede lid, voor de integratie van beide databanken en voor beveiligingsmaatregelen.


Onderafdeling 2.
Herkenningsteken


Art. 6.3.2.

Er kan een herkenningsteken worden aangebracht op beschermde goederen.

De Vlaamse Regering stelt de modellen van het herkenningsteken voor beschermde archeologische sites, beschermde monumenten, beschermde cultuurhistorische landschappen en beschermde stads- en dorpsgezichten vast.


Afdeling 4.
Rechtsgevolgen van een bescherming


Onderafdeling 1.
Actiefbehoudsbeginsel


Art. 6.4.1. De zakelijkrechthouders en gebruikers van een beschermd goed behouden het in goede staat door de nodige instandhoudings-, beveiligings-, beheers-, herstellings- en onderhoudswerken.

Art. 6.4.2. De Vlaamse Regering stelt de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vast. Deze zijn slechts van toepassing voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit.

Onderafdeling 2.
Passiefbehoudsbeginsel


Art. 6.4.3. Het is verboden beschermde goederen te ontsieren, te beschadigen, te vernielen of andere handelingen te stellen die de erfgoedwaarde ervan aantasten.

Onderafdeling 3.
Handelingen aan of in beschermde goederen


Art. 6.4.4. § 1. Handelingen aan of in beschermde goederen opgelijst door de Vlaamse Regering of opgenomen in het beschermingsbesluit waarvoor geen omgevingsvergunning of geen vergunning, geen toelating, geen machtiging, geen ontheffing of geen afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, kunnen niet worden aangevat zonder toelating van het agentschap of, in voorkomend geval, van de erkende onroerenderfgoedgemeente waar het beschermde goed ligt tenzij zij zijn vrijgesteld in een overeenkomstig artikel 8.1.1 goedgekeurd beheersplan.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het aanvragen en afleveren van de toelating.

§ 2. Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden vereist is, wint de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van de VCRO of het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 4.3.3 en 4.3.4 van de VCRO. Het advies toetst de voorliggende handelingen aan het actief- en passiefbehoudsbeginsel alsook aan de bepalingen van het individuele beschermingsbesluit van het betrokken onroerend erfgoed.

§ 3. Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vereist is, wint de vergunningverlenende overheid in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Als voor handelingen aan of in beschermde goederen een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vereist is, wint de overheid die de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking verleent in eerste aanleg advies in bij het agentschap overeenkomstig de procedurebepalingen van het Bosdecreet van 13 juni 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

Het advies van het agentschap, vermeld in het eerste en tweede lid, toetst de voorliggende handelingen aan het actief- en passiefbehoudsbeginsel alsook aan de bepalingen van het individuele beschermingsbesluit  en in voorkomend geval aan de beheersdoelstellingen, opgenomen in het goedgekeurde beheersplan van het betrokken onroerend erfgoed.

Het advies van het agentschap, vermeld in het eerste en tweede lid, heeft de volgende rechtsgevolgen :
1° als uit het advies blijkt dat het aangevraagde strijdig is met direct werkende normen binnen het beleidsveld onroerend erfgoed of als dergelijke strijdigheid manifest reeds uit het aanvraagdossier blijkt, wordt de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking geweigerd of worden in de aan de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking verbonden voorwaarden waarborgen opgenomen met betrekking tot de naleving van de regelgeving betreffende het onroerend erfgoed. Onder « direct werkende normen » wordt verstaan : supranationale, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die op zichzelf volstaan om toepasbaar te zijn, zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is;
2° als uit het advies blijkt dat het aangevraagde onwenselijk is in het licht van doelstellingen of zorgplichten die gehanteerd worden binnen het beleidsveld onroerend erfgoed kan de vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking worden geweigerd. Onder « doelstellingen of zorgplichten » wordt verstaan : internationaalrechtelijke, Europeesrechtelijke, wetskrachtige, reglementaire of beschikkende bepalingen die de overheid bij de uitvoering of de interpretatie van de regelgeving of het voeren van een beleid verplichten tot de inachtneming van een bepaalde doelstelling of van bepaalde voorzorgen, zonder dat deze op zichzelf beschouwd voldoende juridisch duidelijk zijn om onmiddellijk te kunnen worden uitgevoerd.

§ 4. Weigeringen van toelatingen voor de aanleg van elementen van elektronische-communicatienetwerken met hoge snelheid zijn met redenen omkleed op basis van objectieve, transparante, niet-discriminerende en evenredige criteria.

Elektronische-communicatienetwerken met hoge snelheid zijn transmissiesystemen, schakel- of routeringsapparatuur en andere middelen, zoals niet-actieve netwerkelementen, die het mogelijk maken signalen over te brengen en breedbandtoegangsdiensten te leveren met een snelheid van minstens 30 Mbps via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische middelen, zoals satellietnetwerken, vaste en mobiele terrestrische netwerken, elektriciteitsnetten, als die voor de overdracht van signalen worden gebruikt, netwerken voor de transmissie van radio-omroep en televisie, ongeacht de aard van de overgebrachte informatie. Vaste terrestrische netwerken omvatten circuit- en pakketgeschakelde netwerken, met inbegrip van internet.

Art. 6.4.5. De cultuurgoederen die opgenomen zijn in een besluit tot bescherming van een monument, mogen niet buiten het monument worden verplaatst zonder toelating van het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

Art. 6.4.6.

Als het agentschap of de erkende onroerenderfgoedgemeente de toelating toekent, weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de aanvrager, het agentschap of iedere belanghebbende een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Elke instantie die een administratief beroep behandelt over een beslissing tot toekenning of weigering van een omgevingsvergunning; een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juli 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, wint advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed in zoverre het verzoekschrift middelen opwerpt over het advies van het agentschap, vermeld in artikel 6.4.4, § 2 en § 3, of de behandeling van dat advies door de vergunningverlenende overheid. De Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bezorgt het advies overeenkomstig de procedurebepalingen van de betreffende decreten aan de Vlaamse Regering of de instantie die het administratief beroep behandelt. Als het uitvoeren van de vergunning ernstige schade kan toebrengen aan een beschermd goed, kan de Vlaamse Regering het advies van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed bindend verklaren.

Het administratief rechtscollege dat jurisdictionele beroepen behandelt over beslissingen tot toekenning of weigering van een omgevingsvergunning; een vergunning, toelating, machtiging, ontheffing of afwijking overeenkomstig het Bosdecreet van 13 juli 1990 of het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu kan advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed als het verzoekschrift middelen opwerpt over de toekenning of weigering van een toelating van handelingen aan of in beschermde goederen.

De Vlaamse Regering regelt de administratieve beroepsprocedure en adviesprocedure, vermeld in het eerste, tweede en derde lid.


Art. 6.4.7.

De sloop van een beschermd monument is verboden.

De Vlaamse Regering kan een toelating verlenen voor de gedeeltelijke sloop van een beschermd monument en voor de gehele of gedeeltelijke sloop of voor het optrekken, plaatsen of herbouwen van een gebouw of constructie in een beschermd stads- en dorpsgezicht als dat de erfgoedwaarde ervan niet wezenlijk aantast. De toelating vermeldt de voorwaarden waaronder de sloop en het optrekken, plaatsen of herbouwen van het gebouw of de constructie worden toegelaten.

De Vlaamse Regering kan bij een wijziging van het besluit tot definitieve bescherming wegens een verplaatsing als vermeld in artikel 6.2.1, 2°, na de vaststelling van het besluit tot voorlopige wijziging een toelating verlenen voor de gehele sloop van een beschermd goed. De toelating vermeldt de voorwaarden waaronder de ontmanteling, de verplaatsing en de heroprichting worden toegelaten.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.


Onderafdeling 4.
Informatieplicht met betrekking tot publiciteit


Art. 6.4.8.

Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een beschermd goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht vestigt of overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de hieraan verbonden publiciteit dat het onroerend goed beschermd is en de rechtsgevolgen die aan de bescherming verbonden zijn.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels vaststellen voor de vorm en de modaliteiten van de vermeldingen in de publiciteit en voor de vrijstelling van deze bepalingen voor bepaalde vormen van publiciteit.


Onderafdeling 5.
Informatieplicht onderhandse en authentieke akten


Art. 6.4.9.

Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een beschermd goed verkoopt, verhuurt voor meer dan negen jaar, inbrengt in een vennootschap, een erfpacht of een opstalrecht vestigt of overdraagt of op andere wijze de eigendomsoverdracht met een vergeldend karakter van het goed bewerkstelligt, vermeldt in de onderhandse of authentieke akte dat het onroerend goed beschermd is en de rechtsgevolgen die aan de bescherming verbonden zijn door een verwijzing naar hoofdstuk 6 van dit decreet en het beschermingsbesluit in de akte op te nemen. De instrumenterend ambtenaar meldt de overdracht aan het agentschap.

Als de instrumenterend ambtenaar een onderhandse akte in een authentieke akte dient op te nemen, waarbij de eerste niet beantwoordt aan de voorschriften van het eerste lid, dan wijst hij de partijen bij de opmaak van de akte op het eerste lid.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels voor de informatieplicht bepalen.


Onderafdeling 6.
Onteigening


Art. 6.4.10.

De Vlaamse Regering en de gemeente op het grondgebied waarvan het beschermd goed ligt, kunnen om redenen van algemeen nut overgaan tot onteigening van een beschermd goed als dat dreigt te vervallen, te worden beschadigd of te worden vernield.

Een autonoom gemeentebedrijf kan door de gemeenteraad van de gemeente op wiens grondgebied het voorwerp van de onteigening zich bevindt, hiertoe gemachtigd worden.


Afdeling 5.
Erfgoedlandschappen


Art. 6.5.1. Op basis van de onroerenderfgoedrichtplannen, vermeld in artikel 7.1.1, of van een vastgestelde inventaris, vermeld in artikel 4.1.1, kunnen in ruimtelijke uitvoeringsplannen erfgoedlandschappen worden afgebakend.

Art. 6.5.2.

Iedereen die werken en handelingen verricht of daarvoor de opdracht verleent, neemt zo veel mogelijk zorg in acht voor de erfgoedwaarden van een erfgoedlandschap, zoals bepaald in het plan dat van toepassing is.

De Vlaamse Regering kan hierover de nadere regelen bepalen.


Art. 6.5.3.

De administratieve overheid mag geen werkzaamheden en handelingen ondernemen, noch toestemming of een vergunning verlenen voor een activiteit die een erfgoedlandschap geheel of gedeeltelijk kan vernietigen of die een betekenisvolle schade kan veroorzaken aan de erfgoedwaarden ervan.

De administratieve overheid moet in al haar beslissingen over eigen werken, over het verlenen van een opdracht daarvoor of over een eigen plan of verordening die een erfgoedlandschap nadelig kunnen beïnvloeden :
1° voorkomen dat aan erfgoedwaarden ervan, zoals bepaald in de vastgestelde landschapsatlas of in het onroerenderfgoedrichtplan dat van toepassing is, schade wordt veroorzaakt;
2° betekenisvolle schade aan de erfgoedwaarden zo veel mogelijk beperken door schadebeperkende maatregelen te nemen.

De administratieve overheid geeft in al haar beslissingen aan hoe ze rekening heeft gehouden met de verplichtingen van dit artikel.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


Art. 6.5.4. Deze afdeling doet geen afbreuk aan strengere voorschriften voor beschermde goederen.

HOOFDSTUK 7.
Onroerenderfgoedrichtplannen


Art. 7.1.1. De Vlaamse Regering kan per thema of gebied een onroerenderfgoedrichtplan opstellen. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

Art. 7.1.2. Een onroerenderfgoedrichtplan biedt onder andere op basis van de gegevens die opgenomen zijn in een inventaris als vermeld in artikel 4.1.1 vanuit de erfgoedwaarden een visie op de toekomstige ontwikkeling van de betrokken onroerende goederen binnen het thema of gebied, verduidelijkt de aandachtspunten uit het onroerenderfgoedbeleid en formuleert beheers- en ontwikkelingsdoelstellingen.

Art. 7.1.3. Een onroerenderfgoedrichtplan kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden herzien. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen.

Art. 7.1.4. De onroerenderfgoedrichtplannen zijn de sectorale voorstellen voor inrichtingsplannen en ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Art. 7.1.5.

Aan een onroerenderfgoedrichtplan kan een actieprogramma worden gekoppeld. De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen. De Vlaamse Regering verbindt er zich toe een actieprogramma uit te voeren.

