Onderafdeling 2.
Verplichting vergunningsverlener


Art. 5.4.4. De verlener van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden neemt, behoudens in de gevallen omschreven in artikel 5.4.1, derde lid, enartikel 5.4.2, vierde en vijfde lid, het naleven van de archeologienota waarvan akte isgenomenen van dit decreet op als voorwaarde in de vergunning. De werken in de archeologienota waarvan akte isgenomenovereenkomstig artikel 5.4.9 en in denota waarvan akte is genomenovereenkomstig artikel 5.4.17 worden geacht te zijn vergund.

Een afschrift van de stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning of van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of voor het verkavelen van gronden waarin het naleven van dearcheologienota waarvan akte is genomenals voorwaarde wordt opgenomen, wordt door de vergunningverlener binnen een ordetermijn van tien dagen en schriftelijk bezorgd aan het agentschap.

De verlener in eerste of laatste administratieve aanleg van de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden kan over een vergunningsaanvraag als vermeld in artikel 5.4.1 en 5.4.2 van dit decreet, waarbij een gemelde archeologienota toegevoegd is, alleen maar een beslissing nemen binnen de vervaltermijnen, vermeld in artikel 32, 1, 2 en 3, artikel 46, 1, en artikel 66, 1, 2, 2/1 en 3, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, als de aktename van de gemelde archeologienota bezorgd is door de vergunningsaanvrager voorafgaand aan het verlenen van de vergunning.