Afdeling 1.
Algemene beginselen


Onderafdeling 1.
Passiefbehoudsbeginsel


Art. 5.1.1. Het is verboden archeologische artefacten, archeologische sites en archeologische ensembles te ontsieren, te beschadigen of te vernielen.

Onderafdeling 2.
Metaaldetectie


Art. 5.1.2. Het is verboden zonder erkenning als metaaldetectorist of in afwijking van de code van goede praktijk met metaaldetectoren archeologische artefacten en archeologische sites op te sporen.

Onderafdeling 3.
Archeologisch onderzoek


Art. 5.1.3. Het is verboden zonder toelating van het agentschap of in voorkomend geval van de erkende onroerenderfgoedgemeenteeen archeologisch vooronderzoek met ingreep in de bodem, een archeologische opgraving of graafwerken uit te voeren met de bedoeling archeologische sites op te sporen en vrij te leggen of archeologische artefacten uit hun originele context te verwijderen.

Onderafdeling 4.
Toevalsvondsten


Art. 5.1.4.

Iedereen die, op een ander moment dan bij het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek, een archeologische opgraving of het gebruik van een metaaldetector, een roerend of onroerend goed vindt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat het archeologische erfgoedwaarde heeft, is verplicht daarvan binnen drie dagen aangifte te doen bij het agentschap. De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

In voorkomend geval brengt het agentschap de zakelijkrechthouder en de gebruiker van de betrokken percelen, als ze niet de vinder zijn, en de gemeenten waar de vondsten worden gedaan ervan op de hoogte dat er vondsten zijn gedaan die vermoedelijk archeologische erfgoedwaarde hebben en wat de rechtsgevolgen daarvan zijn.

De zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder moeten tot de tiende dag na de aangifte de gevonden goederen, vermeld in het eerste lid, en hun context:
1 in onveranderde toestand bewaren;
2 tegen beschadiging of vernieling beschermen;
3 toegankelijk maken voor archeologisch onderzoek door het agentschap..

De Vlaamse Regering kan de nadere regels daarvoor bepalen.

In functie van het onderzoek, vermeld in het derde lid, 3, kan het agentschap de termijn van tien dagen inkorten of verlengen. Het agentschap brengt de zakelijkrechthouder en de gebruiker daarvan per beveiligde zending op de hoogte. Na het verstrijken van de termijn zijn de zakelijkrechthouder, de gebruiker en de vinder niet langer onderworpen aan het passief-behoudsbeginsel voor archeologisch erfgoed voor wat betreft de gemelde vondst.