Een actieprogramma onroerend erfgoed somt de instrumenten en middelen op die ter beschikking staan van de administratieve overheden en die vanuit onroerenderfgoedoogpunt nuttig of noodzakelijk zijn om de toekomstvisie, aandachtspunten en beheersdoelstellingen uit het onroerenderfgoedrichtplan te verwezenlijken.


HOOFDSTUK 8.
Beheer van onroerend erfgoed


Art. 8.1.1.

§ 1. Om de beheersdoelstellingen te verwezenlijken, kan voor onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen door de zakelijkrechthouder of de gebruiker een beheersplan worden opgesteld.

De Vlaamse Regering kan onroerende goederen aanwijzen waarvoor de opmaak door de zakelijkrechthouder van een beheersplan verplicht is.

Het agentschap kan een beheersplan goedkeuren.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak, de goedkeuring, de aanpassing en de uitvoering van beheersplannen.

§ 2. Als het agentschap de goedkeuring van een beheersplan weigert of er voorwaarden aan koppelt, kan de aanvrager ervan een georganiseerd administratief beroep instellen bij de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering kan over het beroepschrift advies inwinnen bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


Art. 8.1.2.

De opmaak en de uitvoering van een beheersplan voor onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen kunnen worden begeleid door een beheerscommissie.

De Vlaamse Regering kan onroerende goederen aanduiden waarvoor de oprichting van een beheerscommissie verplicht is.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de oprichting, de samenstelling en de werking van beheerscommissies.


Art. 8.1.3.

Als voor een onroerend goed naast een beheersplan als vermeld in artikel 8.1.1 ook een natuurbeheerplan in het kader van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu wordt opgemaakt, worden alle beheersdoelstellingen voor dat onroerend goed in één plan geïntegreerd.

De Vlaamse Regering kan daarvoor de nadere regels bepalen en afwijken of in een aanvulling voorzien van wat daarvoor is voorzien in dit decreet, in het Bosdecreet van 13 juni 1990 of in het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.


HOOFDSTUK 9.
Prijzen


Art. 9.1.1.

De Vlaamse Regering kan prijzen toekennen voor verwezenlijkingen op het gebied van beschermd onroerend erfgoed of erfgoedlandschappen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


HOOFDSTUK 10.
Financiering onroerenderfgoedzorg


Afdeling 1.
Subsidies


Art. 10.1.1.

De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten :
1° samenwerkingsovereenkomsten sluiten met erkende intergemeentelijke onroerenderfgoeddiensten, Regionale Landschappen en erkende onroerenderfgoeddepots en in het kader daarvan subsidies toekennen;
2° beheersovereenkomsten sluiten met de zakelijkrechthouder of de beheerder van een archeologische site, monument, een of meer percelen in een cultuurhistorisch landschap, stads- of dorpsgezicht of erfgoedlandschap en in het kader van de beheersovereenkomst subsidies toekennen;
3° projectsubsidies toekennen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


Afdeling 2.
Premies


Art. 10.2.1.

De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de daartoe op de begroting van de Vlaamse Gemeenschap beschikbare kredieten :
1° premies toekennen voor werkzaamheden aan of in beschermde goederen en in erfgoedlandschappen;
2° meerjarenpremieovereenkomsten sluiten voor grote en langdurige werken aan of in beschermd onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen;
3° ...
4° premies toekennen voor beheer van beschermd onroerend erfgoed en erfgoedlandschappen;
5° premies toekennen voor het beheer van onroerend erfgoed waarvoor een beheersplan is goedgekeurd overeenkomstig artikel 8.1.1;
6° premies toekennen voor maatregelen ten behoeve van de algemene landschapszorg, opgenomen in een goedgekeurd actieprogramma onroerend erfgoed;
7° premies toekennen voor archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem bij vergunningsplichtige ingrepen in de bodem;
8° premies toekennen bij een buitensporige directe kost van de verplicht uit te voeren archeologische opgraving zoals opgenomen in de archeologienota of de nota waarvan akte is genomen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.


Art. 10.2.2. De premies van het Vlaamse Gewest bedragen minstens 40% van de kostprijs van de voor financiële ondersteuning in aanmerking komende beheersmaatregelen, werkzaamheden of diensten aan of in beschermde goederen en erfgoedlandschappen.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels hiervoor en bepaalt de gevallen waarin een verhoogd premiepercentage of een aanvullende premie kan toegekend worden.

Art. 10.2.3. De premies toegekend in het kader van meerjarenpremieovereenkomsten zoals vermeld in artikel 10.2.1, eerste lid, 2°, worden vastgelegd op jaarbasis.

Afdeling 3.
Archeologie


Onderafdeling 1.
Archeologisch vooronderzoek en archeologische opgraving


Art. 10.3.1. Tenzij het anders overeengekomen is, worden de kosten van het archeologisch vooronderzoek en de archeologische opgraving gedragen door de aanvrager van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of het verkavelen van gronden zoals bedoeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2.

Onderafdeling 2.
Toevalsvondsten


Art. 10.3.2. De kosten van onderzoek na een toevalsvondst als vermeld in artikel 5.1.4 worden gedragen door het Vlaamse Gewest.

Art. 10.3.3.

De zakelijkrechthouder of de gebruiker van een onroerend goed kunnen een vergoeding vorderen voor schade ten gevolge van de verplichtingen, vermeld in artikel 5.1.4, als de schade voortvloeit uit de verlenging van de termijn van tien dagen en als de totale termijn dertig dagen overschrijdt.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van de schadevergoedingsplicht.

De zakelijkrechthouder en de gebruiker kunnen geen schadevergoeding vorderen als ze de toevalsvondst niet overeenkomstig artikel 5.1.4 hebben gemeld.


Onderafdeling 3.
Archeologisch solidariteitsfonds


Art. 10.3.4. De Vlaamse Regering kan een archeologisch solidariteitsfonds erkennen als het minstens voldoet aan de volgende voorwaarden :
1° het archeologisch solidariteitsfonds wordt opgericht in de vorm van een vereniging zonder winstoogmerk;
2° zowel natuurlijke personen als privaatrechtelijke en publiekrechtelijke rechtspersonen kunnen lid worden van het archeologisch solidariteitsfonds;
3° het archeologisch solidariteitsfonds legt zijn leden, op straffe van uitsluiting, de betaling van een bijdrage op waarvan de berekeningswijze overeengekomen wordt tussen het archeologisch solidariteitsfonds en de Vlaamse Regering. De bijdrage is afhankelijk van de mate waarin het lid als initiatiefnemer of als aannemer van diensten of werken voor rekening van derden activiteiten uitvoert die gepaard gaan met bodemingrepen;
4° het archeologisch solidariteitsfonds vergoedt zijn leden of de natuurlijke personen of rechtspersonen waarvoor zijn leden optreden als architect, aannemer van werken of erkende archeoloog, voor een deel van de kosten die gepaard gaan met archeologische opgravingen die worden uitgevoerd in overeenstemming met afdeling 4 van hoofdstuk 5. De voorwaarden hiervan worden opgenomen in een overeenkomst tussen het archeologisch solidariteitsfonds en de Vlaamse Regering.

Art. 10.3.5. Een erkend archeologisch solidariteitsfonds ontvangt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, een toelage van het Vlaamse Gewest die onder andere kan worden aangewend voor de werking van het fonds. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de berekeningswijze van de toelage op basis van een rapporteringsmechanisme, de wijze van toekenning en uitbetaling en controlemaatregelen.

[Afdeling 4.
Bijkomende voorwaarden voor financiering (ing. Decr. 15 juli 2016, art. 42, I: 1 januari 2017)]


Art. 10.4.1. Er worden geen premies, subsidies of toelagen verleend aan ondernemingen die op de indieningsdatum:
1° achterstallige schulden hebben bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
2° in moeilijkheden zijn als vermeld in artikel 2, 18, van de Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;
3° een procedure op basis van Europees of nationaal recht hebben lopen waarbij toegekende steun wordt teruggevorderd.

Art. 10.4.2. Er kan nooit aanspraak gemaakt worden op premies voor de uitvoering van werkzaamheden of diensten waartoe een aanvrager al gehouden is op grond van zijn deelname aan een misdrijf of inbreuk.

Als er premies uitgekeerd zijn om schade te herstellen die het gevolg is van een misdrijf of inbreuk, kunnen ze teruggevorderd worden van diegenen die door hun deelname aan het misdrijf of de inbreuk die schade mee hebben veroorzaakt.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels daarvoor.

[Afdeling 5.
Fiscale stimulansen (ing. Decr. 21 april 2017, art. 2, I: 14 mei 2017)]


Art. 10.5.1. Als voor een onroerend goed aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, is voldaan, levert het agentschap een attest af aan de Vlaamse Belastingdienst met afschrift aan de begiftigden, met vermelding dat aan de voormelde voorwaarden is voldaan.

Het attest, vermeld in het eerste lid, kan niet meer worden afgeleverd als het beschermde monument is vervreemd onder de levenden binnen vijf jaar na de datum van de schenkingsakte en voordat aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.4.4.1, hetzij § 1, hetzij § 3, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, is voldaan. Die vervreemding wordt door de instrumenterende ambtenaar gemeld aan het agentschap.

Art. 10.5.2. Het verschil tussen het verkooprecht, geheven met toepassing van artikel 2.9.4.2.10, § 1, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, en het verkooprecht, verschuldigd bij gebrek aan toepassing van hetzelfde artikel, wordt geacht als subsidie te zijn verleend.

De subsidie wordt geacht te zijn toegekend onder de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, van het voormelde decreet.

Op straffe van verval van de subsidie bezorgen de verkrijgers binnen een termijn van 180 dagen, die ingaat op de dag na het verstrijken van de termijn van vijf jaar, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, 1°, van het voormelde decreet, de facturen en andere gegevens aan het agentschap waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, van het voormelde decreet. Het agentschap stelt daarvoor een modelformulier ter beschikking op zijn website.

Elke vervreemding onder de levenden van het beschermde monument, die plaatsvindt voordat de verkrijgers van de subsidie hebben voldaan aan de voorwaarden, vereist voor het behoud van de subsidie, vermeld in artikel 2.9.4.2.10, § 2, van het voormelde decreet, heeft tot gevolg dat de subsidie wordt teruggevorderd door het agentschap. Die vervreemding wordt door de instrumenterende ambtenaar gemeld aan het agentschap.

In geval van verval als vermeld in het derde lid of van een vervreemding als vermeld in het vierde lid, zijn de verkrijgers verplicht de verkregen subsidie, verhoogd met de wettelijke interest, terug te betalen. De interest wordt berekend vanaf de datum van het verlijden van de authentieke akte van verkrijging. Als de subsidie is verkregen door verschillende verkrijgers, zijn ze hoofdelijk gehouden tot de terugbetaling.

HOOFDSTUK 11.
Handhaving


Afdeling 1.
Handhavingsbeleid Onroerend Erfgoed


Art. 11.1.1.

Met inachtneming van de prerogatieven van de bevoegde overheden is de Vlaamse Regering belast met de coördinatie en de inhoudelijke invulling van het handhavingsbeleid inzake Onroerend Erfgoed.

De Vlaamse Regering stelt daartoe een handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed vast op grond van een ontwerp, opgemaakt door de gewestelijke entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de handhaving van dit decreet. Het handhavingsprogramma blijft gelden zolang het niet geheel of gedeeltelijk wordt herzien.

Het handhavingsprogramma bepaalt de handhavingsprioriteiten van de gewestelijke entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de handhaving van dit decreet. Het kan ook aanbevelingen bevatten inzake de handhaving van het Onroerend Erfgoed op gemeentelijk niveau en de samenwerking met en tussen de betrokken beleidsniveaus.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de inhoud, de opstelling en verspreiding van het handhavingsprogramma Onroerend Erfgoed.


Art. 11.1.2.

Jaarlijks stelt de gewestelijke entiteit die door de Vlaamse Regering belast wordt met de handhaving van dit decreet een handhavingsrapport Onroerend Erfgoed op.

Het handhavingsrapport Onroerend Erfgoed omvat minstens de volgende onderdelen :
1° een algemene evaluatie van het in het afgelopen kalenderjaar gevoerde handhavingsbeleid inzake Onroerend Erfgoed;
2° een specifieke evaluatie van de inzet van de afzonderlijke handhavingsinstrumenten;
3° een overzicht van de gevallen waarin, binnen de gestelde termijn, geen uitspraak werd gedaan over de beroepen tegen besluiten houdende bestuurlijke maatregelen;
4° een evaluatie van de beslissingspraktijk van de parketten inzake het al dan niet strafrechtelijk behandelen van een vastgesteld misdrijf Onroerend Erfgoed;
5° een inventaris van de inzichten die tijdens de handhaving werden opgedaan en die kunnen worden aangewend ter verbetering van de regelgeving, beleidsvisies en beleidsuitvoering inzake Onroerend Erfgoed;
6° aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van het handhavingsbeleid inzake Onroerend Erfgoed.

De gewestelijke entiteit deelt het rapport mee aan de Vlaamse Regering.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de inhoud, de opstelling en de verspreiding van het rapport.


Afdeling 2.
Sancties


Onderafdeling 1.
Basisbepalingen


Art. 11.2.1. De in artikel 11.2.2, eerste lid 1° tot en met 8°, en artikel 11.2.2, eerste lid, 11°, bepaalde misdrijven worden gestraft door de strafrechter. De in artikel 11.2.4 bepaalde inbreuken worden gestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De in artikel 11.2.2, eerste lid, 9° en 10°, bepaalde misdrijven worden bestraft door de strafrechter of met een alternatieve bestuurlijke geldboete.

Onderafdeling 2.
Misdrijven Onroerend Erfgoed


Art. 11.2.2.

De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met een geldboete van 26 euro tot 400.000 euro of met een van die straffen alleen :
1° het slopen van een in de vastgestelde inventaris bouwkundig erfgoed opgenomen onroerend goed zonder over de daartoe vereiste uitvoerbare stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen te beschikken;
2° het niet naleven van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud van een voorlopige of definitieve bescherming of het niet naleven van de verplichtingen, vermeld in artikel 6.1.4, § 2, eerste lid, 8° en 9°, artikel 6.1.14, eerste lid, 8° en 9°, artikel 6.2.5, eerste lid, 7° en 8°, en artikel 6.2.6, eerste lid, 7°;
3° het uitvoeren van overeenkomstig artikel 6.4.4, 6.4.5 of 6.4.7 aan een toelating, stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, milieuvergunning, omgevingsvergunning, machtiging, ontheffing of afwijking onderworpen handeling zonder of in strijd met de toelating, stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, milieuvergunning, omgevingsvergunning, machtiging, ontheffing of afwijking;
4° het uitvoeren van de handelingen, vermeld in artikel 5.1.3, zonder uitvoerbare toelating of in strijd met de code van goede praktijk, de voorwaarden of maatregelen van de toelating, de bekrachtigde archeologienota, de archeologienota waarvan akte is genomen, de bekrachtigde nota of de nota waarvan akte is genomen;
5° het niet aangeven van een toevalsvondst overeenkomstig de bepalingen van artikel 5.1.4 of het niet naleven van de verplichtingen bepaald in dit artikel;
6° het niet naleven van het actiefbehoudsbeginsel, vermeld in artikel 5.2.1, 6.4.1 en 6.4.2;
7° het niet naleven van het passiefbehoudsbeginsel, vermeld in artikel 5.1.1 en 6.4.3;
8° het in stand houden van schade aan erfgoedwaarden, veroorzaakt door de misdrijven, vermeld in dit lid;
9° het voortzetten van handelingen in strijd met het stakingsbevel, bepaald in artikel 11.5.5, tenzij het stakingsbevel ondertussen ingevolge het uitblijven van de bekrachtiging, vermeld in artikel 11.5.5, § 3, is vervallen;
10° het gebruiken van detectoren in strijd met de bepalingen van artikel 5.1.2;
11° het toestaan of aanvaarden door de zakelijkrechthouder dat een van de misdrijven, vermeld in dit lid, wordt gepleegd of in stand gehouden.

De minimumstraffen zijn een gevangenisstraf van vijftien dagen en een geldboete van 2.000 euro of een van die straffen alleen als een misdrijf als vermeld in het eerste lid wordt begaan binnen een termijn van twee jaar na de uitspraak van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest houdende veroordeling wegens een van de misdrijven, vermeld in het eerste lid.


Art. 11.2.3.

De dagvaarding is maar ontvankelijk na de overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet.

Een afschrift van de dagvaarding en de eindbeslissing wordt verstuurd aan de gemeente.


Onderafdeling 3.
Inbreuken Onroerend Erfgoed


Art. 11.2.4.

§ 1. De volgende handelingen of nalatigheden worden bestraft met een exclusieve bestuurlijke geldboete van maximaal 10.000 euro :
1° het niet naleven van de informatieplichten, vermeld in artikel 4.1.11, 6.4.8, 6.4.9, 11.4.5, § 2, tweede en derde lid, en artikel 11.5.9, § 2;
2° a) het niet melden door de aangestelde archeoloog van een archeologienota, als vermeld in artikel 5.4.8 en 5.4.12;
b) het niet melden van een nota, als vermeld in artikel 5.4.16;
c) het niet melden van de aanvang van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, als vermeld in artikel 5.4.14 en 5.5.4, eerste lid;
d) het niet tijdig bezorgen van een archeologierapport, als vermeld in artikel 5.4.20 en 5.5.4, tweede lid;
e) het niet tijdig bezorgen en publiceren van een eindverslag, als vermeld in artikel 5.4.21 en 5.5.4, derde lid;
f) het niet melden van de aanvang van een archeologische opgraving, als vermeld in artikel 5.4.10, 5.4.18 en 5.5.4, eerste lid;;
3° het niet naleven van de plicht tot kennisgeving aan de gebruikers van het onroerend goed en aan de zakelijkrechthouders van de cultuurgoederen, vermeld in artikel 6.1.6, derde lid, 1° en 2°, en artikel 6.1.16, tweede lid, 1° en 2° ;
4° het niet melden van een wijziging van bewaarplaats of zakelijk rechthouder, als vermeld in artikel 5.2.2, en het niet melden van het voornemen, als vermeld in artikel 5.2.3.

Een exclusieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk. Zij wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. De hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van de inbreuk en eventuele verkregen vermogensvoordelen.

§ 2. Voor de toepassing van dit decreet worden schendingen van artikel 6.5.2 gelijkgesteld met inbreuken, zonder dat zij aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.

§ 3. Op vraag van de vermoedelijke overtreder, kan de boete worden opgelegd met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen. Aan dit uitstel kan de voorwaarde worden gekoppeld van het feitelijk herstel van de door de inbreuk veroorzaakte schade in een originele, goede staat binnen de termijn van de proefperiode.

Het uitstel wordt van rechtswege herroepen als gedurende de proeftijd een nieuw misdrijf of een nieuwe inbreuk in de zin van dit decreet is gepleegd, met een veroordeling tot een straf of het opleggen van een bestuurlijke geldboete tot gevolg.

Als het aan het uitstel gekoppelde feitelijk herstel niet of niet volledig werd uitgevoerd binnen de proefperiode, kan de inspecteur Onroerend Erfgoed besluiten tot het herroepen van het uitstel. Deze beslissing wordt genomen met inachtneming van de procedure, vermeld in artikel 11.2.5, met dien verstande dat het voornemen tot herroeping van het uitstel aan de overtreder moet worden meegedeeld binnen het jaar na afloop van de proefperiode.


Art. 11.2.5.

§ 1. Na de ontvangst van een verslag van vaststelling bedoeld in artikel 11.3.4 of een proces-verbaal, bedoeld in artikel 11.3.3, waaruit het bestaan van een inbreuk blijkt, kan de inspecteur Onroerend Erfgoed binnen een termijn van zestig dagen de vermoedelijke overtreder of overtreders per beveiligde zending op de hoogte brengen van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen. De vermoedelijke overtreder wordt uitgenodigd om binnen een termijn van dertig dagen die volgt op de betekening van dit bericht schriftelijk zijn verweer mee te delen. De mededeling wordt vergezeld van het verslag of proces-verbaal waarop het opleggen van een bestuurlijke geldboete berust.

Tevens wordt de verzoeker erop gewezen dat hij mondeling zijn schriftelijk verweer kan toelichten. De vermoedelijke overtreder richt daartoe aan de inspecteur Onroerend Erfgoed een aanvraag binnen dertig dagen na de betekening.

De inspecteur Onroerend Erfgoed, bedoeld in deze paragraaf, mag nooit zelf de auteur zijn van het verslag of het proces-verbaal van vaststelling. Hij kan deze laatste wel verzoeken om aanvullende inlichtingen te verstrekken, of zelf bijkomende vaststellingen verrichten.

§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het bericht beslist de inspecteur Onroerend Erfgoed over het opleggen van een bestuurlijke geldboete. Deze beslissing wordt per beveiligde zending aan de vermoedelijke overtreder betekend binnen een termijn van tien dagen na de dag waarop zij werd genomen. Het verstrijken van één van deze termijnen maakt het opleggen van een bestuurlijke geldboete voor de inbreuk, zoals ze bleek uit het verslag van vaststelling of het proces-verbaal, onmogelijk.

§ 3. Met inachtneming van de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vermeldt de beslissing minstens het eventueel opgelegde bedrag, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden van het beroep, alsmede de termijn waarbinnen en de manier waarop de exclusieve bestuurlijke geldboete moet worden betaald.

§ 4. Binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de datum waarop de beslissing van de inspecteur Onroerend Erfgoed tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete aan de vermoedelijke overtreder ter kennis wordt gebracht, kan degene aan wie de boete werd opgelegd, beroep indienen bij het handhavingscollege, vermeld in artikel 16.4.19 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, volgens de procedure voorgeschreven in hoofdstuk 3, afdelingen 1 en 2, en hoofdstuk 4, afdelingen 1 en 2, van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Het beroep schorst de bestreden beslissing.

§ 5. De vordering tot betaling van de bestuurlijke geldboete verjaart na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop de in paragraaf 2 bedoelde beslissing is opgenomen. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Bij gebrek aan voldoening van de bestuurlijke geldboete en toebehoren vaardigt de inspecteur Onroerend Erfgoed een dwangbevel uit. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe is aangewezen door de Vlaamse Regering.

Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of ter kennis gebracht per beveiligde zending.

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing.

§ 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt de betekening per beveiligde zending geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van dit artikel.


Onderafdeling 4.
Alternatieve bestuurlijke geldboete voor bepaalde misdrijven


Art. 11.2.6.

§ 1. Bij de vaststelling van een misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, bezorgt de verbalisant samen met het proces-verbaal een schriftelijk verzoek aan de procureur des Konings, waarin deze laatste gevraagd wordt zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°. De verbalisant bezorgt, voor zover als mogelijk, de procureur des Konings tevens een overzicht van zowel de vroegere als de tegelijkertijd met het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, vastgestelde andere misdrijven en inbreuken, bepaald door dit decreet.

§ 2. De procureur des Konings beschikt voor een beslissing over het verzoek over een periode van honderdtachtig dagen, te rekenen vanaf de dag waarop hij het proces-verbaal heeft ontvangen. Voor die periode verstreken is, kan ze gemotiveerd eenmalig verlengd worden met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen. Van die verlenging stelt de procureur des Konings de inspecteur Onroerend Erfgoed onmiddellijk in kennis. Tijdens die periode van honderdtachtig dagen, eventueel verlengd met een aanvullende periode van maximaal honderdtachtig dagen, kan er geen bestuurlijke geldboete worden opgelegd.

§ 3. De procureur des Konings deelt zijn beslissing mee aan de inspecteur Onroerend Erfgoed.

Een beslissing houdende strafrechtelijke behandeling sluit het opleggen van een bestuurlijke geldboete uit. Een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling van het misdrijf in de zin van artikel 11.2.2, eerste lid, 9° of 10°, houdt het verval van de strafvordering met betrekking tot deze misdrijven in, maar laat de strafvordering met betrekking tot andere misdrijven onverminderd bestaan, zelfs in geval van eenheid van opzet.

Het verzuim om een beslissing te nemen binnen de termijnen, bepaald in paragraaf 2, heeft dezelfde gevolgen als een beslissing houdende geen strafrechtelijke behandeling.

§ 4. Een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd aan alle deelnemers aan de inbreuk. Zij bedraagt maximaal 50.000 euro.

Een opgelegde alternatieve bestuurlijke geldboete wordt vermeerderd met de opdeciemen die van toepassing zijn voor de strafrechtelijke geldboeten. De hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het misdrijf en eventuele verkregen vermogensvoordelen. Artikel 11.2.4, § 3, is van overeenkomstige toepassing.

De bestuurlijke geldboete wordt opgelegd en ingevorderd overeenkomstig artikel 11.2.5, met dien verstande dat de termijn van zestig dagen waarbinnen de vermoedelijke overtreder op de hoogte dient te worden gebracht van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, eerst aanvangt na ontvangst van de beslissing, bedoeld in paragraaf 3 of na het verstrijken van de termijnen, bedoeld in paragraaf 2, verlengd met een periode van twintig dagen.


Afdeling 3.
Raadgeving, aanmaning en vaststelling


Onderafdeling 1.
Raadgeving en aanmaning


Art. 11.3.1.

Als bevoegde personen vaststellen dat een inbreuk onroerend erfgoed of een misdrijf onroerend erfgoed dreigt op te treden, kunnen zij alle raadgevingen geven die zij nuttig achten om dat te voorkomen.

Onder bevoegde personen, vermeld in het eerste lid, worden begrepen, de personen bedoeld in onderafdeling 2 en 3, en de personeelsleden van het departement en de agentschappen die behoren tot het beleidsdomein Omgeving, die worden aangewezen door de Vlaamse Regering.


Art. 11.3.2.

Als de in artikel 11.3.1 bedoelde bevoegde personen bij de uitoefening van hun respectieve opdrachten een inbreuk onroerend erfgoed of een misdrijf onroerend erfgoed vaststellen, kunnen zij de vermoedelijke overtreder en eventuele andere betrokkenen aanmanen om de nodige maatregelen te nemen om de inbreuk of het misdrijf te beëindigen, de gevolgen ervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of een herhaling ervan te voorkomen.

De aanmaning wordt altijd bevestigd in een geschrift, aan alle betrokkenen betekend per beveiligde zending.

Als de adressant van de aanmaning, desgevallend na rappel, nalaat om de gevraagde maatregelen te nemen binnen het daartoe bepaalde tijdsbestek, geldt een aangifteplicht van het misdrijf of de inbreuk bij de inspecteur Onroerend Erfgoed.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen ter uitvoering van deze onderafdeling.


Onderafdeling 2.
Vaststelling van misdrijven onroerend erfgoed


Art. 11.3.3.

Onverminderd de bevoegdheden van de agenten en de officieren van gerechtelijke politie zijn de inspecteur Onroerend Erfgoed en de andere door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaren van het Vlaamse Gewest, bevoegd om de misdrijven omschreven in dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen door een proces-verbaal. Hetzelfde geldt voor de personeelsleden van de gemeenten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, daartoe aangesteld door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden. De processen-verbaal waarin de misdrijven omschreven in dit hoofdstuk worden vastgesteld, gelden tot bewijs van het tegendeel.

De agenten, officieren van de gerechtelijke politie en ambtenaren, vermeld in het eerste lid, hebben toegang tot de beschermde goederen, erfgoedlandschappen en archeologische sites en tot onroerende goederen waar zich archeologische artefacten kunnen bevinden, om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.

Als die verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daartoe een machtiging heeft verstrekt.

Om misdrijven omschreven in dit hoofdstuk op te sporen en vast te stellen in een proces-verbaal, krijgen de inspecteurs Onroerend Erfgoed de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.

Een afschrift van het proces-verbaal wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de inspecteur Onroerend Erfgoed, het agentschap en de gemeente op wiens grondgebied deze handelingen werden uitgevoerd of waar dit gebruik plaatsvond.


Onderafdeling 3.
Vaststelling van inbreuken onroerend erfgoed


Art. 11.3.4.

De in artikel 11.3.3 genoemde verbalisanten kunnen, bij de vaststelling van een inbreuk onroerend erfgoed zonder samenloop met een misdrijf onroerend erfgoed, een verslag van vaststelling opstellen, dat zij onmiddellijk bezorgen aan de inspecteur Onroerend Erfgoed. Artikel 11.3.3, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.

Een afschrift van het verslag van vaststelling wordt altijd gericht aan de vermoedelijke overtreders, de inspecteur Onroerend Erfgoed, het agentschap en de gemeente op wiens grondgebied deze handelingen werden uitgevoerd of waar dit gebruik plaatsvond.

Wordt in samenhang met de inbreuk onroerend erfgoed tegelijkertijd een misdrijf onroerend erfgoed vastgesteld, dan wordt de vaststelling van de inbreuk onroerend erfgoed opgenomen in het proces-verbaal, bedoeld in artikel 11.3.3.


Afdeling 4.
Rechterlijke herstelmaatregel


Art. 11.4.1.

§ 1. Naast de straf beveelt de rechtbank op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed het integrale herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade.

§ 2. Het integrale herstel strekt primair tot het feitelijke herstel in een originele, goede staat. Als het beschermde goed, het erfgoedlandschap, de archeologische site, het archeologisch ensemble, het archeologisch artefact of het in een vastgestelde inventaris opgenomen onroerend goed ingevolge het misdrijf geheel of gedeeltelijk vernietigd is, wordt de gehele of gedeeltelijke reconstructie bevolen, zo nodig op een andere locatie, gebruikmakend van historisch verantwoorde technieken, materialen en beplantingen.

In geval van gehele of gedeeltelijke reconstructie beveelt de rechtbank op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed de betaling van een aanvullende vergoeding voor de schade die niettegenstaande de gehele of gedeeltelijke reconstructie blijvend is opgelopen door het algemeen belang ingevolge de vernietiging van erfgoedwaarden. De vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed bevat een met redenen omklede begroting van de schade.

De gehele of gedeeltelijke reconstructie, bedoeld in deze paragraaf, kan worden aangevuld met of zelfs vervangen worden door complementaire maatregelen, in de mate waarin deze dienstig zijn om het niveau van erfgoedwaarden, bestaande voor het plegen van het misdrijf, opnieuw te benaderen door de opwaardering van de resterende erfgoedwaarden.

§ 3. Als geen feitelijk herstel in een originele, goede staat mogelijk is en een gehele of gedeeltelijke reconstructie, al dan niet aangevuld met of vervangen door complementaire maatregelen, volgens het met redenen omklede oordeel van de inspecteur Onroerend Erfgoed evenmin mogelijk is of minstens niet opportuun is, beveelt de rechter een integraal herstel door de vergoeding van de schade die het algemeen belang heeft opgelopen door de vernietiging van erfgoedwaarden, zo nodig aangevuld met maatregelen die verdere schade moeten voorkomen, zoals de vrijwaring van een verstoorde archeologische zone door een archeologische opgraving of de staking van een schadeverwekkende activiteit.

De vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed bevat een met redenen omklede begroting van de schade. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

§ 4. Als de herstelvordering strekt tot het feitelijke herstel in een originele, goede staat of een gehele of gedeeltelijke reconstructie, heeft de herstelvordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed altijd voorrang op de herstelvordering van de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen op grond van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.


Art. 11.4.2.

De rechtbank kan een termijn bepalen van maximaal drie jaar voor de vrijwillige uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel, en kan op vordering van de inspecteur Onroerend Erfgoed ook een dwangsom bepalen per dag vertraging of per vastgestelde inbreuk.

De opgelegde schadevergoeding is onmiddellijk betaalbaar.


Art. 11.4.3.

§ 1. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan ook voor de burgerlijke rechtbank het integrale herstel vorderen, vermeld in artikel 11.4.1, en dit ongeacht of de te herstellen schade veroorzaakt is door misdrijven onroerend erfgoed dan wel inbreuken onroerend erfgoed.

§ 2. Met behoud van de toepassing van afdeling 5 kan de inspecteur Onroerend Erfgoed, met het oog op de vrijwaring van met ernstige en imminente vernieling, beschadiging of ontsiering bedreigd onroerend erfgoed, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg verzoeken om voorlopige instandhoudingsmaatregelen te bevelen, in voorkomend geval op straffe van een dwangsom per dag vertraging of per vastgestelde inbreuk.

Voor maatregelen, vermeld in het eerste lid, hoeft geen termijn voor vrijwillige uitvoering te worden verleend als de vereiste spoed zich daartegen verzet.

§ 3. De dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding is maar ontvankelijk na de overschrijving in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen liggen. Elke eindbeslissing die in de zaak gewezen is, wordt op de kant van de overgeschreven dagvaarding of van het overgeschreven exploot ingeschreven op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet.

Een afschrift van de dagvaarding, het exploot tot inleiding van het geding of de eindbeslissing wordt per beveiligde zending aan de gemeente betekend.


Art. 11.4.4.

§ 1. Als de opgelegde herstel- of instandhoudingsmaatregelen niet binnen de door de rechter bepaalde uitvoeringstermijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis of arrest altijd dat de inspecteur Onroerend Erfgoed ambtshalve in de uitvoering ervan kan voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde.

§ 2. De kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de houder van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakte van het vonnis of arrest.

Op voorwaarde dat de titel van de houder van het zakelijk recht al was overgeschreven vóór de overschrijving van de dagvaarding of het gedinginleidend exploot, vermeld in artikel 11.2.3 en 11.4.3, § 3, en de houder van het zakelijk recht met betrekking tot het goed dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de ambtshalve uitvoering, vreemd is aan de noodzaak tot herstel, blijft het verhaal evenwel beperkt tot de verrijking die de houder van het zakelijk recht ingevolge de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen.

§ 3. De kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten die toebehoren aan de veroordeelde, vermeld in paragraaf 1, en die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk wordt doorgehaald overeenkomstig hoofdstuk IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van de rechterlijke beslissing waarin de herstel- of instandhoudingsmaatregelen worden opgelegd, niettegenstaande beroep of verzet.

In geval van een verhaal als vermeld in paragraaf 2 kan naast de wettelijke hypotheek, vermeld in het eerste lid, een wettelijke hypotheek ingeschreven worden op alle zakelijke rechten van de houder van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde maatregel, vermeld in artikel 11.4.1, § 2, eerste lid, of 11.4.3, § 2, tenzij zijn titel al was overgeschreven vóór de overschrijving van de dagvaarding of het gedinginleidend exploot, vermeld in artikel 11.2.3 en 11.4.3, § 3, en hij met betrekking tot het goed dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de ambtshalve uitvoering, vreemd is aan de noodzaak tot herstel. In dit laatste geval strekt de wettelijke hypotheek zich alleen uit tot het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de opgelegde maatregel, voor een bedrag dat de verrijking die de houder van het zakelijk recht ingevolge de uitvoering van de opgelegde herstelmaatregel heeft verkregen, niet mag overstijgen.


Art. 11.4.5.

§ 1. De veroordeelde brengt de inspecteur Onroerend Erfgoed onmiddellijk per beveiligde zending op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de herstelmaatregel. Daarop maakt de inspecteur Onroerend Erfgoed onmiddellijk en na controle ter plaatse een proces-verbaal van vaststelling op.

De inspecteur Onroerend Erfgoed bezorgt per beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de gemeente, de veroordeelde en de houders van zakelijke rechten op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakte van de herstelmaatregel.

Behoudens bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van het herstel en van de datum van het herstel.

§ 2. Het proces-verbaal van vaststelling, vermeld in paragraaf 1, wordt overeenkomstig artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851 ingeschreven op de kant van de inschrijving van de dagvaarding of het exploot tot inleiding van het geding, vermeld in artikel 11.2.3 en artikel 11.4.3, § 3.

Zolang de inschrijving, vermeld in het eerste lid, niet is gebeurd, moet de instrumenterend ambtenaar naar aanleiding van een akte, strekkende tot de overdracht van een zakelijk recht, in een afzonderlijke akte er melding van maken dat voor het onroerend goed bij uitvoerbaar rechterlijk bevel, een verplichting werd uitgesproken om een herstelmaatregel uit te voeren. In die akte wordt ook vermeld dat de nieuwe zakelijkrechthouder de verbintenis aangaat om de opgelegde herstelmaatregel uit te voeren, onverminderd de verplichting van de veroordeelde, en dat de inspecteur Onroerend Erfgoed gemachtigd wordt om, bij verzuim van de nieuwe zakelijkrechthouder om zich van die plicht te kwijten, ook op zijn kosten tot uitvoering van de opgelegde maatregel over te gaan.

De instrumenterend ambtenaar stuurt een afschrift van die akte naar de inspecteur Onroerend Erfgoed, en is ertoe gehouden de grosse af te leveren op zijn verzoek.


Afdeling 5.
Bestuurlijke maatregelen


Onderafdeling 1.
Basisbepalingen


Art. 11.5.1. Voor de toepassing van deze afdeling wordt de betekening per aangetekende zending met ontvangstbewijs geacht te zijn geschied op de derde werkdag na de afgifte ter post.

Art. 11.5.2. Een stakingsbevel kan uitsluitend door de inspecteur Onroerend Erfgoed worden ingetrokken of in omvang worden beperkt, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan daarnaast toelating of bevel geven tot het uitvoeren van maatregelen tot beveiliging van de aanwezige erfgoedwaarden. Het bevel neemt de vorm aan van een besluit als vermeld in onderafdeling 3 of 4.

Art. 11.5.3.

Wie besluit tot toepassing van bestuursdwang of last onder dwangsom, is ook bevoegd deze beslissing te wijzigen of in te trekken, zowel ambtshalve als op verzoek van belanghebbenden.

Buiten de beroepsmogelijkheden bepaald in deze afdeling, is de intrekking of wijziging slechts mogelijk als het doel van de bestuurlijke maatregel werd bereikt, ingeval van gewijzigde omstandigheden die een bijsturing van de opgelegde maatregelen noodzaken of in de gevallen, bedoeld in artikel 1133 van het Gerechtelijk Wetboek.

Bestuursdwang en last onder dwangsom kunnen niet gelijktijdig worden toegepast ten aanzien van dezelfde persoon. In afwijking van het vorige lid kan een besluit tot toepassing van bestuursdwang te allen tijde worden vervangen door een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom of omgekeerd.


Art. 11.5.4. Een bestuurlijke maatregel mag geen afbreuk doen aan het gezag van gewijsde van een overeenkomstig dit hoofdstuk eerder tussengekomen rechterlijke beslissing.

Onderafdeling 2.
Stakingsbevel


Art. 11.5.5.

§ 1. De ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in artikel 11.3.3, kunnen mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van de handelingen bevelen als ze vaststellen dat die handeling voldoet aan de materiële omschrijving van een misdrijf of inbreuk als vermeld in artikel 11.2.1 of daarvan het gevolg is. Een dergelijk stakingsbevel is een preventieve maatregel, gericht op het voorkomen van misdrijven, inbreuken of schade aan erfgoedwaarden.

Als de ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in het eerste lid, ter plaatse niemand aantreffen, wordt ter plaatse een schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking op een zichtbare plaats aangebracht, of wordt het stakingsbevel alsnog mondeling gegeven tijdens een verhoor van de overtreder.

§ 2. Het proces-verbaal van de vaststelling wordt binnen acht dagen per beveiligde zending betekend aan de initiatiefnemer, de architect en de persoon of aannemer die de handelingen uitvoert. Als het bevel de staking van het gebruik van een goed betreft, wordt het proces-verbaal op dezelfde manier ter kennis gebracht van de persoon die het goed gebruikt.

Tegelijkertijd wordt per beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal verzonden naar de gemeente op het grondgebied waarvan de handelingen zijn uitgevoerd of waar het gebruik plaatsvond en naar de inspecteur Onroerend Erfgoed.

§ 3. Tenzij het stakingsbevel werd gegeven door een bevoegde ambtenaar van het agentschap, belast met de handhaving van dit decreet, moet het stakingsbevel op straffe van verval binnen acht dagen na de betekening van het proces-verbaal door de inspecteur Onroerend Erfgoed worden bekrachtigd. Die bekrachtiging wordt binnen twee werkdagen per beveiligde zending verzonden naar de personen, vermeld in paragraaf 2.

§ 4. Elke belanghebbende kan in kort geding de opheffing van de maatregel vorderen tegen de inspecteur Onroerend Erfgoed, die optreedt namens het Vlaamse Gewest. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarin de handelingen zijn uitgevoerd of het gebruik plaatsvond. Deel IV, boek II, titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering.


Art. 11.5.6. De ambtenaren, agenten of officieren van gerechtelijke politie, vermeld in artikel 11.3.3, zijn gerechtigd tot het nemen van alle maatregelen, met inbegrip van verzegeling, inbeslagname van materiaal en materieel, om het bevel tot staking, de bekrachtigingsbeslissing of, in voorkomend geval, de beschikking in kort geding onmiddellijk te kunnen toepassen.

Onderafdeling 3.
Bestuursdwang


Art. 11.5.7.

§ 1. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan beslissen om bestuursdwang toe te passen. Deze beslissing wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing wordt een besluit genoemd.

§ 2. De bestuurlijke maatregelen, genomen in het kader van bestuursdwang, kunnen strekken tot :
1° de voorlopige instandhoudingsmaatregelen, vermeld in artikel 11.4.3, § 2;
2° het feitelijke herstel in een originele goede staat of de gehele of gedeeltelijke reconstructie, vermeld in artikel 11.4.1, § 2, eerste lid.

§ 3. Het besluit bevat minstens :
1° de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de inbreuk en de identificatie van de houders van zakelijke rechten op het goed;
2° een vermelding van de voorschriften die worden of werden geschonden;
3° een overzicht van de vaststellingen inzake de inbreuk of het misdrijf;
4° een omschrijving van de opgelegde bestuurlijke maatregelen;
5° de vermelding dat tegen het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen in beroep kan worden gegaan, alsook een omschrijving van de procedure om in beroep te gaan.

Het besluit wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of per beveiligde zending aan de overtreder en aan de rechthebbenden op de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast.

Een afschrift van het besluit wordt aan de gemeente gezonden.

§ 4. In het besluit wordt een termijn bepaald waarbinnen de overtreder en belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de bevolen maatregelen uit te voeren. De uitvoeringstermijn kan zo nodig worden gefaseerd per maatregel.

De dag na de betekening neemt de termijn een aanvang.

Als de vereiste spoed zich daartegen verzet, hoeft geen termijn te worden verleend.

§ 5. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan het besluit uitvoerbaar verklaren niettegenstaande het beroep, vermeld in artikel 11.5.8. Hij vermeldt in de beslissing de redenen van hoogdringendheid die daartoe noodzaken.

§ 6. Als de situatie dermate spoedeisend is dat de inspecteur Onroerend Erfgoed de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt hij alsnog zo spoedig mogelijk en op straffe van verval uiterlijk binnen vijf werkdagen na het nemen van de beslissing voor de opschriftstelling en de betekening van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang, met opgave van de redenen van hoogdringendheid die een voorafgaande betekening onmogelijk maakten. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang is in dat geval altijd uitvoerbaar niettegenstaande het beroep, vermeld in artikel 11.5.8.

§ 7. Als hij een beroep bedoeld in artikel 11.5.8 kennelijk gegrond acht en dit niet zal leiden tot belangrijke schade aan erfgoedwaarden, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het ambtsgebied waarin de bestuurlijke maatregelen moeten worden uitgevoerd, op verzoek van de belanghebbende het uitvoerbaar karakter van het besluit van de inspecteur Onroerend Erfgoed opschorten.

§ 8. Het besluit wordt binnen een termijn van zestig dagen overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waar het onroerend goed ligt. De beslissing, vermeld in artikel 11.5.8, § 1, en de rechterlijke eindbeslissing, vermeld in artikel 11.5.8, § 4, worden binnen een termijn van zesig dagen nadat ze zijn gewezen, ingeschreven op de kant van deze overschrijving op de wijze, vermeld in artikel 84 van de Hypotheekwet van 16 december 1851.

§ 9. De beslissing tot toepassing van bestuursdwang en elke andere beslissing die in de zaak gewezen is, zijn tegenwerpelijk voor alle belanghebbenden, die de gevolgen ervan moeten dragen.


Art. 11.5.8.

§ 1. Tegen de beslissing tot toepassing van bestuursdwang kan door de vermoedelijke overtreder beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering of de door haar aangewezen ambtenaar. Dat beroep kan strekken tot het ongedaan maken van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang of tot de matiging of modulering van de erin opgelegde maatregelen, en heeft schorsende werking behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 11.5.7, § 5 en § 6.

Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift. Het beroepschrift wordt per beveiligde zending betekend.

§ 2. Binnen een termijn van negentig dagen na de betekening van het beroepschrift wordt er uitspraak over gedaan. Mits hiervan kennis wordt gegeven aan de vermoedelijke overtreder en de inspecteur Onroerend Erfgoed, kan deze termijn eenmalig worden verlengd met negentig dagen. Bij gebrek aan een tijdige beslissing vervalt de beslissing tot bestuursdwang.

De beslissing over het beroep wordt binnen vijf werkdagen verstuurd per beveiligde zending aan de persoon die beroep instelde, de inspecteur Onroerend Erfgoed en de gemeente op wiens grondgebied de bestuurlijke maatregelen moeten worden uitgevoerd. De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen met betrekking tot dit beroep.

§ 3. De dag na de betekening van de beslissing tot verwerping van het beroep begint die termijn opnieuw te lopen, met aftrek van de dagen die al verstreken waren op het ogenblik van het instellen van het beroep.

§ 4. ....


Art. 11.5.9.

§ 1. De overtreder brengt de inspecteur Onroerend Erfgoed onmiddellijk per beveiligde zending op de hoogte van de vrijwillige uitvoering van de opgelegde maatregelen. Daarop maakt de inspecteur Onroerend Erfgoed na controle ter plaatse een proces-verbaal van vaststelling op.

De inspecteur Onroerend Erfgoed zendt per beveiligde zending een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling aan de gemeente, de overtreder en de houders van zakelijke rechten op het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakte van de opgelegde maatregelen.

Behoudens bewijs van het tegendeel geldt alleen het proces-verbaal van vaststelling als bewijs van uitvoering van de maatregelen en van de datum van uitvoering.

§ 2. Zolang op het onroerend goed, ten gevolge van een uitvoerbare beslissing als vermeld in artikel 11.5.7 of 11.5.8, een verplichting rust om maatregelen als vermeld in artikel 11.5.7, § 2, uit te voeren, moet de instrumenterend ambtenaar naar aanleiding van een akte van eigendomsoverdracht hiervan melding maken in een afzonderlijke akte. In deze akte wordt ook vermeld dat de nieuwe zakelijkrechthouder de verbintenis aangaat om de opgelegde maatregelen uit te voeren, onverminderd de verplichting van de overtreder, en dat de inspecteur Onroerend Erfgoed gemachtigd wordt om, bij verzuim van de nieuwe zakelijkrechthouder om zich van die plicht te kwijten, ook op diens kosten tot uitvoering van de opgelegde maatregelen kan overgaan.

De instrumenterend ambtenaar stuurt per beveiligde zending een afschrift van die akte aan de inspecteur Onroerend Erfgoed, en is ertoe gehouden de grosse af te leveren op diens verzoek.


Art. 11.5.10.

§ 1. Elke overtreder aan wie het besluit, vermeld in artikel 11.5.7, en in voorkomend geval, de beslissing, vermeld in artikel 11.5.8, werd betekend, is hoofdelijk gehouden tot de kosten die verbonden zijn aan de toepassing van bestuursdwang, met inbegrip van de kosten voor de voorbereiding ervan.

Het besluit en de beslissing maken hiervan melding.

§ 2. De kosten, vermeld in paragraaf 1, kunnen ook worden verhaald op de houder van een zakelijk recht op het goed dat het voorwerp uitmaakte van de bestuursdwang.

Op voorwaarde dat de titel van de houder van het zakelijk recht al was overgeschreven vóór de overschrijving van het besluit, vermeld in artikel 11.5.7, § 8, en hij met betrekking tot het goed dat het voorwerp heeft uitgemaakt van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang, vreemd is aan de noodzaak tot herstel, blijft het verhaal evenwel beperkt tot de verrijking die de houder van het zakelijk recht ingevolge de toepassing van de bestuursdwang heeft verkregen.

§ 3. De kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2, worden gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, met overeenkomstige toepassing van artikel 11.4.4, § 3. De hypotheek wordt ingeschreven op voorlegging van een afschrift van het besluit of de beslissing over beroep.


Art. 11.5.11.

§ 1. De inspecteur Onroerend Erfgoed die bestuursdwang heeft toegepast, kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de invorderingskosten, invorderen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe door de Vlaamse Regering aangewezen ambtenaar en wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend.

§ 2. Binnen een termijn van dertig dagen na de dag van betekening van het dwangbevel kan de overtreder dat dwangbevel aanvechten door dagvaarding van het Vlaamse Gewest voor de beslagrechter van het arrondissement van de plaats waar de goederen liggen.

Het aanvechten van dat dwangbevel schorst de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Op verzoek van de inspecteur Onroerend Erfgoed namens het Vlaamse Gewest kan de beslagrechter voorafgaand aan de behandeling van het verzet de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.

Als hij het beroep in de zin van artikel 11.5.8 kennelijk gegrond acht, kan de beslagrechter de schorsing, vermeld in het tweede lid van deze paragraaf, handhaven tot aan de definitieve uitspraak over dat beroep.


Art. 11.5.12.

Tenzij de tenuitvoerlegging gebeurt met expliciete of impliciete instemming van de zakelijkrechthouder en de gebruiker van het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang, is uitvoering in de plaats en op kosten van de overtreder alleen mogelijk door een gerechtsdeurwaarder na voorafgaande betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in artikel 11.5.7 of, als beroep werd ingesteld tegen het besluit, na voorafgaande betekening van het besluit en de beslissing, vermeld in artikel 11.5.8.

Het eerste lid geldt niet in de omstandigheid, vermeld in artikel 11.5.7, § 6, in welk geval de tenuitvoerlegging wordt nagestreefd op mondelinge instructie van de inspecteur Onroerend Erfgoed door de personen die daartoe door hem zijn aangewezen.

Om aan een beslissing tot toepassing van bestuursdwang uitvoering te geven, hebben personen die daartoe zijn aangewezen door, naar gelang het geval, de gerechtsdeurwaarder of de inspecteur Onroerend Erfgoed, toegang tot elke plaats als dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is.


Art. 11.5.13.

Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen, terreinen en wat zich daarin of daarop bevindt en het meevoeren en opslaan van voor bestuursdwang vatbare zaken, als de toepassing van bestuursdwang dat vereist.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de bewaring en de teruggave van de meegevoerde zaken aan de rechthebbenden.


Onderafdeling 4.
Last onder dwangsom


Art. 11.5.14.

De inspecteur Onroerend Erfgoed is bevoegd om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. De beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom wordt een besluit genoemd.

Artikel 11.5.7, § 2 tot en met § 5, en § 7 tot en met § 9, zijn ook van toepassing op het besluit, vermeld in het eerste lid.

De inspecteur Onroerend Erfgoed stelt de dwangsom in het besluit vast op een bedrag ineens, op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd of per overtreding van de last. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan een bedrag vaststellen waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

Een dwangsom wordt pas verbeurd na de betekening van het uitvoerbare besluit, vermeld in het eerste lid, in voorkomend geval samen met de beslissing over het beroep.


Art. 11.5.15.

§ 1. Tegen de beslissing tot het opleggen van een last onder dwangsom kan beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering of de door haar aangewezen ambtenaar. Dat beroep kan strekken tot het ongedaan maken van de last onder dwangsom, tot de matiging of modulering van de ingevolge de last onder dwangsom door de overtreder uit te voeren maatregelen, of tot de aanpassing van de voorwaarden van de dwangsom.

Het beroep is alleen ontvankelijk als het wordt ingesteld bij een met redenen omklede brief binnen een termijn van dertig dagen, die de dag na de betekening van het besluit aanvangt. Als de verzoeker gehoord wil worden, maakt hij daarvan melding in zijn beroepschrift.

§ 2. Artikel 11.5.8, § 2 en § 3, en artikel 11.5.9 zijn van toepassing op deze onderafdeling.


Art. 11.5.16. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan het verschuldigde bedrag, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen op grond van de uitvoerbare dwangsomtitel.

Art. 11.5.17. De rechtbank van eerste aanleg of, als dat een andere rechtbank is, de rechtbank die de last onder dwangsom heeft gemoduleerd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen in geval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. De overtreder dagvaardt daartoe de inspecteur Onroerend Erfgoed, die optreedt namens het Vlaamse Gewest.

Art. 11.5.18.

De vordering tot betaling van verbeurde bedragen verjaart na verloop van 180 dagen na de dag waarop de bedragen zijn verbeurd.

De verjaring wordt geschorst door faillissement en ieder ander wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom.


Afdeling 6.
Minnelijke schikking


Art. 11.6.1. De inspecteur Onroerend Erfgoed kan met de overtreder, overtreders of andere belanghebbenden een minnelijke schikking aangaan onder de volgende voorwaarden :
1° de misdrijven of inbreuken, gepleegd op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, hebben geen blijvende vernietiging van erfgoedwaarden veroorzaakt die een begroot bedrag van 50.000 euro overstijgt;
2° het voorwerp van de minnelijke schikking is in overeenstemming met artikel 11.4.1;
3° de minnelijke schikking doet geen afbreuk aan het gezag van gewijsde van een overeenkomstig dit hoofdstuk tussengekomen rechterlijke beslissing;
4° de minnelijke schikking omvat een dwangsom bij niet-tijdige uitvoering van de schikking. Artikel 11.5.16 tot en met 11.5.18 zijn van overeenkomstige toepassing. De akte, vermeld in artikel 11.6.2, wordt daarbij beschouwd als dwangsomtitel;
5° de termijn voor uitvoering van het feitelijke herstel, gefaseerd waar nodig, bedraagt maximaal acht jaar. De termijn voor de betaling van de schadevergoeding voor vernietiging van erfgoedwaarden bedraagt maximaal twee jaar;
6° de zakelijke rechten op het onroerend goed waarop de minnelijke schikking betrekking heeft, behoren toe aan een of meer personen, die zich door de minnelijke schikking verbinden.

Art. 11.6.2.

De minnelijke schikking wordt opgenomen in een akte, verleden door de door de Vlaamse Regering aangeduide ambtenaar. Die akte wordt ondertekend door de inspecteur Onroerend Erfgoed en door de overtreder of overtreders of andere belanghebbenden, met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan. Tenzij het anders bepaald wordt door dit decreet, voldoet ze aan dezelfde vereisten en is ze op dezelfde wijze uitvoerbaar als de akten, verleden conform de Wet op het Notarisambt. De leidend ambtenaar is gemachtigd om deze akten te verlijden, er authenticiteit aan te verlenen en er uitgiften van af te leveren.

Mits schriftelijke toestemming van de ambtenaar, vermeld in het eerste lid, kan de akte verleden worden door de instrumenterend ambtenaar, vermeld in artikel 11.4.5, § 2, tweede lid. De akte maakt melding van deze toestemming.

De akte wordt binnen een termijn van zestig dagen overgeschreven in het hypotheekkantoor van het gebied waar het onroerend goed gelegen is.

De kosten voor de opmaak, registratie en overschrijving van de akte vallen ten laste van de personen met wie de minnelijke schikking werd aangegaan.


Art. 11.6.3.

§ 1. De akte, vermeld in artikel 11.6.2, bepaalt altijd dat de inspecteur Onroerend Erfgoed ambtshalve in de uitvoering kan voorzien in de plaats en op kosten van de persoon met wie de minnelijke schikking wordt aangegaan, in het geval de minnelijke schikking niet binnen de opgelegde termijnen wordt uitgevoerd.

Als de minnelijke schikking met meerdere personen wordt aangegaan, staan zij ten aanzien van de inspecteur Onroerend Erfgoed hoofdelijk in voor bedoelde kosten, onverminderd de rechten en plichten die zij onderling kunnen doen gelden.

§ 2. Tenzij anders bepaald in de akte, vermeld in artikel 11.6.2, worden de kosten die verbonden zijn aan de ambtshalve uitvoering, vermeld in paragraaf 1, gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die zich uitstrekt tot alle zakelijke rechten die toebehoren aan de personen die de minnelijke schikking zijn aangegaan. De hypotheek wordt ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk doorgehaald overeenkomstig de hoofdstukken IV en V van de Hypotheekwet van 16 december 1851. Bij de inschrijving wordt een afschrift van de akte, vermeld in artikel 11.6.2, voorgelegd.


Art. 11.6.4.

§ 1. Artikel 11.4.5 is van toepassing op deze afdeling, met dien verstande dat het proces-verbaal van vaststelling wordt overgeschreven op de kant van de overschrijving, vermeld in artikel 11.6.2, derde lid.

§ 2. De correcte en integrale uitvoering van de minnelijke schikking, met inbegrip van de betaling van verschuldigde bedragen, wordt bevestigd in een door de inspecteur Onroerend Erfgoed af te leveren certificaat. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor het opstellen en het afleveren van dit certificaat vast.

§ 3. De uitvoering van de minnelijke schikking, bevestigd in het certificaat, dooft elk verder recht op herstel of vergoeding van schade, geleden door het algemeen belang naar aanleiding van de inbreuken of misdrijven, omschreven in de akte, vermeld in artikel 11.6.2.


Art. 11.6.5. De uitvoering van handelingen overeenkomstig de maatregelen, besloten in een minnelijke schikking, kunnen nooit leiden tot het verval van het recht om voor deze handelingen een premie aan te vragen volgens de normaal geldende regels.

Afdeling 7.
Diverse bepalingen


Art. 11.7.1. De maatregelen, krachtens dit hoofdstuk begrepen in een uitvoerbare rechterlijke of bestuurlijke beslissing of minnelijke schikking, zijn nimmer vergunnings-, meldings- of machtigingsplichtig op grond van dit decreet of de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009.

Art. 11.7.2. Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de verbalisanten, vermeld in artikel 11.3.3 van dit decreet, en de entiteit waartoe ze behoren, beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het tiende lid.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de verbalisanten, vermeld in artikel 11.3.3 van dit decreet, en de entiteit waartoe ze behoren, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.

De persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid, worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor ze worden verwerkt.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.

Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.

De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de verbalisanten, vermeld in artikel 11.3.3, en de entiteit waartoe ze behoren, zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.

De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.

De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.

Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.

Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voorkomend geval, de onderzoeksrechter heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.

HOOFDSTUK 12.
Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen


Afdeling 1.
Wijzigingsbepalingen


Onderafdeling 1.
Wijziging van het Bosdecreet van 13 juni 1990


Art. 12.1.1. Aan artikel 20 van het Bosdecreet van 13 juni 1990, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.4. Aan artikel 44, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.5. In artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt na het eerste lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het eerste lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.6. In artikel 81 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt tussen het vierde en het vijfde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in het vierde lid, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.7. Aan artikel 97 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 18 mei 1999, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt :
« § 3. Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een machtiging zoals vermeld in de paragrafen 1 en 2, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Onderafdeling 2.
Wijzigingen van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten


Art. 12.1.8. In artikel 4, vijfde lid, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten wordt punt 2° opgeheven.

Art. 12.1.9. In artikel 11 van hetzelfde decreet wordt punt 4° opgeheven.

Onderafdeling 3.
Wijzigingen van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996


Art. 12.1.10. In artikel 42, § 2, van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, laatst gewijzigd bij het decreet van 29 april 2011, wordt punt 2° opgeheven.

Art. 12.1.11. In artikel 71, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede « zoals bedoeld in artikel 11, § 8, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten » vervangen door de woorden « als vermeld in artikel 10.2.1, 1°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 ».

Onderafdeling 4.
Wijzigingen van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu


Art. 12.1.12. Aan artikel 25, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een ontheffing zoals bedoeld in § 3, 2°, van dit artikel, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.13. Aan artikel 34, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als voor een onroerend goed naast een beheersplan als vermeld in het eerste lid ook een beheersplan in het kader van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 wordt opgemaakt, worden alle beheersdoelstellingen in één beheersplan geïntegreerd. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels. ».

Art. 12.1.14. Aan artikel 35, § 2, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt een zesde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een ontheffing zoals vermeld in het vierde en het vijfde lid van paragraaf 2 van dit artikel, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Art. 12.1.15. In artikel 49, § 2, eerste lid, van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 12 december 2008, wordt de zinsnede « het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg » vervangen door de zinsnede « het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 ».

Art. 12.1.16. In artikel 56 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 19 juli 2002 en 19 mei 2006, wordt tussen het vijfde en het zesde lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Overeenkomstig artikel 6.4.4, § 3, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed wordt voor het verlenen van een afwijking zoals vermeld in het eerste lid van dit artikel, die betrekking heeft op een handeling aan of in beschermde goederen zoals bedoeld in dat decreet, advies gevraagd aan de entiteit die door de Vlaamse Regering is belast met de beleidsuitvoering inzake onroerend erfgoed. ».

Onderafdeling 5.
Wijzigingen van het decreet van 3 februari 1998 houdende vaststelling van het wapen van privépersonen en instellingen


Art. 12.1.17. In artikel 2 van het decreet van 3 februari 1998 houdende vaststelling van het wapen van privépersonen en instellingen, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
« 5° de commissie : de Vlaamse Heraldische Raad; ».

Art. 12.1.18. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt een hoofdstuk III/l ingevoegd, dat luidt als volgt :
« HOOFDSTUK III/l. - Vlaamse Heraldische Raad ».

Art. 12.1.19. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hoofdstuk III/l, ingevoegd bij artikel 12.1.18, een artikel 8/1 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/1. Er wordt een Vlaamse adviescommissie voor heraldiek opgericht onder de benaming Vlaamse Heraldische Raad. ».

Art. 12.1.20. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hetzelfde hoofdstuk III/l, een artikel 8/2 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/2. De Vlaamse Regering :
1° bepaalt de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Heraldische Raad;
2° benoemt de leden en plaatsvervangers van de Vlaamse Heraldische Raad;
3° stelt de nodige middelen ter beschikking van de Vlaamse Heraldische Raad;
4° stelt een huishoudelijk reglement vast na de Vlaamse Heraldische Raad te hebben gehoord. ».

Art. 12.1.21. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hetzelfde hoofdstuk III/l een artikel 8/3 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/3. Het secretariaat van de Vlaamse Heraldische Raad wordt uitgevoerd door het secretariaat van de strategische adviesraad opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering kan daarover nadere regels bepalen. ».

Art. 12.1.22. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 10 maart 2006 en 27 april 2007, wordt in hetzelfde hoofdstuk III/l een artikel 8/4 ingevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 8/4. De Vlaamse Heraldische Raad verstrekt adviezen in de gevallen en rekening houdend met de termijnen, vermeld in dit decreet. ».

Onderafdeling 6.
Wijzigingen van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998


Art. 12.1.23. In artikel 1 van het decreet van 8 december 1998 houdende diverse bepalingen naar aanleiding van de begrotingscontrole 1998 wordt de zinsnede « artikel 11, § 8, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten » vervangen door de zinsnede « artikel 10.2.1, 1°, van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 ».

Onderafdeling 7.
Wijzigingen aan het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed


Art. 12.1.24. In artikel 2 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :
« 5° de commissie : de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed. ».

Art. 12.1.25. Aan hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt een hoofdstuk VI toegevoegd, dat luidt als volgt :
« HOOFDSTUK VI. - Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed ».

Art. 12.1.26. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt in hoofdstuk VI, toegevoegd bij artikel 12.1.25, een artikel 14 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 14. Er wordt een Vlaamse adviescommissie voor het varend erfgoed opgericht onder de benaming Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed. ».

Art. 12.1.27. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 15 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 15. De Vlaamse Regering :
1° bepaalt de samenstelling, organisatie en werking van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed;
2° benoemt de leden en plaatsvervangers van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed;
3° stelt de nodige middelen ter beschikking van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed. ».

Art. 12.1.28. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 16 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 16. Het secretariaat van de Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed wordt uitgevoerd door het secretariaat van de strategische adviesraad opgericht bij het decreet van 10 maart 2006 houdende oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed. De Vlaamse Regering kan hierover de nadere regels bepalen. ».

Art. 12.1.29. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 17 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 17. De Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed stelt haar huishoudelijk reglement op en legt het ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. ».

Art. 12.1.30. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2006, wordt aan hetzelfde hoofdstuk VI een artikel 18 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Art. 18. De Vlaamse Commissie voor Varend Erfgoed verstrekt adviezen in de gevallen en rekening houdend met de termijnen, vermeld in dit decreet. ».

Onderafdeling 8.
Wijzigingen aan het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang


Art. 12.1.31. Artikel 3, § 2, van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang wordt vervangen door wat volgt :
« § 2. Op de roerende goederen die reeds beschermd zijn op grond van Vlaamse regelgeving of regelgeving van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest inzake onroerend erfgoed, en die ook zijn opgenomen in de lijst, zijn artikel 8 tot 10 van dit decreet slechts van toepassing als de Vlaamse Regering dit uitdrukkelijk bepaalt. ».

Onderafdeling 9.
Wijzigingen aan het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed


Art. 12.1.32. In artikel 6, eerste lid, van het decreet van 10 maart 2006 houdende de oprichting van de Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening - Onroerend Erfgoed, gewijzigd bij het decreet van 18 november 2011, wordt de zinsnede « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, vermeld in het decreet van 3 maart 1976 houdende bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, of een van haar afdelingen » vervangen door « de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed ».

Onderafdeling 10.
Wijzigingen aan het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen


Art. 12.1.33. In artikel 20, § 3, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen wordt punt 3° opgeheven.

Onderafdeling 11.
Wijzigingen aan het decreet van 27 april 2007 houdende vaststelling van het wapen en de vlag van de provincies, gemeenten en districten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie


Art. 12.1.34. In artikel 3, § 3, eerste lid, van het decreet van 27 april 2007 houdende vaststelling van het wapen en de vlag van de provincies, gemeenten en districten en de Vlaamse Gemeenschapscommissie worden de woorden « de afdeling Heraldiek van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » vervangen door de woorden « de Vlaamse Heraldische Raad ».

Onderafdeling 12.
Wijzigingen aan het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007


Art. 12.1.35. In artikel 18 van het decreet van 29 juni 2007 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2007 wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
« De ontvangsten die voortvloeien uit herstelvorderingen, dwangsommen, administratieve geldboeten, recuperatie van de kosten van een ambtshalve uitvoering en van alle ontvangsten die voortvloeien uit de toepassing van andere handhavingsmaatregelen op grond van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 worden toegewezen aan de DAB Herstelfonds, vermeld in artikel 6.1.56 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009. De ontvangsten van de DAB Herstelfonds kunnen tevens aangewend worden voor het verrichten van uitgaven die betrekking hebben op de handhaving van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. ».

Onderafdeling 13.
Wijziging van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid


Art. 12.1.36. In artikel 3.2.21, tweede lid, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid worden punt 3° en punt 4° opgeheven.

Onderafdeling 14.
Wijzigingen aan het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009


Art. 12.1.37. In artikel 34 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009 wordt paragraaf 1 vervangen door wat volgt :
« § 1. Vanaf het werkingsjaar 2009 worden de volgende decreten uitgevoerd binnen de perken van de op de begroting goedgekeurde kredieten : 1° het decreet van 28 april 1998 betreffende het Vlaamse integratiebeleid; 2° het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. ».

Onderafdeling 15.
Wijzigingen aan de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening


Art. 12.1.38. Aan artikel 2.2.2, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een overzicht bevat van de geheel of gedeeltelijk gewijzigde of opgeheven erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 dan worden er in het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in voorkomend geval de gegevens vermeld in artikel 6.2.5 van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 opgenomen met uitzondering van de aanduiding van de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek op het gegeorefereerd plan. ».

Art. 12.1.39. Aan artikel 2.2.7, § 2, van dezelfde codex wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als in het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg of het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven, wordt het ontwerp per beveiligde zending aan de natuurlijke personen en rechtspersonen die houder zijn van het recht van eigendom, erfpacht, opstal, leasing of vruchtgebruik van de betrokken beschermde onroerende goederen ter kennis gebracht. Die personen stellen de gebruikers in kennis van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Ze stellen de administratie per beveiligde zending in kennis van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, vergezeld van de nodige stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Deze verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld. De nieuwe eigenaars worden op hun beurt van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kennis gesteld. ».

Art. 12.1.40. Aan artikel 2.2.8 van dezelfde codex wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
« Als in het definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan een erkennings-, rangschikkings- of beschermingsbesluit genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg of het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013 geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd of opgeheven, wordt het ontwerp per beveiligde zending aan eigenaar, blote eigenaar, erfpachthouders, opstalhouder en leasinggever van de betrokken beschermde onroerende goederen ter kennis gebracht. Die personen stellen de gebruikers in kennis van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Ze stellen de administratie per beveiligde zending in kennis van de eventuele verkoop, overdracht van het eigendomsrecht of overdracht van een ander zakelijk recht, vergezeld van de nodige stavingsdocumenten, binnen een termijn van tien dagen, ingaand de dag na deze van de kennisgeving. Deze verplichting wordt in de beveiligde zending vermeld. De nieuwe eigenaars worden op hun beurt van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in kennis gesteld. ».

Art. 12.1.41. In artikel 3.1.2, § 1, van dezelfde codex worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° punten 1°, 4° en 7°, worden opgeheven;
2° er wordt een punt 13° toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 13° het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013. ».

Art. 12.1.42. In artikel 4.7.16, § 1, tweede lid, van dezelfde codex wordt de zinsnede « of in artikel 11, § 4, vierde lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- of dorpsgezichten » opgeheven.

Afdeling 2.
Opheffingsbepalingen


Art. 12.2.1. De volgende regelingen worden opgeheven :
1° de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen;
2° het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het laatst gewijzigd bij het decreet van 27 maart 2009;
3° het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 28 februari 2003, 10 maart 2006 en 27 maart 2009;
4° het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, gewijzigd bij de decreten van 18 mei 1999, 8 december 2000, 21 december 2001, 19 juli 2002, 13 februari 2004, 10 maart 2006, 16 juni 2006 en 27 maart 2009.

Afdeling 3.
Overgangsbepalingen


Onderafdeling 1.
Lopende beschermingsprocedures


Art. 12.3.1. De onder het stelsel van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg begonnen beschermingsprocedures worden voortgezet overeenkomstig voormelde decreten. Als op het moment van de inwerkingtreding van hoofdstuk 3, afdeling 1, van dit decreet het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen nog niet ter kennis werd gebracht, wordt het advies tijdens de voorlopige bescherming aan de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed gevraagd.

Onderafdeling 2.
Oude beschermingsbesluiten


Art. 12.3.2.

De besluiten tot bescherming als monument genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen of het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als monument.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.


Art. 12.3.3. De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld voor de bescherming in artikel 6.1.2, 6.1.5, 6.1.6, 6.1.7, 6.1.13, 6.1.15, 6.1.16, 6.1.17 en 6.1.18.

Art. 12.3.4. De Vlaamse Regering wint voorafgaand aan de voorlopige omzetting advies in bij de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed.

Art. 12.3.5.

Het besluit tot voorlopige omzetting bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat omgezet wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat omgezet wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van omzetting;
5° een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud.

Bij elk besluit tot omzetting worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed na omzetting nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot omzetting zijn opgenomen, nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 12.3.6.

Het besluit tot definitieve omzetting bevat minstens de volgende gegevens :
1° het opschrift van het besluit dat omgezet wordt;
2° de datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit dat omgezet wordt;
3° in voorkomend geval de kadastrale gegevens van het perceel of de percelen waarop het beschermde goed zich bevindt;
4° de redenen van omzetting;
5° een beschrijving van de impact op de beheersdoelstellingen, een beschrijving van de impact op de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud.

Bij elk besluit tot definitieve omzetting worden de volgende bijlagen gevoegd :
1° een plan waarop het beschermde goed na omzetting nauwkeurig wordt afgelijnd en waarop de plaats van de aanplakking van het bericht over het openbaar onderzoek wordt aangeduid;
2° een fotoregistratie van de fysieke toestand van het beschermde goed;
3° in voorkomend geval een lijst met de cultuurgoederen die integrerend deel uitmaken van het beschermde goed;
4° een document waaruit de behandeling van de bezwaren blijkt.

De Vlaamse Regering kan de gegevens die in elk besluit tot definitieve omzetting of in de bijlagen zijn opgenomen nader omschrijven of uitbreiden.


Art. 12.3.7. Tot de vaststelling van het besluit tot definitieve omzetting blijven de rechtsgevolgen van het vorige besluit tot definitieve bescherming van kracht. De rechtsgevolgen van een besluit tot omzetting zijn van toepassing :
1° op de zakelijkrechthouders vanaf de kennisgeving, vermeld in artikel 6.1.16;
2° op de gebruikers en de eigenaars van de cultuurgoederen vanaf de kennisgeving door de zakelij krechthouders, vermeld in artikel 6.1.16;
3° op iedereen vanaf de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, vermeld in artikel 6.1.15.

Art. 12.3.8.

De besluiten tot bescherming als landschap genomen in toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als cultuurhistorisch landschap.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, monument of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, monument of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.9.

De besluiten tot bescherming als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten voor de wijziging bij het decreet van 22 februari 1995, de besluiten als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, eerste streepje, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten na de wijziging bij het decreet van 22 februari 1995 behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als stads- en dorpsgezicht.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als archeologische site, monument of cultuurhistorisch landschap en er de rechtsgevolgen van een bescherming als archeologische site, monument of cultuurhistorisch landschap overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.10.

De besluiten tot bescherming als stads- of dorpsgezicht in de zin van artikel 2, 3°, tweede streepje, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als overgangszone bij een monument.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als cultuurhistorisch landschap en er de rechtsgevolgen van een bescherming als cultuurhistorisch landschap overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Art. 12.3.11.

De besluiten tot bescherming als archeologisch monument of als archeologische zone genomen bij toepassing van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven.

Ten aanzien van deze beschermingsbesluiten gelden de algemene voorschriften voor instandhouding en onderhoud vastgesteld overeenkomstig artikel 6.4.2 voor zover zij niet afwijken van de bijzondere voorschriften voor de instandhouding en het onderhoud opgenomen in het beschermingsbesluit en de gevolgen die dit decreet verbindt aan een bescherming als archeologische site.

De Vlaamse Regering kan een beschermingsbesluit als vermeld in het eerste lid omzetten in een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht en er de rechtsgevolgen van een bescherming als monument, cultuurhistorisch landschap of stads- en dorpsgezicht overeenkomstig dit decreet aan koppelen.

De omzetting van een besluit tot definitieve bescherming gebeurt onder de voorwaarden en in de vorm vastgesteld in de artikelen 12.3.3 tot en met 12.3.7.


Onderafdeling 3.
Premies


Art. 12.3.12. De aanvragen van een premie overeenkomstig het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium die bij het agentschap per beveiligde zending ter kennis werden gebracht voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 10, afdeling 2, worden afgehandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum met uitzondering van de kwaliteitseisen voor de uitvoering van de beheersmaatregelen, werkzaamheden en diensten. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de kwaliteitseisen.

Voor de in het eerste lid vermelde aanvragen voor een premie voor beschermde monumenten die bestemd zijn voor een erkende eredienst kan geen premie worden toegekend zolang er geen actueel kerkenbeleidsplan aan het agentschap is bezorgd. Als het agentschap op 1 oktober 2017 geen kennis heeft genomen van een actueel kerkenbeleidsplan, moet een nieuwe premieaanvraag overeenkomstig artikel 10.2.1 worden ingediend.

Voor de berekening van de restauratiepremie op basis van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten wordt de aanvaarde kostenraming niet vermeerderd met de btw.

Art. 12.3.12/1. Meerjarige subsidiëringsovereenkomsten als vermeld in artikel 11, § 8, tweede lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en gesloten uiterlijk op 31 december 2014 overeenkomstig afdeling VI/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2001 houdende vaststelling van het premiestelsel voor restauratiewerkzaamheden aan beschermde monumenten, kunnen in onderlinge overeenstemming gewijzigd worden door middel van addenda en dit overeenkomstig de regels die golden voor de inwerkingtreding van het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.

Onderafdeling 4.
Beheersplannen beschermde landschappen en erfgoedlandschappen


Art. 12.3.13. De herwaarderingsplannen goedgekeurd overeenkomstig het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de beheersplannen opgemaakt overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg behouden hun rechtskracht tot zij overeenkomstig dit decreet worden gewijzigd of opgeheven. Ten aanzien van deze beheersplannen gelden alle gevolgen die dit decreet verbindt aan de beheersplannen, vermeld in hoofdstuk 8.

Onderafdeling 5.
Vergunningsaanvragen en beroepsprocedures


Art. 12.3.14.

Behoudens andersluidende bepalingen is dit decreet vanaf de datum van inwerkingtreding van toepassing op alle toelatings-, vergunnings- en beroepsprocedures, vermeld in dit decreet, in de stand waarin zij zich bevinden.

Beslissingen van het agentschap tot toekenning of weigering van een machtiging of schriftelijke vergunning voor werken waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen, beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones, genomen voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Als er in de in het tweede lid omschreven gevallen voor beschermde monumenten en constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten bij het instellen van het georganiseerd administratief beroep bij de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 11, § 4/1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten nog geen advies van de expertencommissie is verleend en hoofdstuk 3, afdeling 1, is al in werking getreden, wint de Vlaamse Regering het advies in van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 11, § 4/1, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Aanvragen voor de in het tweede lid opgesomde machtigingen en vergunningen die bij het agentschap werden betekend voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, maar waarover het agentschap nog niet heeft beslist als het hoofdstuk 6 in werking treedt, worden behandeld overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden overeenkomstig artikel 6.4.6, eerste lid.

Meldingen van werken betreffende niet als monument beschermde constructies binnen beschermde stads- of dorpsgezichten waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is, overeenkomstig artikel 11, § 4, derde lid, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden behandeld overeenkomstig de procedureregels die golden voorafgaand aan die datum. Als het college van burgemeester en schepenen van oordeel is dat er voor de aangemelde werken een machtiging vereist is, gelden de regels overeenkomstig het tweede, derde en vierde lid van dit artikel.

Beslissingen tot toekenning of weigering van een omgevingsvergunning, een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin een machtiging of vergunning geweigerd of verleend wordt voor werken betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen en beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones, genomen voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden wat die werken betreft bekendgemaakt en kunnen uitgevoerd en bestreden worden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Aanvragen voor een omgevingsvergunning, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning waarin ook moet geoordeeld worden over werken betreffende beschermde monumenten, constructies binnen beschermde stads- en dorpsgezichten, beschermde landschappen, beschermde archeologische monumenten en beschermde archeologische zones en die betekend werden voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, maar waarover de vergunningverlenende overheid nog niet heeft beslist bij de inwerkingtreding van hoofdstuk 6 van dit decreet, worden behandeld overeenkomstig de procedureregels die golden voorafgaand aan die datum. De beslissingen worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum. Die genomen beslissingen kunnen worden bestreden overeenkomstig artikel 6.4.6, tweede lid.

Als er voor beschermde monumenten en constructies binnen stads- en dorpsgezichten bij het instellen van het beroep nog geen advies van de expertencommissie is verleend en hoofdstuk 3, afdeling 1, is al in werking getreden, wint de Vlaamse Regering het advies in van de Vlaamse Commissie Onroerend Erfgoed. Dit advies heeft de gevolgen als omschreven in artikel 11, § 4/2, van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Beslissingen over schriftelijke vergunningen om archeologische opgravingen, prospecties met ingrepen in de bodem en graafwerken uit te voeren en om detectoren te gebruiken met de bedoeling onroerende archeologische monumenten op te sporen en vrij te leggen en roerende archeologische monumenten te verzamelen of uit hun originele context te verwijderen, genomen overeenkomstig het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van dit decreet, worden bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.

Aanvragen voor schriftelijke vergunningen voor de in het vorige lid omschreven ingrepen die werden betekend voor de inwerkingtreding van hoofdstuk 5 van dit decreet worden behandeld, bekendgemaakt en kunnen worden uitgevoerd en bestreden overeenkomstig de regels die golden voorafgaand aan die datum.


Onderafdeling 6.
Ankerplaatsen en erfgoedlandschappen


Art. 12.3.15.

De ankerplaatsen definitief aangeduid overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg worden beschouwd als een vaststelling van de landschapsatlas als vermeld in hoofdstuk 4 van dit decreet en als onroerenderfgoedrichtplannen als vermeld in hoofdstuk 7 van dit decreet. Voor die ankerplaatsen geldt de motiverings- en zorgplicht, vermeld in artikel 4.1.9 van dit decreet.

De ankerplaatsen voorlopig aangeduid overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg kunnen overeenkomstig dat decreet definitief worden aangeduid.


Art. 12.3.16. De erfgoedlandschappen afgebakend overeenkomstig het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg worden beschouwd als erfgoedlandschap in de zin van dit decreet.

Onderafdeling 7.
Inspecteurs Onroerend Erfgoed


Art. 12.3.17.

De ambtenaren, vermeld in artikel 14 en 15 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, artikel 30 tot en met 32 en 37 van het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium en artikel 40 en 42 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, behouden hun respectieve bevoegdheden van opsporing, vaststelling, herstelvordering en uitvoering van gerechtelijke titels met overeenkomstige toepassing met afdelingen 3 en 4 zolang de inspecteurs Onroerend Erfgoed nog niet zijn benoemd.

Zodra de inspecteurs Onroerend Erfgoed benoemd zijn, nemen zij de bevoegdheden van de ambtenaren, vermeld in het eerste lid, over. Zij zetten de herstelvorderingen voort die door de daartoe gemachtigde ambtenaren reeds werden ingeleid bij het parket of aanhangig gemaakt bij de burgerlijke rechter, en dragen zorg voor de uitvoering van gerechtelijke titels, gewezen onder gelding van de decreten, vermeld in het eerste lid, en de wetten en de decreten die vervangen zijn door de bedoelde decreten.

De stakingsbevelen, regelmatig gegeven en gehandhaafd onder gelding van de decreten, vermeld in het eerste lid, verkrijgen dezelfde rechtsgevolgen als omschreven in hoofdstuk 11, afdeling 5, onderafdeling 2.


Onderafdeling 8.
Inventaris bouwkundig erfgoed


Art. 12.3.18.

De bestaande reglementaire gevolgen van de inventaris bouwkundig erfgoed, vastgesteld door de administrateur-generaal van het agentschap Onroerend Erfgoed op basis van artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten blijven van kracht totdat hoofdstuk 4 van dit decreet en dit artikel in werking treden.

De laatste vaststelling van de inventaris bouwkundig erfgoed bij besluit van de administrateur-generaal van het agentschap Onroerend Erfgoed op basis van artikel 12/1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten voorafgaand aan de inwerkingtreding van hoofdstuk 4 van dit decreet, geldt als vaststelling overeenkomstig artikel 4.1.1. Artikel 4.1.9 is op deze inventaris enkel van toepassing voor de goederen die aan een openbaar onderzoek overeenkomstig artikel 4.1.3 zijn onderworpen.


Onderafdeling 9.
Informatieplicht met betrekking tot publiciteit en onderhandse en authentieke akten


Art. 12.3.19. Artikel 4.1.11 en 6.4.9 zijn pas van toepassing op de onderhandse en authentieke akten afgesloten na de datum van inwerkingtreding van het decreet.

Onderafdeling 10.
Bestaande reglementaire bepalingen


Art. 12.3.20. De bestaande reglementaire bepalingen die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen en niet zonder voorwerp noch in tegenstrijd zijn met dit decreet, blijven van kracht totdat ze worden gewijzigd, opgeheven of vervangen door besluiten genomen ter uitvoering van dit decreet.

[Onderafdeling 11.
Bekrachtiging van de archeologienota of nota en de melding van het voornemen van een archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem (ing. Decr. 13 juli 2018, art. 64, I: 1 april 2019)]


Art. 12.3.21. De bekrachtiging van een archeologienota of een nota overeenkomstig de bepalingen die golden voor de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, wordt gelijkgesteld met een aktename van een gemelde archeologienota of nota.

Art. 12.3.22. De melding van het voornemen om een archeologisch onderzoek met ingreep in de bodem uit te voeren, gemeld overeenkomstig de bepalingen die golden voor de datum van de inwerkingtreding van dit artikel, en waarbij die melding niet werd geweigerd door het agentschap of in voorkomend geval de onroerenderfgoedgemeente, wordt gelijkgesteld met een toelating om een archeologisch vooronderzoek uit te voeren met ingreep in de bodem.

Afdeling 4.
Inwerkingtreding


Art. 12.4.1. Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering per artikel te bepalen datum.

Art. 12.4.2. Hoofdstuk 5 en artikel 12.2.1, 3°, treden in werking op de datum bepaald in het besluit houdende de vaststelling van lijst van aangeduide erkende archeologen.